maandag 7 november 2022

Vrees of angst?

In de vreze des Heeren of heeren?
OF, in de vreze der Daame of daame?

In het leven van Nasreddin duiken bij tijd en wijle schrikbarende heersers op, zoals in dit verhaal (Idries Shah, The sufi’s, pag. 65):


“Ik laat je ophangen,” zei eens een wrede en ongelovige koning tegen Nasreddin, “als je mij niet kunt bewijzen dat je diepere in-zichten (waarnemingen), zoals men die aan jou toeschrijft, hebt!” Nasreddin zei daarop terstond: “Ik zie een gouden vogel in de lucht en demonen in de aarde” (1).
“Hoe doe je dat toch?” vroeg hem de Koning. “Vrees,” antwoordde hem Nasreddin, “dat is alles wat daarvoor nodig is!”


Ik gebruik hier in de vertaling uit het Engels voor “fear” het Nederlandse woordje “vrees”. Wie kent het nog? Ook in de verdere vertaling heb ik een archaïsch taalgebruik. En dat niet zonder reden. De gebruikelijke vertaling voor “fear” is “angst”. Maar er is een groot verschil in betekenis tussen “angst” en “vrees”. “Angst” is een woord dat opgang maakte, nadat de psychoanalyse van Freud was geïntroduceerd. “Angst” kent ieder voor zich, zelfs als iedereen er mee te maken krijgt. Het is een individuele gewaarwording. “Vrees” komt uit de Bijbel en uit de godsdienst. Daarin wordt het onderscheid nog niet gemaakt tussen de vrees voor God en de angst voor het Hoofd van het gezin (familie). Vrees is geen individuele ervaring, zoals angst, maar iets van het collectief, de gemeenschap in zijn totaal. Wij kennen het woord “vrees” niet meer, omdat wij niet meer weten wat een collectief is, een gemeenschap. Een gemeenschap bestaat niet zomaar uit individuen, maar komt voort uit een voorbeschikking, een gedeeld lot.


Over dat lot beschikt blijkbaar een Heer en niet een Dame. Want, als ik in de titel van dit blog het heb over “In de vreze der Daame of daame”,  komt dit meteen humoristisch over, tenminste bij mij. Toch bestaan er in de Klassieke Oudheid wel degelijk vrouwen zoals Hera die men vreesde.  Helden als Anneas waren samen met zijn kameraden bevreesd voor Haar. Zij kenden geen angst, maar vrees om door een enkele foutief te interpreteren handeling een orkaan te oogsten, als er iemand per ongeluk een windje liet. Dat sloeg terug op de hele gemeenschap en niet alleen op de bewuste ongelukkige schetenlater.


Hera was op haar beurt jaloers op de vrouwen die het bed deelden van haar man. De godin Hera was regelmatig terecht jaloers op haar man Zeus, omdat hij weer eens overspelig was met een andere vrouw. Jaloersheid was geen lelijke karaktertrek van Hera, maar een teken van haar strijdvaardigheid om voor een terechte zaak op te komen. Zij hoefde nergens voor te vrezen, omdat ze het Recht van de gemeenschap aan haar zijde had. Ze kon bang, angstig, zijn voor haar onberekenbare echtgenoot, maar ze hoefde hem niet te vrezen, omdat ze aan elkaar gelijkwaardig waren.


“Vrees” is een term uit de theologie. Antwoord en vraag in het verhaal hierboven staan op een lijn. Als ik hier “angst” vertaald zou hebben, zou dat in feite een miscommunicatie tussen de hoofdpersonen betekenen. In het bovenstaande verhaaltje gaat het om een theologische kwestie: heeft Nasreddin een mystieke band met het Opperwezen of niet? In het volgende verhaal wordt er met datzelfde Opperwezen de draak gestoken. En een “gelovige” koning wordt door Nasreddin voor de gek gehouden. De rollen zijn omgekeerd! Dit valt op te maken uit de volgende versie van dit verhaal, vertaald vanuit het Frans (“peur”) en Arabisch  (“xuf”, ألخوف ) uit Jéha, Contes choisis, version triligue, 2016, pag. 121-125):


Waarzeggen.
De koning had horen zeggen dat Jeha bepaalde mystieke talenten had. Daarom nodigde hij hem uit en vroeg hem het volgende:
“Voorspel mij mijn toekomst! Als je daarin niet slaagt, laat ik je ophangen!”
“Ik zie,” zei daarop Jeha, terwijl hij zijn hoofd omhoog richtte en zijn handen ten hemel hief, “ik zie engelen met een kroon op het hoofd van goud en bezet met diamanten voor u in aanbidding neerzijgen, en ik zie adelaars…”
“Maar hoe kun je dat nou allemaal zien, terwijl Wij, Wij niets zien?” vroeg de koning.
“Majesteit, als je maar bang genoeg bent. Angst voldoet!” (2)


Zo’n kleine verschuiving in de tekst van “vrees” naar “angst”, maakt de strekking van de tekst volkomen anders. De tweede tekst verduidelijkt ons nu, wat er in de eerste tekst van Idries Shah ook is bedoeld. Idries Shah schreef de grap op in 1960 en de laatste tekst is uit 2016. Je ziet hoe de tijd de tekst beïnvloedt. Eigenlijk heb je beide teksten nodig om de oorspronkelijke bedoeling te achterhalen. Want dat het om waarzeggen ging, waarbij Nasreddin/Jeha voorspelt wat de koning graag wil horen, was uit de tekst van Idries Shah verdwenen. En uit de laatste tekst is de gedragen dreigende stijl verdwenen, waarin een absoluut heerser wil vaststellen dat hij niet met een charlatan te maken heeft. Beide verhalen zijn onontbeerlijk om de tekst in zijn middeleeuwse context te kunnen plaatsen.


Idries Shah merkt op dat de grap zijn weerslag heeft in het vijfde hoofdstuk van de Don Quichot van Cervantes. Nu staat er in hoofdstuk 4 (Cervantes, Don Quichot, vertaling Barber van de Pol, pag. 51 en 53)  wel iets vergelijkbaars te lezen, maar zeker niet deze tekst. Toch is de verwijzing van belang om de teksten in een historisch context te kunnen plaatsen. In de Middeleeuwen moest je niet vragen naar bewijzen van geloof.


pag 51: “Als ik haar aan u liet zien,” zei Don Quichot hierop, “wat zou dan de verdienste zijn als u zo’n aperte waarheid erkende? Het gaat erom dat u het zonder haar te zien gelooft, erkent, bevestigt, zweert en volhoudt; anders bent u met mij in gevecht, verwaand en verwaten volk….”
pag.53: Een van de meereizende muilezeljongens, die niet erg goedmoedig moet zijn geweest, kon al die aanmatigende taal van de arme gevallene niet verdragen zonder hem het antwoord in de ribben te splitsen. Dus ging hij naar hem toe, pakte de lans, brak het ding in stukken en begon met één ervan onze Don Quichot zo druk te bewerken, dat hij hem ondanks zijn wapenrusting tot moes sloeg.” (3)


De “haar” op pagina 51 is de “verblindend schone Dulcinea”, de aanbedene van Don Quichot, die net als alle ridders een vrouw heeft om hem tot zijn daden te inspireren. Behalve Hera was ook de godin van de liefde Venus (of Aphrodite)  zo’n godin waaraan je niet zonder vrees voorbij kon gaan. In “De Gouden Ezel” van Apuleius staat het verhaal over Venus om haar zoon Amor uit de armen van zijn geliefde Psyche te houden. Dulcinea is de Psyche, de gefantaseerde inspirerende geliefde, van Don Quichot. En je moet in haar geloven zonder haar te zien! En niet om bewijzen vragen.


En hier komt iets fantastisch om de hoek kijken: middeleeuwse Schoonheid was niet individueel. Voor de Middeleeuwen was het de door God geïnspireerde kunstenaar die iets maakte waaraan iedereen op zijn beurt weer inspiratie kon ontlenen. Vrees maakte dat je zó naar iets kon kijken, dat je overweldigd werd door de hemelse genade als collectief.


In mijn eerdere blog vertelde ik over een vergelijkbare ervaring, toen ik de Camposanto in Pisa binnenliep en het overweldigende werk van Buenamico Buffalmacco zag. Het leek op wat je op z’n bijbels zou kunnen aanduiden met “het verheffen van je hart”: mijn  hart sloeg eenmaal een slag over, ik hapte naar adem. Echte Schoonheid kun je delen met anderen, de vrees voorkomt dat je te dichtbij komt: je moet het geloven en delen met anderen zonder het alleen voor jezelf te (kunnen) houden. Bordjes om afstand te houden waren niet nodig. Zo’n moment noemen Soefi’s: verlichting. Ineens is er het inzicht in een diepere waarheid, lijkt het. En vrees is een motor waarop de ziel vleugeltjes krijgt.


Op pagina 53 komen we dan de muilezeljongens tegen, de ezeldrijvers die in deze grappen van Nasreddin en Jeha zo’n grote rol spelen. Ik wist het niet, maar zo’n jongen heet in het Spaans van Cervantes een “mula” (2) , en onze held Nasreddin heeft voor zijn naam “mulla” staan, hetzelfde woord maar met een “l” meer! Is Nasreddin nu een geestelijk voorganger of eigenlijk een muilezeldrijver? En hoe zit
het met Jezus, de geestelijk voorganger die op een ezel op Palmzondag Jeruzalem komt binnen rijden? Zie onder het hoofdje: “De Romeinse ezel” in De Ezel. Gustave Doré maakt bij deze scène een tekening, waardoor je nog meer in je idee gesterkt wordt dat hieraan een Nasreddin/Jeha verhaal ten grondslag ligt. Wie zien we hier, zoals Nasreddin gewoonlijk doet, achterstevoren op een ezel zitten? Don Quichot!? Maar hij wordt wél gestraft en Nasreddin/Jéha in dit verhaal niet!
Huizinga zegt het zó en plaatst daarmee de grap van Idries Shah precies in het tijdsgewricht, waarin het thuis hoort (Herfsttij der Middeleeuwen, pag 136)


“Wat is er over van al die menselijke schoonheid en heerlijkheid? Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg om de behoefte aan scherpe huivering voor de dood te bevredigen. Dus houdt de tijd zich de spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, de vergankelijkheid op korte termijn…….”


De Middeleeuwen: een tijd vol vrees en schoonheid. En gek genoeg, die tijd heeft iets met onze tijd te maken, met die mensen die zich vastlijmen aan kunstwerken! 

zondag 16 oktober 2022

 Idries Shah: Nasreddin


Ik kende deze passage uit de Legende van Nasreddin Hodja nog niet. Idries Shah geeft ook niet aan, hoe hij eraan is gekomen. Volgens hem weet Nasreddin zijn doel te bereiken door op een geheel eigen wijze gebruik te maken van “onze intellectuele schering en inslag” (fabric). Een echo van deze wel overwogen opzet kan je vinden in de Legende van Nasreddin . Hierin wordt, volgens Idries Shah, verteld dat Hussein, de stichter van de (Soefi-) school, Nasreddin uit de grijpgrage handen van de Ouwe Schurk wist te redden, toen Hussein hem ertoe voorbestemde zijn Boodschapper (voorspreker, profeet, verbindingsfiguur tussen god en de mensen) te worden. Met de Ouwe Schurk wordt bedoeld het grofmazige denken over de werkelijkheid zoals wij bijna allemaal doen. “Hussein” is in het Arabisch geassocieerd met het concept Deugd; de Ouwe Schurk doet denken aan de personificatie van de Ondeugd, de duivel.  Ook de trickster van de Winnebago zou je een Ouwe Schurk kunnen noemen, omdat hij de anderen steeds “jongere broeders” noemt.


Toen Hussein de hele wereld had afgezocht naar een leraar, die zijn boodschap aan de volgende generaties kon doorgeven, was hij bijna ten einde raad, toen hij ineens rumoer hoorde. De Ouwe Schurk berispte een van zijn leerlingen voor het vertellen van grappen. “Nasreddin,” donderde de Schurk, ”omdat jij je zo oneerbiedig gedraagt, veroordeel ik je ertoe dat overal in de hele wereld de mensen je voor belachelijk zullen houden. Daarom, als één van jouw absurde grappen wordt verteld, zullen er direct telkens nog zes andere van die grappen worden verteld, totdat je duidelijk zult inzien dat je voor gek staat.”(1)


Scepticisme over metafysische verschijnselen beperkt zich, volgens Idries Shah, geenszins tot het Westen. In het Oosten is het niet ongebruikelijk dat mensen zeggen dat zij het gevoel hebben dat deelnemers (“discipleship”) aan een mystieke leerweg hun onafhankelijkheid zullen verliezen (“will deprive them of”), of hen van iets anders zal beroven (als een trickster). Zulke mensen worden door Soefi’s genegeerd, omdat zij nog niet het stadium hebben bereikt, waarin zij zich realiseren dat ze gevangene zijn van de ergst mogelijke tirannie (die van de Oude Schurk), wat in geen opzicht te vergelijken is met de tirannie van een mystieke leerweg. 
Het opvoeren van de Ouwe Schurk doet mij denken aan de trickster uit de Indianenculturen van Noord Amerika. Hierin wordt de trickster vaak genoemd (The Trickster, 1956, pag. 20, noot 44: zie literatuurlijst) : “First-born ”, de Eerst Geborene, m.a.w. de Oudste (schurk). Hetzelfde gegeven komt terug in De Vogels van Aristophanes, als hij het heeft over de Vader van de Kuifleeuwerik, die leefde toen er nog geen aarde was en daarom in de kuif van de leeuwerik moest worden begraven . Maar zoals we in het verhaal van Rodenko over de Muilenlapper  hebben kunnen vaststellen, is de Trickster nog springlevend. Je zou de interpretatie van Idries Shah van de Nasreddin verhalen een optimistische en positieve invalshoek kunnen noemen. En mijn interpretatie van in wezen hetzelfde fenomeen, een pessimistische, negatief cynische.


De grappen hebben direct te maken met ons gebrek aan intuïtieve vermogens (Inleiding) , volgens Idries Shah. De afwezigheid van het gebruikmaken van intuïtie door de mensheid in ’t algemeen brengt, een bijna hopeloze situatie met zich mee. En veel Nasreddin verhaaltjes leggen daar de nadruk op.
Nasreddin speelt de rol van de ongevoelige, doodgewone derwisj in het verhaaltje over de zak met rijst:


Op een dag kreeg hij een meningsverschil met de overste van het
klooster, waar hij verbleef. Even daarna was er ineens een zak met rijst weg. De overste beval iedereen zich in een rij op te stellen op de binnenplaats. Daarop vertelde hij dat in de baard van de man die de zak met rijst had gestolen, wel een paar rijstkorrels zouden zitten.
"Dat is een oude truc om degene die schuldig is onwillekeurig ertoe te bewegen naar zijn baard te grijpen,” dacht de echte dief en bleef onbewogen stilstaan.
Nasreddin dacht echter: “De overste is erop uit om zich op mij te wreken. Hij heeft vast en zeker wat korrels rijst in mijn baard gestopt!” En hij probeerde de rijstkorrels eruit te verwijderen, door onopvallend liefkozend zijn vingers door zijn lange baard te halen alsof hij ergens diep over nadacht.
Toen hij dat deed, merkte hij dat iedereen naar hem keek. 
"Ik wist het, dat links om of rechts om, vroeger of later, hij mij te pakken zou nemen,” zei daarop Nasreddin. (2)


Wat sommige mensen een voorgevoel noemen, is vaak in werkelijkheid het gevolg van een neurose en inbeelding (suggestie).
Er bestaan verschillende variaties op deze versie die ik overigens weer niet kende. De eerste hieronder staande versie heb ik eerder in verband gebracht met klassenongelijkheid (Klassieke Humor & zijn Schaduw, 2014, pag. 35): “Nasreddin als een echte “socialist” probeert wat te doen aan de inkomensongelijkheid…” Als deze verhaaltjes betrekking hebben op intuïtie, dan zou je kunnen concluderen dat ons gevoel voor onrechtvaardigheid is aangeboren. Een “normaal” mens voelt aan zijn water, wanneer hij/zij iemand onrechtvaardig behandelt of als iemand hem/haar onrechtvaardig behandelt. Van dit gevoel kun je vervreemd raken, als je al eeuwen in rijkdom of armoe hebt geleefd (Abderrachid Abdessemed, Jéha, contes choisis, version trilingue, 2016, pag. 181/185).

Idioot.

Op een dag gaat Jeha met een zak tarwe naar de molen om er meel van te laten malen. Hij zet zijn zak ergens neer om zijn beurt af te wachten. Terwijl de anderen in beslag worden genomen door onderling te redetwisten, begint Jeha handje voor handje tarwe uit de ene zak in een andere zak, de zijne, te doen. Plotseling wordt hij op heterdaad betrapt door de molenaar -- zijn hand nog in de zak van een ander--  vraagt die hem:
-- Wat ben je nu toch aan het doen, Jeha? Schaam je je dan niet?
-- Neem het me niet kwalijk. Je weet toch dat ik een idioot ben en ik heb me in de zak vergist.
-- Als je dan echt een idioot bent, waarom doe je dan niet het omgekeerde en doe je jouw graan in de zakken van de anderen? antwoordt de molenaar.
-- Oké, ik mag dan wel een idioot zijn, zei daarop Jeha, maar zo idioot ben ik nou ook weer niet dat ik mijn eigen zak niet meer zou herkennen als die van mij!(3)


In het vervolg op dit verhaal weet hij niet meer wie hij is, en denkt hij de molenaar te zijn. Een variatie hierop is te vinden op mijn webside, Grappen van Vroeger: Wie ben ik? Maar natuurlijk kan je dit gedrag ook houden voor dat van een dommerik . Op een van mijn blogs heb ik er een theologische en psychologische uitleg aan gegeven (naar beneden scrollen). Uit deze variaties valt goed het verschil van invalshoek op een- en hetzelfde gegeven op te maken. Ze zijn door de eeuwen heen ontstaan en vertellen ons hard en duidelijk iets over onze intuïtie voor recht en onrecht. 

dinsdag 20 september 2022

De Soefi's

Met vakantie in Italiaans Toscane

Vanuit Fiesole, dichtbij het Florence van Boccaccio, gingen we om de scheve toren te bekijken op bezoek in Pisa. Ik kan iedereen aanraden naar Fiesole (blog Decamerone) te gaan, én ook naar Pisa, niet zozeer om de scheve toren te bekijken, maar vooral om een bezoekje te brengen aan het Camposanto, dat  naast de toren is te vinden. De muurschilderingen (fresco’s) zijn adembenemend. De muurschilderingen lijken als van de hand van Jeroen Bosch, maar dan in het overweldigend groot. Als goed geaarde katholiek sta ik verbluft over wat ik hier krijg te zien.


Natuurlijk had ik de noten gelezen in de vertaling van de Decamerone door Frans Denissen (over het verhaal op pag. 559; noot op pag. 843): “…Zijn vriend Buonamico Buffalmacco (1262-1340) genoot als schilder veel meer aanzien. Ook hij maakte fresco’s onder andere tussen 1330 en 1340 het beroemde “Triomfe della morte” in het Camposanto te Pisa – een schildering die vaak met de “Decamerone” in verband is gebracht, omdat er een vrolijk hoofs gezelschap op staat afgebeeld dat net als het gezelschap in de “Decamerone” bestaat uit zeven vrouwen en drie mannen…”  maar toen ik in Pisa met de fresco’s werd geconfronteerd, was ik helemaal vergeten wat ik erover had gelezen.
De muurschildering hieronder is dus gemaakt, voordat de Decamerone is geschreven!


Maar laten we eens goed toekijken! Opvallend is de luchtige vrolijke samenstelling van het gezelschap. Kleuren, houding en inhoud doen denken aan een andere Italiaanse schilder uit die tijd: Botticelli. Het interessantste is echter, dat hier niet 7 vrouwen en 3 mannen staan afgebeeld. Het gezelschap bestaat uit zeven mannen en drie vrouwen. De samenstelling man-vrouw is precies omgekeerd aan het gezelschap uit de Decamerone, waar het gezelschap bestaat uit 7 vrouwen en 3 mannen. Boccaccio had dat gedaan, omdat hij een vrouwvriendelijk boek wilde schrijven. De grappenmaker en schilder Buffalmacco van de fresco in Camposanto koppelt de voorstelling direct aan de pest in Pisa, en laat een vrouwelijke

doodsengel met zeis neerdalen op zijn illustere gezelschap dat zich aan vermaak overgeeft. Om de een af andere reden, die Boccaccio niet zinde, laat Buffalmacco meer mannen aan de zeis van de Dood ontsnappen dan vrouwen!


In het eerste verhaal, waarin Buffalmacco in de Decamerone een rol speelt, neemt hij zijn vriend Calandrino te grazen. Ik ga er een samenvatting van geven om over te kunnen stappen naar het onderwerp van de komende tijd: Nasreddin, zoals deze trickster voorkomt in het boek over de Soefi’s van Idries Shah (1)

In het Derde verhaal op de Achtste dag, vertelt Boccaccio bij monde van El-issa (vertaald vanuit het Arabisch: Jezus (Aïssa), waarbij het lidwoord (El) benadrukt dat hij van adel is! Dido van het Fenicische Carthago wordt ook wel Elissa genoemd.) het volgende. Calandrino (Kalenders --bedelderwisjen trokken door de hele Arabische wereld) gaat op zoek naar een toversteen, omdat die hem onzichtbaar kan maken. Hij doet dat samen met zijn vrienden Bruno (ook een schilder, maar minder getalenteerd) en Buffalmacco. Ze gaan in de rivier Mugnone bij Florence op zoek naar deze toversteen, die zwart behoort te zijn. De vrienden weten van de lichtgelovigheid van Calandrino en willen hem een lesje leren. In een rivier kleuren natte stenen altijd zwart en worden ze wit als ze drogen. Calandrino pakt alle zwarte stenen die hij maar ziet, en loopt er uiteindelijk bij als een pakezel, nog steeds om zich heen kijkend op zoek naar die ene zwarte steen die hem onzichtbaar zal maken. Dan hoort hij ineens zijn “vrienden” zeggen: “Waar is toch Calandrino? Ik zie hem nergens meer….” Daarop neemt Calandrino de benen, omdat hij bang is dat ze hem zijn toversteen zullen afpakken. Thuis gekomen, ziet zijn vrouw hem direct bij zijn binnenkomst, en omdat Calandrino hierover heel erg teleurgesteld is, begint hij haar bont en blauw te slaan. De “vrienden” komen tussenbeide, maar het leed is al geleden, door de vrouw.


Het is duidelijk dat dit verhaal sterk Arabische kenmerken heeft. Daar wil ik het dit keer niet over hebben. Maar wel over een Romeins klassiek trekje in het verhaal. “Maccus” van Buffal-Macco betekent namelijk in het Latijn “dom” en was de aanduiding voor een clownstype (een hansworst) in de klassiek Romeinse tijd.
En “Buffal” komt van het Latijnse buffare, zich de wangen bol opblazen. Kinderen kennen nog het spel waarbij je je de wangen vol lucht blaast en door er dan een klap op te geven, ontstaat er een ploffend geluid dat doet lachen. In het circus trad vaak een clown op die met volle wangen kwam binnengestormd en midden in de arena zijn mond, die gevuld bleek met “water”, om zich heen spuitend leegde. In een Romeins circus traden deze “clowns” op en hadden zoveel succes dat er concurrentie ontstond, wie het beste deze toer op het toneel kon brengen. De act doet denken aan de briesende stier, die stond voor de feestvierende Dionysus. Ik moet dan ook meteen denken aan de spreekwoorden waarin de os een hoofdrol speelt. “Buffal” kan dan ook naar mijn idee  betrekking hebben op de os .  Je ziet hoe de schilder Buffalmacco eruit heeft kunnen zien door de ogen van Boccaccio!


En laat er nu een Nasreddin verhaal zijn, dat ook over ossen gaat, en toch wel iets weg heeft van het verhaal van Boccaccio. Volgens Idries Shah gaat dit verhaal als volgt en heeft het de volgende betekenis:
Het deelnemen aan het bedrijf van de werkelijkheid is heel erg verschillend van intellectuele uitweidingen over vaststaande feiten. Om dit te illustreren het volgende verhaal.


Nasreddin nam eens aan paardenraces deel, waaraan iedereen mocht meedoen, met de langzaamste voort sjokkende ossen die je je maar kunt voorstellen. Iedereen lachte hem uit, omdat het algemeen bekend is dat een os niet hard kan lopen.
“Nonsens,” zei de Mulla, “ze kunnen weldegelijk hard lopen, als je ze de kans daartoe geeft. Waarom is het anders dat toen ze nog klein, kalf, waren ze wel hard konden lopen? En nu zijn ze traag, nu ze volwassen zijn, en dat komt, omdat ze niet hebben kunnen trainen, en die kans niet hebben gekregen. Waarom zouden ze anders nu niet harder kunnen lopen dan toen ze klein waren?” (2)


Nu kent dit verhaaltje ook nog een andere versie (Decourdemanche, Jean-‎‎Adophe: Sottisier de Nasr-eddin-Hodja, Bouffon de Tamerlan, Gay et Doucé, Bruxelles, 1878: LXIV (64)), getiteld: De os vervangt het paard.

“Op een dag wilde de heerser Tamarlan een partijtje polo  (zie afbeelding hiernaast) spelen. Dat doe je te paard. Tamarlan nodigde de Hodja (Mulla) uit om aan de wedstrijd deel te nemen.  Nasreddin kwam naar de  hippodroom (het parcours voor paardenrennen) gezeten op een enorme os. De toeschouwers lachten hem uit bij het zien van zijn binnenkomst in de arena. – “Hé Hodja,” zeiden ze,” heb je er nooit van gehoord dat een os niet kan rennen?” –“Waarom lachen jullie me uit?” antwoordde de Hodja. “Ik heb ossen gezien die wel hard konden lopen! Zelfs harder dan paarden, toen ze nog klein, een kalf waren. Wat zeg je me daarvan? Je weet maar nooit!”” (3)


Mijn uitleg bij dit verhaal is, dat het kritiek is op de frustrerende (stier wordt os) maatschappij bestuurd door een dwingeland als Tamarlan. Kortom een politieke boodschap. Bij Idries Shah gaat de uitleg volstrekt anders, maar daarom niet minder juist of beter!


Dit verhaal verzet zich tegen het geloof dat alleen maar omdat iets – of iemand- oud is, het noodzakelijkerwijs beter is dan iets dat jonger is. Soefisme, een bewust beleefde en levende activiteit is niet aan het verleden of een verborgen traditie gebonden. Iedere tegenwoordige Soefi vertegenwoordigt iedere Soefi die vroeger heeft geleefd, of iedere Soefi die ooit nog zal leven. Baraka (religieuze, voedende energie)  is altijd en overal in gelijke mate aanwezig: nu, in het verleden en in de toekomst. Een onheuglijke traditie draagt niet bij aan zijn aantrekkingskracht (romance), omdat baraka een constante is (WtM: als licht in de relativiteitstheorie).
Een verdere uitdieping van dit verhaaltje wijst erop dat de jongere (de Soefi-leerling, het kalf) zich kan ontwikkelen tot iemand van een geheel andere aard (function) als wat hij van zich zelf verwacht had te worden. (Hij had verwacht een volwassen koe of stier te worden, maar werd door menselijk ingrijpen een os!)  De klok kan niet worden teruggedraaid. Zij die bouwen op speculatieve theorieën moeten niet hun toevlucht tot het Soefisme nemen. (4)


Nu doet zich het merkwaardige feit voor dat deze uitleg ook teruggaat op weer een andere versie van een Nasreddin-verhaal ((Decourdemanche, Jean-‎‎Adophe: Sottisier de Nasr-eddin-Hodja, Bouffon de Tamerlan, Gay et Doucé, Bruxelles, 1878: CVIII (108)): De fout van het kind valt de vader te verwijten.

“Op een dag was de Hodja aan het ploegen met twee ossen. Een van die ossen was heel erg lui, de jongste. Meteen, toen hij begon te ploegen, wist die ene luie os zich los te rukken en sloeg op de vlucht. De Hodja was hierop niet alert. Toen hij het bemerkte, begon hij de os die overgebleven was te slaan. –“Waarom,” vroeg men daarop aan de Hodja, “sla je de jongere os niet? En ga je los op de oudere? –“Het komt allemaal door die oude os,” zei daarop de Hodja, “omdat het erop lijkt dat hij helemaal geen oog heeft voor de jongere os en hem heeft laten ontsnappen!”
Dit is spreekwoordelijk geworden voor duizenden mensen, die deze uitspraak, als de gelegenheid zich voordoet, te berde brengen.”
(5)


Hier vinden we de uitleg van Idries Shah terug dat het erom gaat  niet bij voorbaat de autoriteit van ouderen te accepteren. Maar het gaat om meer, omdat het ook pedagogische kritiek is op ouders die hun kinderen niet opvoeden, in die mate dat de ouders geworden zijn tot ossen die hun kinderen niet meer als hun kinderen (kunnen?) erkennen. En natuurlijk gaat het erom dat iedereen altijd de ander de schuld geeft. Net zoals Calandrino zijn vrouw slaat, terwijl hij zelf en zijn kameraden de enige schuldigen zijn. De gevolgen van speculaties!
 

maandag 8 augustus 2022

Pinuccio-Pinocchio

 Zesde  verhaal, Negende Dag.

Voor een analyse en achtergrond informatie: klik hier!


In de Mugnone-vallei (de vallei is genoemd naar de rivier de Mugnone, die door de vallei stroomt en die je moet oversteken om naar Romagna te gaan. De winkel ligt dus aan een rivier, verg. Watermolen, Canteburry Tales.) leefde niet zo lang geleden een brave man die tegen betaling reizigers van voedsel en drank voorzag. Hoewel hij het niet breed had en maar een bescheiden huisje bezat, verleende hij – in noodgevallen, en alleen aan goede bekenden – ook logies. Hij was getrouwd met een knappe vrouw, bij wie hij twee kinderen had: een welgevormd en aardig meisje van vijftien of zestien, dat nog ongehuwd was, en een jongetje van nog geen jaar oud, dat door de moeder zelf gezoogd werd.


Nu had een vrolijke en charmante jonge edelman uit onze stad, die vaak in deze streek kwam, zijn oog op de mooie dochter laten vallen en was vurig verliefd op haar geworden. Zij was niet weinig gevleid door deze adellijke belangstelling en haalde hem dan ook met al haar koketterie aan, tot ze zelf haar hart aan hem verloor. Ware het niet dat Pinuccio (want zo heette de jongeman) het meisje en zichzelf  tegen elke mogelijke schande wilde beschermen, dan hadden ze allang hun wederzijdse liefde in daden omgezet. De hartstocht laaide echter met de dag feller op, en uiteindelijk hield Pinuccio het niet langer uit: hij moest en zou een liefdesnacht met haar arrangeren. Hij kwam op het idee om onder een of ander voorwendsel in het logement van haar vader te overnachten; aangezien hij met de indeling ervan vertrouwd was, zou hij wel kans zien om bij haar in bed te schuiven zonder dat er een haan naar kraaide.


En dus huurde hij samen met zijn boezemvriend Adriano, die van zijn verliefdheid op de hoogte was, op zekere dag tegen het vallen van de avond twee rijpaarden, hing aan elk ervan een – vermoedelijk met stro gevulde – zadeltas en verliet de stad. Nadat ze wat hadden rond gereden, kwamen ze in de Mugnone-vallei toen het allang donker was. Ze wendden hun paarden om het te doen voorkomen dat ze uit Romagna  kwamen en reden naar de herberg van de brave man. Ze klopten aan en de waard, die hen allebei goed kende, deed onmiddellijk voor hen open: “Je zult ons vannacht onderdak moeten bieden,” zei Pinuccio. “We hadden erop gerekend nog  voor het donker in Florence terug te zijn, maar zoals je ziet, hebben we zoveel vertraging opgelopen dat we maar tot hier zijn gekomen. “Pinuccio,” antwoordde de herbergier, “zoals je weet kan ik mensen van jullie stand geen passende slaapplaats geven. Maar omdat jullie hier door de nacht overvallen zijn en elders toch niet meer terechtkunnen, zal ik mijn best doen om het jullie zoveel mogelijk naar de zin te maken.”


De twee jongemannen stegen af, stalden hun rijdieren, gingen het bescheiden logement binnen en gebruikten samen met hun gastheer het avondmaal, dat ze zelf hadden meegebracht. Nu had de herbergier maar één slaapkamer, die aan de krappe kant was en waarin hij zo goed en zo kwaad als het ging drie smalle bedden had gestouwd. Daardoor stond het kamertje zo vol dat er nauwelijks nog bewegingsruimte was. Twee bedjes stonden tegen de ene muur van de kamer en een derde tegen de wand daartegenover, zodat er nog net een smal doorgangetje open bleef. Van deze drie twijfelaars liet de gastheer de minst oncomfortabele voor de vrienden in gereedheid brengen. Even later, toen het duo in diepe slaap verzonken leek – in werkelijkheid waren ze klaar wakker – liet de man zijn dochter in een van de twee overige bedden stappen, terwijl hijzelf en zijn vrouw plaatsnamen in het derde, waarnaast zij het wiegje met hun zoontje op de grond zette.



Pinuccio had deze hele bedoening in het oog gehouden. Toen iedereen vast leek te slapen, stapte hij geruisloos uit zijn bed, sloop naar dat van zijn geliefde en schoof naast haar tussen de lakens. Hoewel zij er niet erg gerust op was, ontving ze hem met open armen, waarna ze samen hun liefdesdorst lesten. Terwijl Pinuccio en Niccolosa volledig in elkaar opgingen, stootte een kat een aantal voorwerpen in huis om, waardoor de gastvrouw wakker schrok. Omdat ze de zaak niet vertrouwde, stond ze op en zocht zich tastend een weg door het donker in de richting van het geluid. Nu wilde het toeval dat Adriano, die van alles niets gemerkt had, kort daarna opstond om een natuurlijke behoefte te gaan doen. Terwijl hij de kamer uit probeerde te komen, stootte hij op het wiegje en omdat dit hem volledig de weg versperde, nam hij het op en zette het naast zijn eigen bed. Toen hij zijn boodschap had gedaan, keerde hij naar zijn bed terug zonder zich nog om de wieg te bekommeren.


Intussen had de vrouw op haar speurtocht vastgesteld dat er niets ergs aan de hand was. Ze maakte dan ook geen licht, maar gaf de kat een snauw en keerde naar het slaapkamertje terug, waar zij zich op de tast een weg zocht naar het bed van haar man. Toen ze echter daar de wieg niet aantrof, zei ze bij zichzelf: “Oei, wat stom van me! Wat ben ik nu aan het doen? Goeie God, het had geen haartje gescheeld of ik was bij mijn gasten in bed gekropen!” ze scharrelde nog wat verder, vond de wieg terug en stapte in het bed ernaast, waarin niet – zoals ze veronderstelde – haar man lag, maar Adriano. Deze was ondertussen nog niet opnieuw in slaap geraakt. Hij ontving haar met open armen en gaf haar zonder een woord te zeggen – en blijkbaar tot haar grote genoegen – meer dan eenmaal de wind in de zeilen.
Pinuccio, die intussen meer dan behoorlijk aan zijn trekken was gekomen en bang was dat hij in de armen van zijn liefje in slaap zou vallen, verliet op dat moment haar bed en zocht het zijne weer op. Toen hij  daar echter de wieg aantrof, meende hij met dat van de waard te maken te hebben. Hij schuifelde dus nog wat verder en belandde in bed bij ….. de waard, die wakker schrok. In de veronderstelling dat hij naast zijn vriend lag, zei Pinuccio: “Ik zweer je dat er op de wereld geen lekkerder ding bestaat dan Niccolosa. Bij het lichaam van Christus, nooit heeft een man van een vrouw meer plezier gehad! Je zult me misschien niet geloven, maar nadat ik bij jou ben weggegaan, heb ik met haar wel zes keer heen en weer gereden!”
De waard was met deze mededeling niet echt in zijn nopjes. "Wat heeft die verduiveld in mijn bed te zoeken?" vroeg hij zich af, maar al vlug kreeg zijn woede de overhand op zijn verbazing. “Wat is dat voor rotstreek, Pinuccio?” zei hij. “Hoe durf je mij zoiets te leveren? Bij het lichaam van Christus, dat zet ik je betaald!”
Nu was Pinuccio niet een van de suggersten, en toen hij zijn vergissing inzag, zei hij, in plaats van zijn eerder uitspraken te verbeteren: “Mij betaald zetten? Hoezo? Dat moet ik eerst nog zien!”


De vrouw des huizes, die nog steeds in de waan verkeerde dat ze bij haar man lag, stootte Adriano aan: “Hemel, hoor nu toch eens hoe die gasten van ons tekeergaan!” “Schenk er maar geen aandacht  aan,” zei Adriano lachend. “Laat ze in hun eigen sop gaar koken. Die hebben gisteravond gewoon te diep in het glas gekeken.”


De vrouw had in de scheldende stem die van haar man al menen te herkennen, maar nu ze Adriano hoorde praten, wist ze op slag in wiens bed ze beland was. Ze had de tegenwoordigheid van geest om zonder één woord op te staan, het wiegje met haar zoontje op te nemen en het, na ermee door de aardedonkere kamer te zijn gelaveerd, naast het bed van haar dochter te zetten. Ze kroop naast haar, en alsof ze door het getier van haar man was wakker geworden, riep ze zijn naam en vroeg waarover hij met Pinuccio aan het ruziën was.


“Heb je hem dan niet horen zeggen wat hij vannacht met Niccolosa uitgespookt heeft?” brieste haar man. “Hij liegt dat hij zwart ziet,” antwoordde zij. “Hij is nog niet eens bij haar in de buurt geweest, want ik heb de hele tijd zelf naast haar gelegen en intussen geen oog dichtgedaan. Je bent gek als je die onzin gelooft. Jullie mannen zitten de hele avond te zuipen en dan krijg je ’s nachts dromen en ga je slaapwandelen en je van alles inbeelden. Het is doodjammer dat jullie daarbij je nek niet breken! Wat voert Pinuccio trouwens bij jou uit? Waarom ligt hij niet in zijn eigen bed?”


Zodra Adriano doorhad met welke list de gastvrouw haar eigen slippertje en dat van haar dochter camoufleerde, deed ook hij een duit in het zakje: “Pinuccio, ik heb je al honderd keer gezegd dat je niet in het holst van de nacht moet gaan rondbanjeren! Vroeg of laat werk je jezelf nog eens in de nesten met die hebbelijkheid van je om te slaapwandelen en hardop te dromen. Kom in je eigen bed liggen, en moge God je een slechte nacht bezorgen!”
Toen de waard de woorden van zijn vrouw en die van Adriano hoorde, geloofde hij zonder meer dat Pinuccio gedroomd had. Hij greep hem bij de schouders, schudde hem door elkaar en schreeuwde: “Wakker worden, Pinuccio! Vooruit, naar je eigen bed!”


Daarop begon Pinuccio, die met gespitste oren had liggen luisteren, allerlei wartaal uit te kramen, alsof hij inderdaad hardop aan het dromen was, wat bij zijn gastheer een onbedaarlijke lachbui verwekte. Nadat hij nogmaals flink dooreen geschud was, deed hij alsof hij wakker werd en riep: “Adriano, waarom haal je me uit mijn slaap? Is het dan al dag?”


“Het is hoog tijd om naar je eigen plaats terug te keren,” antwoordde Adriano.
En schijnbaar slaapdronken veranderde zijn maat nogmaals van bed. Toen de herbergier ’s ochtends opstond, maakte hij nog heel wat grapjes over Pinuccio en zijn dromen. Lachend en schertsend zadelden de twee jongemannen hun paarden, bonden er hun bagage op, stegen na een afscheidsdronk met de waard in het zadel en keerden naar Florence terug, niet minder tevreden met het verloop dan met de afloop van hun list. Van toen af vond Pinuccio andere manieren om samen te komen met Nicolosa, die intussen tegen haar moeder bleef volhouden dat de jongeman inderdaad alles gedroomd had. En de vrouw, die zich Adriano’s omhelzingen maar al te goed herinnerde, raakte op den duur ervan overtuigd dat zij die bewust nacht de enige was die niet had geslapen.

vrijdag 15 juli 2022

Boccaccio: Zes-Vier.

Boccaccio: Zesde dag, Vierde verhaal.

Hoe kwam Boccaccio op dit verhaal? In zijn tijd zijn er zeker drie varianten op hetzelfde thema. Deze varianten zijn onder deze link te vinden. Via deze bijlage valt er een andere webpagina  te openen, waarin de vergelijking van deze varianten uit de tijd van Boccaccio staat. Wat ik niet had verwacht, is dat aan dit onschuldige verhaal een gruwelijke werkelijkheid ten grondslag ligt.

Het gaat om de volgende varianten:

1.    Tijl Uilenspiegel: Het Volksboek van Ulenspieghel, 1948, Klassieke Galerij nr 42, pag. 9.

2.    Nasreddin, verschillende variaties oa. die uit: Decoudemanche, Sottisier Nasr-eddin-Hodja, Boufon deTamarlan, Bruxelles, chez Gay et Doucé;, 1878,  pag. 53: XII: Les oies de Tamerlan.

3.    Flaubert:  Salammbô: Hoofdstuk 7 (p. 185): Hamilcar Barca. 

4.    En Boccaccio, zes-vier, in de vertaling van Frans Denissen:

Currado Gianfigliazzi is, zoals iedereen van jullie heeft kunnen horen en zien, altijd een vooraanstaand, vrijgevig en gastvrij burger van onze stad geweest, die een ridderlijk leven leidde en voor wie –zijn gewichtiger bezigheden daargelaten—de jacht met honden en valken een ware passie was. Op zekere dag had hij in de buurt van Peretola met zijn valk een dikke, malse kraanvogel verschalkt, die hij naar zijn uitstekende Venetiaanse kok Chichibio liet brengen met de opdracht het beest volgens een lekker recept voor het avondmaal te bereiden. 

Chichibio, die even nonchalant was als hij eruit zag, plukte de kraanvogel en legde hem op de braadrooster. Toen hij bijna gaar was en er een verrukkelijke geur uit opsteeg, kwam een meisje uit de streek, Brunetta, op wie Chichibio smoorverliefd was, de keuken binnen. Ze snoof de aroma op, zag de kraanvogel liggen en smeekte Chichibio watertandend haar een boutje te geven.

Chichibio antwoordde in zijn zangerige Venetiaans: “Dat krijg je niet, donna Brunetta, dat krijg je niet.” Donna Brunetta zette een verongelijkt gezicht op en zei: “Godallemachtig, als ik dat boutje niet van je krijg, moet je van mij ook nooit iets meer verwachten.” Het ene woord bracht het andere mee, en om zijn geliefde niet te ontstemmen trok Chichibio de vogel dan maar een poot uit en gaf haar die.

Toen Currado wat later met een paar gasten aan tafel zat en de kraanvogel met een ontbrekende poot zag opgediend, was hij stom verbaasd. Hij liet Chichibio roepen en vroeg hem wat er met de andere bout gebeurd was, waarop de kok , die als goede Venetiaan niet om een leugentje verlegen zat, prompt antwoordde:
“Heer, kraanvogels hebben maar één poot en dus één bout.”
“Wel verduiveld, hoe haal je het in je hoofd!” viel Currado opgewonden uit. “Dacht je dat ik nog nooit eerder een kraanvogel had gezien?”

Maar Chichibio bleef onverstoorbaar: “Het is zoals ik het u zeg, heer, en als u wilt, zal ik u dat ook met eigen ogen laten zien.” Omdat er gasten bij waren, wilde Currado niet langer bekvechten, maar liet zich nog ontvallen: “Als jij beweert dat je me dat kunt tonen, wil ik dat morgenvroeg al zien, al heb ik zoiets nog nooit op de viool horen spelen. Maar ik zweer je op het lichaam van Christus: als het niet waar is, zul je ervan lusten dat je mijn naam de rest van je dagen niet meer zult vergeten.”

Voor die avond werden de vijandelijkheden gestaakt, maar toen Currado de volgende ochtend bij het krieken van de dag opstond, was zijn woede nog steeds niet geluwd. Driftig liet hij paarden zadelen, gebood Chichibio op een oude knol plaats te nemen en reed met hem naar een rivier, waar aan de oever bij zonsopgang altijd kraanvogels te zien waren, niet zonder hem toegevoegd te hebben: “We zullen zo meteen eens zien wie van ons beiden gisteravond gelogen heeft.”

Chichibio, die merkte dat de razernij van Currado nog lang niet bekoeld was en besefte dat hij zijn bewering moest zien waar te maken, reed bibberend van angst naast zijn baas voort, en als hij gekund had, was hij er het liefst vandoor gegaan. Maar aangezien dat uitgesloten bleek, keek hij voortdurend schichtig om zich heen en meende overal kraanvogels op twee poten te ontwaren.

Het eerst wat de kok zag toen ze bij de rivier kwamen, was een troep van wel een dozijn kraanvogels die allemaal op één poot stonden, zoals ze dat plegen te doen als ze slapen. Zonder aarzelen wees hij in hun richting en zei: ”Heer, kijk eens naar die kraanvogels daar! Nu kunt u zelf zien dat ik gisteravond de waarheid sprak, namelijk dat ze maar één poot en één bout hebben.”
“Wacht maar, ik zal eens laten zien dat ze wel degelijk twee hebben,” beet Currado terug. Hij ging wat dichterbij en riep:
“Ho, ho!”, waarop de kranen hun tweede poot uitstaken en maakten dat ze wegkwamen. “Wat zeg je daarvan, vreetzak die je bent!” gnuifde Currado. “Hebben ze wel of niet twee poten?”

Chichibio was helemaal uit het veld geslagen, maar zonder zelf te weten waar hij de woorden vandaan haalde, antwoordde hij:
“Inderdaad, heer, maar als u gisteravond ook ‘ho, ho!’ geroepen had, zou die kraanvogel ook wel zijn andere poot hebben uitgestoken, zoals deze hier deden.”

Currado had zo’n schik in dat antwoord, dat zijn woede omsloeg in vrolijkheid, en schaterend zei hij: “Inderdaad, Chichibio, dat had ik moeten doen.”

Dankzij zijn prompte en geestige antwoord wist Chichibio zich dus uit zijn netelige positie te redden en weer in de gunst van zijn meester te komen.

dinsdag 21 juni 2022

 Decamerone: Het Tweede verhaal van de Zevende Dag.
Een arme man in Napels had nog niet zo lang geleden een mooi en hups meisje, Peronella, tot vrouw genomen. Hij was metselaar en zij was spinster, maar hoe hard ze ook werkten, ze hadden grote moeite om de eindjes aan elkaar knopen. Nu gebeurde het op een dag dat een galante jongeman zijn blik op Peronella liet vallen en haar zo aardig vond dat hij verliefd op haar werd. En hij rustte niet voor hij haar met allerlei attenties voor zich had weten te winnen. Om elkaar geregeld te kunnen ontmoeten spraken ze het volgende af: aangezien haar man elke ochtend vroeg opstond om te gaan werken of werk te zoeken, zou haar minnaar zich ergens verborgen opstellen en wachten tot hij hem naar buiten zag komen. En omdat de wijk Avorio (1), waar ze woonden, erg verlaten was, zou het hem daarna weinig moeite kosten om ongezien naar binnen te glippen. Op die manier brachten de geliefden samen menige ochtend door.


Op een morgen echter, toen de brave metselaar voor een hele dag de deur uit was gegaan en Giannello Scignario (2) – want zo heette de minnaar – het huis binnengeslopen was en zich bij Peronella genesteld had, gebeurde het dat haar man onverwachts naar huis terugkeerde. Toen hij de deur vergrendeld vond, klopte hij aan en zei bij zichzelf:
“O God, Gij zijt eeuwig geprezen, want al hebt Gij mij arm gemaakt, Gij troost me tenminste met een braaf en deugdzaam (3) vrouwtje. Want kijk: zodra ik vertrokken was, heeft zij de deur op slot gedaan om ongewenste bezoekers op een afstand te houden.”


Peronella, die de klop van haar man herkend had, riep:
“O wee, lieve Giannello, dit wordt mijn dood! Dat is die vervloekte echtgenoot van me en ik weet bij god niet wat dat te betekenen heeft, want op dit uur komt hij nooit thuis: misschien heeft hij je hier wel naar binnen zien gaan. Wat er ook van zij, kruip als de bliksem in dat vat daar, dan zal ik gaan opendoen, en dan zien we wel wat die onvoorziene thuiskomst te betekenen heeft.”


Giannello sprong bliksemsnel in het vat en Peronella liet haar man binnen en snauwde hem met een vernietigende blik toe:
“Wat krijgen we nu? Waarom ben jij zo vroeg terug? Het lijkt wel of je vandaag geen zin hebt om te werken, als ik je zo zie terugkeren met je gereedschap in de hand. Maar waar moeten we dan van leven? Hoe komt er brood op de plank? Als je denkt dat ik mijn rok en de paar armzalige spulletjes die ik heb naar de lommerd zal brengen, heb je het bij het verkeerde eind! En intussen zit ik dag en nacht het vlees onder mijn nagels vandaan te spinnen om tenminste voldoende olie te kunnen kopen om ons lampje brandend te houden. Ach mannetje toch, er is geen buurvrouw die me niet aangaapt of uitlacht omdat ik me zo afsloof, en jij komt met hangende armen naar huis terug op een uur dat je allang aan het werk moest zijn!” Ze barstte in tranen uit en hernam haar jeremiade:
“Wee mij, ik ben bepaald onder een ongelukkig gesternte geboren! Ik had met een welgestelde jongeman kunnen trouwen en ik wees hem af en verkoos zo’n leegloper, die me niet eens ziet staan. Andere vrouwen maken plezier met hun minnaars: ik ken geen enkele die er niet minstens twee of drie op na houdt. Ze amuseren zich en verkopen hun echtgenoot knollen voor citroenen en  (4). En ik arme sloof, die fatsoenlijk ben om tot dergelijke onbetamelijkheden te verlagen, ik moet het bekopen. Ik weet bij god niet, waarom ik ook geen vrijer zoek zoals al de anderen. Luister eens goed, mannetje van me, als ik daar zin in had, zou ik mijn hand er niet voor hoeven omdraaien, want er is meer dan één galante jongeman die een oogje op mij heeft en die me wát graag met een bom geld, of als ik dat wil met mooie kleren en juwelen, zou verwennen. Maar zoiets zou ik nooit over het hart kunnen verkrijgen, want van dat slag ben ik niet. En dan kom jij hier tijdens je werktijd aanzetten!”
“Toe nu, vrouwtje,” suste haar man, “wees alsjeblieft niet verdrietig. Ik weet wat voor engel je bent, daarvan heb ik me ook vanmorgen nog kunnen vergewissen. Ik ben wel degelijk naar mijn werk gegaan, maar het blijkt dat ik niet wist wat jij ook niet weet: het is vandaag namelijk de feestdag van Sint-Galione (5) en dan wordt er niet gewerkt (6) , en daarom ben ik op dit ongewone uur naar huis teruggekeerd.
Maar ik heb wél gezorgd dat we voor meer dan een maand brood op de plank hebben, want ik heb daarnet het wijnvat, dat hier zoals je weet allang in de weg staat, verkocht aan de maat, die met mij meegekomen is. Hij heeft er vijf zilverstukken voor over.”
“Dat doet de deur dicht!” riep Peronella uit. “Jij bent een man en komt overal, dus zou je van prijzen op de hoogte moeten zijn: en jij verkoopt zo’n vat voor vijf zilverstukken! En ik, die maar een simpele vrouw ben en bijna nooit de deur uit komt, ik heb die ton, die ik al een hele tijd beu was, voor zeven zilverstukken verkocht aan een brave man die er, toen jij aankwam, net ingekropen was om hem op zijn deugdelijkheid te inspecteren.”


Haar man begon te glunderen van tevredenheid en zei tegen zijn gezel: “Jammer, makker, maar je zult hier met lege handen vandaan moeten gaan. Je hebt gehoord dat mijn vrouw er twee zilverlingen méér voor bedongen heeft dan jij geboden had.” “Dat moet dan maar,” zuchtte de andere en vertrok.


Daarop zei Peronella tegen haar man: “Ga mee naar boven, nu je hier toch bent, dan kun jij de zaak verder afhandelen.” Gianello, die de hele tijd zijn oren had gespitst om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn, had elk woord van Peronella opgevangen. Hij sprong fluks uit het vat en riep, alsof hij van de thuiskomst van de man niets afwist:
“Waar ben je, goede vrouw?” Waarop de metselaar, die al naar boven onderweg was, antwoordde: “Hier ben ik! Kan ik iets voor je doen?”
“Wie ben jij?” vroeg Gianello. Ik zocht de vrouw van wie ik dit vat wou kopen.”
“Dat kun je gerust verder met mij afhandelen, want ik ben haar man.”
“Dat vat lijkt me wel stevig,” hervatte Gianello, “maar je hebt er indertijd blijkbaar droesem in gelaten, want de binnenkant is helemaal bedekt met een soort droge korst, die ik er met mijn nagels niet af krijg. Ik wil het niet kopen als het niet eerst grondig schoongemaakt is.”
“Voor zo’n kleinigheid kun je de koop toch niet ongedaan maken,” viel Peronella in. “Mijn man zal het volledig afschrapen.”
“Dat spreekt vanzelf,” stemde haar echtgenoot in, en hij legde zijn metselaarsgereedschap weg, stroopte zijn mouwen op, liet een olielampje aansteken en een schraapijzer brengen en verdween in het vat, waar ze hem weldra hoorde krabben. Alsof ze het werk van haar man wilde controleren, stak ook Peronella haar hoofd en een van haar armen over de rand van de ton, die niet heel hoog was, en gaf daarbij aanwijzingen in de trant van: “Schraap hier nog eens”, “daar ben je nog niet geweest” en “kijk, hier zit ook nog een korstje vast”.


Terwijl ze daar zo over de rand van het vat gebogen stond en de opening ervan haast volledig bedekte, maakte Gianello, wiens amoureuze elan door de thuiskomst van de echtgenoot zo ruw was gebroken, van de nood een deugd: hij liep van achter op haar toe, en zoals in de weidse vlakten van Parthenland (7) de bronstige wilde hengsten de merries bespringen, zo vierde hij zijn jeugdige lusten op haar bot. En juist was hij gereedgekomen, toen ook haar man  met zijn schraapwerk klaar was. Gianello trok zich terug, Peronella hief haar hoofd op uit het vat en haar man klom eruit.


Toen zei Peronella tegen Giannello:
“Neem dit lampje, beste man, en kijk of het vat schoon genoeg is.” Gianello wierp er een blik in en mompelde tevreden dat het voor hem in orde was. Daarop betaalde hij zeven zilverstukken en liet het vat naar zijn huis brengen (8).

zaterdag 28 mei 2022

Decamerone (1)

Vandaag doe ik een poging om te achterhalen hoe Boccaccio kwam tot het schrijven van Verhaal Vier op de Achtste Dag van de Decamerone. Net als Pasolini, die ook de Decamerone heeft verfilmd (1), probeer ik inzoomend op een enkel verhaal uit de Decameraone, de sensatie van het schrijven van zo’n verhaal in de 14e  eeuw opnieuw te beleven. Hoe dat in zijn werk gaat staat beschreven in een aparte bijlage bij dit blog. De Romantiek had nog niet toegeslagen en een schrijver werkte toen anders dan nu. De noten in de tekst worden op de gebruikelijke manier besproken in een andere bijlage . De oorspronkelijke tekst valt hier te raadplegen. Het onderstaande verhaal is de vertaling van Frans Denissen:  Decamerone, Boccaccio, vertaling Frans Denissen, pag. 567 ev.:  Achtste dag, Vierde Verhaal.
 
Zoals jullie allemaal weten, was Fiesole (wikipedia; en met reclame maar mooie foto’s om in de stemming te komen), waarvan we de heuvel van hieruit zien liggen, eertijds een machtige stad. En ook al is het nu in verval, toch is het tot op heden een bisschopszetel gebleven. Niet ver van de dom bezat destijds een adellijke weduwe,
madonna Piccarda (2), een landgoed met daarop een nogal bescheiden woonhuis dat ze, omdat ze het niet zo heel erg breed had, bijna het hele jaar door bewoonde met twee van haar broers, allebei fatsoenlijke welopgevoede jongemannen. De vrouw, die nog jong en aantrekkelijk was, bezocht regelmatig de dom en zo gebeurde het dat de proost van die kerk hopeloos verliefd op haar werd. Na enige tijd was hij zo onbeschaamd om haar zelfs zijn verlangen kenbaar te maken; hij vond dat zij blij mocht zijn met zijn liefde en nodigde haar dan ook uit om die te beantwoorden.
Nu was de proost een oude bok van het soort dat nog best een groen blaadje lustte, en bovendien driest en hoogmoedig; hij had altijd praats voor zes, deed neerbuigend tegenover iedereen, hij was zo’n misselijk mannetje dat niemand iets van hem moest hebben, en zeker madonna Piccarda niet (3). Sterker nog, ze werd doodziek van hem. Omdat ze een verstandige vrouw was, gaf ze hem het volgende antwoord: ‘Dat u mij bemint, vader, is mij zeer aangenaam, en ik voel mij dan ook verplicht u mijn wederliefde te schenken. Tussen uw liefde en de mijne mag echter nooit iets ongeoorloofds voorvallen. U bent priester en mijn geestelijk raadgever, en u gaat uw oude dag al tegemoet: allemaal redenen om zorgvuldig over uw kuisheid te waken. Ook ik ben geen klein meisje meer dat van dat soort verliefdheden onder de indruk komt, en bovendien ben ik weduwe, en u weet welke mate van zedigheid van weduwen verwacht wordt. Neemt u me dus niet kwalijk dat ik op de manier die u in gedachten hebt niet wil beminnen en al evenmin bemind wil worden.’


Hoewel de proost dit keer een blauwtje liep, liet hij zich niet van stuk brengen en besloot zich niet bij de eerste tegenslag gewonnen te geven. Met zijn mateloze onbeschaamdheid bleef hij haar met briefjes en mondelinge boodschappen bestoken, en als hij haar in de kerk zag verschijnen, herhaalde hij zijn voorstellen in eigen persoon. Op den duur begon die opdringerigheid de dame dermate de keel uit te hangen dat ze besloot – aangezien zachtaardiger middelen niet bleken te baten—hem van zich af te schudden op een manier die hij verdiende. Maar alvorens iets te ondernemen wilde ze eerst overleg plegen met haar broers. Ze vertelde hun over de toenaderingspogingen van de proost, zette haar plan uiteen en kreeg hun volle steun.


Enige dagen later ging ze naar goede gewoonte ter kerke. De proost had haar nog maar nauwelijks gezien, of hij stevende op haar af om zoals steeds een vertrouwelijk gesprek met haar aan te knopen. Zodra ze hem haar richting uit zag komen, keek ze hem lonkend aan. Ze trokken zich in een hoekje van de kerk terug, en nadat de priester weer eens omstandig zijn gevoelens voor haar uit de doeken had gedaan, slaakte madonna Piccarda een diep zucht en zei: ‘Vader, ik heb vaak gehoord dat geen vesting zo sterk is of ze wordt, als ze dag op dag belegerd wordt, ooit toch ingenomen. Ik stel vast dat dit ook met mij is gebeurd. Nu eens met zoete woordjes, dan weer met deze of gene attentie hebt u mij zo ver gekregen, dat ik van mijn voornemen ben afgestapt: als ik u dan toch zo beval, ben ik bereid de uwe te worden.’(4)


‘Godzijdank!’ riep de proost verheugd uit. ‘Om u de waarheid te zeggen: het verwonderde me al ten zeerste dat u zo lang standhield. Dat is me nog nooit eerder overkomen. Integendeel, ik zeg het nog maar eens: Vrouwen mogen dan van zilver zijn, als metaal om er  munten mee te slaan zijn ze niet geschikt, want tegen hamerslagen zijn ze niet bestand! Maar ter zake: waar en wanneer kunnen wij samen zijn?’ ‘Mijn snoepje,’ antwoordde madonna Piccarda, ‘het wanneer vormt geen probleem, ik heb immers geen man aan wie ik rekenschap verschuldigd ben over mijn nachten. Maar het waar is de grote vraag.’
‘Hoezo? Kan het dan niet in uw huis?’
‘Vader, u weet dat ik twee jonge broers heb, die dag en nacht met hun kameraden het huis in- en uitlopen. Bovendien, mijn woning is niet zo groot en lijkt me dus daarom niet geschikt voor een rendez-vous. Tenzij wij te werk gaan als doofstommen, zonder één woord te zeggen of één geluid te maken, en als blinden, in het donker. (5)  Onder die voorwaarden zou het kunnen, want mijn slaapkamer komen ze niet binnen. Maar de hunne ligt zo dicht bij de mijne dat ze zelfs een gefluisterd woord zouden kunnen opvangen.’
‘Voor een of twee nachten,’ antwoordede de proost, ‘lijkt me dat geen bezwaar. Ik kijk dan intussen wel uit naar een geschiktere plaats waar we ongestoord samen kunnen zijn.’
‘Zoals u wilt,’ hernam madonna Piccarda. ‘Maar één ding zou ik u willen vragen: laat niemand hier ooit één woord over te weten komen.’
‘Maakt u zich daar geen zorgen over. Als het enigszins kan, zorgt u dan dat we elkaar vanavond al kunnen ontmoeten.’
‘Afgesproken,’ zei madonna Piccarda, waarna ze hem de nodige instructies gaf over het hoe en wanneer, en naar huis terugkeerde.


Nu had madonna Piccarda een meid, die niet zo jong meer was en bovendien het meest mismaakte en afstotelijke gezicht had dat men zich kan voorstellen: een neus die wel platgeslagen leek, dikke lippen en een mond vol scheve konijnentanden; ze had schele ogen, die meestal traanden, en haar huidskleur was van een groenig soort geel, alsof ze de zomer niet in Fiesole, maar in de moerassen van Senigallia doorbracht. Tot overmaat van ramp was ze ook nog lendenlam en ging ze aan de rechterkant wat mank. Ze heette Benvenuta, maar omdat ze zo afzichtelijk was, noemde iedereen haar Malvenuta (6). En niet alleen was ze niet om aan te zien, ze had ook nog een behoorlijk slecht karakter. Madonna Piccarda riep haar bij zich en zei:
‘Malvenuta, als je mij vannacht een dienst wilt bewijzen, krijg je van mij een mooi nieuw hemd.’ Dat klonk als muziek in de oren van Malvenuta en ze zei:
‘Voor een nieuw hemd ga ik desnoods door het vuur.”
‘Luister goed: ik wil dat je vannacht met een man in mijn bed slaapt en dat je met hem vrijt. Maar let wel: je mag er geen woord bij zeggen, want je weet dat mijn broers in de kamer ernaast slapen. In ruil voor deze dienst krijg je een hemd.’
‘Desnoods slaap ik daarvoor met zes mannen!’ zei Malvenuta.
Die avond kwam mijnheer de pronkbok langs de afgesproken weg het huis binnen. Volgens het plan van hun zus hadden de twee broers zich in hun kamer teruggetrokken, waar ze flink wat kabaal maakten. De proost sloop op zijn tenen in het donker de slaapkamer van de weduwe binnen en zocht zich op de tast een weg naar het bed, waar Malvenuta met alle instructies van haar meesteres nog vers in het geheugen op hem lag te wachten. Overtuigd met zijn geliefde te maken te hebben, nam hij haar in zijn armen en begon haar, zonder één woord te zeggen, te overladen met kussen, die enthousiast beantwoord werden. Het duurde dan ook niet lang of hij nam bezit van de vesting, die hij zo hardnekkig had belegerd.


Toen madonna Piccarda zag dat de eerste helft van haar plan al verwezenlijkt was, vroeg ze haar broers ook de tweede ten uitvoer te brengen. Stilletjes glipten ze hun kamer uit en gingen naar het kerkplein waar ze bovenmate veel geluk hadden: Omdat het zo’n zwoele avond was, was de bisschop namelijk op weg gegaan naar hun huis om er samen met hen wat verkoeling te zoeken en wat te drinken. Toen hij hen zijn kant op zag komen, sprak hij over zijn voornemen om hen te bezoeken. Korte tijd later zaten ze in een fris prieel, waar talrijke fakkels ontstoken waren, met veel genoegen een glas van hun heerlijke wijn te drinken.
‘Monseigneur,’ zei een van de broers toen ze hun eerste dorst gelest hadden, ‘nu u zo goed bent geweest om onze nederige woning met uw bezoek te vereren, willen wij u eerbiedig ook nog iets anders onder de aandacht brengen.’


De bisschop verklaarde zich daar gaarne toe bereid. Daarop nam een van de broers een brandende toorts en ging daarmee de hoge gast en alle anderen voor naar de slaapkamer waar de proost met Malvenuta in bed lag. Om vlug bij zijn doel aan te komen, had de eerwaarde proost het op een galop gezet en zo al meer dan drie mijlen afgelegd, toen hij, met Malvenuta ondanks de hitte in zijn armen gedrukt, even van de vermoeienissen uitblies. Op dat ogenblik stormde de jongeman met de brandende fakkel de kamer binnen, op de voet gevolgd door de bisschop en de rest van het gezelschap. Bij het zien van het licht en al die mensen om zich heen schrok mijnheer de proost op en dook van schaamte en angst met zijn hoofd onder de lakens. De bisschop schold hem de huid vol en sommeerde hem weer tevoorschijn te komen en te kijken met wie hij in bed lag. Toen de proost merkte op welke smadelijke manier de weduwe hem bedrogen en ook nog te schande gemaakt had, kromp hij ineen van ellende. Op bevel van de bisschop kleedde hij zich weer aan en werd met een flinke escorte naar de kerk gestuurd om daar penitentie te doen voor de begane zonde.


Zodra de proost weg was, wilde de bisschop wel eens weten hoe zijn domheer, de proost, met Malvenuta in madonna’s Piccarda’s bed beland was, waarop de jongelui hem haarfijn de toedracht vertelden. Toen ze met hun verhaal klaar waren, had de bisschop niets dan lof voor de vrouw en haar broers, die zonder hun handen met priesterbloed te willen besmeuren (7), de zondaar toch zijn verdiende loon hadden gegeven. De bisschop liet de proost veertig dagen voor zijn misstap boeten, maar zijn gefnuikte liefde maakte dat hij zevenmaal veertig dagen leed. Jarenlang kon hij zich niet meer op straat vertonen zonder dat de kinderen hem nawezen met de woorden: ‘Kijk, daar heb je die vent die met Malvenuta in bed lag!’ Dat bracht hem op de rand van krankzinnigheid.


Zo werd de bewonderenswaardige vrouw verlost van het geflikflooi van de onbeschaamde proost en verdiende Malvenuta een nieuw hemd.