donderdag 30 januari 2020

Laatste uit een serie van 4 Tamazight-liederen uit 1934.



Ik heb Sidi El Mekki (1) op het gemeentehuis aangetroffen om zich
in te schrijven. Hij was het die ons land in bescherming nam. Jij bent het die door met een vork het gedorste koren omhoog te gooien het kaf van koren zou scheiden, oh maraboet, die geen maraboet is (2).


Ik heb mijn rechterhand met de linkerhand laten vechten (3). Maar, de hand die iets is overkomen, heeft ook mij getroffen.


Ik kan geen jeneverbessen meer eten; U  die dwangarbeid verricht in dienst van de vijand, u hoeft geen kalk (4) meer aan dragen. Ik heb niets eraan verdiend, u heeft er niets aan verdiend: het is alsof ons een ragout van hond (15) werd voorgezet.


Ga, vliegtuig (5), ga weg: je kunt nu uitrusten. Hij heeft zich onderworpen, de Sidi El Mekki die jij zocht. Jij die de wegen onveilig maakte om er de voorbijgangers te beroven, het is nu jouw beurt om  dwangarbeid in dienst van de vijand te doen. De (Franse) regering zal je slaan, jij zult aarde verstouwen. Wat voor vader had jij, maraboet?



Oh jij Ou Haddou vertrek uit je land; er zijn geen verborgen hoekjes meer in de steile bergen. De Fransen (Westerlingen) slagen erin om overal te komen.



Het is een echte baas, een zoon van de bergen die ons is komen opzoeken. Steiltes houden hem niet tegen; aan hellingen beleeft hij alleen maar plezier.


De hemel aan gindse zijde staat niet op u te wachten. In dit hedendaagse ondermaanse leeft u als honden, oh knechten van de Fransman (Westerling).


Is er iemand onder u die dood is? En die toen uit de dood is opgestaan om u te komen vertellen hoe het er in  de hemel aan toe gaat? Is het zeker dat er voor u een plaats in de hemel is gereserveerd?


Waarom zijn we niet gestorven, voordat de Fransman (Westerling) zijn opwachting bij ons maakte? Mijn God, je hebt me laten leven: wij  leven onder het juk van de vrede van de Fransen (Westerlingen).


Jullie, zonen van Sokhman (6), jullie zwerven langs de wegen, in voorbij trekkende konvooien. Sidi El Mekki, je bent net als een vos, die in het geniep wat stukken vlees voor zichzelf opzij heeft gehouden (7).


De Fransen (Westerlingen) hebben Bab n’Waïad (8) omsingeld. Ze hebben hun tenten opgeslagen en houden het onder controle. Als God hen niet straft, oh zoon van Sidi Ali, hoe zouden wij dan daarin kunnen slagen?


Ik ben naar jou gegaan, oh Tafezza (9), waar alles is begonnen. Ik heb er stapels lijken aangetroffen, netjes als repen huid naast en op elkaar gelegd. Maar ik heb het geluk gehad dat de zoon van Sidi Ali zijn oog op mij liet vallen en mij redde. Hij gaat zich ten koste van mij verrijken.


Oh verzet tot elke prijs, de maraboet heeft alles van u geëist. Er was niets meer aan te doen. De moeder van de maraboet heeft hem gezegd: Het staat in de boeken van God geschreven: “bonjour!” (10).


Wat hebben die mannen die in het dorp zijn teruggekomen, een slecht humeur, alsof ze niet aanstaat wat er gebeurt. Morgen is er markt: koop een bajonet, want ze hebben geen zin om “bonjour” te zeggen!


Oh volgelingen van de maraboet (Sidi El Mekki), u die daar staat te bibberen als een te vroeg geschoren lam. Wie het laatst lacht, lacht het best. Kom dwangarbeid verrichten in dienst van de vijand, nu is het jouw beurt.


Bab n’Waïad heeft het doorverteld aan berghelling Taqqat: zie hoe de Fransman (Westerling) ons heeft bereikt, zo zal het ook jullie van Taqqat vergaan.


Ik ga je niet je hand kussen (11) ook al ben je een afstammeling van de profeet: ik vertrouw je niet. Jij wist niets (12): je had ons niet de oorlog in mogen meenemen. Je had ons bij onze akkers moeten laten blijven.


Oh jij, leg je erbij neer, oh lam dat bij de scheerder komt. Je hebt het geluid van de knippende schaar gehoord. Zie wat ervan komt, als je je verzet, je gaat ervan bloeden. En daar komen de vliegen op af om er hun eitjes in te leggen.


Ik heb het verdiend dat ze me met de zweep slaan, het is mijn eigen schuld dat ik het hout moet dragen op mijn schouders (13). Sinds ik mijn land heb verlaten, ben ik tot Wanergi (14) gekomen. Nu ben ik hier teruggekeerd, ik zal dwangarbeid moeten doen in dienst van de vijand.


De wilde beesten hebben een baas gekregen. Hij had een lijn bij zich, waarmee hij ze allemaal heeft vastgebonden (15). Daarna is hij gaan schreeuwen, en de wilde beesten raakten in paniek waardoor de lijn zo strak werd aangetrokken dat ze zichzelf verwurgden, oh gij mensen van eigengereide beslissingen (16).


Wat is het heerlijk om in een colonne te lopen….was maar onderweg voor de moslims. Dan zou ik niet bang zijn mij te bezondigen.


Oh voorbijganger, vertel dit door aan de mensen op de Tizi Ouqcha (17): het is beter jeneverbes te eten en niet in de aarde te wroeten.

Oh onderworpene, ik wil de mannen in soldatendracht niet afwachten. Oh mijn land, ik hou van je.


Jij bent mooi Bencherrou(18): oh mijn land, wat zijn je velden mooi. Kujjan (19), is niet dood, in zijn eigen land.


Oh Lqbab, waar een massa mensen altijd bijeen kwam. Nu zijn er kanonnen, Fransen (Westerlingen) en lafaards. Alleen nog maar mannen in nette kleren die lanterfanten in de huizen van de dapperen. 


donderdag 23 januari 2020

Izlan en Imaiat.


Als ik tot in mijn tenen voel dat ik liefheb,
dan is het alsof er regen valt op jonge gerst.


Als wij sterven, zal er geen liefde meer zijn;
we blijven zitten met de stenen en planken van het graf.
De engel (1) die ons komt ondervragen, zal (oplichtend) boven ons staan.


Ik ben langs de tent gegaan van haar die ik liefheb (2).
Oh spijt en herinneringen: jullie vermalen (3) mijn inborst.


Water is er voor de dorst om van te drinken.
Mijn dorst gaat uit naar mijn vriendin om mijn verlangen te lessen.
Wat ben jij gelukkig, valk die zweeft op gestrekte vleugels door de lucht.
Jij ziet de vlakte en de bergen. Je vliegt over kloven en bespiedt de steile bergwanden. Je bent niet bang te vallen. Zorgeloos.


Wat je ook huilt, hoe de tranen ook stromen, hoezeer je oog door verdriet niet meer kan zien, dat zal me mijn vriendin niet terugbrengen, zij is dood.


Ik ben naar het graf gegaan van haar, die ik liefheb:
Ik sprak haar aan, maar er zat tussen ons een hoop aarde.


Ik heb thee gekocht die niet goed is. Niets dan lucht (7). Daar sta je dan,
zonder besef. Daar sta ik dan met lege handen, ik die er flink voor heb moeten betalen. Daar heb ik niet voor gekozen.


Het geweer brengt verdriet. De thee is niet te zuipen.
Bekijk het eens zó: die Westerling, geeft die de mensen ruimte om te dwalen?


De roep van een uil in de nacht als van je lief, de liefde en liefdessmart zijn redenen naar rotsige bergtoppen te klimmen, om er te huilen.


Zie wat de liefde doet met een vogel! Des te meer reden heeft hij die aan jou, oh schoonheid, is gewend geraakt, geraakt te zijn.
Ah, als ik ossen (4) zou kunnen hoeden, dan zou ik ook haar die ik liefheb onder mijn hoede nemen. Een dwaas zou ons begeleiden. Hij zou voor ons de kudde hoeden.


