vrijdag 13 januari 2023

  

 

Asperger.


“Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere ideale verbeeldingen van een bepaalde levensvorm in een mens verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding, dan in de grote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur.” Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, pag. 181.

Deze passage zette me aan het denken over wat ik nu zoal te weten ben gekomen over de hoofdfiguur in de Klassieke Humor:  Nasreddin, Jeha (en het commentaar), Tijl Uilenspiegel  etc. We komen hem tegen als (nederige) wiskundige in de verhaaltjes rond Thales van Milete. We leren hem als de verteller kennen in de sprookjes van Aesopus. In de nuchtere filosofie heeft de hoofdpersoon trekken van Socrates en de Cynici. In het theater leren we hem beter kennen door Aristofanes, Plautus, Molière, Carlo Goldoni, Hooft en Bredero, allen schrijvers die ook voor het volk wensten te schrijven. In de elitaire literatuur verschijnt hij bij Boccaccio, Rabelais en Geoffrey Chaucer in geschrift en later als verfilming van de Canterbury Tales. In onze tijd komt hij voor bij Cortázar  ( zie ook dit blog); en bij Passolini. In de psychologie heeft hij te maken met Freud en Jung . Vooral in de mystieke theologie speelt hij een rol als Soefi (lees ook het begeleidende verhaal), als dwarsdenker en vernieuwer.


Het beeld dat mij voor ogen komt, is dat van iemand met het syndroom van Asperger, vooral doordat de gebeurtenissen keurig aaneengeregen kunnen worden en er allerlei situaties ontstaan, waaruit de “heilige” Asperger zich dient te redden uit zeer benarde omstandigheden. Het citaat van Huizinga lijkt op onze hoofdpersoon te kunnen slaan. Er lijkt sprake van een soort romantiek om aan de werkelijkheid te willen ontsnappen. En dat kan alleen nog maar in woord: de werkelijkheid zelf verzet zich als een muur tegen het erop losgelaten spervuur van de fantasie.  Of zoals Huizinga het zegt (pag.201): de uitingen van de hoofdpersoon zijn een “ultra-concrete geloofsverbeelding.” Als ooit verhalen het tekort, aanwezig in deze wereld,  hebben proberen te verwoorden, dan zijn het deze humoristische verhaaltjes. En misschien is dat ook de reden, waardoor reizigers in vreemde landen deze verhaaltjes lezen, want zijn reizigers in die landen niet vaak exponenten van het syndroom van Asperger?


Als ik naar de in het verleden behaalde resultaten kijk, zou hieruit een bevestiging moeten blijken, van mijn bewering. Ik noem alleen enkele verhaaltjes met een hoge score tussen de 500 en 1500 hits. Vier blogs springen er dan uit: 1. De geboorte van de reus Gargantua van Rabelais (1059 hits) en De vrolijke thuiskomst van Plautus (1482 hits) . Op deze twee blogs is het stempel “Asperger” zeker van toepassing!  2. Iets minder gelezen, maar voor een verhaaltje in het Nederlands toch nog steeds behoorlijk vaak: De eerste detective van Molière (848 hits)  en Is dit grappig van Flaubert (661 hits) . Opvallend is dat de meest oorspronkelijke versies met Nasreddin, Jeha, of Tijl in de hoofdrol in dit rijtje niet voorkomen. Pas in bewerkte teksten komt deze voorkeur tevoorschijn. Je zou kunnen concluderen: op het moment dat de individuele psychologie zijn intrede doet op het toneel of in de roman, treden de Asperger symptomen aan de dag. Het individu had het in het verleden moeilijk; nu is het individuele het hoofdkenmerk van een op het westen georiënteerde elite. Het lijkt erop dat uit de “heilige” zich de “asperger” ontwikkelde.


Wat zegt dit nou over de schrijvers van deze toneelstukken en romans, over de lezers en over mij? Natuurlijk, noch de lezers noch de schrijvers, noch de vertellers, noch de verzamelaars, hebben op welke manier dan ook het syndroom van Asperger, op een enkeling na natuurlijk. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Waarom dan de vraag stellen? Ik stel de vraag, omdat ik zou willen weten of deze verhaaltjes misschien dit syndroom zouden kunnen verhelderen, toelichten. Je ziet het autisme van de hoofdpersoon (maar het is niet absoluut), je ziet het misverstand met de omgeving, je ziet de hoofdpersoon overreageren. En niet onbelangrijk: het syndroom zou dan zo oud als de wereld zijn! En als je dit eenmaal weet, dan zie je bijna in elk van deze verhaaltjes Asperger om de hoek heen komen kijken. En dat zou toch een beetje “verlichting” moeten brengen?!


