Kerst 2019
Hoe de tempel door een wonderbaarlijke lamp werd verlicht.
Vergeet niet het commentaar te raadplegen; zonder commentaar is maar 30-20% van de tekst te begrijpen!
Voordat we u aan de Fles gaan voorstellen, wil ik de
wonderbaarlijke eigenschappen van een Lamp (1) beschrijven. Dankzij deze Lamp
baadde de hele tempel in het licht, zo overvloedig, dat ook al bevonden we ons
in een ondergrondse ruimte, je er kon zien alsof het midden op de dag was. De
Zon scheen er helder en sereen, maar dan onder de grond.
De Lamp was midden in het gewelf aan een ring van puur goud
met de omvang van een vuist (2) opgehangen. Aan de ring waren drie heel kunstig
gemaakte kettingen van een iets mindere dikte dan de ring bevestigd. In de
lucht opgehangen omspanden ze in een driehoek een ruimte van twee en een halve
voet (2) , waaraan een rond gouden venster hing. De omvang besloeg twee el
en een halve palm (2). In de cirkelvormige rand waren vier gaten of openingen,
waarin een glazen bol stevig was vastgeklemd, hol van binnen, open aan de
bovenkant, als kleinere Lampen met een omvang van ongeveer twee palmen (2). En
alle waren vervaardigd van de kostbaarste steensoorten: de ene was van Amatist
(3), de andere was van Libisch karbonkel (een bloedrode robijn, altijd
lichtgevend) , de derde uit
opaal, de vierde uit Amatist (zie noot 3 en 1).
Alle waren vol brandend water (alcohol), vijf keer gedistilleerd in een
spiraalvormige kolf (3) , geïnspireerd op het werk van Callimachus,
die de Lamp voor Pallas Athene op de Acropolis ontwierp met een brandende pit,
deels van onbrandbare asbestvezels (oorspronkelijke tekst gaat door: in de
tempel van Jupiter in Armenië), waarbij Cleombrotus, een zeer ijverig filosoof, studeerde,
en deels van Karpasisch lont, waardoor het mogelijk was dat de vlam steeds bleef branden: het vernieuwt
zich, terwijl het verteert.
Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (BacBuc) de tempel van binnen toonde waarin een fantastische fontein was.
Terwijl wij in extase deze wonderlijke tempel met zijn gedenkwaardige lamp aanschouwden, stelde de aanbiddelijke KlankKruik (BacBuc) met haar gezelschap zich aan ons voor met een lach over haar hele, blije gezicht. En toen zij zag dat wij ons hadden uitgedost zoals was afgesproken, leidde ze ons zonder dralen naar het midden van de tempel. En midden onder de genoemde Lamp was een fantastische fontein.Hoe het fonteinwater de wijn de smaak gaf die iedere drinker zich inbeeldde.
