dinsdag 30 mei 2017

Instemmen met onbegrijpelijke gedragsvoorschriften.

(klik hier voor de oorspronkelijke tekst in het Arabisch)

Jeha had een zoon die hem niet gehoorzaamde, opdrachten om hem iets te laten doen, voerde hij niet uit. Jeha zei op een dag tegen zijn zoon: “Je moet doen wat de mensen je aanraden te doen!” En hij wilde te weten komen of mensen ook instemden met onbegrijpelijke regels voor gedrag. Hij besteeg zijn ezel en vroeg zijn zoon hem te voet te volgen. En zó gingen ze op weg naar zijn buren. En na wat voorvalletjes, passeerden hem enige vrouwen die over hem klaagden door te zeggen: “Deze man heeft geen hart, hij zit zelf lekker op zijn ezel en laat zijn zoontje achter zich aanlopen.” Daarop stapte Jeha van zijn ezel en vroeg zijn zoontje zijn plaats in te nemen op de ezel.


Een korte chagrijnige tijd later passeerde er een groep ouderen en één oudje klapte afkeurend in zijn handen en zei: “Door zó te doen corrumpeer je de opvoeding van het kind. Hiermee leer je iemand ongehoorzaam te zijn! Kijk toch eens naar jezelf hoe je erbij loopt, jij een oude man en jouw zoon laat je op de ezel rijden! Laat je zoon afstijgen en ga zelf op de ezel zitten en je zult zien dat je zoon je hierna respecteert en leert zich te gedragen en het leven kennen.”  Jeha zei daarop vervolgens: “Ik ga er zelf ook opzitten; we laten ons met z’n tweetjes door de ezel vervoeren.” En Jeha liet zijn zoon afstijgen, en zei: “Klim er nu maar weer op, ik ga achter je zitten om ons getweeën door de ezel te laten vervoeren.” 


En na enige schermutselingen passeerde hen een groep theologie-studenten die met het dier te doen kregen. Ze schrokken op uit hun overpeinzingen en zeiden: “Ben je dan helemaal harteloos? Getweeën op dat kleine ezeltje te gaan zitten! Oh hardheid van jullie harten!” Zuchtte Jeha en zei tegen zijn zoon: “Vooruit dan maar, we gaan verder te voet, en laten onze Imam op de ezel rijden.”


Toen passeerden hen jongeren die hun zeiden: “Wat is dat! Jullie moeten die ezel op handen dragen! En hem laten uitrusten voor alle ongemakkelijke lasten die hij moet dragen!” Daarop pakte Jeha een tak die aan een boom hing, bond daaraan de ezel vast, plaatste een kant van de tak op zijn schouder en de andere kant van de tak op de schouder van zijn zoon om de ezel tussen hen in te dragen.


Toen liep heel het dorp uit in opperste verbijstering en zei: “Deze man en zijn zoon zijn ongetwijfeld djinoen (geesten) en ze namen Jeha en zijn zoon mee naar het ziekenhuis (psychiatrische afdeling?). En Jeha zei onderweg tegen zijn zoon: “Dit, mijn zoon, is het resultaat van goed luisteren naar roddel en praat van mensen, en met onbegrijpelijke gedragsregels (voorschriften) instemmen.”


De vertaling van dit verhaal heeft mij meer moeite gekost dan ik had verwacht. Daarom verschijnt dit stuk een dag later dan gewoonlijk. Onder het vertalen vallen een aantal zaken op. Het eerste wat je opvalt is dat er stukken aan toegevoegd zijn, omdat ze er ter verlevendiging tussen zijn gezet (na enige schermutselingen, na een korte chagrijnige tijd etc..) Misschien heb ik het ook niet helemaal goed vertaald, maar de strekking van het stuk, de geest ervan, is niet verloren gegaan. Dat wil zeggen ook ik heb weer iets toegevoegd om de basis tekst te verduidelijken, omdat die van een ongelooflijke compactheid is. Dit alles maakte bij elkaar dat de vertaling niet moeiteloos is verlopen.


