maandag 27 februari 2017

Vertaling van Le cadi dépouillé uit: Decourdemanche, Sottisier dé

Nasr-eddin- Hodja, bouffon de Tamarlan, 1878, chez Gay et Doucé, pag 171-181.

Nasreddin Hodscha, Mehmet Ali Birant, tekeningen door Ödinçer Kiliç.
Uit onderstaand verhaal valt op te maken dat de Marokkaanse grap aan het begin van Humor van Vroeger met de oorspronkelijke titel Si Djeh'a et Ie Cadi, lijkt op het laatste deel van dit veel langere Turks verhaal.  Let op de noten achter sommige woorden (kleine letter!)

De uitgeklede cadi (= rechter).



Op zekere dag had de Hodja zo helemaal niets meer om van te leven dat hij zelfs geen tarwe1 en gerst meer in huis had. Dus zette hij een grote draagmand op zijn ezel, deed een tamboerijn om de nek van zijn zoon en ging van deur tot deur om de stadsbewoners om een gift te vragen. Nauwelijks had hij ruchtbaarheid gegeven aan zijn situatie en zag men hoe hij erbij liep2, of iedereen, mannen en vrouwen, bracht de Hodja te eten, de een één schotel de ander wel twee schotels gerst of tarwe3. Hij deed het allemaal korrel voor korrel in de draagmand op zijn ezel. Ten slotte kwam hij bij een grote in twee helften doormidden gedeelde deur waarvan een helft van de deur op een kier open stond4. Zijn zoon liet de tamboerijn horen, maar niemand kwam aan de deur; hij duwde de ezel naar binnen en bemerkte dat er binnen een absolute stilte heerste. Hij zette vervolgens de ezel vast in de stal, pakte een ladder5, klom naar boven, gevolgd door zijn zoon en ging de vestibule (de gang) in, daarna de woonkamer, nog steeds zonder iets te horen.

Toen bereikte een geluid zijn oren; een vrouwenstem zei: de komst van de heer (effendi6) is nabij7. Dat wilde zeggen dat de vrouw des huizes een afspraakje had gemaakt voor een beleefdheidsbezoek met de Cadi van de stad. Zij was op dat moment in de badkamer. "We moeten vlug uit bad", zei ze op dat moment tegen haar slavinnen.

De Hodja hoorde dat. "Die zal ik eens een mooie poets bakken", zei hij in zichzelf. Hij zocht zich meteen een plek om zich te verbergen en zag precies tegenover zich een prachtige kamer, helemaal verguld met bladgoud. In het midden van de kamer stond een opgemaakt bed; zonder te aarzelen ging hij de kamer binnen, en trof daar een bijna lege grote linnenkast aan. Hij ging samen met zijn zoon op de dekens in de kast zitten.

Een moment later kwam de jonge dame uit de badkamer en, bij de arm
genomen door haar slavinnen, ging ze op de beste plaats in de kamer zitten; zó wachtte ze op de komst van de cadi. Weldra kwam de cadi; de slavinnen brachten hem bij hun meesteres, die opstond, een paar passen in zijn richting maakte, en hem in haar armen sloot en haar plaats aan hem aanbood. Het was een van de allerwarmste zomerdagen: mijnheer de cadi zweette uit alle poriën. Daarom deden de slavinnen hem zijn kleren uit, die ze in een kist8 legden. Alleen zijn onderbroek en -hemd had hij nog aan, en op zijn hoofd droeg hij alleen nog maar zo'n klein petje dat men onder de tulband draagt.

Aldus, helemaal op z'n gemak ging mijnheer op het bed van de dame zitten, die ook nogal schaars gekleed was. En zij kwam nogal dicht bij zijn Mijnheer te zitten. Even later namen ze een lichte maaltijd tot zich en dronken ze een paar glazen wijn. Geholpen door de warmte was de cadi al vlug onder invloed. Op dat moment gaf de jonge juffrouw een teken; men legde de cadi op bed en de slavinnen maakten zich uit de voeten: lieten hun meesteres en de cadi alleen achter. De Hodja hield zich nog steeds muisstil.