Vervolgens bood ze ons drinknappen, kopjes en bekers van goud, zilver, kristal of porselein aan, en werden we charmant gevraagd te drinken van het klaterende vocht. En dat deden we graag. Want onze wijntap (4) was een fantastische fontein, gemaakt van een materiaal kostbaarder, zeldzamer en wonderlijker dan men zich kan voorstellen in de mijnen van Pluto (5). De onderkant van de fontein was van het allerzuiverste en zeer doorschijnende albast, het was drie palmen (2) hoog, misschien een beetje meer, in een zevenhoekige vorm, van buitenaf gezien in gelijke vlakken verdeeld, met zijn voetstukken, zijn aronskelkachtige kommetjes, guirlandes en golfpatronen in Dorische stijl rondom. De kom van binnen was helemaal glad rond. Midden op de hoek van de rand was een holle zuil, in de vorm van een ivoren of albasten cilinder, die moderne architecten portri (betekenis onbekend) noemen. Daarvan waren er in z’n totaal zeven, naar de zeven hoeken waarop ze stonden. De lengte hiervan van de voet tot aan de steunbalk (architraaf) was zeven palmen (2), meer of minder. Ze waren even lang als de precieze en geraffineerde afmeting van de diameter van de fontein, door het midden gemeten vanaf de rand door het ronde binnenste heen. (6)
In het bestek (7) van deze architecturale constructie
troffen we de punt van de Pyramide, als we ons opstelden achter 1 van de zuilen
-- op welke hoek dan ook -- tegenover de andere drie zuilen, in ons
gezichtsveld als een hulplijn-projectie in het midden van de fontein, die
zodoende de basis exact in twee helften verdeelde. De beide helften vormden om
te zien twee tegenover elkaar liggende gelijkbenige driehoeken. De loodlijn
verdeelde het oppervlak in precies twee gelijke delen. Om de omvang en het
oppervlak (de doorsnee) te meten van de fontein wilden we gaan van de ene kant
naar de andere kant (in afgemeten passen van een meter: 2) van de fontein. De
hoogtelijn werd gevormd in de kruising door de lijnen van voet naar top door te
trekken van twee recht tegenover elkaar staande zuilen, die imaginair op 1/3 de
derde zuil doorsneden. Dat alles resulteerde in de omtrek van de fontein waarbij
de lengte van de zeven zuilen verkregen door het trekken van een rechte hulplijn
en die te delen door de helft, tenzij je niet van het goede vertrekpunt in het
midden was uitgegaan. (6) Deze is gelijk aan die van de tegenoverliggende zijden
in de rechte lijn, aanliggend aan de stompe hoek (Hypotenusa? Onzin!?) U weet allen dat bij ongelijkbenige
driehoeken er altijd een hoek is die ligt tussen twee scherpe hoeken. (waarom
hij het nu ineens over ongelijkbenige driehoeken heeft, is mij een raadsel:
grapje?) Langs een omweg werd ons duidelijk gemaakt dat 7 halve diameters (7
keer de halve zijde van een zevenhoek in een cirkel) als geometrische eenheid,
omvang en afstand, iets minder is dan de omtrek van een cirkel (7). Om precies te
zijn, deze eenheden zijn daarvan afgeleid: te weten drie hele waarbij opgeteld
een achtste (min of meer), of een zevende en een half (een beetje minder)
volgens de beweringen in de antieke oudheid van Euclides, Aristoteles,
Archimedes en anderen (8).
De eerste zuil was van hemelsblauw saffier: de zuil stond
bij de ingang van de tempel en stond meteen in ons blikveld. De tweede zuil
leek op een hyacint zonder meer, de letters A I op verschillende plekken op de
zuil aangebracht waren in die kleur, waarin het cholerische bloed (9) van Ajax
werd veranderd. De derde zuil was van solide (10) diamant, schitterend en
sprankelend als de bliksem. De vierde was van oranjerood robijn, mannelijk, en
de kleur verliep als een flakkerende vlam met een gloed veranderend van oranje
in paars, als de kleur van amethist. De vijfde zuil was smaragd groen, die was
wel vijfhonderd keer zo mooi als die van Serapis (syncretisme) in het Egyptische labyrint, fleuriger en
glanzender dan die ogen die ze hebben gezet in de marmeren Leeuw tegenover het graf van
Hermias.
De zesde was van agaat , vrolijker en gevarieerder in vlakken en kleuren dan
die Pyrrhus , koning van Epirus, dierbaar was. De zevende zuil doorzichtig in de witte kleur van Beryllus, met
een warme gloed als de honing van Hymetia (11) , zodat het wel de Maan leek qua
vorm en beweging, met naast zich een windhond (?).
Imagination: verbeelding (12).
Daarop kregen we mooie, vette en lekkere hammen voorgezet,
mooie, vette en lekkere gerookte
ossentongen (13), goeie en mooie
worstjes van wild en cervelaatworst, kaviaar, wat we op haar verzoek opaten tot we niet meer konden. Onze magen konden niet
meer verdragen en een kwalijke dorst begon ons parten te spelen.