De Jeha-verhalen stonden oorspronkelijk in Adab-boeken. Het Arabische woord “adab”  werd in Indonesië vertaald door de Nederlanders met Gewoonterecht. In Indonesië liet men het gewoonterecht  bestaan naast de Hollandse wetgeving. Maar zoals uit  de linken  in het Nederlands en in het Engels op Wikipedia blijkt, is de betekenis van het woord “adab” breder. Prof. G.J.H. van Gelder zegt het in De Gids van 1980 als volgt:  “Terzelfdertijd wordt adab ook de naam van een eigenaardig genre: antologieën met kortademige associatieve aaneenrijging van fragmenten poëzie en proza, anekdotes, aforismen, grappen, levensregels, epigrammen en wetenwaardigheden op elk gebied, ruwweg ingedeeld in hoofdstukken als Oorlog, Ascese, Vriendschap, Voedsel, Vrouwen. Kortom, alle eruditie waarmee men in beschaafde conversatie een goede indruk kon maken. Verfijnde geestigheden en wijze woorden staan naast platvloerse grollen en obsceniteiten; maar zolang als de taal elegant en correct is, heeft dit genre een hogere status dan, bij voorbeeld, de Duizend en Eén Nacht.”


Uit zo’n adab boek komen de Jeha grappen. De eerste vermelding  is uit de tijd rond 1200nChr.  . Het gaat dan om een personage waaromheen de buren  (precies zoals in ons verhaal voorkomt) allerlei anekdotes vertellen. Opvoeding lijkt een belangrijk oogmerk om de verhalen te schrijven. Ik wil daaraan toevoegen net zoals de Romeinen veel oog hadden voor pedagogie. Waarom is onduidelijk.

In Nederland is ook deze parel, want dat is het, regelmatig vertaald voor kinderen, net zoals dit verhaaltje in Egypte bedoeld is voor kinderen. Maar is het wel voor kinderen bedoeld? Het verhaal lijkt eerder tot strekking te hebben dat er geen regels zijn voor opvoeding: het is kritiek op een te autoritair onderwijs. Tussen de regels door is er dan duidelijk aan toegevoegd dat opvoeden vaak voort komt uit het perspectief waarin je het plaatst: de vrouwen bekommeren zich om het kind, de ouderen bekommeren zich om respect, en de jongeren denken een grapje uit te kunnen halen, maar hebben niet gerekend op de superkrachten van de Jeha’s. De vraag is of het onderscheid zoon en vader er ook niet later om pedagogische redenen aan toe is gevoegd. Ze worden steeds zó duidelijk van elkaar onderscheiden terwijl de tekst hierdoor niet wordt verduidelijkt, dat je je afvraagt, ging het oorspronkelijk niet om één Jeha? En stelt deze niet een zeer actueel filosofische kwestie aan de orde? In onze tijd waarin het behaviorisme een dominante rol speelt in de sociale wetenschap, omdat zo nodig alles geteld moet kunnen worden, geeft dit verhaaltje een duidelijk antwoord op de vraag of je  wel op uiterlijkheden en regeltjes af kunt gaan om de mens te doorgronden. Niet, dus!


Maar deze vertalers voor kinderen hebben ook soms helemaal niet beseft, wat er nu wel interessant is aan dit verhaal. In een tekening in het Egyptische boekje staat er zelfs een plaatje bij waardoor je je gaat
afvragen, of de tekenaar het verhaaltje wel kent! 
De stok waaraan de beide Jeha’s  de ezel ophangen is  bekend uit oudere tijden (plaatje hiernaast): dit zijn de Hethieten, die offers (reebokken?) aandragen voor waarschijnlijk hun hoofdgodin Astarte.  Het komt ook voor in de bijbel op het moment dat de gezanten die erop uitgezonden zijn om het beloofde land te verkennen, bij Mozes terugkeren, dragen zij stokken tussen zich in waarop druiventrossen hangen, zo zwaar dat de stokken doorbuigen (Numeri 13: 23-25). En die deden het dus op precies die manier die in dit verhaaltje vrij nauwkeurig wordt beschreven. Dit bewijst niks, maar gecombineerd met eerdere opmerkingen over de kwaliteit van deze verhaaltjes, nl. hun Indische oorsprong, zou het heel goed mogelijk kunnen zijn dat dit verhaaltje al 3000 jaar oud is. Het beschreef dan geen opvoedkunde, maar iets (ik moet gokken) dat juridisch onderbouwd werd. Zo af en toe verraadt de tekst nog steeds juridisch taalgebruik, ook lijkt de ezel te suggereren dat we hier met onderlinge afspraken te maken hebben.  En ten slotte hebben we met djinoen (geesten) te maken met onmenselijke goddelijke krachten.