Ook in de verhaaltjes van het afgelopen jaar speelt de misinterpretatie van de hoofdpersoon – waaraan hij zelf behoorlijk debet is – een grote rol. U kunt alle stukken met een kort commentaar teruglezen in het Overzicht van 2022.


Wat brengt de toekomst? Net als afgelopen jaar zal ik proberen iedere maand één stukje te plaatsen. Nog steeds heeft het schrijven van de familiegeschiedenis prioriteit op het blog.  Op het programma staat allereerst het verhaal dat Fontaine over Aesopus vertelt. Dat is een lang verhaal en ik zal wel tot Pasen hiermee bezig zijn. Daarna hoop ik een toneelstuk van Bredero en Plautus te bespreken. Ten slotte enige bloemlezingen met Jeha-verhaaltjes. Er is nog zoveel, teveel om op te noemen.

zaterdag 24 december 2022

Kerst

 Kerst 2022.

Rond 1900, honderd tweeëntwintig jaar geleden, kwam de Franse filosoof Henri Bergson  met een verhaal dat onze opvatting van tijd flink aan het wankelen kan brengen. Als jonge man ondervond hij dat op het moment dat we afdalen in onszelf er plotseling helemaal geen sprake meer lijkt te zijn van minuten en uren en weken en maanden.

Als er iemand overlijdt van wie we houden of je gaat scheiden dan kan geen weegschaal wegen hoe zwaar dat verdriet is en geen liniaal kan meten hoeveel tijd we nodig hebben met het verwerken ervan. Het enige wat we merken is hoe we het verdriet beleven.


Nasreddin stelt de Soefi in opleiding (Sufi seeker), volgens Idries Shah,  in staat te begrijpen dat de gangbare manier van denken en de ideeën over tijd en plaats niet noodzakelijkerwijs die ideeën zijn, die het wijdere gebied behelzen van wat echt de werkelijkheid is. Mensen die bijvoorbeeld denken dat zij voor hun vroegere daden (goede werken) zullen worden beloond, en dat zij in de toekomst voor toekomstige acties zullen worden beloond, kunnen geen Soefi zijn. Het tijdsbesef van de Soefi is een aaneenschakeling, een voortduren in de tijd – een continuüm. (1)
Het klassieke verhaal van Nasreddin in een Turks Bad (2) schetst, volgens Idries Shah,  bij benadering wat bedoeld is en stelt ons in staat om het idee enigszins te vatten.


“Nasreddin bracht eens een bezoek aan een Turks Bad. Hij was gekleed in lompen en hij werd nogal lomp aangepakt door de badhuisbedienden. Die gaven hem een versleten handdoek en wat zeep. Toen hij wegging, gaf hij de verbaasde bedienden een gouden muntstuk. De volgende dag verscheen hij weer, dit keer prachtig gekleed, en natuurlijk stonden ze toen allemaal eerbiedig voor hem klaar om hem te helpen. Toen hij klaar was met badderen, gaf hij de bedienden het kleinste koperen muntje dat er maar was. “Dit koperen muntje is voor de eerste keer dat ik hier kwam, en de fooi van de vorige keer is voor jullie behandeling van vandaag.”


Waar gaat dit verhaal over? Gaat het over, wat je na verloop van tijd verwacht te krijgen of over vooroordelen? In eerste instantie heb ik het gehouden op vooroordelen. En ergens in de verte heeft het verhaal ook nog met toekomstverwachtingen te maken, Maar als je dat erin ziet, dan wil je het erin zien, dacht ik. Anderen zouden zeggen‎: het verhaal is gelaagd. Eén laag, de meest oppervlakkige, lijkt te zeggen dat je niet bevooroordeeld zou moeten zijn en open moet staan voor iedereen.  Een tweede laag lijkt erover te gaan, dat de toekomst onvoorspelbaar is. In het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Daar is-t-ie-weer: voorspellen, profeteren en misschien wel profiteren!


