vrijdag 22 april 2022

Vuilnisbakken honden

 De vuilnisbakken honden.

Dit is het laatste essay in de serie Honden; het is ongebruikelijk dat ik in een serie vijf opstellen stop. De reden is dat een belangrijk aspect van de Honden nog niet aan de orde is gekomen. Dat heeft te maken met de opmerking in De wijsheid van de Honden, Georg Luck, waarin hij uitlegt dat veel filosofische anekdotes zijn geënt op populaire grappen (1). De filosofie zou een literaire bewerking zijn van mondelinge folklore.


Als je constateert dat bijna alle Honden uit het “buitenland” afkomstig zijn (Thraciërs  en Skythen, maar vooral Feniciërs)  (2) ,  die allen vaak ooit eens slaaf zijn gemaakt en zich uit de slavernij omhoog hebben weten te werken, dan is hun filosofie duidelijk een filosofie van een onderklasse in de Klassieke Oudheid. Dit bevestigt meteen een vermoeden dat ik in voorafgaande blogs diverse keren heb geuit, dat de oorsprong van de grappen waarschijnlijk Fenicisch is (o.a. in dit blog) . Dat is dan wel niet helemaal zoals ik me dat had voorgesteld, maar is wel een bevestiging van mijn vermoeden. Ik dacht dat de Feniciërs (zonder contact met het klassieke Griekenland) voor de verspreiding van de grappen hadden gezorgd. Dat is niet het geval; het ligt ingewikkelder.


De grappen kunnen niet Arabisch van oorsprong zijn, zoals Basset en Mouliéras , denken, omdat ze teruggaan op grappen die veel ouder zijn dan de dominante aanwezigheid van het Arabisch in het Midden Oosten: ongeveer 1000 voor Christus. Omdat ze toch vaak in het Arabisch (en Turks) voorkomen, moeten ze oorspronkelijk in een taal verteld zijn, die nauw aansluit bij het Arabisch (3). Dat is het Fenicisch. De variatie is te verklaren uit een eigenaardigheid van het Fenicisch: per regio verschilde het Fenicisch zo veel dat de Fenicisch sprekende bevolking van Cádiz de Fenicisch sprekende bewoners van Carthago of Tyrus nauwelijks kan
hebben verstaan. Het Fenicisch van Kanaän heeft sterk Hebreeuwse trekken. Contact blijft mogelijk, omdat Hebreeuws en Arabisch Semitische talen zijn. Het raamwerk (grammatica) was Fenicisch, maar het lexicon was aangepast aan de streek, waarin een handelsstad lag. Vandaar dat het Fenicisch in Italië de naam Punisch kreeg. In het woord valt de verachting nog te onderkennen die de Romeinen voor de handel hadden. Spreek “punisch” maar eens met een harde “P” uit en het klinkt als een vloek. Het is duidelijk dat de Fenicische handelaren, handelaren waren die wisten te handelen op het scherpst van de snede.


Maar het werpt ook een blik op de oorspronkelijke rol van de nar aan het hof van een koning. Hij was ook een ambassadeur die de handelsbelangen van een andere regio vertegenwoordigde. Het was dus niet zo gemakkelijk als het lijkt om de clown aan het hof van een dictator te zijn.


De verschillen waren ook de reden waarom de communicatie al gauw grappig werd en zich vertaalde in variaties om het contact te kunnen onderhouden. Het schrift speelt daarin een grote rol. Als afspraken op schrift werden gesteld in het Fenicisch, dan moesten die later nog begrepen kunnen worden. En daar ging het wel eens mis!  De grappen uit Marokko en Turkije, die ook teruggaan op de Hondse filosofie, verschillen subtiel van elkaar en zijn ouder dan de filosofie. De verhalen hebben te maken met het belang dat het Fenicische schrift had voor de handel. Behalve het hierboven door Georg Luck gestelde: “veel filosofische anekdotes lijken geënt op populaire grappen”, was er een praktisch nut. De op schrift gestelde verhalen waren een soort handelscontract, dat diende om er zeker van te zijn dat je met de juiste handelaar te maken had. Ze functioneerden als een tessara hospitalis (en ook). De nar aan het hof van een koning of dictator was blijkbaar een schrijver, die zulke contracten kon opstellen. Naast de handel ontwikkelde hij een theorie hoe je het beste met mensen kon omgaan, wilde je een succesvolle handelsrelatie opbouwen. De Klassieke Humor  werd de filosofie van de handelaar, van de de idiotès ( ἰδιώτης). 


In deze laatste aflevering, zal ik uit deze allochtone invalshoek drie fragmenten presenteren.

Menedemos, De Honden, pag. 214 (vertaling verbeterd)(4)

Menedemos was een leerling van Kolotes van Lampsakos. Deze man ging volgens Hippobotos zo ver met zijn wonderlijke acts, dat hij verkleed als een wraakgodin rondliep en beweerde dat hij als toezichthouder op de misdadigers (?) uit de Hades (vergelijk Aristofanes, De kikkers) was gekomen, met de bedoeling om daarover aan de goden te rapporteren, als hij weer naar beneden ging.


Zijn kleding zag er als volgt uit: een grijs lang hemd tot aan zijn voeten, daarover een purperen (Fenicische) buikband, en een Arkadische muts op zijn hoofd met daarop de twaalf sterrenbeelden geborduurd. Hij droeg toneellaarzen, een ontzaglijk lange baard, en in zijn hand had hij een essenhouten staf.


Onesikritos, De Honden, pag. 225: de naaktgeleerden (vertaling verbeterd) (5) (6) 

Een voorbeeld: zo-even hadden zij Taxiles (7) geadviseerd Alexander binnen te halen: als Alexander beter (in deugd) was dan hij, zou hij er wel bij varen om hem binnen te halen; als hij slechter was, zou hij diens mentaliteit verbeteren!
Toen Alexander daarmee instemde, zou hij gevraagd hebben of er ook onder de Grieken zulk soort theorieën in zwang waren. Toen zei hij dat Pythagoras iets soortgelijks verkondigde en adviseerde van bezielde wezens af te blijven evenals Sokrates en Diogenes (van wie hij zelf les had gehad), en Taxiles antwoordde daarop dat hij vond dat zij in het algemeen wel verstandige ideeën hadden, maar één fout maakten door de conventie (afspraak, de regels, contracten) boven de natuur te stellen. Anders zouden zij zich namelijk niet generen om, net als hij, naakt door het leven te gaan en te leven van simpele kost. Het beste huis was volgens hem ook een huis dat het minste onderhoud vergde.

Hij vertelde dat zij ook veel natuurverschijnselen hadden onderzocht en voorspellingen konden doen van regenbuien, droogtes en ziektes. Als zij terugkeerden naar de stad, verspreidden ze zich over de pleinen en, als ze iemand tegenkwamen met vijgen of druiven, dan kregen zij die spontaan van hem cadeau. Was het olie, dan goten ze die over zich heen en smeerden zich ermee in. Elk rijk huis stond voor hen open tot de vrouwenvertrekken toe, en als ze ergens binnengingen, namen ze deel aan het diner en de gesprekken. Lichamelijke kwalen vonden ze echter het meest ellendig. Wie dat bij zich zelf ontdekte, pleegde zelfmoord met vuur, door een brandstapel te bouwen. (8) Na zich met olie ingesmeerd te hebben en boven op de brandstapel te zijn gaan zitten, vroeg hij iemand het vuur te ontsteken, en hij ging dan zonder zich te verroeren in vlammen op!


Teles, De Honden, pag. 260 (vertaling aangepast op basis van brontekst) (9).


Uit de bronteksten  blijkt dat wij mensen idealiseren.Wij hebben niet alleen Socrates, maar ook Xantippe geïdealiseerd. Van een onberispelijke Socrates of Xantippe is geen sprake. De tekst eindigt met de enigszins gewijzigde uitspraak, die later door Nietzsche werd gebruikt om de westerse deugden te beschamen: “Ecce homo”, “zie de mens”, maar dan vooral in de zin van “zie de man”; in het Grieks en op de vrouw toegepast: “ὁρα παιδίαν”,  “zie het meisje”, en Teles, de schrijver van het verhaal, heeft het dan over de vrouw van Socrates, Xantippe.