Toen sprak zij: “Heel lang geleden was er eens een Joodse
bevelhebber (14), belezen en ridderlijk, die zijn volk
door de woestijn leidde terwijl ze verschrikkelijk honger leden. Hij vroeg de
hemel om eten. De manna uit de hemel had in hun Verbeelding de smaak die tevoren hun echte eten had.
Met de drank uit deze wonderlijke fontein is het precies zo gesteld: hij smaakt
precies als wat je je verbeeldde te drinken als je vroeger echt wijn dronk.
Laat je verbeelding (12) de vrije loop, en drink!” En dat deden we, wat Panurg
de volgende uitspraak ontlokte: “God nog aan toe, dit is de wijn van Beaune, beter dan welke wijn die ik ooit te drinken kreeg, anders mogen zesennegentig
duivels me komen halen!(15). Oh om beter te kunnen proeven zou je een keel
moeten hebben van drie el, zoals Philoxenus (16) al zei, of als die van een Kraan
(vogel), zoals Melanthius (17) die zich
wenste.”
Hoe KlankKruik (BacBuc) Panurg opdirkte om het woord van de Fles te vernemen.
Na de drankjes en praatjes, vroeg Klankkruik: “Wie van
jullie wil het woord van de goddelijke Fles vernemen?” “Ik,” zei Panurg, “uw
nederige en kleine malloot (18)”. “Mijn vriend,” zei ze daarop, “ik hoef je
maar een aanwijzing mee te geven: als je bij het orakel bent, zorg er dan voor
dat je met maar één oor naar het woord luistert!” “Dan is het, “grapte broeder
Jan, “de beste wijn uit een glas met een oortje”. Toen trok ze hem lompen aan,
zette hem een mooi en wit nonnenkapje op, zette hem een trechter ondersteboven
op naar de manier van Hyppocrates (19)
en ten slotte in plaats van een sjerp speldde ze hem drie naalden in de vorm
van ezelsoren (20) op, voorzag hem van twee ouderwetse buitenboord-gulpen (braguette)
, omgordde hem met drie samengebonden doedelzakken, dompelde zijn hoofd drie
keer onder in het water van de fontein, en gooide hem om te besluiten een
handvol meel in het gezicht en plaatste drie hanenveren op de rechterkant van
de hippocratische trechter. Daarop moest hij negen keer om de fontein heen
lopen, zij liet hem een stuk of drie kleine mooie sprongetjes maken, liet hem
zeven keer op z’n gat zitten, en dat onder het prevelen van ik weet niet wat
voor bezweringen in het Etruskisch (21) en af en toe las ze een stuk voor uit
een soort misboek, dat door een van haar mystagogue’s steeds achter haar aangedragen werd.
Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (Bacbuc) ons voorstelde aan de genoemde Fles.