Ik zeg je, mijn liefde, vertrouw je vaarwel toe aan de valken. Wat de mensen aangaat, die zullen je verraden, heb geen vertrouwen in ze.


Het is de islamstudent die liegt. De hemel is daar waar de mooie vrouwen zijn. Jouw heilige kennis, mijnheer, laat haar haar schoonheid verliezen.


Oh oog van mij, ik zal het je nooit vergeven: jij hebt mij tot op het bot in vuur en vlam gezet.


Wanneer er ruzie is in huis, hoe je ook je best doet om met boter de couscous op smaak te brengen, het zal je niet lukken.


Ze huilen, de katten, in de huizen van Khenifra (5). Ik wilde niet huilen, maar mij heeft het mijn hart gebroken.


Wat heb je gehuild, mijn hemel nog aan toe, toen je lief is gestorven. Wat heeft de aarde gehuild, toen zij erin afdaalde.


In de nacht waarin mijn lief is gestorven, klonk er een schreeuw van verdriet. De gebochelde berg heeft zo hard gehuild, dat de wilde beesten weg zijn gevlucht.


Zo is het ook met mij, als ik opsta; zo is het ook met mij, als ik op weg ga: was zij maar thuis!

Tot nu toe was je mijn geweer, mijn vriendin. Nu ben je oud: een oud geweer neem je niet meer mee op jacht.


Statenbaas, je hebt het land van de helden (6) in beslag genomen. Als ik je wil bestrijden, dan kom je opdraven met je kanonnen. Als ik je je gang laat gaan, komt de profeet mij vertellen: trek ten strijde tegen die Westerling!


Als hij van mij houdt, mijn liefje, zal hij huilen. Hij zal huilen als een moederschaap met een pas geboren lam dat bij haar is weggehaald, en dat schaap blijft maar blaten en kijken naar de plaats waar ze haar kind uit het oog heeft verloren, weg in het duister van de tenten.


Kijk, hier staat de ruiter te paard met een geweer en 200 kogels: alles wat hij ons opdraagt, voeren we uit.


De liefde is iets moois, ook al ruïneert het ons. De liefde heeft alles wat iemand tot een man maakt. Een man zet zich in zijn hoofd trots en moed.


Op het dienblad staan glazen. Het zijn er heel veel. Het mooi met goud vergulde glas houdt het oog van de gast vast. Hij laat er langzaam zijn blik over heen glijden.


Ik ga liggen, ik val niet in slaap. Als ik grijs ben geworden, komt dat omdat ik veel ellende heb gekend.


Oh wijngaard (7) , ik heb je schaduw bezocht. Dat deed mij genoegen. Maar ik ben bang, omdat er om je heen een jujubes-heg staat (8).


Een glas thee verkwikt het vermoeide hart. Hij zorgt voor tijd om te minnen tijdens de siësta.


Vooruit, val de nacht aan, vecht tot de ochtendschemering en de dag aanbreekt, oh moslims. Waartoe dient het vernederende bestuur van de Westerling?


Hij die onderworpen is, zit in het gevang (9) of werkt met kruiwagens om wegen aan te leggen. Het is niet gemakkelijk met de Westerling zich te verhouden.


Ik ben weggegaan. Ik zei tegen mezelf, ik ga weg om je te zoeken, mijn vriendin, onophoudelijk huilend. Maar ik heb je gevonden, jij was thee aan het drinken (10).


Ik ben weggegaan, en zei tot mezelf: misschien dat water redding brengt. Ik heb gedronken van het water, maar het water slaagde er niet in om het vuur in mijn ziel (11) te doven. Het wist mijn hart niet te verkwikken.


De dood waart ook in de tenten. Oh sidi Ali (12), wat mij betreft, word ik door de Zaïan (13) aan jouw zijde gedood. Leven zonder jou heeft geen zin.


Mijn hart verzucht, in mijn binnenste, als een duif, de muren buigen zich onder mijn snikken.


Oh gij, roep me: ’t is genoeg geweest, mijn land. Treur je niet om mij? Kun je gelukkig zijn met je gedachten bij mij?



woensdag 15 januari 2020


Op deze prachtige schoolplaat van Isings  (pag. 127) staat een zaal waarin Willem van Hildegaersberch een verhaal voorleest over een listige Jakhals die door de reconstructie van een misdaad nog net weet te voorkomen dat een goed mens sneuvelt in een onrechtvaardige rechtszaak. Willems naam verraadt dat hij uit het huidige Hillegersberg te Rotterdam afkomstig is. Het trof me hoe twee werelden die momenteel elkaar vaker ontmoeten, elkaar ook al eens in een verhaal uit 1353 waren tegengekomen. In onderstaand lied uit de Hoge Atlas (1934) komt net als in het verhaal dat in de zaal van Isings wordt voorgelezen de Jakhals voor. Wat de rol van de Jakhals is, die in het Rotterdamse verhaal Ondank is ’s werelds loon  (pag 269 in: Van Aladdin tot Zwaan kleef aan: lexicon voor sprookjes, ontstaan etc.) en  ook in het Berberlied uit 1934 voorkomt, valt te lezen in het commentaar op dit lied uit de Hoge Atlas.


Lied (izli) en dans (ahidou) (1)


Ik ben in mijn eentje naar mijn geliefde gegaan.
Alles is verlaten.
Het is alsof ik wordt geëscorteerd door ruiters:
mijn liefde vergezelt mij onderweg.
De regen valt, op jou, mijn hart;
de liefdesmist  drukt zwaarder dan een bewolkte hemel.

Ik ben naar mijn geliefde gegaan gisteren.
Vandaag heb je mij overvallen.
Ben je soms te paard, oh liefde, om mij te achtervolgen?

Oh Jakhals (2), de blijdschap maakt me aan het huilen.
Laat de tranen achterwege van hem die door liefde wordt gekweld.

Ik zeg je dit: vrouw, mogen je wangen zijn als granaatappels,
mogen je ogen koolzwart zijn, mogen je kuiten blank zijn en je armen
als je ze optilt, mogen ze zijn als de mooie rechte glanzende geweerlopen van de Fransen.

Oh theepot, de smid heeft je al eens onder handen genomen;
het is niet goed theedrinken uit een kapotte theepot.

Wanneer het oog slechts zoekt naar de geliefde,
ziet het de massale menigte niet, zelfs niet als er talrijke mensen zijn.

Mijn hart weet waar het is geraakt. Omdat ik
het verdraag, zeggen de mensen: met hem gaat het goed.

Geef me meer tijd, smeek ik, opdat ik kan gaan naar de kloof bij de rivier (voor een afspraakje).
Ik ken je niet, oh ere zij God, ik zal aan je als laatste voorbij gaan. (3)

Mijn hart is uiteen geknald als kalksteen.
Het vuur heeft zich eraan vergrepen: er is geen rook om de onrust in mijn hart te verraden.

Bij God, mijn liefde, heb ik je vader vermoord
zodat je mijn botten tot stof kon vermalen? (4)

Je lijkt op een bij, oh minnaars oog,
alleen op de mooiste bloemen laat je je neer.

Oh moeder mijn, geef mij een kussen om er mijn pijn op neer te leggen.
Mijn hart stroomt over, er is geen plaats meer voor nog meer verdriet.

Als de zon ondergaat, slapen alle moslims, behalve ik en het klaterende stromende water in het irrigatiekanaal
wij tweeën zijn wakker, de slaap maakt zich van onze ogen niet meester.

Ik ben in de schaduw van de jeneverstruik gegaan.
Ik zei tot me zelf: zij is goed.
Toen ik daar zo bleef staan, vielen de doornen op ons.

Het (haard-)vuur is een goede zaak. Als er geen vuur was, hoe zouden we dan ons schapenvlees roosteren? Als er geen vuur was, hoe zouden we thee zetten? Als er geen vuur was, hoe zou dan het vliegtuig opstijgen om de mensen uit hun tenten uiteen te jagen? (5)

Hij die vertrouwen stelt in een mooie vrouw, is als een strak heldere hemel in december.
Er zijn sterren: morgen bij het aanbreken van de dag, begint het te regenen.