Voordat u het verhaal gaat lezen wil ik uitdrukkelijk wijzen op de noten in de tekst, omdat zonder deze uitleg het verhaal verwordt tot een platvloerse anekdote, wat het niet is!


Een andere keer, toen Socrates Alkibiades voor de lunch had uitgenodigd en Xantippe de tafel omgooide, gaf hij geen kik, werd niet kwaad en klaagde niet van “Ach, wat een ellende, dat ik dat moet verdragen!”, maar pakte alles op wat was gevallen, en beval Alkibiades het weer op tafel te zetten. Toen deze er niet op inging, maar met de mantel om zijn hoofd geslagen zich zat te schamen, zei hij: “Vooruit, laten we maar naar buiten gaan, want het lijkt erop dat Xantippe ons in haar bittere woede zal gaan verscheuren.”


Vervolgens, toen hij een paar dagen later zelf bij Alkibiades lunchte en de dappere haan (10) van Alkibiades naar binnen vloog (op tafel), bleef híj met zijn mantel om zijn hoofd geslagen zitten en at niet meer. Toen Alkibiades moest lachen en vroeg of hij daarom niet at, omdat de haan (vogel)  naar binnen was gevlogen en zijn bord omver had geworpen, zei hij: “Ja, natuurlijk! Toen Xantippe gisteren de tafel omver gooide, wilde jij niet meer eten, en denk je dat ik nog een hap naar binnen krijg nu die haan de boel omver heeft gegooid? Of denk je dat er enig verschil is tussen haar en een stompzinnige haan? Zeg, als een varken (11)  die tafel omgegooid had, zou je dan niet geërgerd zijn, maar als het varken een vrouw is, ben je het wél? Zie daar de vrouw!  


De maaltijd was het moment om handel te drijven! Je zou dus kunnen denken dat Socrates’ kwaliteiten naast filosofische, ook commerciële waren! Ik denk dat weinig feministische vrouwen dit verhaal zullen waarderen. Bij nauwkeurig lezen staat er echter dat de positie van de vrouw tot stand is gekomen in de loop van de geschiedenis van man én vrouw! Er waren in die tijd maar weinig denkers die daar zo over dachten! Die positie stond niet vast; was aan verandering onderhevig! En dan krijgt de uitspraak van Nietzsche meer reliëf! Vind ik!


donderdag 31 maart 2022

Twee hondjes...

 Krates en Hipparchia: een filosofenpaar.


(“Ik wou dat ik twee hondjes was…”: Spleen
)

Drie fragmenten.


Krates  (De wijsheid van de honden, pag. 192, fragment 536)
Hij was zo aantrekkelijk, dat een meisje van adel jongere en rijkere huwelijkskandidaten afwees en uit vrije keuze hem als man wilde hebben. Toen Krates zijn rug, die voorzien was van een behoorlijk grote bochel, had ontbloot, zijn knapzak en zijn mantel op de grond had gelegd en het meisje mededeelde dat dát zijn huisraad én zijn schoonheid was, zoals ze zelf had gezien – ze moest dus serieus overleggen, om later geen reden tot klagen te hebben – accepteerde Hipparchia deze voorwaarden toch. Zij antwoordde dat zij dit al lang geleden genoegzaam had bekeken en voldoende had overdacht en dat ze waar ook ter wereld geen rijkere echtgenoot en geen knappere man kon vinden. Hij moest haar dus maar meenemen waarheen hij wilde. De cynicus nam haar mee naar de zuilengalerij (“Stoa) . Daar, op die drukbezochte plek, is hij op klaarlichte dag voor aller ogen bij haar gaan liggen en hij zou voor aller ogen het meisje, dat daartoe met evenveel standvastigheid bereid was, hebben ontmaagd, als Zeno  niet, door diens filosofenjasje op te schuiven, de blikken van de kring omstanders op de edele delen van zijn leermeester had afgeschermd! (vergelijk het verhaal in De ezel over Diogenes)


Het bekendste verhaal van wat tussen Krates en Zeno  voorviel (De wijsheid van de honden, pag. 195, fragment 547):

Zoals hiervoor is vermeld, volgde Zeno college bij Krates. … Met Krates kwam hij dus op de volgende wijze in contact. Op reis vanuit Foinicië (1) met een lading purper (2) lijdt hij bij Piraeus
schipbreuk (3). In Athene aangekomen – hij was toen al dertig jaar – hield hij even halt bij een boekhandelaar. Toen hij daar het tweede deel van Xenefons Memorabilia Socratis las, raakte hij zo enthousiast, dat hij vroeg waar dat soort mensen woonde. [3] Toen Krates net op dat moment passeerde, wees de boekhandelaar op hem en zei: “Ga hem achterna!” Vanaf dat moment werd hij leerling van Krates, waarbij hij zich in alle opzichten energiek op de filosofie toelegde, maar verlegen was als het ging om de cynische schaamteloosheid. Vandaar dat Krates, die hem ook daarin wilde helpen, hem met een pot linzensoep door de Kerameikos-wijk (4 )  liet lopen. Toen hij zag dat hij zich geneerde en de pot wilde wegmoffelen, (door hem te verstoppen onder zijn mantel en te doen alsof hij een dik buikje had) sloeg hij met zijn stok de pot in stukken (5) Toen hij wegvluchtte en de linzensoep langs zijn benen naar beneden stroomde (als poep), zei Krates: “Zeg, Foinicisch mannetje, waarom vlucht je? Er is niets ergs gebeurd!”….

Tenslotte vertrok Zeno en volgde hij zo’n twintig jaar lang lessen bij de (andere) filosofen. Daar zou hij ook gezegd hebben: “Ik heb een goede reis gehad, sinds ik schipbreuk heb geleden.” Anderen beweren dat hij dat al in zijn tijd bij Krates had opgemerkt.


Hipparchia  (Engelse website, zoveel beter dan de Nederlandse!) (De wijsheid van de honden, pag. 212, fragment 604, (x)):

Ook de zus van Metrokles, Hipparchia raakte geboeid door deze leer (van Krates). Zij kwamen beide uit Maroneia. Ze was zelfs verliefd op Krates, zowel vanwege zijn woorden als om de manier van leven, waarbij ze verder geen aandacht schonk aan welke huwelijkskandidaat ook, hoe rijk, hooggeboren of knap hij ook was. Nee, Krates was alles voor haar. Sterker nog: ze dreigde haar ouders zich van kant te maken, als ze niet met hem mocht trouwen. Krates, die van haar ouders het dringende verzoek kreeg haar van gedachten te doen veranderen, deed dus wel zijn uiterste best, maar toen hij haar niet kon overtuigen, stond hij ten slotte op, trok voor haar ogen zijn kleren uit en zei: “Dit is je bruidegom, dat is zijn bezit. Denk daarover na! Je zult namelijk niet mijn levenspartner kunnen zijn als je niet tevens dezelfde levenswijze aanneemt.” [97] Het meisje koos voor hem en trok in dezelfde soort uitrusting met haar man rond, bedreef de liefde met hem in het openbaar en bezocht met hem diners.
Toen zij een keer op een feest bij Lysimachos kwam, wist ze daar Theodorus, bijgenaamd de atheïst,  de mond te snoeren, door hem de volgende redenering (ivm Will Smith actueel!) voor te leggen. “Als Theodorus iets doet waarvan je niet kunt zeggen dat het onrechtmatig is, kun je ook niet zeggen dat Hipparchia in zo’n geval onrechtmatig handelt. Als Theodorus zichzelf een klap geeft, handelt hij niet onrechtmatig. Dus, als Hipparchia Theodorus een klap geeft, is dat ook geen onrechtmatige daad!” Hij wist geen antwoord op haar redenering, maar tilde haar jurk (6) omhoog. Hipparchia liet zich daardoor niet uit het veld slaan en raakte als vrouw niet in verlegenheid. Toen hij tegen haar zei: “Hé, het is een vrouw die weefgetouw en spoelen thuis gelaten heeft,”  zei zij: “Ja, zo ben ik, Theodorus. Zeg, je vindt toch niet dat ik daar fout aan gedaan heb, dat ik de tijd die ik aan het weefgetouw zou moeten doorbrengen aan mijn ontwikkeling heb besteed?”

zaterdag 26 maart 2022

Diogenes

 Diogenes van Sinope (1): een grote man.


Van de verhalen van “de honden” is onduidelijk of ze teruggaan op de levensverhalen van de cynici (“de honden”) of dat ze eigenlijk een soort parabels zijn. Persoonlijk ben ik voor deze laatste opvatting. Anderen menen dat deze anekdotes hun waarde verliezen, als ze niet gaan over de (heiligen-)levens van “de Honden”. Ik denk dat de kracht van de verhalen aantoont dat ze geweldig verteld zijn en ons een blik in onze ziel verschaffen. En daardoor lijkt het alsof deze verhalen anekdotes zijn over mensen die vroeger geleefd hebben. Ik zou zelfs nog een stapje verder willen gaan, en in deze verhalen de aankondiging willen zien van het Nieuwe Testament. Concreet houdt dat in dat het christelijke geloof zijn aanvang vindt in de filosofie van de cynici, en niet gedragen werd door een persoon, die wonderen verricht, maar door een goed georganiseerde kritische club intellectuelen. Veel over het leven van Christus wordt in dezelfde trant verteld als de verhalen over “de Honden”. Hoe het ook zij de christelijke en de cynische beweging hebben elkaar beïnvloed. Het oordeel over deze laatste uitspraken laat ik aan de lezer over, omdat in dit blog Diogenes van Sinope centraal staat en niet de wording van het Nieuwe Testament.

In een quiz op de televisie werd laatst de vraag gesteld of The Westside Story terugging op een verhaal van Shakespeare. Ik beantwoordde de vraag resoluut met: nee! Mijn vrouw, die meestal gelijk heeft, antwoordde: “Het gaat terug op Romeo en Juliet (Julia ) !” En inderdaad, ook de quizmaster bevestigde dat The Westside Story teruggaat op het liefdesdrama Romeo en Juliet van William Shakespeare. Ik was verbijsterd: mijn talenten zijn al gemakkelijk te tellen, nu bleek dat ik ook op een gebied waarop ik mij enigszins vertrouwd voelde, geen expertise had. Ik begreep dat ik op een geheel andere manier keek naar verwantschap tussen verhalen dan de meeste anderen. Want ik vond dat, als The Westside Story terug ging op Romeo en Juliet, je eigenlijk beweerde dat er in beide verhalen dezelfde woorden voorkwamen, kortom alles had met alles te maken en op die manier kon je elk verhaal herleiden tot elk ander verhaal. En dat zette mijn uitgangspunt waarbij ik verhalen van nu in verband breng met verhalen uit de klassieke oudheid, op scherp. Wat is een soliede basis om verhalen met zo’n groot tijdsverschil met elkaar in verband te brengen, zonder dat je een beledigende inbreuk doet door het ene verhaal met het andere te vergelijken?

Neem bijvoorbeeld het volgende verhaal uit 1980 door een volwassen Marokkaanse verteller (M’hammed, 30 jaar) in het Nederlands mij verteld:

Op een dag is Jeha heel arm. Hij loopt door het bos, en zie: wat glinstert daar tussen de bomen? Hij kijkt eens heel goed en ziet dat er een schat ligt tussen de struiken. Van de ene dag op de andere dag zijn zijn moeder en hij heel erg rijk. Hij pakt de schat en loopt ermee naar huis. Zijn moeder ziet de schat en klapt zich in haar handen van blijdschap: “Dit ga ik de koning brengen om te laten zien”, roept zij uit. En zij pakt de schat op en loopt ermee naar het paleis van de koning. Als de koning de schat ziet, vraagt hij of hij de vinder ervan kan spreken. De moeder is daarover heel erg verheugd, en zegt dat dat haar zoon is! Zij gaat hem meteen halen. Als hij voor de koning verschijnt, zegt de koning: “Ik veroordeel je ter dood!” Jeha wordt aan de schandpaal gebonden op de binnenplaats van het paleis. ’s Avonds, als iedereen gaat slapen, verschijnt de dochter van de koning voor het

raam van haar slaapkamer, dat uitkijkt op de binnenplaats. Daar staat Jeha aan de schandpaal gebonden. Jeha kijkt op naar het verlichte raam en ziet haar daar in volle glorie, zoals de natuur haar geschapen heeft. Ineens krijgt hij een stijve lul. Als hij dat merkt moet hij lachen. Hij schaterlacht uit volle borst, de lach weergalmt langs de muren van de binnenplaats. De koning hoort dat en hij vraagt: “Wat is dat voor gelach midden in de nach?” Zijn poortwachters antwoorden hem: “Dat is Jeha: waar hij zo om moet lachen, weten wij niet, maar hij kan maar niet ophouden met lachen. Hij heeft de slappe lach!” De koning beveelt hun: “Breng hem onmiddellijk hier!” Jeha moet nogmaals voor de koning verschijnen. De koning vraagt hem: “Waarom moet jij zo onbedaarlijk lachen?” “Sire,” antwoordt Jeha hem, “ik zal u antwoorden, als u mij belooft mij te sparen. Want wat ik u ga vertellen, is eigenlijk iets wat ik niet zomaar tegen uw persoon kan zeggen. U zou erdoor beledigd kunnen zijn, en dat is niet mijn bedoeling.” “Nou, goed dan,” zegt de koning, omdat de nieuwsgierigheid het bij hem wint van de lange tenen. “Vertel op!” “Sire, toen ik uw dochter naakt voor het raam zag staan, kreeg ik een erectie. Op dat moment schoot mij door het hoofd: zowel mijn moeder als u zijn eigenlijk precies als mijn lul. Mijn moeder brengt u zomaar mijn schat en u laat mij daarop zomaar onthoofden. En mijn lul wordt stijf, terwijl ik eigenlijk wel andere zorgen aan mijn hoofd heb dan uw dochter. Alles gebeurt buiten mijn wil om, en daarom kreeg ik de slappe lach!”

Toen ik dit verhaal de eerste keer hoorde twijfelde ik aan de authenticiteit. Ik dacht dat de verteller het had verzonnen, maar opbouw en strekking van het verhaal deden mij uiteindelijk besluiten het als echt te bestempelen. Terecht?


Vele jaren later stuit ik op Diogenes van Sinope en de verhalen die erover hem worden verteld, zoals het hieronder aangehaalde fragment (Philodemus Gardarensis, De stoicis, Papyri Herculis, Ed. Dorandi, 185, De pietate (ed. Comperz), 95; De rhetorica fragmenta incerta 181) (2):

[vii] Laten wij nu de “fraaie” acties van deze heren snel op een rijtje zetten, om zo min mogelijk tijd te hoeven besteden aan hun gedachtegoed. Deze “heiligen” hebben dus de regel om het leven van honden te leiden, onverbloemd termen te gebruiken en iedereen uit te schelden, zich openlijk af te trekken, een jas met voering te dragen(om gestolen goed in te verbergen, WtM); mannen te misbruiken, of ze van hen houden of niet, […] of ze nu graag toegeven aan hun verzoeken of ertoe gedwongen worden [..lacunes in de brontekst..].

~        Ze menen dat kinderen communaal bezit zijn.

~        Ze keuren het goed gemeenschap te hebben met hun eigen zussen, moeders en verwanten, en ook met broers en zonen, om voor hun seksuele bevrediging geen enkele beurt af te slaan, zelfs als het neerkomt op een soort verkrachting!

[ix] Dat vrouwen mannen benaderen, vervolgens verleiden en alle seksuele trucs aanwenden zodat zij maar met hen naar bed gaan, en als ze niemand kunnen vinden, mannen kopen om hen ten dienste te zijn;

~        Dat je alle mannen en vrouwen, naar het uitkomt, mag gebruiken;

~        Dat getrouwde mannen met hun eigen slavinnen naar bed mogen, getrouwde vrouwen er vandoor mogen gaan met mannen naar hun keuze en hun eigen mannen verlaten;

~        Dat mannen en vrouwen dezelfde kleding dragen, dezelfde beroepen uitoefenen [lacune].