De heremiet en zijn bezoek‎  (3).‎ 

“Een reiziger onderbrak zijn reis op een plaats waar een heremiet woonde in een kamertje, in zijn cel. De heremiet bood hem meteen te eten aan: 4 broden maar liefs!  ‏En hij ging linzen halen om het maal te completeren. Bij zijn terugkomst merkte hij dat zijn gast alle broden al had opgegeten. Vlug ging hij op pad om nog meer brood te halen. Bij zijn terugkeer bemerkte hij dat zijn gast ook alle linzen alweer had opgegeten. Dit herhaalde zich tien keer, toen vroeg hij zijn gast:
“Waar ga je naartoe?”
“Ik ga naar Jordanië.”
“Waarom ben je op reis?" informeerde de heremiet.
"Ik heb gehoord dat daar een heel erg competente arts woont. Ik wil hem consulteren over mijn maag, want ik heb de laatste tijd zo weinig appetijt.‏"‏
“Dan wil ik je om een gunst vragen."
"En dat mag zijn...?”
"Als je vandaar terugkomt en je bent genezen van je maagklachten, wil je dan vooral niet weer hier langs komen?


Eigenlijk zitten we hier in hetzelfde schuitje als in het Turkse bad: het gaat over vooroordelen en verwachtingen van de toekomst. Toch ligt het iets anders. De heremiet heeft de gast onbevooroordeeld ontvangen, maar de gast houdt zich niet aan een onuitgesproken verwachting, dat hij beleefd zich zal inhouden bij de maaltijd. Welke gast valt ongegeneerd aan op de maaltijd, als die wordt aangeboden door een in armoede levende heremiet? Ook de heremiet voldoet niet aan een onuitgesproken verwachting, namelijk dat je je gastvrij opstelt voor mensen op reis. Op het einde van het verhaal kan hij er zich niet van weerhouden te zeggen dat hij deze gast nooit meer wil terugzien.


Waar zit dan het verschil met het eerste verhaal? De kracht van het verhaal zit in het gegeven dat de gast zich er niet van bewust is, dat hij de heremiet heeft kaal gegeten. Misschien omdat, wat hij in één maaltijd verstouwt, de heremiet in nog geen week, geen maand of jaar zal opeten. Maar dat weet de gast niet. En de heremiet heeft geen idee van wat de reiziger drijft om zoveel te eten.


Kortom er ontstaat een vervreemdende ruimte tussen beide lotgenoten. Wat is die ruimte, niet gevuld met woorden, beelden, verwachtingen, begrip of onbegrip en zelfs niet met vooroordelen, rekenlinialen of -machines? Die ruimte, leegte, is dat het besef dat tijd ondeelbaar is? Waarom gaat de heremiet er zonder meer vanuit dat de reiziger op de terugweg weer bij hem zal belanden? Alsof tijd kan stil staan, heenweg is terugweg? Er bestaat een weg, maar geen terug of heen?
Het vorige verhaal komt, kort samengevat, neer op de volgende grap van Hebreaus


“Een of andere dwaas zei: “Mijn vader ging twee keer naar Jeruzalem, en daar is hij overleden en begraven, maar ik weet niet meer welke keer dat is geweest, bij zijn eerste of zijn laatste bezoek”.


Geleidelijk aan ontspoort het verhaal van Idries Shah over het badhuis en neemt een afslag naar een onzekere toekomst én verleden! Is dit het indalen in onszelf dat Bergson tot voorwaarde maakt om het voortduren van de tijd als onafgebroken te ervaren? Of is dit een vorm van dementie? De ongewilde geboorte van een onafgebroken tijd? Dit stilstaan in de tijd, dit mediteren, geneest ons van tomeloze dadendrang. Welk verlies is zo groot, dat je in vergetelheid verdwijnt? Misschien is mediteren wel de manier om aan dementie te ontsnappen? We zouden meer moeten mediteren en stilstaan bij wat we doen, denk ik! Met de rug naar het verleden en het gezicht naar de toekomst. In een nu dat geen nu is, altijd op reis. Maar waarom?

zaterdag 17 december 2022

Humorale Theorie

 
In de afgelopen maand heb ik afgemaakt, wat al een tijdje onafgemaakt ligt op mijn plank projectjes die afgehandeld moeten worden. Ik heb in het stuk over de Ezel  een stuk opgenomen over de rol van de ezel in het antieke Egypte. Dat was hard nodig, omdat de rol van ezel in het antieke Egypte een voorbode is voor de status, die hij later zal krijgen toebedeeld: die van (tegendraads) lastdier.


Ik ben vooral bezig geweest met aanvullende informatie over de Humorale Theorie. Er is een stuk opgenomen van Cicero over een droom die een kind van Scipio Africanus, ook Scipio geheten, heeft over zijn toekomst, waarbij hij vanaf de negende sfeer neerkijkt op een bol, de aarde. Verder is er een illustratie aan de Humorale Theorie toegevoegd van hoe een analyse in deze theorie eruit zag. Niet om hem belachelijk te maken, maar om te laten hoe men dacht. Het is een vertaald citaat uit Ibn Khaloun waarbij ook blijkt dat de westerse manier van vertalen van het woord uitgaat, niet van begrip van de tekst. Daardoor heeft men de wiskundige inslag van het stuk gemist en lijkt het als men zich er niet van bewust was dat de Humorale Theorie op de achtergrond speelt bij de interpretatie van ziekteverschijnselen.


En ik heb tekeningen van de veelhoeken van Plato toegevoegd, omdat dit verduidelijkt, hoe ik van de allereerste tekening en de tabel, ertoe ben overgegaan om een verbeelding in de vorm van bollen en vierkanten te maken bij de Humorale Theorie. Steeds meer blijkt, volgens mij, dat mijn reconstructie klopt. Daarmee wordt het ook steeds meer een oefening in het langs andere lijnen beredeneren hoe de wereld volgens toenmalige (wetenschappelijke en antropologische ) opvattingen in elkaar zat.


Ik denk dat het goed is deze teksten te publiceren en te schrijven om aan de banaliteit van het leven te kunnen ontsnappen. Huidige literatuur hamert ons in dat de realiteit super-interessant is. Ik vind een oefening om op eigen verantwoordelijkheid bij tijd en wijle aan de werkelijkheid te ontsnappen van groter belang. Het kost alleen iets meer moeite dan het oplepelen van de banale realiteit. Maar misschien heb ik de werkelijkheid te licht gemaakt en zou er iets meer zwaarwichtige ernst aan moeten worden toegevoegd.


Dat doen we op het eind van het jaar met een volgende aflevering van een Nasreddin verhaal, zoals Idries Shah het ons heeft overgeleverd. 

maandag 7 november 2022

Vrees of angst?

In de vreze des Heeren of heeren?
OF, in de vreze der Daame of daame?

In het leven van Nasreddin duiken bij tijd en wijle schrikbarende heersers op, zoals in dit verhaal (Idries Shah, The sufi’s, pag. 65):


“Ik laat je ophangen,” zei eens een wrede en ongelovige koning tegen Nasreddin, “als je mij niet kunt bewijzen dat je diepere in-zichten (waarnemingen), zoals men die aan jou toeschrijft, hebt!” Nasreddin zei daarop terstond: “Ik zie een gouden vogel in de lucht en demonen in de aarde” (1).
“Hoe doe je dat toch?” vroeg hem de Koning. “Vrees,” antwoordde hem Nasreddin, “dat is alles wat daarvoor nodig is!”


Ik gebruik hier in de vertaling uit het Engels voor “fear” het Nederlandse woordje “vrees”. Wie kent het nog? Ook in de verdere vertaling heb ik een archaïsch taalgebruik. En dat niet zonder reden. De gebruikelijke vertaling voor “fear” is “angst”. Maar er is een groot verschil in betekenis tussen “angst” en “vrees”. “Angst” is een woord dat opgang maakte, nadat de psychoanalyse van Freud was geïntroduceerd. “Angst” kent ieder voor zich, zelfs als iedereen er mee te maken krijgt. Het is een individuele gewaarwording. “Vrees” komt uit de Bijbel en uit de godsdienst. Daarin wordt het onderscheid nog niet gemaakt tussen de vrees voor God en de angst voor het Hoofd van het gezin (familie). Vrees is geen individuele ervaring, zoals angst, maar iets van het collectief, de gemeenschap in zijn totaal. Wij kennen het woord “vrees” niet meer, omdat wij niet meer weten wat een collectief is, een gemeenschap. Een gemeenschap bestaat niet zomaar uit individuen, maar komt voort uit een voorbeschikking, een gedeeld lot.


Over dat lot beschikt blijkbaar een Heer en niet een Dame. Want, als ik in de titel van dit blog het heb over “In de vreze der Daame of daame”,  komt dit meteen humoristisch over, tenminste bij mij. Toch bestaan er in de Klassieke Oudheid wel degelijk vrouwen zoals Hera die men vreesde.  Helden als Anneas waren samen met zijn kameraden bevreesd voor Haar. Zij kenden geen angst, maar vrees om door een enkele foutief te interpreteren handeling een orkaan te oogsten, als er iemand per ongeluk een windje liet. Dat sloeg terug op de hele gemeenschap en niet alleen op de bewuste ongelukkige schetenlater.


Hera was op haar beurt jaloers op de vrouwen die het bed deelden van haar man. De godin Hera was regelmatig terecht jaloers op haar man Zeus, omdat hij weer eens overspelig was met een andere vrouw. Jaloersheid was geen lelijke karaktertrek van Hera, maar een teken van haar strijdvaardigheid om voor een terechte zaak op te komen. Zij hoefde nergens voor te vrezen, omdat ze het Recht van de gemeenschap aan haar zijde had. Ze kon bang, angstig, zijn voor haar onberekenbare echtgenoot, maar ze hoefde hem niet te vrezen, omdat ze aan elkaar gelijkwaardig waren.


“Vrees” is een term uit de theologie. Antwoord en vraag in het verhaal hierboven staan op een lijn. Als ik hier “angst” vertaald zou hebben, zou dat in feite een miscommunicatie tussen de hoofdpersonen betekenen. In het bovenstaande verhaaltje gaat het om een theologische kwestie: heeft Nasreddin een mystieke band met het Opperwezen of niet? In het volgende verhaal wordt er met datzelfde Opperwezen de draak gestoken. En een “gelovige” koning wordt door Nasreddin voor de gek gehouden. De rollen zijn omgekeerd! Dit valt op te maken uit de volgende versie van dit verhaal, vertaald vanuit het Frans (“peur”) en Arabisch  (“xuf”, ألخوف ) uit Jéha, Contes choisis, version triligue, 2016, pag. 121-125):


Waarzeggen.
De koning had horen zeggen dat Jeha bepaalde mystieke talenten had. Daarom nodigde hij hem uit en vroeg hem het volgende:
“Voorspel mij mijn toekomst! Als je daarin niet slaagt, laat ik je ophangen!”
“Ik zie,” zei daarop Jeha, terwijl hij zijn hoofd omhoog richtte en zijn handen ten hemel hief, “ik zie engelen met een kroon op het hoofd van goud en bezet met diamanten voor u in aanbidding neerzijgen, en ik zie adelaars…”
“Maar hoe kun je dat nou allemaal zien, terwijl Wij, Wij niets zien?” vroeg de koning.
“Majesteit, als je maar bang genoeg bent. Angst voldoet!” (2)


Zo’n kleine verschuiving in de tekst van “vrees” naar “angst”, maakt de strekking van de tekst volkomen anders. De tweede tekst verduidelijkt ons nu, wat er in de eerste tekst van Idries Shah ook is bedoeld. Idries Shah schreef de grap op in 1960 en de laatste tekst is uit 2016. Je ziet hoe de tijd de tekst beïnvloedt. Eigenlijk heb je beide teksten nodig om de oorspronkelijke bedoeling te achterhalen. Want dat het om waarzeggen ging, waarbij Nasreddin/Jeha voorspelt wat de koning graag wil horen, was uit de tekst van Idries Shah verdwenen. En uit de laatste tekst is de gedragen dreigende stijl verdwenen, waarin een absoluut heerser wil vaststellen dat hij niet met een charlatan te maken heeft. Beide verhalen zijn onontbeerlijk om de tekst in zijn middeleeuwse context te kunnen plaatsen.