De thee die lekker is, houdt van een man die net is als die thee.
Zijn kleren moeten netjes zijn en mooi, mooie vrouwen moeten hem omzwermen.

De profeet gaf niet om mooie kleren, de hemel en het hiernamaals zijn belangrijker dan de thee en de kaarsen. Oh gij, die in het valstrik van de Fransen terechtkomt.

Ik ben naar het graf van haar die ik lief heb gegaan. Oh verdriet, je verpulvert mij van binnen.
De verraders die mijn liefje hebben begraven, waarom hebben ze zoveel aarde op haar gedaan?

Als er dorpen van gekkies zijn, dan zijn er daarvan vast en zeker meer dan van dorpen met weldenkende mensen.

Of ik nu te eten heb of niet, of ik nu mijn broekriem aanhaal of niet, of ik nu eikels eet of smul van een lekker vogeltje!.......Maar wat de profeet aangaat, wij rekenen op hem. (6)

dinsdag 7 januari 2020

Een Berber (Tamazight)  gedicht, uit 1934, in een katholiek tijdschrift, Le Maroc Catholique.

In de inleiding zegt Paul Hector, de schrijver van het artikel, dat hij de gedichten publiceert om het grotere publiek kennis te laten maken met de poëzie van de Berbers. Het gedicht van vandaag is in het dialect van de Ichqirr uit deMidden Atlas bij Khénifra. Deze gedichten zijn nooit uitgegeven in een publicatie. Het gedicht is dan ook tijdgebonden, hoewel de setting waarschijnlijk al die is uit de tijd van de Romeinen. Behalve een dichter, en een muzikant is er altijd een grappenmaker aanwezig bij de voorstelling. Omdat het hier om een treurdicht (lees de zeer informatieve tekst over de elegie op Wikipedia) gaat, krijg je de indruk van een Romeinse begrafenis, waarbij de grappenmaker een cruciale rol speelde om het lot dat iemand had getroffen te relativeren, er een trompetter was om met schetterende geluiden de geesten te verdrijven, en een dichter om de loftrompet te steken.

De dichtkunst uit deze streek wordt met een Thamazigt woord “tamediazt” genoemd, de dichtkunst van de  troubadours (amediaz). Men kent deze aanduiding voor straatmuzikanten nog steeds. Mohammed Benzakour in zijn verzameling spreekwoorden uitgebracht onder de titel “10 Op een ezel” in 2018, haalt in dit verband het volgende spreekwoord aan: (Amedyaz n dchar war isfourrouz): “De troubadour van het eigen dorp vermaakt niet”. Hij legt daarbij uit dat net zoals de profeet in eigen land niet wordt geëerd, ook de troubadour in zijn eigen dorp geen geziene gast is. Ze trokken van plaats naar plaats, en mochten net als de Romeinse (Griekse) komedianten, geen grond bezitten. Zij leefden (zie Plautus: De vrolijke thuiskomst, of Aristoteles:   Poëtica(48a30) ,  van de gaven van degenen die er beter aan toe waren.

Schilderij van de Fantasia van Marokkaanse kunstenaar in Rabat 2017
In dit gedicht uit 1934 worden de verzetshelden herdacht die sneuvelden bij de Franse en Spaanse invasie in Marokko. Op het eind van het lied van volgende week komt een opmerkelijke zinsnede voor. Hier is sprake van een vliegtuig dat de dorpen (douar) bombardeert, als ik het goed heb begrepen. In zekere zin lijkt hier aan de orde een oefening in oorlogsvoering die later in de Spaanse burgeroorlog nog eens dunnetjes werd overgedaan: Duitse vliegtuigen die haarden van het verzet tegen Franco bombardeerden in opdracht van Hitler. Heeft deze elegie nou iets profetisch (1934-1936), of lees ik dat er alleen maar in? En nogmaals dat staat allemaal in een Frans katholiek tijdschrift uit 1934 te lezen! Een schitterend Berber-gedicht uit de strijd tegen de Fransen en Spanjaarden. Het roept bij mij herinneringen op aan de beste strijdliederen van Bertolt Brecht: welk bijtend cynisme! Wat een ambivalentie, die door merg en been gaat! Daar gaat-ie dan (klik hier voor de tekst in het Frans) : 

Gaan of blijven?


De man die dapper is en couscous aanbiedt
die verdient het een zadel op zijn paard te werpen (om het te bestijgen).
Maar een lafaard vecht niet: geef hem geen paard, geef hem geen couscous,
zet hem niet in het zadel!

Hij heeft zwarte banden (iflidjen) aan zijn tent zitten om hem groter te maken.
Met hoeveel banden hij zijn tent ook heeft bespannen, op een dag
is hij op zijn hoede, het enige dat door hem heen gaat is vluchten.

Hij heeft zijn melk (1) gedronken
en hij is opgestaan om zijn kamelen gereed te maken.
Hij bedriegt hem, hij bedriegt zijn zoon:
die zal ook lafaards voortbrengen
lafaards brengen lafaards voort.
En hij die de messen slijpt (2) zal hem voortdurend in het oog houden.

Maar hij heeft zijn melk gedronken
en hij is opgestaan om zijn kameeltjes in veiligheid te brengen
Hij bedriegt, de lafaard, als zijn zoon trouwt
zal die ook lafaards voortbrengen, alleen maar lafaards
Lafaards brengen lafaards voort!
Maar een man slijpt, slijpt zijn messen,
bloed aan zijn bajonet.

Jullie lafaards verdienen het niet te worden geprezen.
Kijk me aan: hier ben ik.
Ik ben in jullie midden!

De dappere is gebleven.
Hij had de moed,
van een lafaard; de angsthaas,
zakt de moed in de schoenen.
Hij is opgestaan (om zijn ‘gasten’ te ontvangen)
heeft ze boter voorgezet, heeft ze van couscous voorzien.

De dappere is gebleven,
Hij had de moed
van een lafaard:
hij stond op, bleef, ontving ze met boter en gaf ze couscous op de koop toe.

De dappere bekommerde zich om niets anders dan zijn oogst.
Mijn God! Doe goed aan hem,
verspreid zijn reputatie, schenk hem,
mijn God, schenk hem kinderen
opdat ze talrijk zijn in zijn haardstede.


Mijn hart zal nooit meer vreugde kennen, nooit meer!
Sinds ik de lege tenten zie, ze zijn er nog steeds
die tenten van de helden, ze zijn nog steeds niet weg.


maandag 30 december 2019


verzicht blog Klassieke Humor in 2019.


Een merkwaardig jaar! De pieken waren nooit zo hoog (984 hits); de dalen eveneens waren nooit zo laag (17 hits). Het gemiddelde aantal lezers blijft stabiel. Als er commentaar is, is het over het algemeen positief. Het aantal bijdrages van mij ligt beduidend lager dan in andere jaren. 

Daaraan ligt ten grondslag dat ik voor de serie Rabelais mij ertoe geroepen voelde veel zelf te vertalen. En wat voor vertalingen! Al bij de eerste aflevering (De geboorte van Gargantua) bleek mij dat de vertaling van Sandfort niet voldeed. Ik had echter niet verwacht dat dit zich zou blijven voordoen. Sandfort had er blijkbaar, lang voordat het surrealisme in de literatuur zich aandiende, toe besloten om de Gargantua en Pantagruel op die manier te vertalen. Een knap stukje eigenzinnigheid, wat het begrip van het verhaal op geen enkele manier goed doet. Ik denk zelfs dat het schade aanricht voor het waarderen van literatuur als een maatschappelijke kracht. Zoals ik het nu ken, had ik het niet begrepen en niet kunnen begrijpen, toen ik de eerste vijftig bladzijden in de vertaling van Sandfort las (verder ben ik nooit gekomen), nu veertig jaar geleden. En ik kan daarin niet de enige zijn. Hoe kan dat boek dan in zo’n grote oplage zijn verkocht? Omdat het in de boekenkast kwam te staan als een statussymbool, niet omdat men het gelezen had. Ik ben er nu van overtuigd dat het ook volstrekt onleesbaar is in die vertaling. En dat komt niet omdat er zoveel tikfouten in staan –die komen er, voor zover ik weet, niet in voor— maar omdat het verhaal uit zijn verband is gerukt. Ik wil er dan ook voor pleiten dat er zo vlug mogelijk een nieuwe vertaling wordt uitgebracht van de Gargantua en de Pantagruel, omdat de beide Reuzen het verdienen.