 

De oorspronkelijke tekst zal met regeltjes te maken hebben gehad, en daar gaat het nu nog steeds over, alleen de opvoeding is erbij gehaald. En de verhaaltjes zijn niet voor kinderen, want die worden alleen maar in de war gebracht, leren geen correct Arabisch en snappen niets van de strekking. Als ik nu zeg dat dit verhaal in de verste verte iets te maken heeft met het raadsel dat de Feniks aan Oidipous opgaf, wie begrijpt er dan nog iets van?

 

maandag 22 mei 2017

De laatste Tijl Uilenspiegel-grap van Charles de Coster.

(Uilenspiegel, blz. 98, klik op de nummers[5] achter sommige woorden om de noten te kunnen lezen en de tekst beter te begrijpen!)

Als de tweehonderd gulden verteerd waren kwam Uilenspiegel te Wenen, alwaar hij zich verhuurde bij een wagenmaker, die zijn gasten[6] gedurig beknorde omdat zij de blaasbalg van de smidse niet vlug genoeg trokken.

Op maat”, schreeuwde hij, “en volg met de blaasbalg.”
Eens dat de baas naar zijn hof ging, maakte Uilenspiegel de blaasbalg los, schouderde[7]hem en volgde aldus zijn meester. Als deze verwonderd opkeek, sprak Uilenspiegel:

“Baas, gij hebt mij geheten met de blaasbalg te volgen, waar moet ik hem leggen, terwijl ik de andere haal?”
“Jongen[8],” antwoordde de baas, “dat heb ik u niet geheten, breng de blaasbalg op zijn plaats terug.”



Maar de baas wilde hem die poets betaald zetten. Hij stond van die dag af te middernacht op, maakte zijn gasten wakker en deed hen werken. De werklieden spraken:
“Baas, waarom wekt gij ons te midden van de nacht?”
“Ik heb de gewoonte,” antwoordde de baas, “mijn gasten de zeven eerste dagen van de week maar een halve nacht te laten slapen.”
De volgende nacht wekte hij weer zijn gasten te middernacht. Uilenspiegel, die op zolder sliep, bond zijn bed op zijn rug[8] en kwam aldus de smidse binnen. De baas sprak tot hem:
“Zijt gij zot? Waarom laat gij uw bed op zijn plaats niet?”
“Ik heb de gewoonte,” antwoordde Uilenspiegel, “de zeven eerste dagen van de week de helft van de nacht op mijn bed en de andere helft onder mijn bed te slapen.”
“Zo,” antwoordde de meester, “maar ik heb nog een tweede gewoonte, dat is van mijn onbeschaamde gasten op straat te smijten, met toelating[9]de eerste week boven de grond, en de tweede onder de grond door te brengen.”
“In uw kelder, baas? Bij de tonnen bruinbier?”


maandag 15 mei 2017


Tijl in Luneburg.

Intussen reed Uilenspiegel op zijn ezel door de landen en sompen van de hertog van Luneburg , het Watersignoorken1 , zoals de Vlamingen hem heetten. Jef2 gehoorzaamde Uilenspiegel als een hondje, dronk bruinbier, danste beter dan een Hongaarse dansmeester3 en legde zich bij het minste teken op de rug met de vier poten omhoog.Uilenspiegel wist dat de hertog van Luneburg – verbolgen omdat hij te Darmstadt  in tegenwoordigheid van de landgraaf van Hessen, zijn baas, met hem de spot had gedreven  – hem op straffe van de strop de toegang tot zijn grondgebied ontzegd had. 


Plotseling zag Uilenspiegel Zijne Hertogelijke Hoogheid in persoon afkomen en mits hij zijn geweldige karakter kende, werd hij bang. Hij sprak tot zijn ezel:--‘Jef, jongen, daar komt de hertog van Luneburg. Aan de hals voel ik een grote krieuweling; nu, Jef, ik zou niet geerne  gehangen worden. Gedenk dat wij broeders in ellende en in lange oren zijn; gedenk ook welk een goede vriend gij aan mij zoudt verliezen.’ En Uilenspiegel wiste zich de ogen en Jef begon te balken.--‘Wij leven samen gelukkig,’ vervolgde Uilenspiegel, ‘of rampspoedig, naarvolgens de omstandigheden; gedenk dat, Jef.’ De ezel balkte voort, want hij had honger.-- ‘En nooit zult gij mij vergeten,’sprak zijn meester, ‘want welke liefde is sterker dan die, welke dezelfde vreugde beleeft en dezelfde rampspoed beweent? Jef, jongen, gij moet u op de rug leggen.De zachtaardige ezel deed wat zijn meester hem heette en de hertog zag hem met de vier pikkels omhoog liggen. Uilenspiegel zette zich neer op de buik van de ezel. 