Idries Shah merkt op dat de grap zijn weerslag heeft in het vijfde hoofdstuk van de Don Quichot van Cervantes. Nu staat er in hoofdstuk 4 (Cervantes, Don Quichot, vertaling Barber van de Pol, pag. 51 en 53)  wel iets vergelijkbaars te lezen, maar zeker niet deze tekst. Toch is de verwijzing van belang om de teksten in een historisch context te kunnen plaatsen. In de Middeleeuwen moest je niet vragen naar bewijzen van geloof.


pag 51: “Als ik haar aan u liet zien,” zei Don Quichot hierop, “wat zou dan de verdienste zijn als u zo’n aperte waarheid erkende? Het gaat erom dat u het zonder haar te zien gelooft, erkent, bevestigt, zweert en volhoudt; anders bent u met mij in gevecht, verwaand en verwaten volk….”
pag.53: Een van de meereizende muilezeljongens, die niet erg goedmoedig moet zijn geweest, kon al die aanmatigende taal van de arme gevallene niet verdragen zonder hem het antwoord in de ribben te splitsen. Dus ging hij naar hem toe, pakte de lans, brak het ding in stukken en begon met één ervan onze Don Quichot zo druk te bewerken, dat hij hem ondanks zijn wapenrusting tot moes sloeg.” (3)


De “haar” op pagina 51 is de “verblindend schone Dulcinea”, de aanbedene van Don Quichot, die net als alle ridders een vrouw heeft om hem tot zijn daden te inspireren. Behalve Hera was ook de godin van de liefde Venus (of Aphrodite)  zo’n godin waaraan je niet zonder vrees voorbij kon gaan. In “De Gouden Ezel” van Apuleius staat het verhaal over Venus om haar zoon Amor uit de armen van zijn geliefde Psyche te houden. Dulcinea is de Psyche, de gefantaseerde inspirerende geliefde, van Don Quichot. En je moet in haar geloven zonder haar te zien! En niet om bewijzen vragen.


En hier komt iets fantastisch om de hoek kijken: middeleeuwse Schoonheid was niet individueel. Voor de Middeleeuwen was het de door God geïnspireerde kunstenaar die iets maakte waaraan iedereen op zijn beurt weer inspiratie kon ontlenen. Vrees maakte dat je zó naar iets kon kijken, dat je overweldigd werd door de hemelse genade als collectief.


In mijn eerdere blog vertelde ik over een vergelijkbare ervaring, toen ik de Camposanto in Pisa binnenliep en het overweldigende werk van Buenamico Buffalmacco zag. Het leek op wat je op z’n bijbels zou kunnen aanduiden met “het verheffen van je hart”: mijn  hart sloeg eenmaal een slag over, ik hapte naar adem. Echte Schoonheid kun je delen met anderen, de vrees voorkomt dat je te dichtbij komt: je moet het geloven en delen met anderen zonder het alleen voor jezelf te (kunnen) houden. Bordjes om afstand te houden waren niet nodig. Zo’n moment noemen Soefi’s: verlichting. Ineens is er het inzicht in een diepere waarheid, lijkt het. En vrees is een motor waarop de ziel vleugeltjes krijgt.


Op pagina 53 komen we dan de muilezeljongens tegen, de ezeldrijvers die in deze grappen van Nasreddin en Jeha zo’n grote rol spelen. Ik wist het niet, maar zo’n jongen heet in het Spaans van Cervantes een “mula” (2) , en onze held Nasreddin heeft voor zijn naam “mulla” staan, hetzelfde woord maar met een “l” meer! Is Nasreddin nu een geestelijk voorganger of eigenlijk een muilezeldrijver? En hoe zit
het met Jezus, de geestelijk voorganger die op een ezel op Palmzondag Jeruzalem komt binnen rijden? Zie onder het hoofdje: “De Romeinse ezel” in De Ezel. Gustave Doré maakt bij deze scène een tekening, waardoor je nog meer in je idee gesterkt wordt dat hieraan een Nasreddin/Jeha verhaal ten grondslag ligt. Wie zien we hier, zoals Nasreddin gewoonlijk doet, achterstevoren op een ezel zitten? Don Quichot!? Maar hij wordt wél gestraft en Nasreddin/Jéha in dit verhaal niet!
Huizinga zegt het zó en plaatst daarmee de grap van Idries Shah precies in het tijdsgewricht, waarin het thuis hoort (Herfsttij der Middeleeuwen, pag 136)


“Wat is er over van al die menselijke schoonheid en heerlijkheid? Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg om de behoefte aan scherpe huivering voor de dood te bevredigen. Dus houdt de tijd zich de spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, de vergankelijkheid op korte termijn…….”