Het hoogste aantal lezers was van de Vrolijke thuiskomst van Plautus (geen eigen vertaling). Dat werd gevolgd door het verhaal van de Geboorte van Gargantua, nog hoofdzakelijk in de vertaling van Sandfort (566 hits). Daarna trok het verhaal over naar mijn idee de eerste detective de meeste belangstelling (527 hits), in een bewerking door Molière van De Vrek van Plautus. En ten slotte, dat deel uit Flauberts Salammbô, waarin ik me afvraag of wat er verteld wordt nog wel grappig is (270 hits).  De beide laatste stukken zijn eigen vertalingen. Al deze hoge scores (niet de lage) zijn van dit jaar. Een lijn kan ik er niet in ontdekken.


De stukken worden over de hele wereld gelezen; waarschijnlijk omdat er over de hele wereld Nederlanders wonen die voor de afwisseling graag eens een stukje in het Nederlands lezen. In Nederland wordt het blog het vaakst gelezen, daarna in Amerika, Duitsland, Rusland, België, Frankrijk, Oekraïne en Japan. Ook daarin zie ik geen echte lijn. Het is bijvoorbeeld niet zo, dat als de oorspronkelijke teksten in het Frans zijn, er meer Fransen zijn die op mijn blog komen. Ietsje, misschien, maar niet opmerkelijk veel meer. Waarom ontbreekt Marokko in deze lijst, terwijl ik,  én in het Berbers én in het Arabisch oorspronkelijke teksten die ik heb vertaald, aanlever? Overigens, heel Afrika ontbreekt in mijn lijstje. Hetzelfde geldt voor Turkije. Beide landen worden door veel Nederlandse toeristen bezocht, maar nooit een teken van leven uit deze landen. Waarom ontbreekt China? Misschien is er meer censuur dan ik vermoed? En dan is de vraag, waarom zou je dit censureren? Gemakzucht?


Als we de maanden langs lopen en daarbij stilstaan bij het verhaal met de hoogste score, blijft het beeld hetzelfde: geen duidelijke voorkeuren, afgezien van de pieken.
  • ·       Januari: al regelmatig genoemd: De vrolijke thuiskomst  (Stichus), van Plautus. Ik zie geen reden waarom dit zo vaak is gelezen.
  • ·       Februari: Wat is hieraan grappig? Poenulus, van Plautus. Dat dit vaker werd gelezen, kan ik begrijpen, omdat het naar mijn idee een van grappigste en interessantste bijdragen is van dit jaar.
  • ·       Maart: De eerste detective, De Vrek, Molière.
  • ·       April: Wat is hieraan grappig?  Salammbô, Flaubert. Tweekeer als ik me deze vraag stel, wordt het ook vaker gelezen. Toeval? Ik stel me de vraag, omdat het blog onderdeel is van een breder onderzoek, waarin ik me afvraag: wanneer is iets nog humoristisch en wanneer is het dat niet meer? Een moeilijk te beantwoorden vraag, blijkt steeds meer. Ben ik nu met het beantwoorden van die vraag verder gekomen? Uit de te herschrijven website valt op te maken, dat dat wel enigszins het geval is. Verschijnt omstreeks 1 maart! Er is vooruitgang! En waar vooruitgang is, daar is hoop, en waar hoop is, daar is leven.
  • ·       Mei: De geboorte van Gargantua, Rabelais. In deze maand ook een tussentijdsoverzicht dat goed werd gelezen. Reden: de meivakantie?
  • ·       Juni: Hoe een monnik van Seuillé etc. , Rabelais. Introductie van de trickster, broeder Jan, in het Gargantua en Pantagruel verhaal.
  • ·       Juli: Hoe Gargantua voor broerder Jan Thélème liet bouwen, Rabelais. Antwoord van Rabelais op het boek Utopia van Thomas More
  • ·       Augustus: De anciënniteit van Pantagruel, Rabelais. Kende Rabelais trickster verhalen uit Amerika?
  • ·       September: Intermezzo, met een link naar mijn Reconstructie van de Humorale Theorie. Kennis hiervan is een noodzakelijke voorwaarde om Klassieke Humor te kunnen plaatsen en begrijpen. Dat je dit leest, kan ik me voorstellen, omdat het een leuk en interessant verhaal is.
  • ·       Oktober: Hoe Pantagruel zee koos op zoek naar de goddelijke KlankKruik (Bacbuc), Rabelais.
  • ·       November: Achtergrondverhaal over De Ezel. Hoe de ezel symbool stond voor het christelijke geloof van de Donatisten van Noord Afrika. In dit verhaal staan zonder meer een paar kleine, maar interessante ontdekkingen.
  • ·       December: De rekenezels, een apocrief verhaal, toegeschreven aan Rabelais.

Volgend jaar:


Dit jaar ben ik niet aan Thales van Milete toegekomen. Daar wil ik het jaar mee beginnen. Omdat er veel werk is, aan de website Klassieke Humor, wil ik het in het begin rustig aandoen. Daarom een serie van nooit eerder vertaalde en gepubliceerde Marokkaanse, Arabische Spreekwoorden, opgetekend tijdens het Franse protectoraat.  Later aandacht voor al wel gepubliceerde spreekwoorden, maar dan in hoeverre ze ook terugkomen in de Klassieke Humor.

Ik denk dat ik dan ongeveer in de maand April zit. In deze maand eindelijk aandacht voor een van onze betere Nederlandse humoristische schrijvers: Rodenko. En wat heeft die met het Arabisch gedaan: zijn die vertalingen echt zo slecht?
Daarna het verhaal van de muizen, waaraan ik dit jaar ook niet ben toegekomen.

Ik wil het jaar afsluiten met humor van een van de klassieke schrijvers. Wie, weet ik nog niet.

dinsdag 24 december 2019


Kerst 2019

Hoe de tempel door een wonderbaarlijke lamp werd verlicht.

Vergeet niet het commentaar te raadplegen; zonder commentaar is maar 30-20% van de tekst te begrijpen!


Voordat we u aan de Fles gaan voorstellen, wil ik de wonderbaarlijke eigenschappen van een Lamp (1) beschrijven. Dankzij deze Lamp baadde de hele tempel in het licht, zo overvloedig, dat ook al bevonden we ons in een ondergrondse ruimte, je er kon zien alsof het midden op de dag was. De Zon scheen er helder en sereen, maar dan onder de grond.

De Lamp was midden in het gewelf aan een ring van puur goud met de omvang van een vuist (2) opgehangen. Aan de ring waren drie heel kunstig gemaakte kettingen van een iets mindere dikte dan de ring bevestigd. In de lucht opgehangen omspanden ze in een driehoek een ruimte van twee en een halve voet (2) , waaraan een rond gouden venster hing. De omvang besloeg twee el en een halve palm (2). In de cirkelvormige rand waren vier gaten of openingen, waarin een glazen bol stevig was vastgeklemd, hol van binnen, open aan de bovenkant, als kleinere Lampen met een omvang van ongeveer twee palmen (2). En alle waren vervaardigd van de kostbaarste steensoorten: de ene was van Amatist (3), de andere was van Libisch karbonkel (een bloedrode robijn, altijd lichtgevend) , de derde uit opaal, de vierde uit Amatist (zie noot 3 en 1). Alle waren vol brandend water (alcohol), vijf keer gedistilleerd in een spiraalvormige kolf (3) , geïnspireerd op het werk van Callimachus, die de Lamp voor Pallas Athene op de Acropolis ontwierp met een brandende pit, deels van onbrandbare asbestvezels (oorspronkelijke tekst gaat door: in de tempel van Jupiter in Armenië), waarbij Cleombrotus, een zeer ijverig filosoof,  studeerde, en deels van Karpasisch lont, waardoor het mogelijk was dat de vlam steeds bleef branden: het vernieuwt zich, terwijl het verteert.

Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (BacBuc) de tempel van binnen toonde waarin een fantastische fontein was.

Terwijl wij in extase deze wonderlijke tempel met zijn gedenkwaardige lamp aanschouwden, stelde de aanbiddelijke KlankKruik (BacBuc) met haar gezelschap zich aan ons voor met een lach over haar hele, blije gezicht. En toen zij zag dat wij ons hadden uitgedost zoals was afgesproken, leidde ze ons zonder dralen naar het midden van de tempel. En midden onder de genoemde Lamp was een fantastische fontein. 


Hoe het fonteinwater de wijn de smaak gaf die iedere drinker zich inbeeldde.

 Vervolgens bood ze ons drinknappen, kopjes en bekers van goud, zilver, kristal of porselein aan, en werden we charmant gevraagd te drinken van het klaterende vocht. En dat deden we graag. Want onze wijntap (4) was een fantastische fontein, gemaakt van een materiaal kostbaarder, zeldzamer en wonderlijker dan men zich kan voorstellen in de mijnen van Pluto (5). De onderkant van de fontein was van het allerzuiverste en zeer doorschijnende albast, het was drie palmen (2) hoog, misschien een beetje meer, in een zevenhoekige vorm, van buitenaf gezien in gelijke vlakken verdeeld, met zijn voetstukken, zijn aronskelkachtige kommetjes, guirlandes en golfpatronen in Dorische stijl rondom. De kom van binnen was helemaal glad rond. Midden op de hoek van de rand was een holle zuil, in de vorm van een ivoren of albasten cilinder, die moderne architecten portri (betekenis onbekend) noemen. Daarvan waren er in z’n totaal zeven, naar de zeven hoeken waarop ze stonden. De lengte hiervan van de voet tot aan de steunbalk (architraaf) was zeven palmen (2), meer of minder. Ze waren even lang als de precieze en geraffineerde afmeting van de diameter van de fontein, door het midden gemeten vanaf de rand door het ronde binnenste heen. (6)


In het bestek (7) van deze architecturale constructie troffen we de punt van de Pyramide, als we ons opstelden achter 1 van de zuilen -- op welke hoek dan ook -- tegenover de andere drie zuilen, in ons gezichtsveld als een hulplijn-projectie in het midden van de fontein, die zodoende de basis exact in twee helften verdeelde. De beide helften vormden om te zien twee tegenover elkaar liggende gelijkbenige driehoeken. De loodlijn verdeelde het oppervlak in precies twee gelijke delen. Om de omvang en het oppervlak (de doorsnee) te meten van de fontein wilden we gaan van de ene kant naar de andere kant (in afgemeten passen van een meter: 2) van de fontein. De hoogtelijn werd gevormd in de kruising door de lijnen van voet naar top door te trekken van twee recht tegenover elkaar staande zuilen, die imaginair op 1/3 de derde zuil doorsneden. Dat alles resulteerde in de omtrek van de fontein waarbij de lengte van de zeven zuilen verkregen door het trekken van een rechte hulplijn en die te delen door de helft, tenzij je niet van het goede vertrekpunt in het midden was uitgegaan. (6) Deze is gelijk aan die van de tegenoverliggende zijden in de rechte lijn, aanliggend aan de stompe hoek (Hypotenusa?  Onzin!?) U weet allen dat bij ongelijkbenige driehoeken er altijd een hoek is die ligt tussen twee scherpe hoeken. (waarom hij het nu ineens over ongelijkbenige driehoeken heeft, is mij een raadsel: grapje?) Langs een omweg werd ons duidelijk gemaakt dat 7 halve diameters (7 keer de halve zijde van een zevenhoek in een cirkel) als geometrische eenheid, omvang en afstand, iets minder is dan de omtrek van een cirkel (7). Om precies te zijn, deze eenheden zijn daarvan afgeleid: te weten drie hele waarbij opgeteld een achtste (min of meer), of een zevende en een half (een beetje minder) volgens de beweringen in de antieke oudheid van Euclides, Aristoteles, Archimedes en anderen (8).

De eerste zuil was van hemelsblauw saffier: de zuil stond bij de ingang van de tempel en stond meteen in ons blikveld. De tweede zuil leek op een hyacint zonder meer, de letters A I op verschillende plekken op de zuil aangebracht waren in die kleur, waarin het cholerische bloed (9) van Ajax werd veranderd. De derde zuil was van solide (10) diamant, schitterend en sprankelend als de bliksem. De vierde was van oranjerood robijn, mannelijk, en de kleur verliep als een flakkerende vlam met een gloed veranderend van oranje in paars, als de kleur van amethist. De vijfde zuil was smaragd groen, die was wel vijfhonderd keer zo mooi als die van Serapis (syncretisme)  in het Egyptische labyrint, fleuriger en glanzender dan die ogen die ze hebben gezet in  de marmeren Leeuw tegenover het graf van Hermias. De zesde was van agaat , vrolijker en gevarieerder in vlakken en kleuren dan die Pyrrhus , koning van Epirus, dierbaar was. De zevende zuil doorzichtig in de witte kleur van Beryllus, met een warme gloed als de honing van Hymetia (11) , zodat het wel de Maan leek qua vorm en beweging, met naast zich een windhond (?). 

Imagination: verbeelding (12).

Daarop kregen we mooie, vette en lekkere hammen voorgezet, mooie,  vette en lekkere gerookte ossentongen  (13), goeie en mooie worstjes van wild en cervelaatworst, kaviaar, wat we op haar verzoek opaten tot we niet meer konden. Onze magen konden niet meer verdragen en een kwalijke dorst begon ons parten te spelen.
Toen sprak zij: “Heel lang geleden was er eens een Joodse bevelhebber (14), belezen en ridderlijk, die zijn volk door de woestijn leidde terwijl ze verschrikkelijk honger leden. Hij vroeg de hemel om eten. De manna uit de hemel had in hun Verbeelding de smaak die tevoren hun echte eten had. Met de drank uit deze wonderlijke fontein is het precies zo gesteld: hij smaakt precies als wat je je verbeeldde te drinken als je vroeger echt wijn dronk. Laat je verbeelding (12) de vrije loop, en drink!” En dat deden we, wat Panurg de volgende uitspraak ontlokte: “God nog aan toe, dit is de wijn van Beaune, beter dan welke wijn die ik ooit te drinken kreeg, anders mogen zesennegentig duivels me komen halen!(15). Oh om beter te kunnen proeven zou je een keel moeten hebben van drie el, zoals Philoxenus (16) al zei, of als die van een Kraan (vogel), zoals Melanthius (17) die zich wenste.”

Hoe KlankKruik (BacBuc) Panurg opdirkte om het woord van de Fles te vernemen.

Na de drankjes en praatjes, vroeg Klankkruik: “Wie van jullie wil het woord van de goddelijke Fles vernemen?” “Ik,” zei Panurg, “uw nederige en kleine malloot (18)”. “Mijn vriend,” zei ze daarop, “ik hoef je maar een aanwijzing mee te geven: als je bij het orakel bent, zorg er dan voor dat je met maar één oor naar het woord luistert!” “Dan is het, “grapte broeder Jan, “de beste wijn uit een glas met een oortje”. Toen trok ze hem lompen aan, zette hem een mooi en wit nonnenkapje op, zette hem een trechter ondersteboven op naar de manier van Hyppocrates (19) en ten slotte in plaats van een sjerp speldde ze hem drie naalden in de vorm van ezelsoren (20) op, voorzag hem van twee ouderwetse buitenboord-gulpen (braguette) , omgordde hem met drie samengebonden doedelzakken, dompelde zijn hoofd drie keer onder in het water van de fontein, en gooide hem om te besluiten een handvol meel in het gezicht en plaatste drie hanenveren op de rechterkant van de hippocratische trechter. Daarop moest hij negen keer om de fontein heen lopen, zij liet hem een stuk of drie kleine mooie sprongetjes maken, liet hem zeven keer op z’n gat zitten, en dat onder het prevelen van ik weet niet wat voor bezweringen in het Etruskisch (21) en af en toe las ze een stuk voor uit een soort misboek, dat door een van haar mystagogue’s steeds achter haar aangedragen werd.

Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (Bacbuc) ons voorstelde  aan de genoemde Fles. 

Daar liet de edele opper-priesterlijke KlankKruik Panurg knielen en de rand van de fontein kussen. Daarna liet ze hem opstaan, en drie Bacchanale dansen rondom de fontein doen. Toen dat gebeurd was, moest hij tussen twee daartoe klaargezette zadels gaan zitten. Toen sloeg ze haar brevier open en terwijl ze hem de woorden in het linker oor fluisterde, liet ze hem het volgende dranklied zingen, dat ging als volgt (22)


(link naar grotere afbeelding)
Toen dit lied uit was, wierp KlankKruik iets –ik weet niet wat—in de fontein. Het water begon daarop geweldig te koken, als het water in de grote ketel van Bourgueil (23), wanneer men die met stokken bewerkt. Panurg luisterde stilletjes met een oor, KlankKruik lag op een knie dichtbij hem, toen er uit de Fles een geluid ontsnapte, als zoemende jonge bijen die zich aan jong stierenvlees tegoed doen, volgens de slagerskunst van uitvinder Aristaeus (24) bereid, of het zoevende geluid dat een snorrende pijl maakt als ze van de boog wegvliegt, of als geluid van een plotselinge stevige bui. En dat klonk als……”Trinch” “Oh,” schreeuwde Panurg, “ze is, ze is gesprongen, dat God me moge bijstaan, ik hoop dat ik het niet bij het goede einde heb: zo praten bij ons de kristallen flessen als ze te dicht bij het vuur staan en barsten”
Daarop stond KlankKruik op en pakte Panurg zachtjes, maar beslist in de oksels beet om hem op te tillen, en zei:
“Vriend, prijs de hemelen, daar is alle reden voor, zo snel als jij het woord van de goddelijke Fles hebt mogen ontvangen. Het is het charmantste, het meest goddelijke, het duidelijkste woord dat ik ooit heb gehoord in mijn tijd in dienst van het allerheiligste Orakel. Sta op allen, laten we naar het hoofdstuk gaan, waarin de strekking van dit mooie woord wordt uitgelegd. “Laten we gaan,” zei Panurg. “Misschien dat ik er dan wijzer van word, want nu weet ik nog even veel als tevoren. Leg me eens uit, waar is dat boek, waar is dat hoofdstuk, welk bladzijde moeten we omslaan om deze blijde boodschap te begrijpen.”

Hoe KlankKruik het woord van de Fles uitlegt.

Toen gooide KlankKruik iets –ik weet niet wat—in het bekken en meteen daarop hield het borrelen van het water op, en bracht ze Panurg naar de hoofdtempel. In het midden daarvan stond de leven brengende fontein. Daar haalde ze tevoorschijn een dik boek met zilverbeslag, helemaal kromgetrokken als een tonnetje of als één vierde deel van het boek met jurisdictie van de laatste veroordelingen, doopte haar hand in de fontein en schepte daaruit water, en zei:
“De filosofen, predikers en doctoren van uw wereld leiden u met voor uw oren welluidende woorden; die woorden worden hier in onze werkelijkheid mondeling gemasseerd en gemodelleerd. Toch zeg ik u niet: lees dit hoofdstuk, doorzie de strekking van het woord. Nee, ik zeg u: proef de smaak van dit hoofdstuk, slik de strekking ervan door. Ooit was er een profeet van de Joodse natie in de antieke Oudheid (25) die een boek helemaal opat. Toen was hij tot aan de tanden toe gewapend met de strekking van het woord, er helemaal van doordrongen: nu is het moment gekomen, waarop u ervan drinkt, en doe dat net zoals die profeet, proef wat het op z’n lever heeft. Drink, sper je kaken open.” Toen Panurg de mond wijdwagen open had, pakte KlankKruik het boek met zilverwerk. Tot op dat moment hadden we gedacht dat het een boek was, vanwege zijn vorm als dat van een brevier, en dat was het ook een echt brevier, maar met daarin een bastaard fles vol Falernische wijn. En die moest Panurg helemaal leeg drinken.
“Zò, “ zei Panurg, “dat is een opmerkelijk hoofdstuk! En de strekking heeft een authentieke smaak. Is dit nou alles wat de Hermes trismegistos (26) Fles ons pretendeerde te verstaan te geven met zijn  woord? Daar ben ik dan mooi klaar mee! Echt!”
“Niet meer en niet minder, “ antwoordde KlankKruik, “want “Trinch” is een woord met een waarheid als een koe, beroemd en in alle landen gehoord: het betekent “Drink!”. In die wereld van u, zeggen ze dat er in alle talen een woord is dat klinkt als “zak” (27). Het woord is terecht en juist opgepakt in alle landen. Want, zelfs Aesopus voert als verontschuldiging voor het gedrag van mensen aan dat ze met twee zakken om hun nek in het leven staan. De zak aan de voorkant van de ander zien we, die we zelf op onze rug ook met ons mee dragen, zien we niet (28). Zo is de mens: hulpbehoevend en altijd afhankelijk van de mening van een ander, elkaar bevragend. Onder deze hemel is er geen Koning hoe machtig hij ook is, die niet anderen nodig heeft. Er is geen arme zo arrogant, die niet van een rijke afhankelijk is, zelfs niet als hij is als de filosoof Hippias, de alleskunner. Zo kunnen we nog minder zonder drinken dan zonder zak. En ik wil beweren dat niet lachen, maar drinken (29) is dat de mens een mens maakt. Ik bedoel niet zomaar drinken, want de dieren drinken ook, maar het drinken van goede en frisse wijn. Ik wil u erop wijzen dat je zonder de goddelijke wijn minder helder denkt en kunt redeneren, en ook minder goed orakelt. Uw academici hebben de volgende etymologie voor het woord “wijn”, dat volgens hen komt van het Griekse woord οινος (oinos), dat zou samenhangen met het Latijnse woord voor kracht “vis”. Want drank kan de ziel doordrenken van alle waarheid, kennis en wijsheid. Misschien hebt u gezien wat er in Ionisch schrift boven de poort van deze tempel staat geschreven, dan zal u begrijpen dat in wijn waarheid is verborgen. De goddelijke Fles heeft u hierheen gestuurd: wees zelf degene die de betekenis van uw onderneming duidt.
“Het is onmogelijk, “zei Pantagruel, “het beter te formuleren dan deze aanbiddelijke opperpriesteres zonet heeft gedaan: nog meer dan in het begin ben ik ervan dus overtuigd: Trinch! Verhef je hart in Bacchanaal enthousiasme.

aten we drinken,” zei Panurg, ”op de goede Bacchus.
        Ha, ho, ho, ik ga van bil
        kort en goed van snee,
        de ballen goed gemutst,
        met mijn kleine menselijkheid.
        Wat is dat ouderschap?
        Mijn hart geeft mij oprecht in
        dat ik niet mijn hele leven alleen zal zijn:
        ik ga binnenkort in onze buurt trouwen.
         Belangrijk is: mijn vrouw komt
         geheel uit vrije wil naar het liefdes-strijdperk.
         mijn god, wat een woordenstrijd
         wacht er mij. Ik ploeter
         op en neer, meer en minder, en ploeter, à gogo,
         door en door, want ik ben goed doorvoed,
         Dat ben ik! Ik ben de goede echtgenoot,
         de beste van de besten. Ik bezing Io

         Ik bezing Io. Ik bezing Io.
         Io (30) trouwde driekeer.
         Ik zeg je broeder Jan,
         ik zeg je plechtig, waar en duidelijk,
         het Orakel is onfeilbaar:
         het is duidelijk en onontkomelijk.

Hierna barst de gemeente in een ware dichtorgie uit. Veel komen we niet meer te weten, dan dat ze huiswaarts keren en Panurg inderdaad trouwt, als in een sprookje: ze leefden nog lang en gelukkig (31: Propp, laatste functie).



 

dinsdag 3 december 2019

Hoe Pantagruel het eiland van de rekenezels (1) met de lange vingers en haakhanden bezocht; en van de avonturen die hij er meemaakte en de monsters die hij er aantrof.

Klik hier noten en commentaar.


Zodra het anker was uitgeworpen, en de zeilen verzekerd vastgezet, lieten we een sloep te water. Nadat de goede Pantagruel de gebeden had gezegd en de here God ervoor had bedankt dat Hij hen van zo’n groot gevaar had gered en ervoor behoed, klom hij met al zijn reisgezellen in de sloep om aan land te gaan. Dat was niet moeilijk, omdat de wind was gaan liggen en de zee tot bedaren was gekomen. In korte tijd bereikten ze de rotsen.

Epistemon stond vol verwondering het landschap en de vreemd gevormde rotsformaties te bekijken, toen ze voet aan wal zetten. En hij informeerde ernaar bij enige bewoners van het land. De eerste tot wie hij zich wendde, had kleren aan in de kleur van de koning (blauw) met een wambuis van fijne stof en satijnen mouwen. Hij had zeemleren schouderstukken en een (2) muts op. Kortom een man die er wezen mocht en die zoals we later vernamen Fortuinmaker heette. Epistemon vroeg hem hoe deze rotsformaties en vreemde valleien heetten. Fortuinmaker (3) antwoordde dat ze zich bevonden in een kolonie met de naam Dossiers (4), die gesticht was door het land Volmacht (5). Achter de rotsen, na een kleine doorwaadbare plaats te hebben overgestoken, zouden wij de Rekenezels (6) aantreffen.
“Bij de zegeningen van de Extravagantes (7), “ liet broeder Jan zich ontvallen, “ waar leven jullie (8), beste mensen, van? Zit er bij u ook nog voor ons wat onder de kurk? Want al wat ik zie aan materieel is perkament, inktpotten en schrijfveren.” “Dat is alles wat we nodig hebben om van te leven. Want iedereen die op dit eiland komt, nemen wij onder handen.” “Waarom?” zei Panurg, “Zijn jullie soms kappers? Moeten ze zich kaal laten scheren?” “Ja,“ zei daarop Fortuinmaker, “tenminste, als je bedoelt dat we ze financieel kaal plukken.” “Nou, “ zei Panurg die net zijn beurs was kwijtgeraakt, “van een kale kip valt het moeilijk veren te plukken. Maar breng ons naar die Rekenezels, want wij komen uit het land van Wetenschap waar geen rooie cent te verdienen valt.”

Terwijl zij zo kletsten, kwamen ze aan op het Eiland van de Rekenezels, want al vlug waren ze de doorwaadbare plaats overgestoken. Pantagruel had grote bewondering voor de infrastructuur, de bebouwing en 
huisvesting van de inwoners van het land. Want zij woonden in een grote (wijn-)pers, waar je inklom via een trap van 50 treden
(9), en om de grote pers
 (er waren kleine, grote, geheime, middelmatige en van allerlei andere soorten)  te betreden, moest je door een galerij met zuiltjes als in een klooster. Vandaaruit kon je de ruïnes zien van over de hele wereld. Dit panorama bood uitzicht op een galgenveld (10) met galgen en kruisen voor grote misdadigers, zodat je de schrik om het hart sloeg. Pantagruel die vond het wel wat. Toen Fortuinmaker dat zag, zei hij: “Meneer laten we doorlopen, dit is nog maar niks.”

“Hoezo,” zei broeder Jan, “dit is niks! De moed zakt me in de schoenen, het water stijgt me tot de lippen: Panurg en ik vergaan ondertussen van de honger. Ik heb dorst en die ruïnes zijn niet om aan te zien.” “Kom,” zei daarop Fortuinmaker. En leidde ons een kleine pers in, die verscholen lag achter een grotere. Deze pers noemden ze in de taal van dit eiland Pithie (gelagkamer: 11).

Vraag me niet, of de heren Jan en Panurg daar zich te goed deden aan al dat lekkers! Ze hadden daar: worstjes uit Milaan (12), kalkoenen, kapoenen, trapganzen, malvezij wijn. Alle vleeswaren waren op de beste en vlugste manier klaargemaakt (fastfood!). Een kleine opperkelner bij een toog zag dat broeder Jan een verliefde blik wierp op een fles, die iets terzijde van de andere flessen wijn stond. Meteen liet hij daarop aan Pantagruel weten: “Mijnheer, ik zie dat er iemand in uw gezelschap zijn oog heeft laten vallen op deze fles hier. Ik verzoek u met nadruk deze fles niet te openen, want die is gereserveerd voor de hoge heren (13)”. “Wat zeg je me nou?” zei Panurg. “Zijn er hier ook nog hoge heren? En men perst er wijn voor zover ik zie?!” Daarop liet Fortuinmaker ons een kleine verborgen trap op klimmen. Vandaaruit kon je de hoge heren zien, die in een grote wijnpers zaten. En hij vertelde ons dat het aan iemand niet was toegestaan om hier naar binnen te gaan zonder toestemming (14). Door dit raampje konden we ze bespieden zonder dat zij ons zagen.
Wij zagen in d e grote wijnpers, twintig of vijfentwintig (15)  ouwe nietsnutten rondom een groot bureau (16) met een groen tafelblad elkaar aankijken. Ze hadden lange handen als de stakerige benen van kraanvogels met nagels van wel twee voet. Want zij mochten hun nagels niet knippen, zodat het wel haken leken als op hellebaarden of punters waarmee een binnenschipper zijn boot vooruit duwt. Op dat moment werd er een grote druiventros aangesleept uit de wijngaarden daar te lande. Deze druivensoort staat bekend onder de naam Extraordinair, omdat ze hangt aan stokken (17). De druif was nog maar nauwelijks binnen, of ze begonnen te persen, en er was geen greintje druif waaruit ze niet het gulden gouden sap zó wisten te persen, dat duidelijk was dat de arme druif helemaal droog en vezelig was en er echt geen druppeltje sap meer in zat. Fortuinmaker vertelde ons dat ook al waren er niet vaak zulke grote en volle druiven als deze keer, er altijd andere druiven waren voor de wijnpers.

“Mijn beste, “zei Panurg, “ik zou graag willen weten of er veel wijngaarden zijn waarvan ze druiven betrekken?” “Ja,” zei Fortuinmaker, “kijk, zie je dat kleine druifje, dat ze nog eens in de wijnpers doen? Dat komt uit de wijngaard van de Gedecimeerden (18): die hebben ze al eens in de wijnpers gedaan, maar het drap daarvan, de  wijnmoer,  wordt ook nog eens geperst. Waarom? Omdat de olie stonk als een meurende priester in een muffe hutkoffer (19). En dat lusten de hoge heren niet. “Maar waarom, “vroeg Pantagruel, “doen ze die dan nog een keer in de wijnpers?” “Om te zien, “ zei Fortuinmaker, “of ze niet iets over het hoofd hebben gezien bij het proeven van het sap of in het recept. (Sandfort: of ze geen nattigheid voelen, nu er een luchtje aan zit.)”  “Tjonge, jonge, nog aan toe!” zei broeder Jan, “en zulke mensen noemen jullie onwetende ezels? Verduveld nog aan toe, die zijn in staat om sap uit een muur te persen (20)!“ “Dat doen ze ook, “ zei Fortuinmaker, “want vaak genoeg zetten ze hele kastelen, parken en bossen in de pers, en slagen ze erin uit alles drinkbaar goud te maken.” “U bedoelt zeker: draagbaar goud, “ kon Epistemon niet nalaten te zeggen. “Ik zei: drinkbaar!” antwoordde Fortuinmaker, “want men drinkt hier menige fles, die men beter niet drinkt (21). De wijn komt van zoveel verschillende wijngaarden dat men niet meer weet hoeveel het er zijn. Kom hier maar eens kijken en zie in deze hof (22) duizenden wachten op het uur dat ze uitgeperst zullen worden. Ze komen van de staatswijngaarden, van particulieren, van grootgrondbezitters, van leenheren, uit giften, schenkingen, landgoederen (23) , van kleine pleziertjes (quilty pleasures)  , overnachtingen, collectes of het koningshuis (24).” “En wat is die vette wijnpers daar, waar al die kleintjes omheen staan?” “Dat,” zei Fortuinmaker, “is de Spaarpot (25). Dat is uit de wijngaard waarvan de beste druiven worden betrokken. Als die aan de beurt is om uitgeperst te worden, duurt het wel zes maanden, voordat je je het aan de hoge heren niet meer kunt ruiken.” 

Toen de hoge heren opstonden van de vergadertafel, vroeg Pantagruel aan Fortuinmaker dat hij ons meenam de grote wijnpers in, wat hij graag deed. Zodra iedereen binnen was, begon Epistemon, die alle talen beheerst, de opschriften met instructies in de wijnpers uit te leggen. Zoals gezegd was de wijnpers een mooi en groots ding en zoals Fortuinmaker ons zei van het hout van het kruis gemaakt, waaraan Christus was gestorven. Op elk onderdeel stond beschreven waartoe het gebruik diende, in de taal van het herkomstland. (Een indrukwekkende lijst geheimtaal waarvoor de wijnpers een metafoor is, volgt. Onderstaande afbeelding is een plaatje van een gewone pers, geen wijnpers. In het commentaar staat een plaatje van een wijnpers (25), waaraan dezelfde onderdelen zitten als aan een gewone pers. Onderstaand plaatje is alleen duidelijker om de onderdelen te kunnen benoemen.)



De schroef (8)  om te persen heette Inboeking; de overloop (10), de Onkosten; de hevel (2), de Rekenstaat; de(schoen-) zolen (6), het berekende, nog niet ontvangen geld: Kruisposten; de persvaten, Aanhoudingen, afwachten of er betaald gaat worden; de rammen (7), Afgeboekte, weggestreepte niet terug te ontvangen uitgaven (radietur); het paar dragers van de hefboom (3), Terug te vorderen gelden (recuperetur); liggende opgeslagen vaten, Opwaarderen; de handvaten, Opnemen; vaten die moeten worden opgeslagen in de wijnkelder, Aanwinsten; de rugzakjes, Subsidie, betalingen volgens rechtsgeldig regelingen; de dragers, Transport (overbrengen van gelden van de activa naar passiva, van inkomen naar vermogen); de emmers, de macht; de trechter, vervallen verklaarde gelden wegens geestelijke ontoereikendheid (quittus). (26)

 “Bij de koninginne der worstjes,“ zei Panurg, “alle hiërogliefen van Egypte zijn duidelijker te begrijpen dan dit. Welke code is dit? Welk jargon? De duivel heeft ze gemunt als geitenkeutels, voor sommigen leesbaar, maar voor de meesten niet. Maar waarom, mijn beste, mijn vriend, zeggen ze dat deze mensen geen kennis van zaken hebben?” “Dat is,“ zei Fortuinmaker, “omdat ze niet hebben gestudeerd om dit vak te kunnen uitoefenen, wat ook niet van ze wordt gevraagd. Elke onbenul kan deze functie krijgen. Alles gebeurt zonder erbij na te denken, een reden hoeft er niet voor zijn. Wat geldt, is: als de hoge heren het zeggen en ze willen het, dan hebben ze het bevolen.” “Bij de enige echte god,“ zei daarop Pantagruel, “omdat ze zoveel verdienen aan de druiven, zal hun erewoord (27) ook wel heel veel waard zijn.” “Twijfelt u daaraan?” vroeg Fortuinmaker. “Er gaat geen maand voorbij zonder opbrengst: in uw land is het heel anders gesteld. Daar brengt het erewoord maar eens in het jaar wat op.”

Daarna werden we langs duizenden kleine wijnpersen geleid. Op het eind zagen we nog weer een klein bureau, waaromheen vier of vijf van die nietsnutten zaten, vieze mannetjes, en chagrijnig als ezels (28) die je een poepzak (29) aan de kont bindt. Deze mannetjes plozen de droesem na op de laatste resten druif: die noemde men hier Hercorrectors. Dit zijn de meest afstotelijke schurken om te zien, zoals je nog nooit eerder heb gezien (30).  We passeerden een ontelbaar aantal kleine wijnpersen, die alle vol zaten met mensen die aan het oogsten waren (31). Deze oogsters zochten de pitjes eruit die waren gaan gisten. Ze noemden dat het aanmaken van een account. Ten slotte kwamen we aan in een zaal met een lage zoldering, waar we een grote buldog zagen met twee koppen, de buik van een wolf en nagels als de duivel van Lamballe (32)

Dit beest leefde van de moedermelk van bovenvermelde verzoeken om een account, en werd daarom op gezag van de hoge heren met veel omzichtige zorg behandeld, omdat hij voor ieder afzonderlijk de opbrengst waard was van één leuk stuk landgoed. In de taal van de Onwetenden (de rekenezels) heette het Dubbel. (Creatief boekhouden, omdat ze Dubbel vingen van de belastingen, in eerste instantie  door er geen belastingen over te betalen, en in tweede instantie door voor het omvangrijke onderhoud van de landgoederen subsidie te vragen.) De moederteef van de buldog was ook aanwezig met eenzelfde vacht en aanzien, behalve dan dat zij vier koppen had, twee mannelijke en twee vrouwelijke. Haar noemden ze Vierdubbel (omdat er voor haar ook nog eens belastingaftrek via de inkomstenbelasting voor beide bovengenoemde posten mogelijk was). Zij was het gevaarlijkste beest van allemaal, en de gevaarlijkste op de grootmoeder na, die we opgesloten zagen zitten in een hondenhok, wat de rekenezels een Executoriaal Beslag  noemden, waarbij De koning  het landgoed had onteigend vanwege te grote malversaties.

Broeder Jan, die altijd wel twintig meter lege slokdarm beschikbaar had om een afgeladen advocaten-maaltijd mee te vullen, raakte geïrriteerd. Hij bracht Pantagruel  het middagmaal in gedachten en vroeg Fortuinmaker daarbij uit te nodigen. Toen we om te gaan eten de achterdeur namen om te vertrekken, kwamen we een oude, geketende man tegen -- voor de helft Onwetend en voor de andere helft Wetend -- die eruit zag als een androgyne duivel, half man en half vrouw en overdekt met brillen, als een schildpad in een maliënkolder. Hij leefde van een stuk vlees dat men in de landstaal Appelation (van “appelation contrôlée” op wijnflessen) noemde ( een appeltje voor de dorst—Sandfort). Toen Pantgruel hem zag, vroeg hij aan Fortuinmaker tot welk ras dit notarisachtige soort behoorde en hoe ze hem noemden. Fortuinmaker deelde ons mee dat hij al lange tijd onder hen was en dat hij kon bogen op een geweldige stamboom. De hoge heren betreurden dit en beleefden geen plezier aan dit soort geketende kerels, en degene die ze hier zagen, hongerden ze uit, en noemden ze Herzien (-e uitgave).  “Bij alle heilige, pauselijke drollen,” zei broeder Jan, “het mishaagt me geenszins dat alle hoge Onwetende heren zo’n misbaar maken om die smulpaap. Mijn god nog aan toe, verbeeld ik me nu dat hij lijkt op de Aaiepoes (= Grippeminaud: figuur uit de hoofdstukken 11-15, een advocaat)? Die kerels hier, hoe onwetend ze ook mogen zijn, weten eigenlijk net zoveel als al die wetenden! Ik zou hem graag terugsturen naar waar hij vandaan is gekomen, en hem eens flink in de bil prikken met een scherp voorwerp zou goed van pas kunnen komen!

“Als je zó bekijkt, door mijn Oriëntaalse bril,” zei Panurg, “heb je gelijk, broeder Jan! Want dat tronie van die valse Herziene schurk zegt me dat hij nog Onwetender en slechter is dan deze arme Onwetenden hier, die genoegen nemen met minder kwaad dan ze kunnen aanrichten, zonder lange processen te voeren. Deze plukken de vruchten zonder tussenhandel of gerechtelijke uitspraken, waarover de Bontgevoerde Katten (de tegenpartij van de Aaiepoezen: zie voorgaande hoofdstukken 11-15) zich zó kwaad maakten.”