4


--‘Wat doet gij daar?’sprak de hertog. ‘Weet gij dan niet dat ik bij mijn laatste plakkaat u verboden heb uw stoffige voeten in mijn gewesten te zetten?’
Uilenspiegel antwoordde:--‘Genadige heer, heb erbarming met mij.’ En naar zijn ezel wijzend:
--‘Gij weet wel, heer, dat hij die tussen vier palen woont, bij wet en recht immer vrij is.’De hertog antwoordde:
--‘Verlaat mijn gewesten of gij zult sterven!”
--‘Genadige heer,’ antwoordde Uilenspiegel, ‘met een paar gulden zou ik rapper buitenrollen.’
--‘Nietdeug,’ sprak de hertog, ‘het is u niet genoeg ongehoorzaam te zijn, ge vraagt er mij nog geld bij!’
--‘Ik moet het wel vragen, heer, mits ik het niet nemen kan.’

De hertog gaf hem een gulden. Toen sprak Uilenspiegel tot zijn ezel:

--‘Jef, sta op en groet Zijne Hoogheid.’
De ezel stond op en begon te balken. Toen gingen beiden weg.





maandag 8 mei 2017

Mei-maand, vogel-maand.


Tijl Uilenspiegel en de minstreel


Tijl Uilenspiegel loopt door de straten van Antwerpen waar hij in een taverne
een 
minstreel van het hof zijn zangkunsten ziet vertonen. De minstreel is eigenlijk een banneling en mag niet meer in de binnenstad komen. Tijl verzint een list en maakt een masker van eikenhout voor de minstreel. Hij treedt op samen met de minstreel met een zelfgemaakte tamboerijn. De dochter van de koning ziet het optreden en overtuigt haar vader dat de minstreel weer aan het hof mag komen zingen. Na het eerste optreden regent het kwartels en kuikens in het paleis van de koning. De koning ziet dit als een teken van God en raakt zo ontroerd dat hij zelfs zijn dochter met de minstreel laat trouwen. Hij richt een feestmaal aan ter ere van het huwelijk. Tijl stuurt de minstreel weg en maakt een identiek eikenhouten masker, waarna hij zelf met de dochter van de koning trouwt.


In mei leggen alle vogels een ei, ook de koekoek.  Mei was ook een favoriete maand om er op vrijersvoeten op uit te trekken. De kwartels en kuikens vallen niet zomaar uit de lucht, zoals bij de zondvloed  in het Gilgamesh epos, maar omdat het jachtseizoen is gesloten .  In mei maakt men zich een nestje en in die tijd mag er niet gejaagd worden op vogels. Tijl neemt het niet zo nauw met de wettelijke voorschriften, zou je kunnen denken. Wat ook mogelijk is, is dat de grap wil benadrukken dat het niet zozeer om kwartels en kuikens gaat, maar om de symbolische karakteristieken van bepaalde vrouwen. Ik heb lang gedacht dat vogels alleen maar meisjes (vrouwen) konden aanduiden. Zeker in humoristische verhalen is dat niet het geval:


Een beginnend nachtegaal zou het niet beter hebben gekund.


"Nasreddin Hodja ging op een dag de boomgaard van een buurman binnen en klom direct in een abrikozenboom, vol zachte en goudkleurige vruchten. Hij zette zich ertoe de een na de andere te verslinden. Toen werd hij op heterdaad betrapt door de eigenaar van de boomgaard. --Wat doe je daar zo hoog in die boom? De Hodja aarzelde een ogenblik alvorens te antwoorden: --Ik ben een nachtegaal. Ik zit hier om te zingen. Daar moest de man om lachen. --Als je dan een nachtegaal bent, waarom zing je dan niet een deuntje? Toen hij zag dat hij zich op geen andere manier aan het probleem kon onttrekken, zette de Hodja zich zo goed en zo kwaad als dat ging aan het imiteren van de zang van de nachtegaal. --Zozo, klinkt een nachtegaal zó?  Nasreddin Hodja antwoordde zonder zijn kalmte te verliezen: --Een beginnend nachtegaal zou het er niet beter vanaf brengen!"