De Middeleeuwen: een tijd vol vrees en schoonheid. En gek genoeg, die tijd heeft iets met onze tijd te maken, met die mensen die zich vastlijmen aan kunstwerken! 

zondag 16 oktober 2022

 Idries Shah: Nasreddin


Ik kende deze passage uit de Legende van Nasreddin Hodja nog niet. Idries Shah geeft ook niet aan, hoe hij eraan is gekomen. Volgens hem weet Nasreddin zijn doel te bereiken door op een geheel eigen wijze gebruik te maken van “onze intellectuele schering en inslag” (fabric). Een echo van deze wel overwogen opzet kan je vinden in de Legende van Nasreddin . Hierin wordt, volgens Idries Shah, verteld dat Hussein, de stichter van de (Soefi-) school, Nasreddin uit de grijpgrage handen van de Ouwe Schurk wist te redden, toen Hussein hem ertoe voorbestemde zijn Boodschapper (voorspreker, profeet, verbindingsfiguur tussen god en de mensen) te worden. Met de Ouwe Schurk wordt bedoeld het grofmazige denken over de werkelijkheid zoals wij bijna allemaal doen. “Hussein” is in het Arabisch geassocieerd met het concept Deugd; de Ouwe Schurk doet denken aan de personificatie van de Ondeugd, de duivel.  Ook de trickster van de Winnebago zou je een Ouwe Schurk kunnen noemen, omdat hij de anderen steeds “jongere broeders” noemt.


Toen Hussein de hele wereld had afgezocht naar een leraar, die zijn boodschap aan de volgende generaties kon doorgeven, was hij bijna ten einde raad, toen hij ineens rumoer hoorde. De Ouwe Schurk berispte een van zijn leerlingen voor het vertellen van grappen. “Nasreddin,” donderde de Schurk, ”omdat jij je zo oneerbiedig gedraagt, veroordeel ik je ertoe dat overal in de hele wereld de mensen je voor belachelijk zullen houden. Daarom, als één van jouw absurde grappen wordt verteld, zullen er direct telkens nog zes andere van die grappen worden verteld, totdat je duidelijk zult inzien dat je voor gek staat.”(1)


Scepticisme over metafysische verschijnselen beperkt zich, volgens Idries Shah, geenszins tot het Westen. In het Oosten is het niet ongebruikelijk dat mensen zeggen dat zij het gevoel hebben dat deelnemers (“discipleship”) aan een mystieke leerweg hun onafhankelijkheid zullen verliezen (“will deprive them of”), of hen van iets anders zal beroven (als een trickster). Zulke mensen worden door Soefi’s genegeerd, omdat zij nog niet het stadium hebben bereikt, waarin zij zich realiseren dat ze gevangene zijn van de ergst mogelijke tirannie (die van de Oude Schurk), wat in geen opzicht te vergelijken is met de tirannie van een mystieke leerweg. 
Het opvoeren van de Ouwe Schurk doet mij denken aan de trickster uit de Indianenculturen van Noord Amerika. Hierin wordt de trickster vaak genoemd (The Trickster, 1956, pag. 20, noot 44: zie literatuurlijst) : “First-born ”, de Eerst Geborene, m.a.w. de Oudste (schurk). Hetzelfde gegeven komt terug in De Vogels van Aristophanes, als hij het heeft over de Vader van de Kuifleeuwerik, die leefde toen er nog geen aarde was en daarom in de kuif van de leeuwerik moest worden begraven . Maar zoals we in het verhaal van Rodenko over de Muilenlapper  hebben kunnen vaststellen, is de Trickster nog springlevend. Je zou de interpretatie van Idries Shah van de Nasreddin verhalen een optimistische en positieve invalshoek kunnen noemen. En mijn interpretatie van in wezen hetzelfde fenomeen, een pessimistische, negatief cynische.


De grappen hebben direct te maken met ons gebrek aan intuïtieve vermogens (Inleiding) , volgens Idries Shah. De afwezigheid van het gebruikmaken van intuïtie door de mensheid in ’t algemeen brengt, een bijna hopeloze situatie met zich mee. En veel Nasreddin verhaaltjes leggen daar de nadruk op.
Nasreddin speelt de rol van de ongevoelige, doodgewone derwisj in het verhaaltje over de zak met rijst:


Op een dag kreeg hij een meningsverschil met de overste van het
klooster, waar hij verbleef. Even daarna was er ineens een zak met rijst weg. De overste beval iedereen zich in een rij op te stellen op de binnenplaats. Daarop vertelde hij dat in de baard van de man die de zak met rijst had gestolen, wel een paar rijstkorrels zouden zitten.
"Dat is een oude truc om degene die schuldig is onwillekeurig ertoe te bewegen naar zijn baard te grijpen,” dacht de echte dief en bleef onbewogen stilstaan.
Nasreddin dacht echter: “De overste is erop uit om zich op mij te wreken. Hij heeft vast en zeker wat korrels rijst in mijn baard gestopt!” En hij probeerde de rijstkorrels eruit te verwijderen, door onopvallend liefkozend zijn vingers door zijn lange baard te halen alsof hij ergens diep over nadacht.
Toen hij dat deed, merkte hij dat iedereen naar hem keek. 
"Ik wist het, dat links om of rechts om, vroeger of later, hij mij te pakken zou nemen,” zei daarop Nasreddin. (2)


Wat sommige mensen een voorgevoel noemen, is vaak in werkelijkheid het gevolg van een neurose en inbeelding (suggestie).
Er bestaan verschillende variaties op deze versie die ik overigens weer niet kende. De eerste hieronder staande versie heb ik eerder in verband gebracht met klassenongelijkheid (Klassieke Humor & zijn Schaduw, 2014, pag. 35): “Nasreddin als een echte “socialist” probeert wat te doen aan de inkomensongelijkheid…” Als deze verhaaltjes betrekking hebben op intuïtie, dan zou je kunnen concluderen dat ons gevoel voor onrechtvaardigheid is aangeboren. Een “normaal” mens voelt aan zijn water, wanneer hij/zij iemand onrechtvaardig behandelt of als iemand hem/haar onrechtvaardig behandelt. Van dit gevoel kun je vervreemd raken, als je al eeuwen in rijkdom of armoe hebt geleefd (Abderrachid Abdessemed, Jéha, contes choisis, version trilingue, 2016, pag. 181/185).

Idioot.

Op een dag gaat Jeha met een zak tarwe naar de molen om er meel van te laten malen. Hij zet zijn zak ergens neer om zijn beurt af te wachten. Terwijl de anderen in beslag worden genomen door onderling te redetwisten, begint Jeha handje voor handje tarwe uit de ene zak in een andere zak, de zijne, te doen. Plotseling wordt hij op heterdaad betrapt door de molenaar -- zijn hand nog in de zak van een ander--  vraagt die hem:
-- Wat ben je nu toch aan het doen, Jeha? Schaam je je dan niet?
-- Neem het me niet kwalijk. Je weet toch dat ik een idioot ben en ik heb me in de zak vergist.
-- Als je dan echt een idioot bent, waarom doe je dan niet het omgekeerde en doe je jouw graan in de zakken van de anderen? antwoordt de molenaar.
-- Oké, ik mag dan wel een idioot zijn, zei daarop Jeha, maar zo idioot ben ik nou ook weer niet dat ik mijn eigen zak niet meer zou herkennen als die van mij!(3)


In het vervolg op dit verhaal weet hij niet meer wie hij is, en denkt hij de molenaar te zijn. Een variatie hierop is te vinden op mijn webside, Grappen van Vroeger: Wie ben ik? Maar natuurlijk kan je dit gedrag ook houden voor dat van een dommerik . Op een van mijn blogs heb ik er een theologische en psychologische uitleg aan gegeven (naar beneden scrollen). Uit deze variaties valt goed het verschil van invalshoek op een- en hetzelfde gegeven op te maken. Ze zijn door de eeuwen heen ontstaan en vertellen ons hard en duidelijk iets over onze intuïtie voor recht en onrecht.