De vrouw voelde dat het geschikte moment was aangebroken: zij en de cadi wierpen zich in eikaars armen, begonnen te ravotten en kusjes uit te wisselen. De cadi maakte gebruik van de gelegenheid, ontblootte handig de dame en wierp de kleren terzijde. Dat gedaan was zij aan de beurt iets in te brengen. "Weet u mijnheer, op welke manier ik de liefde zou willen bedrijven?" "Ik heb geen idee, mijn liefje; ik ken geen andere manier dan op en neer." "Waarin ik zin heb", antwoordde de dame, "is een liefdesoffensief“ (battaille d'amour9).

"Ik geef de voorkeur", antwoordde de cadi, "aan gewoon op en neer." "Laten we mijn sleutelgat", zei daarop deze delicate mond, "het witte fort en uw sleutel de rooie prins10 noemen. Als ik me omdraai en mijn witte fort bloot geef, laat dan van uw kant de rode prins ten tonele verschijnen. Die gaat in de aanval op het witte fort, volgt rechttoe rechtaan zijn weg, en breekt de poort open, gaat er naar binnen als overwinnaar11"Ze gaan", zei de Hodja toen hij dit hoorde bij zichzelf, "oorlog voeren. Maar zij hebben geen tamboer die het startsein geeft voor de aanval. Als ze zover zijn, zal ik ze eens een flinke roffel laten horen."

Op het moment dat de juffrouw op haar rug gaat liggen, en de blanke top der duinen zich toont (la forteresse blanche se montre) aan mijnheer de cadi, kan deze zijn ongeduld niet bedwingen, grijpt de rooie prins en leidt hem in de aanval. Weldra is de poort geramd, waarop Nasreddin zijn zoon een teken geeft12. "Sla op de trommel", zei hij, want er bestaat geen goede aanval zonder dat men het teken voor de aanval geeft. Zijn zoon greep de trommelstokjes (baguettes13) en roffelt een stevig salvo, zoals hem is opgedragen. Op het moment dat dit lawaai losbreekt in de linnenkast, bespringt de schrik de cadi en zijn dame.

"Dat is geen goed teken", zeggen ze tegen elkaar. Hals over kop verlaten ze de kamer, steken de kamer van binnenkomst over en houden pas op met rennen als ze beneden zijn aanbeland. Ze kijken elkaar eens aan met stomheid geslagen en zonder te kunnen spreken, stom verbaasd als ze zijn.

De Hodja van zijn kant ziet in dit avontuur een gelegenheid om de oorlogsbuit binnen te halen. Hij komt uit de linnenkast, maakt de kist met kleren open en pakt het pak kleren van de cadi als ook zijn tulband, en dan, zonder aarzelen, daalt hij de ladder af, gaat de stal in waar de muilezel dichtbij zijn ezel staat vastgemaakt, doet de kleren in de draagmand op de rug van zijn ezel, zet zijn zoon op de ezel en gaat zelf op het muildier zitten, vertrekt uit het huis en komt thuis in goeden doen aan. Hier zet hij het muildier vast, zet de tulband van de cadi op, trekt ook zijn kleren aan, en gaat zitten, "Waar heb je", vraagt hem zijn vrouw, "deze spullen vandaan en die muilezel?" 'Ze horen mij toe", antwoordt de Hodja, "omdat ze als oorlogsbuit in mijn handen zijn gevallen."

Terwijl de Hodja volop genoot en er een zoete rust over hem kwam, waren de dame en de cadi, zoals we hebben gezegd, beneden14 helemaal van schrik buiten zichzelf en niet in staat om de kamer waar ze zaten te verlaten. "Er moet", zeiden ze tegen elkaar, "een demon in de kast zitten." Daarom durfden ze niet naar boven te gaan. De dame riep een slavin om beneden te komen; deze kwam ijlings toegesneld. "Ga naar boven", beval haar meesteres haar, "kijken wat er aan de hand is". De slavin, die ook helemaal van slag was, ging met duizenden voorzorgsmaatregelen stapje voor stapje langzaam de trap op, die naar de slaapkamer ging; zij keek behoedzaam door een kier van de kamerdeur naar binnen en zag niemand; zij ging naar de linnenkast en de kist, zonder ook maar iets te vinden, toen ging ze weer naar beneden.

"Er is niets daar boven", zei ze tegen de dame en de effendi, “geen demon en ook geen geest”. Die twee, nog steeds onder de indruk van duizenden angsten, gingen daarop naar boven en zetten zich daar bedrukt neer. "Dat was geen goed voorteken", zei uiteindelijk meneer de cadi, nog steeds bang; laten we ons tijdverdrijf uitstellen naar een ander moment. Laten ze me mijn kleren brengen, zonder verder uitstel, zodat ik me kan aankleden en hier weg kan gaan. De meesteres gaf bevel aan de slaven om de kleren van de effendi te brengen; meteen deed één van hen de kist open15, keek erin, en zag geen bundeltje kleren en ook geen tulband. Dat vertelde ze haar meesteres, die gaf het door aan de cadi. Dat zette de rechter aan het denken, maar zijn gedachten waren vertroebeld, en hij snapte niet hoe zoiets had kunnen gebeuren, want, en dat was zeker, hij was toch echt niet naakt van de rechtbank naar hier gekomen.

"Ah! Mijn liefje", jammerde hij, "dat wat er moest gebeuren, is gebeurd. Dat wat stond te gebeuren, heeft plaats gevonden!" Hij schreef meteen een notitie aan zijn beheerder op de rechtbank: "Geef voor mij een complete set kleren, van top tot teen, mee aan de drager van deze notitie", beval hij de beheerder. "Stuur iemand met deze notitie naar de rechtbank", zei de cadi tegen de dame, terwijl hij de notitie dichtvouwde en er een stempel opzette. De dame stuurde haar voedster erop uit. Deze ging meteen op pad naar de rechtbank en gaf de notitie aan de waarnemend cadi, de naïb-effendi. Deze nam kennis van de inhoud en maakte eruit op dat meneer de cadi wilde dat men hem ondergoed, een petje, een tulband en verder alles om zich te kleden stuurde. Hij riep de beheerder en lichtte hem in over de inhoud van de notitie. Conform de strekking van de notitie, vroeg de beheerder aan de haremvrouwen om een complete set kleren, en overhandigde dit pakket kleren aan de voedster. Deze boodschapster nam het aan, ging terug naar huis, en zette het pakket neer voor de cadi. Deze kleedde zich aan, deed zich zijn gordel om, kamde zijn haren, en op het punt te vertrekken, herinnerde hij zich zijn muildier. Hij beval dat men hem het beest voorgeleidde; een slavin rende naar de stal, maar trof daar het muildier niet aan.

"Effendi", schreeuwde ze, "het muildier is niet meer op zijn plaats."
De cadi verwonderde zich over dit nieuwe voorval, maar zonder te dralen, nam hij afscheid van de jonge dame, en ging naar de rechtbank, waar hij plaats nam op zijn zetel. Ondertussen overdacht hij alles wat er gedurende de dag was voorgevallen. Hij ging naar huis even later, en toen de nacht was gevallen, ging hij slapen. De volgende dag bij het krieken van de dag vertrok hij uit de haremvertrekken om zijn werk bij de rechtbank te gaan doen. Er kwamen wat vrienden langs om hem te vermaken; eenmaal alleen kwamen zijn avonturen hem weer voor de geest: hoe meer hij erover nadacht, hoe meer hij zich erover verwonderde.

Ondertussen kleedde de Hodja Nasreddin effendi zich in de kleren van de cadi, zette zijn tulband op en trok zijn mantel aan. Zó uitgedost16 klom hij op het muildier van de cadi en begaf hij zich naar de rechtbank17. De bedienden18 van de cadi lieten niet na hem goed op te nemen en op te merken dat hij helemaal in de kleren van hun meester was gekleed, en op zijn muilezel zat. Zij gingen meteen de cadi waarschuwen. "Meneer", zeiden ze hem, "Nasreddin effendi  is net aangekomen: hij is het die u heeft bestolen. Kijk maar naar de kleren waarin hij loopt, en het muildier dat hij berijdt."

"Let op je woorden", antwoordde de rechter. "Je moet er niet te licht over denken iemand vals te beschuldigen”. Ondertussen was de Hodja afgestapt, had hij het muildier aan de trapleuning vastgemaakt, liep hij de trappen op naar waar de cadi zich ophield en begroette hem. "Ook u, gegroet", antwoordde de cadi. De rechter verhief zich uit beleefdheid voor de Hodja, liet hem plaats nemen naast zich, bood hem een kop uitstekende koffie aan, en overlaadde hem met allerlei eerbewijzen als klap op de vuurpijl. Vervolgens liet de cadi de ongewenste nieuwsgierigen verwijderen, en richtte hij het woord rechtstreeks tot de Hodja met een vraag. "Hoe bent u aan deze kleren gekomen, mijnheer Hodja",  zei hij tegen hem, "en waar hebt u dit muildier gevonden?" "Ik zweer bij God", antwoordde Nasreddin, "dat het gisteren oorlog was. De rooie prins deed een aanval op het witte fort. In de hitte van de strijd is er onder de strijdenden paniek uitgebroken. Ik heb de op het slachtveld achtergelaten oorlogsbuit  verzameld en meegenomen."

Toen de cadi dit hoorde, begreep hij vlug waarom het ging. Hij veranderde van houding tegenover de Hodja, en zei: "Omdat het jouw oorlogsbuit is, is het juist dat je hem mag houden. Misschien wil je nog wel iets meer, opdat als ze je vragen: heb je de kameel19 ook gezien? Jij als antwoord geeft: de kameel en zijn jong zijn opgegeten20, want ik heb noch de een noch de ander gezien?" "Als u er zó over denkt", ging de Hodja door, "geef me dan maar geld voor de kameel om ervan verzekerd te zijn dat ik zo goed mijn mond houd, dat geen woord mij over de lippen komt."

Hierop gaf meneer de cadi evenzeer tot genoegdoening van de Hodja als voor zijn eigen rust, hem 20 goudstukken, door hem nogmaals op het hart te drukken vooral niets te laten merken aan de buitenwereld. "Hoe zou men ervan kunnen horen spreken?" zei de Hodja. "Alles blijft onder ons, vooral als u me voor het kamelenjong het muildier in de plaats wilt geven. Dat is alles wat ik u nog vraag..." "Natuurlijk", zei daarop de cadi, en hij gaf in die geest bevelen aan zijn bedienden. Dezen kwamen de Hodja het muildier brengen, en droegen het aan hem over. Daarop nam de Hodja afscheid van de cadi, zette zich in het zadel van het muildier en reed erop weg naar huis.

Vanaf die tijd bleef hij altijd deze kleren dragen, de mantel en de tulband van de rechter achterstevoren gezeten op diens muildier. Voor zover wij weten heeft hij het geheim aan niemand verklapt19..





maandag 20 februari 2017

Uit: Decourdemanche, Sottisier de Nasr-eddin-Hodja, Bouffon de Tamerlan, 1878.

Het rekenwonder.

Wie met lege handen komt te staan, maakt het verschil. (pag. 35)


nze buurman had zijn ganzen aan Nasreddin toevertrouwd om buiten te laten grazen: een ervan raakte hij kwijt. Aan het einde van de maand ging Nasreddin zijn loon halen. Onze buurman vroeg hem: “Wat is er met een van de ganzen gebeurd?  Wat is er van haar geworden?” Nasreddin zette zich aan het tellen van de door elkaar heen lopende gakkende ganzen en zei tenslotte: “Maar het zijn er toch tien!” Daarop telde onze buurman ze nog eens na en telde er maar negen. Er ontstond een groot meningsverschil tussen beiden. Tenslotte schreeuwde Nasreddin: “Er is maar een manier om dit op te lossen. Wij vragen tien personen om ter plekke ieder een gans te pakken….En als iedereen er eentje heeft, dan is er maar een conclusie mogelijk: er zijn er tien en geen negen!” Zo gezegd, zo gedaan: iedereen pakte een gans en een van hen had er geen. Deze nu wendde zich tot Nasreddin: “Kijk, er is er niet eentje over voor mij. Wat zullen we daar aan doen?” “M’n beste vriend,” antwoordde Nasreddin, “je had er eentje moeten pakken toen ze er nog waren.”



Een rekenfout (pag 208)


asreddin had 8 ezels. Op een ervan ging hij zitten. Hij reed voorop en de ezels volgden hem gehoorzaam. Eenmaal goed op weg draaide hij zich om om ze te tellen. Je weet maar nooit. En tot zijn grote verbazing telde hij er nog maar zeven, want hij vergat de ezel mee te tellen waarop hij zat. Hij stapte af en telde ze nogmaals: het waren er acht. Hij was helemaal van de kaart door wat hij meemaakte. Een voorbijganger zag dat en vroeg hem wat eraan de hand was. En helemaal verbijsterd schreeuwde hij: “Zonet telde ik er zeven en nu zijn het er weer acht. Ik ben toch niet gek!?” De voorbijganger vroeg hem heel bedaard: “Heb je die waarop je zat ook meegeteld de eerste keer toen je telde?” “Hoe had je in vredesnaam gedacht dat ik kon tellen wat er achter mij zat? Door op de ezel te zitten, natuurlijk! Nou?”


De fout die Nasreddin hier maakt, onthult dat er op een oosterse manier wordt geteld. Zoals in een oude manier van tellen op een telraam als je tot tien telt, je een één op de staaf voor de tientallen apart zet, deed Nasreddin alsof hij al tot tien ganzen had geteld en telde hij vóór hij begon te tellen 1, omdat het er tien waren, en begon daarna pas de aanwezige ganzen te tellen. Het moment waarop je op de andere staaf een 1 aanschuift is van doorslaggevend belang voor de juiste uitkomst. Een vergelijkbaar enigszins pikant rekenprobleem kwamen we tegen in Deel 2 van Humor en zijn Schaduw bij het tellen van de aubergines, waarbij Jeha de vinger van de minnaar aanziet voor een aubergine.
Het probleem ontstaat in een zekere zin, doordat we bij het tellen tien vingers tot onze beschikking hebben en we moeten doen alsof de tiende vinger de eerste vinger + niets is. Als je erover nadenkt, begin je te begrijpen wat een geweldige uitvinding de nul was. In deze grappen worden het oosterse en westerse rekensysteem met elkaar geconfronteerd. Misschien word je geleerd hoe op een ontmoetingspunt van beide systemen, je van het verschil in rekenmethodes slim misbruik kon maken.

Uit de verhaaltjes kun je de ouderdom van de verhalen opmaken. Ze komen uit de tijd dat de streek van Nasreddin het ontmoetingspunt was van twee handelsroutes: de ene uit het Verre Oosten, de zijderoute, en de andere over zee vanuit het westen.  De Gans met zijn opvallende formaties in de lucht als een wijdbeense Hera (=Iuno), waaruit sterren geboren worden, heeft zich misschien ook opgehouden bij een heiligdom in Klein Azië. Zou er ooit in deze streek een heiligdom, gewijd aan de jaloerse godin Iuno (=Hera) en bewaakt door ganzen, hebben gestaan? Hera wordt ook met de pauw geassocieerd. De pauw, een mooie, trotse en sierlijke vogel zal in grappen af en toe van rol verwisseld zijn met de gans, een minder sierlijke, maar trotse en domme vogel. Volgens de Griekse komedie schrijver Aristophanes noemde Zeus zijn echtgenote bij tijd en wijle Zην, wat een verbastering is van χην, gans. En natuurlijk waren er in Roem, niet het Rome in Italie, maar het Rome van Turkije, de ganzen bekend om hun waakzaamheid. Ze hadden tenslotte het Italiaanse Rome beschermd tegen de invallen van de Galliërs (390 vChr). Net als het Turkse Rome beschermd moest worden tegen diezelfde invallers een eeuw later (280 vChr). In Rome richtte men daartoe op het Capitool een tempel voor Iuno (=Hera) op met de naam Iuno moneta. Het begin van ons kapitalisme!

Ik heb me samen met alle anderen nogal verkeken op de naam Nasreddin. Op het eerste gezicht lijkt de naam Nasreddin puur Arabisch: “nasr”- betekenis, “overtuigen, succes hebben in de strijd”; en “din”- betekenis “geloof”. Hoe bevooroordeeld kun je zijn, als je deze combinatie blindelings als juist ervaart. Dat “din” ook nog iets met “financiële schuld” van doen kan hebben, is niet in mij opgekomen. Tot mij opviel dat “nasr” precies dezelfde medeklinkercombinatie heeft als het woord in het Latijn voor gans, “aNSeR” (NaSR). Daarop sloot het achtervoegsel “din” in de betekenis van “financiële schuld” én “geloof” aan. De streek in Turkije waar het monument van Nasreddin staat, heette vroeger het Sultanaat Rome (Turks, Rüm), en je mag er dus vanuit gaan dat het Latijn een tijdlang de voertaal van de streek was. Het eerste deel van de naam Nasreddin, NASR, zou verband kunnen houden met de religieuze betekenis van de gans in het oude Rome. In de antieke oudheid zou die betekenis ook voor de Turkse streek waarin het Nasreddin monument staat, hebben kunnen opgaan. Een monument voor mensen die geen hiërarchie tot in hun diepste wezen wensen te (h)erkennen, en dat blijkt in hoe ze rekenen.

Meer hierover is te vinden in de Conclusie van Humor en zijn Schaduw! Ga naar onderen tot aan het hoofdstuk: 
3.2. Een geval apart: Nasreddin. 

maandag 13 februari 2017

De spiegel.
(Sublimes paroles et idioties de Nasr Eddinn Hodja,
Phébus libretto, Parijs, 2002, pag. 126)

Toen Nasreddin op een ochtend de deur uit ging, zag hij op de grond de stukken liggen van een kapot gevallen spiegel. Hij pakte een stuk van de grond op en keek erin. Hij zag een gezicht, dat hem niet beviel, vermoeide gelaatstrekken, een beetje rood aangelopen, en een stevige neus, geërfd van zijn vader Abdullah Effendi. In zijn woede gooide hij het stuk spiegel zo ver van zich af als hij maar kon: “Uit mijn ogen”, schreeuwde hij. “Nu begrijp ik waarom ze je kapot hebben gegooid!”


De spiegel van Timoer Lenk.
(Sublimes paroles et idioties de Nasr Eddinn Hodja, Phébus libretto, Parijs, 2002, pag. 71)

Timoer Lenk (een wrede tiran) was niet alleen mank, maar had  een bochel en was van een stuitende lelijkheid. Op een dag ging hij naar de kapper en beraadslaagde de stand van zaken in aanwezigheid van  Nasreddin en nog andere raadgevers. Toen de kapper met hem klaar was, reikte hij hem een spiegel aan, en nauwelijks had hij daarin een blik geworpen of hij barstte uit in huilen met lange snikkende uithalen als van een kind. Meteen volgde Nasreddin zijn voorbeeld en spetterden de tranen in het rond, ondertussen zuchtend en kreunend. Deze treurnis duurde wel een uur. Eindelijk wist Timoer Lenk zich te hernemen en droogde zijn tranen, maar Nasreddin bleef maar snikkend huilen. Daarop vroeg Timoer Lenk hem verbaasd: “Wat is er toch met jou aan de hand? De reden waarom ik huil is overduidelijk. Ik werd weer eens met de neus op de feiten gedrukt: ik ben echt lelijk! Geen ontkomen aan! Maar wat is de reden dat jij er zo erg aan toe bent?” “Respect! M’n beste vorst, u hebt maar even in de spiegel gekeken, en dat was genoeg voor een uurtje huilen. Maar ik, die u de hele dag zie, heb ik geen reden om een stuk langer te huilen?”


De komende vier weken staat er telkens een Nasreddin verhaaltje op het programma. Daarbij komen net als bij Hebreaus (zie blogs afgelopen 4 weken) telkens andere aspecten van Nasreddin aan de orde. Een vast aandachtspunt is de oorsprong van deze verhaaltjes. Hebreaus was een bestaand persoon, waarvan ik heel in het kort heb verteld, waar en wanneer hij leefde, en wat hij deed om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bij Nasreddin ligt dat anders. Ook al bestaat er een legende rond Nasreddin. Hij heeft nooit als persoon bestaan. De legende was een manier om politiek gevaarlijke opponenten belachelijk te maken en daarmee onschadelijk.

Waarom heeft hij nooit bestaan? Het antwoord is in eerste instantie eenvoudig. In de tweede grap komt hij voor in gezelschap van Timoer Lenk die leefde van 1336-1405 na Chr. Nasreddin zou volgens de legende geleefd hebben van 1209 na Chr (605 Islamitische kalender) tot 1284 na Chr (683 Islamitische kalender). De beiden kunnen elkaar dus nooit ontmoet hebben. Dit wil natuurlijk niet afdoende bewijzen dat Nasreddin geen bestaand persoon is geweest, maar er zit in ieder geval iets scheef in zijn levensgeschiedenis. Ook zegt het nog niets waarom bijna anderhalve eeuw later Nasreddin opduikt in verhalen rond Timoer Lenk. Vandaag wil ik alleen nog iets meer over de legende vertellen. In de weken hierna zullen ook kort de andere onderwerpen aan de orde komen. 

De schrijver die de legende van Nasreddin op zijn naam mag schrijven is Effendi Hassan, die te Sivri Hisar woonde. Volgens hem werd Nasreddin Hodja te Horto geboren. Zijn vader was de imam Abdullah. Als kind viel hij al op: toen hij 3 blinde bedelaars passeerde, schudde hij met zijn beurs zodat de muntstukjes rinkelden. De blinden dachten dat hij het geld voor hun voeten had geworpen, en buitelden over elkaar heen en begonnen met elkaar te vechten om het geld. Is dat nou wel echt een leuk kind, deze Nasreddin? Ik vertel het omdat het een belangrijke karaktertrek van hem verraadt: hij heeft heel veel met geld te maken. Waarom dat zo is, komt in de volgende blog aan de orde over zijn geschiedenis, die tot heel ver in het verleden teruggaat. Hij blijkt namelijk veel minder Turks te zijn dan menigeen denkt.

Nasreddin zit als kind bij zijn vader in de klas. En als oplettende leerling weet hij te vertellen dat de maan veel belangrijker is dan de zon, omdat de maan bij nacht licht geeft! En wat gebeurt er met de maan als hij weg is? Dan wordt hij in stukjes geknipt om als sterretjes aan de hemel te staan! De sterretjes zijn net als in het eerste verhaal over de spiegel splinters van de maan. Waarom? Ook dat komt in de volgende blog. 

Nasreddin wordt zelf weer imam, net als zijn vader en bouwt zich een reputatie op van alwetende wijsgeer. Hij studeerde in Konya, een belangrijk meditatiecentrum voor soefi’s. Hij is ook veel meer wijsgeer dan je op het eerste gezicht zou denken. Je denkt met een idioot te maken te hebben. Maar we hebben hier met een idioot te maken in de klassieke zin van het woord: een zelfstandig denkend mens, die zich daardoor van de anderen weet te onderscheiden. De Nasreddin verhaaltjes worden door soefi’s gebruikt als meditatieteksten. De beroemdste Turkse soefi, Jallal udDin Rumi, heeft verschillende van deze grappen in zijn werk opgenomen. Ook die komen in een volgend blog aan de orde.

Hij trouwde met Khadija. Maar volgens een aantal andere grappen had hij niet één maar zelfs vier vrouwen. Van de andere drie vrouwen zijn de namen onbekend. Maar het was zo druk in zijn bed dat hij op een nacht uit zijn bed valt en opmerkt dat het zo niet langer kan gaan. Een van de echtgenotes of hij zelf zal opstappen. Met zijn echtgenotes had hij hetzelfde probleem als met Timoer Lenk wat betreft hun uiterlijk: “Overdag kun je hen niet zien omdat ze zo lelijk zijn, en ’s nachts kun je haar niet in huis houden omdat ze zo onrustig zijn….” Achter deze opmerking zit veel meer dan je zou denken. Volgend blog! Natuurlijk krijgt hij kinderen, en heeft hij moeite met de opvoeding. Nasreddin neemt zijn zoon op schoot. En het plast op hem. Hij zet het kind op de grond en híj plast op zijn beurt op het kind! Khadija ziet dat en roept: "Wat doe je, ben je nou helemaal gek geworden?" Waarop hij antwoordt: "Als iemand anders dan mijn zoon dat zou hebben gedaan, zou ik op hem gepoept hebben!”  Tja, is dat grappig? Wij vinden van niet, maar dat komt voornamelijk omdat deze grappen veel ouder zijn dan 1200 na Chr. Deze vieze grappen kenmerken de Romeinse en Griekse humor en ze zijn niet Turks. Zijn dochter geeft hij een stevige klap en hij draagt haar daarna op om een kruik met water te gaan vullen. Anderen die daarbij aanwezig zijn, zeggen: "Waarom sla je je dochter. Ze heeft toch niets misdaan?" Waarop hij antwoordt: "Is het niet beter te straffen om te voorkomen dat iemand iets fout doet? Ik weet zeker dat ze zo dadelijk de kruik laat vallen en dan is hij stuk, als ik haar niet tevoren klappen geef. Nu bestaat er nog een kans dat ze met de kruik heel thuis terug komt."

Volgens de legende stierf Nasreddin in 1284 na Chr. in Akshehir in Turkije. Nog steeds staat daar een grafmonument  ter zijner nagedachtenis. Overigens wil ik over de informatie die her en der op het internet over Nasreddin te vinden is, opmerken, dat veel ervan niet klopt. Dat is op zich niet erg, maar als iemand denkt “maar dat heb ik ergens anders toch heel anders gelezen”, dan wil ik hem vragen de tegenstrijdige antwoorden te controleren. En dan zul je zien dat je bij mij de juiste antwoorden vindt!



maandag 6 februari 2017


De laatste aflevering Hebreaus grappen. 

Een willekeurige greep met als thema: diefstal. In de  Oudheid was men heel erg op z’n hoede, op het paranoïde af. Geen bezit was dan ook een goed alternatief voor zich kortstondig wentelen in overvloed. Tussen deze extremen bevond zich de gewone man die bezorgd was rond te komen. En deze grappen zijn eigenlijk voor hem bedoeld om hem gerust te stellen dat hij het nog niet zo slecht getroffen heeft. 



Itemnummer DLXXXIII



Een of andere zot keek in een regenton, liep naar zijn moeder toe en zei: “Er zit een dief in de regenton!” En zijn moeder ging met hem mee naar de regenton, en keek erin en zag haar eigen gezicht weerspiegeld in het water naast dat van haar zoon. En ze zei tegen haar zoon, “Inderdaad er zit een dief in de regenton, en naast die vervloekte kerel staat ook nog een hoer. Blijf jij nu maar hier staan, zodat ze er niet uit kunnen komen om te ontsnappen, voordat ik de buren heb kunnen halen.”


Itemnummer CCCIII

Een dief ging ’s nachts naar de verblijfplaats van een of ander heremiet, en vond niets om te stelen. Daarop zei hij tot de heremiet: “Oh jij heremiet, waar heb je je spulletjes verstopt?” En de heremiet gaf als antwoord: "Ik heb ze in het huis hierboven verborgen” en doelde daarmee op de hemel.


Itemnummer CCCLVI: Over een boze man.
(Aderlaten was een manier om agressie te beteugelen)

Toen een zekere grappige dokter voorbij de deur van een Turks bad liep, zag hij een naakte man naar buiten komen, en hij zei tegen hem: “Waarom loop je naakt naar buiten, ga naar binnen anders dan loop je zo dadelijk nog een koudje op”. Daarop zei de man: “Ze hebben mijn kleren gestolen, en ik zit ze achter de vodden aan”, waarop de dokter zei: “Laat me jou eerst aderlaten, zodat je met meer overleg te werk gaat.” 


Itemnummer DLXXVI
De zoon van een of andere dwaze vrouw stierf – z’n naam was Lazarus! – en de priester ging hem begraven.  En toen hij het  volgende stuk uit de bijbel reciteerde dat begint aldus (Johannes, XI, 14): Lazarus is gestorven, en het verblijdt mij...” zei de oude vrouw hem daarop: “En waarom zou je je niet verblijden? Immers je hebt zijn kleren, en zijn bed, en alles dat hij bezat naar huis meegenomen.”


Itemnummer: DLXIV
Een of andere dwaas zei: “Mijn vader ging twee keer naar Jeruzalem, en daar is hij overleden en begraven, maar ik weet niet meer welke keer dat is geweest, bij zijn eerste of zijn laatste bezoek”.