~        Ze mogen aan hardlopen en sportoefening doen, naakt zijn[…] voor ieders ogen en met hen trainen[….] [….];

~        Vader te vermoorden[…];

~        Ook hebben ze de regel dat ze geen enkele staat erkennen die wij kennen en ook geen wetten;

~        Dat ze iedereen als kinderlijk beschouwen of krankzinnig en ziek[…];

~        Dat ze vijandig staan tegenover goden, zodat ze niemand vertrouwen […];

~        In alle opzichten foutief bezig zijn, zodat van alles wat bij hen voor goed en rechtvaardig doorgaat, niets van nature goed is [….] [lacunes].

Vergelijk dit eens met de vele geruchten die later de ronde deden over bijvoorbeeld Joden of Sinti in de Middeleeuwen en de verhalen verliezen hun onschuld. Waar wij om lachen, blijkt bittere ellende te zijn voor anderen in andere tijden. Mag je het verhaal en het fragment dan toch met elkaar in verband brengen? Ik denk van wel. Het fragment dat op Diogenes betrekking heeft, plaatst het eerste verhaal in een perspectief. Het is geen verhaal van nu (?), maar een verhaal van lang geleden. De uitleg helpt ons om het in het verleden te plaatsen! Als je het eerste verhaal plaatst tussen de andere Jeha-verhalen, dan blijkt dat Jeha met het koninklijk paleis in contact is gekomen, door het verjagen van honden, waarom de prinses die nooit lachte, moest lachen (3). Dat was de eerste keer dat hij op het paleis werd uitgenodigd. En dit alles mag je gerust als een aanwijzing zien dat het fragment over Diogenes hoort bij het eerste verhaal van de Marokkaanse man als uitleg. Het is in feite een afwijzing van een dictatuur, gebaseerd op de ideeën van Diogenes (en Plato). Als dat het geval is, lijkt dit me ook een aanwijzing dat het hier niet om anekdotes gaat, maar eerder om goed vertelde (opvoedkundige!) verhalen.

Is dit eenzelfde verband als tussen de Westside Story en Romeo en Juliet? Het verband tussen de Westside Story en Romeo en Juliet is losjes gebaseerd op eenzelfde verhaallijn. Mijn verband is formeel (= gelijkluidende bijzondere verhaalelementen): het voorkomen van vergelijkbare scènes en de verklaring van het ongerijmde. Als je van mijn analyse uitgaat, is er inderdaad maar een heel los verband tussen de Westside Story en Romeo en Juliet, omdat het ene verhaal weinig uitlegt van wat er gebeurt in het andere verhaal behalve heel erg oppervlakkig. En ook de scènes verschillen, al was het maar door de danspartijen. 

zaterdag 26 februari 2022

 Deel 2:  het Hondse begin van de psychologie!


Toen ik 40 jaar geleden het volgende verhaaltje voor het eerst onder ogen kreeg, schoot mij al meteen de mythe van Prometheus  door het hoofd. Maar er was niets dat op een verband tussen de mythe en dit Marokkaanse verhaaltje wees, zelfs niet na lang zoeken! Het verband was bovendien beladen, omdat alles wat met de aanwezigheid van de Romeinen in Marokko te maken had, bijna altijd wees op de Franse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, die toen zijn rechten op het gebied wilde laten gelden door op de klassieken terug te vallen.


Mythes zijn vreemde verhalen, want wie herleidt de Oedipus-mythe tot een gewoon conflict op leven en dood tussen ieder ouder en kind? Freud legde de mythe heel realistisch en concreet op die manier uit. Het was geen koningsdrama, maar een door iedereen beleefd conflict. Daarmee heeft hij de wereld van de psychologie een tijdlang op z’n kop gezet. Zijn leerling Jung probeerde het fysieke geweld weer enigszins te kanaliseren in geestelijke processen. De dialectiek in theorievorming op psychologisch gebied leek voorlopig weer tot stilstand te komen. Maar waar is die dialectische ontwikkeling begonnen?


Nu 40 jaar later, vind ik het verband tussen de Klassiek Humoristische verhaaltjes en de filosofie van de Honden. Maar, dat is filosofie en geen psychologie: een verhit debat op dit moment ontkent of beweert hardnekkig, dat mythes geen psychologische diepgang kennen. Dat maakt het werk van Freud en
Jung op zijn zachts gezegd merkwaardig. Laten we bij het begin beginnen.


40 Jaar geleden ging het om dit verhaaltje, terug te vinden in mijn doctoraalscriptie (1):


Jeha koopt lever en begeeft zich naar huis. Zo gebeurt het dat een raaf (2) de lever van hem pikt. Jeha kijkt achterom naar een andere man, die ook lever bij zich heeft en die hem net wil inhalen. Jeha pakt hem snel de lever af en gaat ervandoor. Tot hij op een hoog verheven plek aangekomen, niet meer verder kan. De man achtervolgt Jeha en haalt hem in. “Wat doe je toch, Jeha?” vraagt de man. “Niets, ik probeer alleen maar uit of ik raaf kan worden. (Want die weet op zijn vleugels te ontsnappen, wat mij niet lukt)”

Zoals gezegd had ik alleen de indruk dat Prometheus hiermee iets te maken zou kunnen hebben, maar een duidelijke aanwijzing daarvoor had ik niet. Totdat ik dit fragment van Antisthenes onder ogen kreeg (3):

Als jullie werkelijk willen begrijpen dat inzicht een verheven zaak is, roep ik Plato noch Aristoteles tot getuigen, maar de wijze Antisthenes , die deze methode heeft onderwezen. Hij zegt immers dat Prometheus aldus tot Herakles sprak: ‘Jouw werkzaamheden zijn erg minderwaardig, omdat jij je bezighoudt met menselijke zaken, maar de zorg voor datgene wat van groter belang is dan dat heb je verwaarloosd. Je zult namelijk geen volmaakt mens zijn, voordat je die dingen leert die hoger zijn dan de mensen. Als je die zaken leert, zul je ook de menselijke zaken leren. Als je echter alleen maar menselijke zaken leert, zul je als een dom beest ronddolen.

Hier zie je de tegenstelling tussen Freud en Jung terug: gaat het om realisme of is het verhaal eigenlijk alleen maar een geestelijk product zonder enige verwijzing naar wat dan ook in de realiteit? Herakles bekommert zich om deze wereld en de omstandigheden waaronder mensen moeten leven. Prometheus verwijt hem alleen voor aardse zaken belangstelling te hebben.
Prometheus heeft in zijn hoogmoed het vuur uit de hemel gestolen, en wordt daarvoor gestraft. Vastgebonden aan een zuil (4) daagt hij de oppergod Zeus uit. Herakles, ondeugende puber, bevrijdt Prometheus van zijn kluisters, en je zou kunnen denken praktijk en theorie hebben elkaar weer gevonden. In het commentaar op de scène van de gekluisterde Prometheus, zegt Georg Luck, De wijsheid van de Honden: noot 63, pag. 301-302):

…Verder merkt Buecheler  (5) op dat we hier Prometheus als “een nieuwe figuur” leren kennen, die de mensheid niet alleen het vuur maar ook de filosofie gebracht heeft. De verbinding met Prometheus (Antisthenes stelt Herakles als student van Prometheus voor) enerzijds en met Cheiron (de vaderlijke centaur die zich voor hem opoffert) anderzijds, en verder de wonden die Cheiron door Herakles zijn toegebracht, duiden ongetwijfeld, zoals Buecheler gezien heeft, op een situatie die overeenkomt met de mythe die door Apollodorus is samengevat en door Aischylos  is gedramatiseerd:  …”Hij trof in Prometheus naar mijn mening een soort sofist (trickster), aan, zoals hij door de publieke opinie te gronde werd gericht: telkens wanneer men hem
prees, werd zijn lever groter en groter, als men echter kritiek op hem had, verschrompelde hij weer. Herakles ontfermde zich over hem, verdreef de adelaar (6) en bevrijdde Prometheus van zijn ambities en arrogantie (boeien).”