Daar liet de edele opper-priesterlijke KlankKruik Panurg
knielen en de rand van de fontein kussen. Daarna liet ze hem opstaan, en drie
Bacchanale dansen rondom de fontein doen. Toen dat gebeurd was, moest hij
tussen twee daartoe klaargezette zadels gaan zitten. Toen sloeg ze haar brevier
open en terwijl ze hem de woorden in het linker oor fluisterde, liet ze hem het
volgende dranklied zingen, dat ging als volgt (22):
(link naar grotere afbeelding)
Toen dit lied uit was, wierp KlankKruik iets –ik weet niet
wat—in de fontein. Het water begon daarop geweldig te koken, als het water in
de grote ketel van Bourgueil (23), wanneer men die met stokken bewerkt. Panurg
luisterde stilletjes met een oor, KlankKruik lag op een knie dichtbij hem, toen
er uit de Fles een geluid ontsnapte, als zoemende jonge bijen die zich aan jong
stierenvlees tegoed doen, volgens de slagerskunst van uitvinder Aristaeus (24)
bereid, of het zoevende geluid dat een snorrende pijl maakt als ze van de boog
wegvliegt, of als geluid van een plotselinge stevige bui. En dat klonk
als……”Trinch” “Oh,” schreeuwde Panurg, “ze is, ze is gesprongen, dat God me
moge bijstaan, ik hoop dat ik het niet bij het goede einde heb: zo praten bij
ons de kristallen flessen als ze te dicht bij het vuur staan en barsten”
Daarop stond KlankKruik op en pakte Panurg zachtjes, maar
beslist in de oksels beet om hem op te tillen, en zei:
“Vriend, prijs de hemelen, daar is alle reden voor, zo snel
als jij het woord van de goddelijke Fles hebt mogen ontvangen. Het is het
charmantste, het meest goddelijke, het duidelijkste woord dat ik ooit heb
gehoord in mijn tijd in dienst van het allerheiligste Orakel. Sta op allen,
laten we naar het hoofdstuk gaan, waarin de strekking van dit mooie woord wordt
uitgelegd. “Laten we gaan,” zei Panurg. “Misschien dat ik er dan wijzer van
word, want nu weet ik nog even veel als tevoren. Leg me eens uit, waar is dat
boek, waar is dat hoofdstuk, welk bladzijde moeten we omslaan om deze blijde
boodschap te begrijpen.”
Hoe KlankKruik het woord van de Fles uitlegt.
Toen gooide KlankKruik iets –ik weet niet wat—in het bekken
en meteen daarop hield het borrelen van het water op, en bracht ze Panurg naar
de hoofdtempel. In het midden daarvan stond de leven brengende fontein. Daar
haalde ze tevoorschijn een dik boek met zilverbeslag, helemaal kromgetrokken
als een tonnetje of als één vierde deel van het boek met jurisdictie van de
laatste veroordelingen, doopte haar hand in de fontein en schepte daaruit
water, en zei:
“De filosofen, predikers en doctoren van uw wereld leiden u
met voor uw oren welluidende woorden; die woorden worden hier in onze
werkelijkheid mondeling gemasseerd en gemodelleerd. Toch zeg ik u niet: lees
dit hoofdstuk, doorzie de strekking van het woord. Nee, ik zeg u: proef de
smaak van dit hoofdstuk, slik de strekking ervan door. Ooit was er een profeet
van de Joodse natie in de antieke Oudheid (25) die een boek helemaal opat. Toen
was hij tot aan de tanden toe gewapend met de strekking van het woord, er
helemaal van doordrongen: nu is het moment gekomen, waarop u ervan drinkt, en
doe dat net zoals die profeet, proef wat het op z’n lever heeft. Drink, sper je
kaken open.” Toen Panurg de mond wijdwagen open had, pakte KlankKruik het boek
met zilverwerk. Tot op dat moment hadden we gedacht dat het een boek was, vanwege
zijn vorm als dat van een brevier, en dat was het ook een echt brevier, maar met
daarin een bastaard fles vol Falernische wijn. En die moest Panurg helemaal leeg drinken.
“Zò, “ zei Panurg, “dat is een opmerkelijk hoofdstuk! En de
strekking heeft een authentieke smaak. Is dit nou alles wat de Hermes trismegistos
(26) Fles ons pretendeerde te verstaan te geven met zijn woord? Daar ben ik dan mooi klaar mee! Echt!”
“Niet meer en niet minder, “ antwoordde KlankKruik, “want
“Trinch” is een woord met een waarheid als een koe, beroemd en in alle landen
gehoord: het betekent “Drink!”. In die wereld van u, zeggen ze dat er in alle
talen een woord is dat klinkt als “zak” (27). Het woord is terecht en juist
opgepakt in alle landen. Want, zelfs Aesopus voert als verontschuldiging voor
het gedrag van mensen aan dat ze met twee zakken om hun nek in het leven staan.