Deze Hodja Nasreddin grap uit Klein Azië gaat waarschijnlijk terug op de gewoonte om tijdens een weeklange huwelijksvoltrekking op de zevende dag de tuin van de buurman te bezoeken om er kruiden en groentes te stelen. Dit ritueel door de aanstaande bruidegom uitgevoerd, was om het toekomstige paar in tijden van armoe en honger (waarvan er vele waren) van voldoende levenstocht te voorzien om te kunnen overleven, eventueel blijkbaar met “hulp” van de buurman.


Maar wat te denken van onderstaande grap. Bij het koppelen van huwelijkspartners kan men het soms niet eens worden, omdat de beide families nu eenmaal andere eisen stellen aan de toekomstige bruid en bruidegom:


Een man gaat met zijn vogel – een papegaai—de winkel van een vogelkoopman binnen om zijn vogel te koop aan te bieden. “Wat moet je voor die papegaai hebben?” vraagt de vogelkoopman. “Honderd Toman “ antwoordt de man hem. “Wat,” roept de koopman verbaasd. “Hoe kun je honderd Toman  voor zo’n klein vogeltje vragen?” “Toch wel,” antwoordt de man, “Het is namelijk een heel knappe vogel: hij kan praten!” Maar de vogelkoopman wil de papegaai toch niet kopen, want hij vindt hem te duur. Onder het gesprek ziet de man een kalkoen in de winkel. Hij vraagt de koopman: ”Wat moet die kalkoen kosten?” ”Honderd Toman.” “Wil je daar echt 100 Toman voor hebben?” vraagt de man op zijn beurt verbaasd. “Waarom niet? Als jouw vogel kan praten, kan de mijne denken.”



maandag 1 mei 2017

De Dag van den Arbeid: 1 mei 2017.

Bijen zijn altijd druk bezig. Zij vormen onverbrekelijke schakels om hun volk te laten overleven. Maar soms bevindt zich in die samenleving een “fremdkörper” zoals


( COHEN-EDITIE VOOR JONGERENDE COHEN-EDITIE
VAN DE BESTE BINNEN- EN BUITENLANDSCHE BOEKEN
UITGAVE VAN GEBROEDERS E. & M. COHEN, AMSTERDAM 1919
ZIJN GRAPPEN EN GUITENSTREKEN
door Hemzelf (Tijl) verteld (Pag. 45-48)

Toen zag ik in een hoek een rij van 10 bijenkorven staan. Tot mijn verbazing was de grootste leeg en ik begreep dat dat ding daar voor mij was neergezet. Ik kroop er onder. Ik kan het U aanbevelen in een hooiberg te gaan slapen, maar nog veel beter is het onder een bijenkorf te kruipen .'t Was er warm, en het rook er zoet. Ik vleide me gekronkeld in haar vorm en zei:
“Wel te rusten, Tijl. Van 't zelfde,” zei ik nog terug en toen hoorde ik niets meer. Ik droomde. Met mijn zwaar gesnork verbeeldde ik het gezoem van de bijen. Een voor een zetten ze hun angel op mijn gezicht en zogen er een druppel bloed uit. Toen kwam de koning van de bijen; die ging op de punt van mijn neus zitten. Hij dacht: dat het zijn troon was. 't Was zeker een democratische koning. Want hij
koos zich een erg rooien troon. Wat er precies gebeurde weet ik niet, maar de koning begon te wiegelen en te wiebelen, toen viel hij van zijn stokje en de koningin kwam kijken.
„Hij is smoordronken," zei de Minister van binnenlandsche zaken. Maar de Minister van Koloniën zei: dat het van het tropische klimaat kwam. Toen kwam er een krachtige bij met een bijl en die begon den troon waar den koning op gezeten had om te hakken.
„Au!" riep ik, ,,dat is mijn neus." „Dat lieg je,” zei de bij, “dat is de troon van den koning." De muziek begon het bijenvolkslied te spelen en ik viel in een rustigen slaap.


“Stil.... stt.... kom hier!”

“Slaapt alles?”

“Alles slaapt.”

“De hond?”

“Slaapt ook.”

“Niet praten.”

“Buk je....”

“Stil.... stil....”

Het grint kraakte op het boeren erf. Twee mannen slopen gedoken langs den muur van den stal. Ze kwamen langs den moestuin en gingen naar de bijenkorven.

”Zijn ze zwaar?” vroeg de oudste, een donkere figuur met een rooden das en ruig haar.

“Ja, deze vooral.”

“Wacht ik zal je helpen.”

Ze namen twee stokken met een riem, schoven dezen onder den zwaren korf en tilden hem op.


“Dat is een vrachtje, “lachte de langste.

“Spreek niet.”

“Loop voorzichtig, zacht.”

Met gekromde ruggen, droegen ze dien korf op een baar, het hek van de boerderij uit. Hun tred was zwaar, en licht schommelde de korf op de tweedraagstokken. Beiden verheugden zich over de goede vangst en haastten zich naar hun schuilplaats.

Dit alles gebeurde, terwijl ik rustig sliep. Het toeval wilde dat de twee dieven, juist den korf gekozen hadden waarin ik rustte. Door 't schommelen werd ik wakker en voelde me gedragen warden. Mooi zoo, dacht ik. Dat eindje behoef ik weer niet te loopen. Doch ik begreep dat die twee kerels niet veel goeds met me in den zin zouden hebben, als ze mij in plaats van de bijen en den honing zouden ontdekken. Bovendien moest de misdaad gestraft worden. Geen honing, dan maar wraak, dacht ik, die is ook zoet.

Voorzichtig opende ik de mand van boven en gluurde er door heen om den toestand op te nemen. De lange liep met een gebogen hoofd tegen de mand, zijn krullen kon ik precies grijpen en zonder te bedenken nam ik hem bij zijn haren en liet zijn kop hardhandig met de mand in aanraking komen. Dat gaf een schok!


“Au!” riep hij, “dat is gemeen.”

“Wat is dat nou, “schreeuwde de ander, “ben je van lotje getikt?”

“Neen van een ander, gemeene kerel.”

“Wat gemeene kerel? Ik zal jou....”

Toen gaf ik den donkeren man die vooruit liep,  twee klinkende oorvijgen.

“Ben je dol?” schreeuwde die woedend. 

“Of jij?” vroeg de lange, wiens krullen ik nog aldoor vast hield.

“Laat los de baar.”

“Laat jij los!”

Toen liet ik ze los en klapte de mand dicht. De mannen vlogen op elkaar af en begonnen een geweldige vechtpartij. In orde, dacht ik, kloppen jullie maar een uurtje, dan kruip ik de mand wel uit. Even stil als de boeven de mand hadden meegenomen, kwam ik uit den korf en zette het op een loopen tot aan een dikken boom. Daar achter hield ik me schuil en zag de vechtpartijen aan. Met bebloede gezichten gingen ze eindelijk naar hun korf.

“Wat is die nou licht in eens," zei de donkere.

Ze keken in den korf en zagen dat hij leeg was. Er lag een klein briefje in. Ze lazen tot hun groote verbazing het volgende rijmpje:


Mijn dank!.... Gij hebt me zacht gedragen

Het moeilijkst eindje van den weg.

Wat u betreft, gij moet niet klagen

Maar overdenkt wat ik u zeg:

„Wie zich vergrijpt aan iemands goed,

't Is recht dat hij voor 't misdrijf  boet!"

Onthoudt dit beiden tot uw heil,

Het is een goede raad van

TIJL.


Zij keken elkaar aan met gezichten die zeiden:

„Wat zijn we daar ingeloopen!" 

„En.... en hij is er uitgeloopen !" stotterde de lange van aandoening.



De Grieken hadden in de Klassieke Oudheid een woord voor “stelen uit een bijenkorf”.  Aristophanes gebruikt dit woord in regel 498 van zijn beroemde toneelstuk “De Vogels” .  Aristophanes gebruikt het werkwoord “apoblittein”, αποβλιττειν, dat alleen vertaald kan worden met “de honing uit een bijenkorf wegnemen” of “roven”, en overdrachtelijk betekent “iemand uitkleden”.  Tijl zou in de Griekse versie inderdaad een koning zijn, met om zijn schouders een rode mantel. En wat die dieven doen is hem zijn koningsmantel stelen. Hij komt zonder werk te zitten, waarschijnlijk omdat hij zijn werk niet zo goed deed. Tenminste, niet zo goed als de bijen. Slapend rijk worden is nu eenmaal niet de manier waarop je kunt verwachten waardering te ondervinden voor de Arbeid die je zou moeten doen. 
 

Deze versie van dit bekende verhaal van Tijl Uilenspiegel wijst erop dat Tijl van elders is gekomen, misschien uit Griekenland of uit Turkije, als je afgaat op de fez van een van de beide dieven op de tekening.