Hieruit concludeer ik dat er in deze mythe wel degelijk sprake is van psychologie, namelijk die van bestrijding van de Hoogmoed (hubris) van Prometheus  en de driften van Herakles (7)! Dit zien we later terug als twee Hoofdzondes, die van Superbia en de Invidia, waarover ik al het een en ander op dit blog heb staan. Marokkaaans volksverhaal uit de Atlas: Superbia; Libro de buen Amor: Superbia. Van hetzelfde Marokkaanse verhaal: Invidia; idem Libro, Invidia .


De hoogmoed en de afgunst kun je met de Roomse kerk verbinden, door de biecht als een soort voorloper van een psychiatrisch consult te zien. Ik vind het daarnaast belangrijk dat je met het benoemen van de hoogmoed, een direct verband kunt leggen met de Humorale Theorie: de lever (doorscrollen naar tabel, IV, orgaan “lever”) was de zetel van het geweten (8) , een instantie die je soms verleidde tot de hoogmoed van het Gouden Kalf. Het begrip waar het hier om gaat heet in het Grieks syneidèsis (συνειδησισ ), in het Latijn Conscientia. Het eerste deel van de beide woorden (syn- en con-) wijzen erop dat Geweten (bewustzijn) gevormd wordt door de ervaringen in de natuurlijke en maatschappelijke omgeving. Verder verwijst het begrip naar een fragment in het Nieuwe testament (Hebreeën, 10, 2) waarin de woede van Mozes wordt beschreven bij het zien van het Gouden Kalf. Naar deze scène is de eerste volledige Sura (9) van de Koran genoemd: Al-Baqarah (De Koe). In Al-Baqarah worden degenen die openbaringen ontvangen hebben gecategoriseerd. Je zou kunnen zeggen zowel Mozes als deze verschillende profeten gaan terug op de allereerste profeet: Prometheus, de grondlegger van de psychologie. Waarbij moet opgemerkt dat psychologie en filosofie nog niet van elkaar werden onderscheiden.


En ook de Invidia kun je met de Humorale theorie verbinden door Herakles te zien als een vertegenwoordiger van instantie VI-1 en VI-2: sex en eer, wat kan leiden tot angst en depressie. Maar dit valt dan in de Oudheid niet zozeer onder de godsdienst, maar eerder onder de staatsinrichting. Een goed en fatsoenlijk burger wist zijn plaats in het maatschappelijk stelsel. Een mening die ook de Honden waren toegedaan zoals gezegd op mijn vorige blog .  Maar hierover bestond discussie: Alcibiades wilde de goden beledigen en niet zozeer de staat.
Dit alles bij elkaar leidt tot mijn conclusie dat het begin van de psychologie een geestelijke, Hondse start kende, die veel later door Freud werd omgebogen tot een materialistische. Jung poogde de synthese, maar de vraag is of hij daarin wel is geslaagd. Of dat bij hem praktijk en theorie toch veel te ver van elkaar blijven staan. Het in het begin aangehaalde verhaaltje over Jeha, de raaf en de lever, sluit wel aan bij de dagelijkse levensbeslommeringen en overbrugt de kloof tussen praktijk en theorie. Het belang van de Klassieke Humor voor de psychologie dat al eerder in de Zwitserse psychiatrie om de hoek bij Freud opdook, blijft van onschatbare waarde!

vrijdag 11 februari 2022

De Honden

 De Honden (de Cynici ) : Macht corrumpeert!

Aristoteles, Politica, 3.13, 1284a, 11-17, in de vertaling van Jan Maarten Bremer en Ton Kessels, Historische Uitgeverij, Groningen, 2012:

Als er één persoon is, of meer dan één maar niet genoeg om een volledige polis (1) te vormen, die zover boven de anderen uitsteekt (uitsteken) dat de voortreffelijkheid en politieke bekwaamheid van al die anderen het in de verste verte niet halen bij die van hen of hem alleen, dan moet(en) deze niet langer worden beschouwd als onderdeel van de polis. Zulke mensen doet men onrecht door hen, bij zo grote ongelijkheid in voortreffelijkheid (2) en politieke bekwaamheid, slechts dezelfde waardigheid als anderen toe te kennen. Het is niet teveel gezegd dat zo iemand als een god onder mensen is (3) . Hieruit blijkt duidelijk dat ook wetgeving noodzakelijkerwijs geldt voor gelijken in geboorte en bekwaamheid, maar dat voor mensen als juist beschreven er geen wet bestaat. Zij vormen immers zelf een wet; wie zou proberen hun de wet te stellen zou zich alleen belachelijk maken – ze zouden waarschijnlijk hetzelfde zeggen wat volgens Antisthenes (4) de leeuwen zeiden toen in de volksvergadering de hazen het woord namen en gelijke rechten voor allen eisten (5).
Om dezelfde reden kennen democratisch ingerichte staten het systeem van ostracisme (6). Men ziet dat deze staten gelijkheid boven alles nastreven; daarom bracht men tegen mensen van wie men vond dat zij dankzij hun rijkdom, relaties of een andere politieke machtsfactor bovenmatig veel invloed hadden gekregen, een stem uit om ze voor een bepaalde tijdsduur uit de polis te verbannen. Naar wat men vertelt, hebben de Argonauten  Heracles achtergelaten om een soortgelijke reden: hun schip (7) , de Argo, wilde hem niet aan boord nemen, omdat hij véél meer gewicht had dan de overige opvarenden.(x)


 “Macht corrumpeert”, deze uitspraak is waarschijnlijk net zo oud als een uitspraak, dat alle mensen altijd hebben gehuild en gelachen. Ik wil daarmee zeggen dat al heel lang geleden heersers ervan doordrongen waren dat hun inzichten niet absoluut goede of juiste inzichten waren. Elke beslissing had zijn commentaar nodig, voordat de heerser tot handelen overging. Daartoe hadden een aantal heersers iemand in huis die net als tegenwoordig een Tweede Kamerlid alles mocht zeggen. Maar in den beginne was er de sjamanistische nar (8), die de absolute religieuze heerser in bestuur en recht, alle hoeken van de kamer moest laten zien. Dat was natuurlijk geen beroep zonder gevaar. En menigeen kwam aan een ellendig einde.
In onze verhaaltjes, geput uit wat ik Klassieke Humor noem, komt deze rol van de nar in dienst van een tiran of een koning nog regelmatig voor: bij Nasreddin, Jeha, Tijl Uilenspiegel, Anansi etc. Maar daarmee is zijn rol niet uitgespeeld. Robin Lane Fox, nr 106, pag. 78 ):
“.. spot was een van de belangrijkste sociale cohesie versterkende instrumenten in Sparta. Dat hield in (zoals ons wordt verteld) dat dronken (krijgsgevangen) slaven, heloten, werden bespot door ze willoos te laten ronddartelen.” (9)
Op een gegeven moment is de nar op straat gezet. Dat gebeurde in onze streken voor het eerst in Klein Azië. Je ziet daar tirannen optreden die wreed en meedogenloos regeren, maar andere die beseffen dat macht corrumpeert. En deze laatsten roepen, om zich daartegen te behoeden, in plaats van grappenmakers, volksvergaderingen bijeen. Ook in deze vergaderingen mag alles geroepen worden, wat iemand maar te berde wil brengen. Soms, zoals in het Athene van Alkibiades (10), omstreeks 450 vChr, gedragen deze volksvergaderingen zich weer op hun beurt als volks-tirannen. Ze onderwerpen eilanden aan een strak bewind waarbij er niet voor wordt teruggeschrokken om hele bevolkingen uit te moorden (Melos). Dat roept een merkwaardige reactie op onder intellectuelen als Antisthenes, Socrates en Diogenes van Sinope etc. Zij verloren het vertrouwen in het woord van de heerser. Pas gedrag bewees dat je meende wat je zei, dat je je (boeren- en dus gezonde) verstand gebruikte. In de Romeinse tijd krijgt deze stroming een gematigde tweeling: het stoïcisme en het epicurisme. Cicero past dus wel degelijk in de traditie van Klassieke Humor, omdat hij tegen het stoïcisme aanleunt en hun debatten heeft (laten) opschrijven.

De filosofische stroming die uit de kritiek op de macht voortkwam, noemde zich naar de  straathond, die net zoals we in eerdere bloggen (Wittgenstein en Vergelijking)  hebben gerapporteerd in roedels door de straten van de antieke steden zwierven, en soms onderdak vonden in tonnen. Vieze beesten kortom, net zoals de filosofen die zich naar hen noemden, met slechts één mantel, eten uit de hand, sporadisch gebruik van het bad, ruige baardgroei en geen schoenen aan de voeten. Van geld moesten ze niets hebben, dat stonk en was goed om zich in te wentelen, maar niet om er een maatschappij mee in te richten. De burger moest opgevoed worden, afgericht, tot een goede burger, zoals Socrates al had gezegd. En goed gedrag kun je hem leren. In hun gedrag lijken ze veel op de latere vertegenwoordigers van het Soefisme in de Islamitische wereld, waarover in latere blogs zal worden verteld. In India zijn het de yogi, die sterke overeenkomsten met de Cynici hebben.


Na jarenlang grappige verhaaltjes te hebben verzameld in de traditie van de Klassieke Humor, kan ik nu zeggen dat veel van deze verhaaltjes teruggaan op de filosofie van de Cynici. De verhaaltjes geven een beeld van waarschijnlijk het belangrijkste contrapunt uit de Europese politieke geschiedenis. Deze schaduw van de macht zorgde ervoor dat macht minder corrumpeerde dan ze anders zou hebben gedaan. Sporen van de cynische traditie zijn tot op de dag van vandaag voelbaar in de politiek. Wat stonden deze Cynici dan voor dat ze tegelijkertijd van groot belang zijn én zodanig in de schaduw van het wereldgebeuren zich ophouden, dat het jaren kost om er achter te komen, waar de verhaaltjes van bijv. Tijl Uilenspiegel op teruggaan? In de komende vier afleveringen van dit blog, Klassieke Humor, ga ik na, wat de Cynici hebben bijgedragen aan de Klassieke Humor. Dit is een eerste aanzet.

Een paar van hun kernwaarden heb ik al opgesomd: afzien van rijkdom en kritiek op de macht. Bij een cynisch persoon denk je inderdaad aan negatieve waarden. Maar ze stonden ook positief in het leven. Die positiviteit werd aangeduid met het begrip “aretè” (2). Ook in het citaat hierboven uit de Politica van Aristoteles, komt dit begrip voor. In de Wijsheid van de honden (Georg Luck, vertaald door Gerard Jansen en Goverdien Hauth-Grubben, 1997, pag. 28) wordt het begrip als volgt omschreven:
“Het hoogste goed, de enige absolute noodzakelijkheid in het leven, het doel van alle streven is de deugd. De deugd, zo leert ook Sokrates al, is kennis, zij kan onderwezen worden en is – eenmaal in iemands bezit –onvervreemdbaar. De grootste deugd is het verstand, ook dat is sokratisch, en wordt overgenomen door de kyrenaici (de honden), die in het verstand en in de rechtvaardigheid het werkelijk goede zien. De deugd is de enige vereiste voor het geluk en is op zich al genoeg om gelukkig te zijn…”
Je kunt uit de omschrijving opmaken, hoe dicht de Cynici staan bij het christelijk gedachtengoed. Als Jezus de handelaren uit de tempel jaagt, dan heeft hij een hele volksbeweging achter zich die hem in zijn handelen steunt: de cynici, ook wel “de honden” genoemd (een geuzennaam)! Wat eerst een geuzennaam was, wordt later een scheldnaam. Een vergelijkbare ontwikkeling hebben we gezien bij de ezel. En net zoals de symbolische betekenis van de Ezel in deze verhaaltjes mij veel moeite heeft gekost om hem te achterhalen, is dat het geval voor de Hond.
 
Verwijzingen:

  1. Spreekwoorden over de hond: 15 februari 2020;
  2. Wittgestein en de hond;
  3. Rabelais, Panurg achtervolgd door 1311 honden; ook onder link (29) in de tekst!
  4. Rabelais: de Parijse dame;
Andere verbanden:
  1. achtergrondverhaal;
  2. Geboorte Herakles: Plautus, Amphitruo;
  3. De wederopstanding;
  4. De vergelijking;
  5. De ezel;
  6. Duitse fotograaf van “honden”,  Elke Vogelsang;
  7. polis
  8. Windhond.

vrijdag 21 januari 2022



Op het eind van het jaar maak ik altijd een overzicht om na te gaan welk verhaal het meest is gelezen en welke verhalen het minder hebben gedaan. Dit jaar heb ik een lijst samengesteld van de verschenen verhalen. Je kunt op de titel klikken om naar het betreffende verhaal te gaan om het eventueel te herlezen of omdat het je was ontgaan. Verder staat er een score in de lijst vermeld.

Uit de hier bijgevoegde lijst van verhalen van afgelopen jaar valt op te maken dat het verhaal van de Baljuw (nr. 4 in de lijst: uit de Canterbury Tales van Chaucer het meest gelezen verhaal is. Het één na laatste verhaal uit de serie Cicero (nr. 29 in de lijst) is het minst gelezen. Nu ligt de verklaring minder voor de hand dan je zou kunnen denken. Het Cicero verhaal staat nog maar kort op mijn blog, terwijl het Verhaal van de Baljuw er al een jaar opstaat. De kans dat het laatste verhaal vaker gelezen kon worden dan het verhaal van Cicero is dus veel groter. Vandaar de hogere score. En het wordt nog bizarder, als je de telling van Google ernaast legt: in deze lijst komt het Verhaal van de Baljuw niet voor bij de eerste 18 genoteerde verhalen. Dat wil zeggen dat de hoogste score voor alle verhalen boven de 139 hits ligt. Wat dit jaar op Één staat, komt niet bij de eerste 18 voor in de lijst met alle verhalen.

Maar dit jaar staat de Baljuw bovenaan, gevolgd door een ander verhaal uit de Canterbury Tales: het verhaal van de Non (nr. 23 in de lijst) En aangezien dit verhaal er veel later op is gekomen, kun je nu al concluderen dat dit verhaal uiteindelijk populairder zal zijn dan dat van de Baljuw. Deze constatering kan op een dieperliggend probleem wijzen, dat ik een beetje heb uitgewerkt in een achtergrondartikel  dat je hier kunt vinden door te klikken.

Er waren dit jaar vier series: de Canterbury Tales, de Koppigheidsserie, De vrouw van Djeha-serie en de Cicero-serie. Over de eerste en de laatste serie heb ik al iets verteld en daar laat ik het ook bij. De Koppigheidsserie werd meer gelezen dan De vrouw van Djeha-serie. Dat is opvallend, omdat de Koppigheidsserie bestaat uit een serie van dezelfde verhalen die steeds anders worden verteld en misschien iets verklappen over het land waar het wordt verteld. Dit is verder uitgewerkt in De vergelijking (nr. 17 in de lijst). De vrouw van Djeha-serie bestond uit steeds andere verhalen. Deze serie zal in het komende jaar een vervolg krijgen in het bespreken van de verhalen uit de Decamerone. Want nog steeds dienen de Ontdekkingen in het vertellen van deze verhalen zich aan.

Toekomst.

In het komende jaar zal ik minder tijd besteden aan het Klassieke Humor blog. Dat houdt in dat verhalen die vorig jaar al aan de beurt hadden moeten komen, die van Aristofanes en Arabische grappen uit de literatuur van het Institut Arabe, voorlopig van de baan zijn. Over een volledig nieuwe serie  Plautus, zullen we het dan ook maar helemaal niet hebben. Dat wil niet zeggen dat ze niet uiteindelijk op mijn blog komen te saan. Ik ga door tot ik 365 keer een blog heb gepubliceerd, omdat dat de basis moet worden voor een jaarkalender, waarin op elke dag een andere grap komt te staan.

Dit jaar, zal ik waarschijnlijk maar om de twee weken een verhaaltje bespreken. Dat zijn dan de verhalen uit de Decamerone, en de verhalen uit het standaardwerk over het Soefisme, The Sufis, van Idries Shah, dat mij in de schoot werd geworpen door de helaas overleden econoom Witteveen. In het bespreken van The Sufis zal ik de uitleg van Idries Shah van commentaar voorzien.

Het komende jaar komt in het teken te staan van mijn familiegeschiedenis. En als alles loopt zoals ik hoop dat het gaat lopen zullen de afzonderlijke levensverhalen verschijnen op mijn andere website alle gepubliceerd in overleg met de familie. Ik stel het vertrouwen dat men in mij stelt erg op prijs.

 

zondag 16 januari 2022

Laatste hoofdstuk Clodius en Cicero.

Voor commentaar en oorspronkelijk Griekse tekst, klik hier.


Echter, gedurende het consulaat van Lentulus, toen de wanorde bleef voortduren, in die mate dat tribunen verwond raakten op het Forum en zelfs Quintus, de broer van Cicero, als dood lag tussen de gedode mensen om niet te worden vermoord, toen pas begonnen de mensen van mening te veranderen. Annius Milo, een van de tribunen, waagde als eerste Clodius te vervolgen voor geweldpleging. Daarna volgden velen hem, toen hij een beroep deed op Pompeius, zowel van Rome’s volksvertegenwoordiging als die van de nabij gelegen steden. Toen trok Pompeius op naar het Forum, dreef Clodius ervan af en riep de mensen op tegen Clodius te gaan stemmen.

En ze zeggen dat de volksvertegenwoordiging nog nooit eenstemmiger gestemd heeft dan toen. Ook de senaat, in wedijver met de volksvertegenwoordiging, schreef aan alle steden die Cicero te hulp waren geschoten tijdens zijn ballingschap, dankbrieven. En vaardigde het besluit uit dat zijn huis (op de Palatijn) en zijn villa’s op het platteland, die Clodius had laten verwoesten, zouden worden herbouwd op kosten van de staat.

In de zestiende maand van zijn ballingschap kwam Cicero terug naar huis. En de vreugde van de steden en het verlangen de man te ontmoeten was zo groot dat, wat Cicero er later over zei, daarbij in het niet valt. Hij zei namelijk dat Italië hem op de schouders had genomen en hem naar Rome had gedragen. Maar het was niet Italië, maar heel Italië. Want zelfs Crassus, die voor zijn ballingschap altijd zijn grote tegenstander was geweest, was nu bereid om hem te ontmoeten en zich met hem te verzoenen. Van de zoon van Crassus, Publius, wordt gezegd dat hij een vurig aanhanger van Cicero was.

Toen er nog maar weinig tijd verstreken was en Cicero ertoe de kans kreeg, omdat Clodius zich niet in de stad ophield, ging hij met groot gevolg naar de Capitolijn en scheurde daar de plakkaten van de muur met de verslagen, waarin tribunen hun bestuur verantwoordden. Toen Clodius hem hiervoor aanklaagde, zei hij dat de verslagen onwettig waren. Cicero betoogde dat het onwettig was dat Clodius uit de rangen van de patriciërs was overgegaan naar de volksvertegenwoordiging (van plebejers). Daarom was ook zijn bestuur illegaal. Alleen Cato was hierover verontwaardigd en sprak zich tegen Cicero uit.

Cato benadrukte dat hij het ook niet eens was met Clodius, --hij was zelfs heel erg ontevreden over de gang van zaken—maar hij vond dat het voor de senaat een vreemde en ongehoord agressieve maatregel was om zoveel besluiten en handelingen in een keer ongeldig te verklaren. Onder deze verslagen bevonden zich de notulen die betrekking hadden op zijn eigen bestuur op Cyprus en te Byzantium. Dit alles had verzet, dat nu aan de dag trad, ten gevolge tussen hem en Cicero, maar dit verzet werd getemperd door hun vriendelijke gedrag over en weer.

Later werd Clodius vermoord door Milo. En toen Milo werd vervolgd voor moord, werd Cicero zijn advocaat. De senaat was bang dat het proces tegen Milo aanleiding zou zijn voor onrust in de stad. Milo was een man met een bedenkelijke reputatie omdat hij snel zijn zelfbeheersing verloor. Zij vertrouwden het algehele toezicht over dit proces en nog andere rechtszaken toe aan Pompeius, die voor veiligheid in de stad en op de gerechtshoven diende te zorgen.(x)

 Harris, 815: Quintus ligt voor Dood.

Eerst hoorden we van Atticus dat de nieuwe tribunen waren ingezworen. Acht waren medestanders van Cicero en maar twee uitgesproken vijanden – maar twee waren voldoende om een veto uit te spreken over iedere wet die zijn ballingschap zou herroepen. Toen hoorden we van Quintus, Cicero’s broer, dat Milo als tribuun , Clodius had laten vervolgen voor gewelddadigheid en intimidatie, en dat Clodius daarop zijn boeven Milo’s huis had laten aanvallen. Op nieuwjaarsdag ging de ambtstermijn van de nieuwe consuls in. Een van hen, Lentulus Spinther, was al een overtuigd medestander van Cicero. De andere, Metullus Nepos, was lange tijd als vijand beschouwd. Maar iemand moet hem overtuigd hebben, want tijdens het openingsdebat van de nieuwe senaat verklaarde Nepos dat hij, hoewel hij het persoonlijk nog steeds niet op Cicero had, geen bezwaar zou maken als hij terug werd geroepen. Twee dagen later legde de senaat het volk een motie voor de herroeping van Cicero’s ballingschap voor, opgesteld door Pompeius.

Vanaf dat moment was het mogelijk te geloven dat Cicero’s verbanning spoedig ten einde zou zijn, en ik begon discrete voorbereidingen te treffen voor ons vertrek naar Italië. Maar Clodius was een uiterst vindingrijke en rancuneuze vijand. Op  de avond voor de volksvergadering bezetten hij en zijn medestanders het forum, het comitium, de rostra – het volledig wetgevende hart van de republiek—en toen Cicero’s vrienden en medestanders arriveerden om te stemmen, vielen ze hen genadeloos aan.

Twee tribunen, Fabricius (onvindbaar) en Cispius, werden belaagd en hun assistenten werden vermoord en in de Tiber gesmeten. Toen Quintus de rostra probeerde op te klimmen werd hij weggesleept en zodanig gemolesteerd dat hij enkel wist te overleven door te doen of hij dood was. Milo reageerde door, voor het eerst, een stel van zijn eigen gladiatoren erop uit te sturen. Spoedig was het centrum van Rome een slagveld, en dagenlang werd er gevochten. Maar al kreeg Clodius voor het eerst een stevige afstraffing, hij werd niet volledig verdreven, en hij had nog steeds twee tribunen die een veto konden uitspreken, De wet om Cicero naar huis te halen moest worden verworpen.

Harris 817

Spinther diende dus een motie in waarin de gehele burgerij van de republiek bijeengeroepen werd in het hoogste orgaan, het kiescollege van honderddrieënnegentig centuriën, om eens en voor altijd het lot van Cicero te bepalen. De motie werd door de senaat met vierhonderddertien stemmen tegen één aangenomen; die ene was Clodius. Verder werd bepaald dat de stemming rond Cicero’s terugkeer gelijktijdig met de zomerverkiezingen moest plaatsvinden, wanneer de centuriën al verzameld zouden zijn op het Marsveld.

Harris, 841: Waarom heeft Cicero recht om zijn huis op de Palatijn te herbouwen? Omdat er een heilig beeld op de plaats van de villa staat, zou Cicero er niet meer mogen gaan wonen. Cicero toont aan dat het beeld helemaal niet heilig is.

 


De schrijn (het heilige beeld van Libertas, de Vrijheid) kon niet als ingewijd worden beschouwd, aangezien Clodius wettelijk geen tribuun was geweest toen hij dit schonk. “Uw overgang van patriciër naar plebejer (zie: vorig blog) is niet door dit college (van pontifices/priesters) besloten, was in strijd met alle pontificale regels, en moet als nietig worden beschouwd; en als die overgang niet wettig is, dan geldt dat voor uw gehele tribunaat.” Dat was gevaarlijk terrein: iedereen wist dat Caesar Clodius’ plebejerschap  had geregeld. Ik zag dat Crassus vooroverleunde, aandachtig luisterend. Cicero voelde dit gevaar aan, herinnerde zich misschien de kwestie met Caesar, en maakte een wending: “Zeg ik daarmee dat al Caesars wetten illegaal waren? Allerminst: geen ervan schaadt mijn belangen nog, behalve dan die wetten die met vijandige bedoelingen tegen mijn persoon gericht zijn.”

Maar de ware slag bracht hij toe toen hij de vuige origine onthulde van het standbeeld dat Clodius had laten oprichten. Ik had de arbeiders  weten te traceren die dat hadden uitgevoerd en van hen gehoord dat het beeld een donatie van Clodius’ broer Appius was geweest, die het uit Tanagra in Boeotië had weggesleept, waar het de graftombe van een bekende courtisane had opgesierd.


De hele zaal brulde van het lachen toen Cicero dit feit uit de doeken deed. “Dus dat is het idee van ‘Libertas  – als een courtisane, opgericht op een uitheemse tombe, gestolen door een dief en opnieuw geplaatst door een godslasterlijke hand! En door háár ben ik uit mijn huis verdreven? Heilige vaders, ik kan dit niet kwijtraken zonder dat de staat te schande wordt gemaakt. Als u gelooft dat mijn terugkeer de onsterfelijke goden, de senaat, het Romeinse volk en heel Italië heeft behaagd, schenkt u mij dan mijn huis terug!”

Harris, 844.

De volgende dag las Spinther het oordeel van de pontifices aan de senaat voor: tenzij Clodius geschreven bewijs kon overleggen waaruit bleek dat hij de schrijn volgens de instructies van het Romeinse volk had ingewijd ‘kan het perceel zonder heiligschennis te plegen opnieuw aan Cicero worden toegekend’.

Harris, 796. Cato is het er niet mee eens om de periode Clodius voor een onwettige regeerperiode te houden, omdat hij zelf in die tijd belangrijk werk voor de regering heeft verricht.

We hoorden bijvoorbeeld over een nieuwe wet die de annexatie van het welvarende Cyprus verordende, zodat de rijkdommen ‘het Romeinse volk ten goede konden komen’ –dat wil zeggen, zodat ze het gratis aan iedere burger verstrekte graan konden bekostigen, iets wat Clodius had ingesteld. Marcus Porcius Cato (junior) werd met het uitvoeren van de diefstal belast. Onnodig te zeggen dat die wet werd aangenomen, want geen kiezer weigert ooit een belasting voor een ander, zeker niet als hij er zelf profijt van heeft. Cato weigerde eerst te gaan. Maar Clodius dreigde hem te vervolgen als hij weigerde de wet te gehoorzamen. Aangezien Cato de grondwet boven alles stelde, had hij geen andere keus dan te gehoorzamen. Hij zeilde naar Cyprus samen met zijn jonge neef Marcus Junius Brutus, en met zijn vertrek verloor Cicero zijn meest uitgesproken medestander in Rome.

Harris, 878.

En toen, aan de vooravond van het debat, keerde Marcus Porcius Cato na twee jaar afwezigheid in Cyprus terug naar Rome. Hij kwam aan in grootse stijl; met een vloot van schepen vol schatten voer hij vanaf Ostia de Tiber op, vergezeld van zijn neef Brutus, een jongeman van wie veel verwacht werd. De hele senaat en alle magistraten en priesters, net als het grootste deel van de bevolking waren uitgelopen om Cato te verwelkomen.

Harris, 906. Het aantal medestanders van Cicero groeit. Maar ook de tegenstand houdt stand: Clodius gedraagt zich steeds gewelddadiger en het lijkt erop dat hij opnieuw aan de macht zou kunnen komen. Voor de tweede keer komt Milo Cicero te hulp. Milo had hem ook al uit zijn ballingschap bevrijd.

Zijn (Milo’s) lijfwachten zetten hun paard aan en omringden hem (Clodius). Onze stoet kwam tot stilstand. Ik zag dat we dichtbij een herberg waren – een bizar toeval wilde, dat het dezelfde was waar wij waren gestopt om onze paarden te halen in de nacht dat Cicero uit Rome weg vluchtte. Milo sprong met getrokken zwaard zijn rijtuig uit en liep langs de kant van de weg om te kijken wat er aan de hand was. Overal in de stoet stegen mannen af. Clodius’ helpers hadden inmiddels de speer uit zijn ribben getrokken en hielpen hem naar de herberg. Hij was voldoende bij bewustzijn om half te kunnen lopen, ondersteund door zijn metgezellen. Intussen waren groepjes mannen in tweegevechten gewikkeld langs de weg en in de aangrenzende velden – wanhopige, woeste hakpartijen, soms te voet, soms te paard  -- in zo’n verward strijdgewoel dat ik eerst Milo’s mannen niet kon onderscheiden van die van Clodius.  Maar langzaamaan merkte ik dat die van ons, van Milo, aan de winnende hand waren, want wij waren driemaal talrijker dan zij. Ik zag hoe verscheidene van Clodius’ mannen die de hoop op de overwinning hadden opgegeven, hun handen in overgave omhoog staken of op hun knieën vielen. Anderen gooiden gewoon hun wapens neer en renden of galoppeerden weg. Niemand nam de moeite hen te achtervolgen.
    Toen de strijd over was overzag Milo met zijn handen in zijn zij het bloedbad en gebaarde toen naar Birria (een enorme gladiator) en een paar anderen dat ze Clodius uit de herberg moesten ophalen.
    Ik steeg van mijn paard. Ik had geen idee wat er nu zou gebeuren. Ik liep op Milo af. Net op dat moment kwam er een kreet, of eerder een gil, vanuit de herberg en Clodius werd naar buiten gedragen door vier gladiatoren die ieder een arm of been vasthielden. Milo moest een rekensommetje maken: zou hij Clodius laten leven en de gevolgen aanvaarden, of hem doden en de zaak afhandelen? Zij legden hem aan zijn voeten neer op de weg. Milo pakte een speer van de man die naast hem stond, beproefde de punt met de duim, zette hem midden op Clodius’ borst, greep de schacht vast en ramde hem met volle kracht naar binnen. Er spoot bloed uit Clodius’ mond. Daarna hakte iedereen om beurten in op het lichaam, maar ik kon het niet opbrengen te blijven kijken.

Harris, 914.

“En als ik word aangeklaagd,” antwoordde Milo sluw, “verdedig jij me dan?”
    Ik had verwacht dat Cicero zou zeggen dat dat onmogelijk was. Maar hij zuchtte alleen en streek met zijn hand door zijn haar. “Luister naar me, Milo – luister goed. Toen ik in het diepste dal van mijn leven zat zes jaar geleden in Thessalonica
, was jij de enige die me hoop bood. Daarom kun je er gerust op zijn dat ik me niet van je zal afwenden, wat er ook gebeurt. Maar in vredesnaam, laat het ook niet zover komen.”

Het onderzoek leidde tot het moordproces van Milo begin april en Cicero werd verzocht zijn belofte om hem te verdedigen in te lossen. Dat was de enige keer dat ik meemaakte dat hij zwaar leed onder de spanning. Pompeius had het stadscentrum volgepakt met soldaten om de orde te handhaven, maar het effect daarvan was geenszins geruststellend. Ze blokkeerden elke toegang tot het forum en bewaakten de voornaamste openbare gebouwen.

Milo wordt verbannen uit Rome en gaat naar Marseille, waar hij van een rustige oude dag geniet.