De zak aan de voorkant van de ander zien we, die we zelf op onze rug ook met ons
mee dragen, zien we niet (28). Zo is de mens: hulpbehoevend en altijd
afhankelijk van de mening van een ander, elkaar bevragend. Onder deze hemel is
er geen Koning hoe machtig hij ook is, die niet anderen nodig heeft. Er is geen
arme zo arrogant, die niet van een rijke afhankelijk is, zelfs niet als hij is
als de filosoof Hippias, de alleskunner. Zo kunnen we nog minder zonder drinken dan zonder zak. En ik
wil beweren dat niet lachen, maar drinken (29) is dat de mens een mens maakt.
Ik bedoel niet zomaar drinken, want de dieren drinken ook, maar het drinken van
goede en frisse wijn. Ik wil u erop wijzen dat je zonder de goddelijke wijn
minder helder denkt en kunt redeneren, en ook minder goed orakelt. Uw academici
hebben de volgende etymologie voor het woord “wijn”, dat volgens hen komt van
het Griekse woord οινος (oinos), dat zou samenhangen met het Latijnse woord
voor kracht “vis”. Want drank kan de ziel doordrenken van alle waarheid,
kennis en wijsheid. Misschien hebt u gezien wat er in Ionisch schrift boven de
poort van deze tempel staat geschreven, dan zal u begrijpen dat in wijn
waarheid is verborgen. De goddelijke Fles heeft u hierheen gestuurd: wees zelf
degene die de betekenis van uw onderneming duidt.
“Het is onmogelijk, “zei Pantagruel, “het beter te
formuleren dan deze aanbiddelijke opperpriesteres zonet heeft gedaan: nog meer
dan in het begin ben ik ervan dus overtuigd: Trinch! Verhef je hart in
Bacchanaal enthousiasme.
aten we drinken,” zei Panurg, ”op de goede Bacchus.
Ha, ho, ho, ik ga van bil
kort en goed van snee,
de ballen goed gemutst,
met mijn kleine menselijkheid.
Wat is dat ouderschap?
Mijn hart geeft mij oprecht in
dat ik niet mijn hele leven alleen zal zijn:
ik ga binnenkort in onze buurt trouwen.
Belangrijk is: mijn vrouw komt
geheel uit vrije wil naar het liefdes-strijdperk.
mijn god, wat een woordenstrijd
wacht er mij. Ik ploeter
op en neer, meer en minder, en ploeter, à gogo,
door en door, want ik ben goed doorvoed,
Dat ben ik! Ik ben de goede echtgenoot,
de beste van de besten. Ik bezing Io
Ik bezing Io. Ik bezing Io.
Io (30) trouwde driekeer.
Ik zeg je broeder Jan,
ik zeg je plechtig, waar en duidelijk,
het Orakel is onfeilbaar:
het is duidelijk en onontkomelijk.
Ha, ho, ho, ik ga van bil
kort en goed van snee,
de ballen goed gemutst,
met mijn kleine menselijkheid.
Wat is dat ouderschap?
Mijn hart geeft mij oprecht in
dat ik niet mijn hele leven alleen zal zijn:
ik ga binnenkort in onze buurt trouwen.
Belangrijk is: mijn vrouw komt
geheel uit vrije wil naar het liefdes-strijdperk.
mijn god, wat een woordenstrijd
wacht er mij. Ik ploeter
op en neer, meer en minder, en ploeter, à gogo,
door en door, want ik ben goed doorvoed,
Dat ben ik! Ik ben de goede echtgenoot,
de beste van de besten. Ik bezing Io
Ik bezing Io. Ik bezing Io.
Io (30) trouwde driekeer.
Ik zeg je broeder Jan,
ik zeg je plechtig, waar en duidelijk,
het Orakel is onfeilbaar:
het is duidelijk en onontkomelijk.
Hierna barst de gemeente in een ware dichtorgie uit. Veel komen we niet meer te weten, dan dat ze huiswaarts keren en Panurg inderdaad trouwt, als in een sprookje: ze leefden nog lang en gelukkig (31: Propp, laatste functie).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten