vrijdag 10 september 2021

Het verhaal van de Non.

Dit is het laatste en naar mijn smaak het mooiste en meest geslaagde verhaal in de serie van de Canterbury Tales.
 
Klik hier voor een Inleiding, commentaar en originele teksten .


Hier begint het verhaal verteld door de Non in dienst van een priester over een Haan en een Kip, Canteclaer en Perteloto, de één helder van stem en de ander altijd onverbloemd beschikbaar (1).

Een arme weduwe woonde lang geleden in een klein dorpje in een dal met naast haar huis een weitje. Over deze weduwe ga ik u een verhaal vertellen. Zij leidde een heel rustig, eenvoudig leventje, na de droevige dag waarop haar echtgenoot overleed. Zij had geen groot vermogen of opbrengsten van uitstaande leningen. Toch wist ze zich goed te redden en waren zij en haar twee dochters tevreden met wat God haar bereidde. Zij had drie flinke zeugen –niet meer-- , evenals drie koeien, en ook nog een schaap met de naam Molly. (2)


Zij had een binnenplaats omzoomd door een hek van stokken en een droog slootje. Hier hield ze een haan, die in het hele land zijn gelijke niet kende als het ging om kraaien. Zijn kraaien was vrolijker dan het pijpen van het orgel zondags in de kerk. Zijn kraaien hield beter de tijd bij dan het slaan van de kerkklok of het luiden van de abdij-bel. Het verstrijken van de tijd was hem van nature ingegeven bij het voortschrijden van de zon langs de hemelbaan. Ieder uur als de zonnestand 15 graden opschoof, kraaide hij zo mooi dat er echt niets aan viel op te merken. Zijn kam was roder dan het fijnste koraal, groot en gekarteld als dat van een kasteelmuur. Zijn snavel was zwart en glom als een glimmende waterkraan. Zijn poten leken wel azuurblauw; zij rustten op azuren voetstukken met hagelwitte nagels als de bloembladen van de lelie. En dan zijn veren vlammend goud van kleur. Deze haan had onder zijn hoede zeven kippen (3), alle alleen maar om hem te plezieren. Ze waren zijn zusjes en zijn bijzitten, en net als hij, strak in de veren in alle opzichten. Die bevallige daar met die schattigste keelkleuren heette Juffrouw Perteloto. Zij was hoffelijk, hoofs, discreet en leuk. En niet te vergeten een echte kameraad: al vanaf haar zevende jaar had ze een speciaal plekje in het hart van Canteclear. Elke vezel van zijn lijf hield ze op scherp. Oh wat prees zij zich gelukkig met zijn liefde. En het was zo’n vreugde hem te horen zingen en als de zon hoger en hoger aan de hemel klom, leek zij de zoete akkoorden te horen van een lied: “Mijn lief is ver weg naar gindere gronden…..” –Want als ik het goed begrepen heb konden in die dagen lang geleden vogels en dieren spreken en zingen. (4)

 En zo gebeurde het eens In de vroege ochtend, toen Canteclear en Perteloto en alle andere wijfjes in de gang van de weduwe op stok zaten –Canteclear en Perteloto dicht tegen elkaar geschurkt—dat Canteclaer begon te kreunen en te kuchen, zoals iemand doet als een enge droom hem kwelt. En Perteloto die hem hoorde kreunen en schreeuwen, schrok zich een hoedje en zei:
“Oh dierbaar hart, wat zit je zo dwars, dat je zo moet kreunen? Noem je dat nog slapen? Schaam je!”
En hij antwoordde haar:
“Mejuffrouw, neem alsjeblieft geen aanstoot aan het lawaai dat ik maak. Ik droomde zo eng dat ik wel moest schreeuwen. Mijn hart is uit angst nog steeds zo van slag dat het vlugger klopt dan goed is. Dat God mij bijstaat om alles weer op de rails te krijgen en ons allen beschermt tegen het kwaad en voorkomt dat ik er mijn vege lijf bij inschiet. In mijn droom scharrelde ik wat heen en weer in de kippenren, onze binnenplaats, toen ik ineens een beest gewaar werd, een soort hond die mij pakte of althans mij probeerde te pakken te krijgen….om mij dood te maken. Zijn kleur was iets tussen geel en rood met uitzondering van zijn zwierige staart, die net als zijn oren oppervlakkig afgezet leek met zwart-grijzig pluizig sabelbont: hij was een roodbruine rekel. Hij had een spitse snuit en in zijn ogen twinkelden heldere spotlichtjes. Alles bij elkaar was dit genoeg om iemand ter plekke van angst een beroerte te bezorgen. Dat moet het geweest zijn dat mij deed kreunen en grommen.”
“Foei,” zei zij, “ben jij nou een man? Jij, grote schijtluis! Mijn god nog aan toe, wat ben jij een lafaard! Jij bent mijn liefde niet waard! Jij hebt mijn respect verspeeld. Ik kan niet van een lafaard houden, hoe je het ook wendt of keert. Wij vrouwen wensen ons een man hard als staal, waar je van op aan kunt, ongebonden in zijn doen en laten, beschermend, discreet, niet geniepig, geen dwaas die schrikt van iets onbenulligs. Hoe haal je je in je hoofd mij jouw liefje, te vertellen dat je ergens van bent geschrokken! Schaam je! Heb je dan geen mannenhart? Draag je dan geen baard? Helaas! Weet je niet dat dromen bedrog zijn? Dromen is ijdelheid en komt voort uit een teveel aan buikgassen [(5) 1 , 2, 3] die strijd leveren met andere gassen, waarvan er bovenmate veel zich in je opgezwollen buik verdringen. Ongetwijfeld komt dat rooie in je droom voort uit de overtolligheid aan gassen in je buik. En het gele komt van de gele gal, waardoor je geprikkelde bloed zich opstuwt en cholerisch [(5)  4.] wordt. Dat maakt een mens bang dat er pijlen op hem worden afgeschoten en het vlammende vuur hem na aan de schenen wordt gelegd. Maar ook angst voor beesten die je willen bijten, oproept. Ook angst voor seks en voor grote en kleine kinderjes! Precies zoals het is als iemand melancholisch is [(5)  5.]. Ook dat veroorzaakt dat mensen in hun slaap schreeuwen uit angst voor zwarte beren of zwarte stieren die hun bedreigen. Ook komt het voor dat ze bang zijn dat de duivel hen komt halen om met hem naar de hel af te dalen. En er zijn nog andere gassen waarvan ik weet dat ze een slapende man kunnen komen kwellen. Maar daar wil ik nu maar vluchtigjes aan voorbij gaan.” (6)  

“Madam,” zei hij, “ik heb diep respect voor je kennis van de natuurlijke wetten. Maar zonder Cato en al die anderen te willen tegenspreken, die om hun diepgaande kennis bekend staan en die het met u eens zijn dat je niet teveel aandacht aan je dromen moet besteden, wil ik erop wijzen dat in andere oude boeken van autoriteiten op dat gebied, geloof mij nou maar, beter onderlegd dan Cato, precies het omgekeerde staat geschreven. (7)

Laten we het nu eens over iets leuks hebben en ophouden met bekvechten. Madam Perteloto, --laat Gods zegen over mij komen—van één ding ben ik zeker, dat ik het geluk ken uw wonderschoon gelaat te mogen aanschouwen, dat zo prachtig scharlaken rood is rond de ogen. Alle schrik en angst wijkt, als ik mij mijn levensprincipe te binnenbreng: Mulier est hominus confusio (wat uit het Latijn vertaald zoveel wil zeggen als “De vrouw is een vreugde en zegen voor de man”) (8) Want als ik ’s nachts je verenvacht zo zachtjes naast mij voel, ook al kan ik natuurlijk op dat moment niet eventjes een ritje op je maken (9), omdat de te krappe stok zich daartoe niet leent, helaas, word ik vervuld van vreugde en troost. Dat is genoeg om elke angst die een droom in mij heeft gewekt, te verjagen!”
En nadat hij dat had gezegd, vloog hij van het kippenrek af, want het was al dag, en alle kippen volgden zijn voorbeeld. En met een "chuck" (10) riep hij de kippen bijeen, want hij had wat graan gevonden in de kippenren. Hij was royaal en niet meer bang. Hij showde zijn kunnen door met zijn veren te schudden staand vlak voor Perteloto om haar daarop wel twintig keer te bestijgen, op en af, in vreugde klapperend met zijn vleugels, de nek gebogen, nog vóór het zes uur was (11). Hij zag er uit als een grimmige leeuw, omdat hij op en neer deinde op zijn tenen als klauwen, wat ermee te maken had dat hij eigenlijk niet meer van haar af durfde te komen. En telkens als hij graan vond, gaf hij een chuck, en van alle kanten kwamen zijn kippetjes aangerend. Zóals een prins die zijn straatje schoon veegt, laten we Canteclear achter druk in de weer iedereen van eten te voorzien, om ons verhaal voort te zetten met het avontuur dat op het punt staat te beginnen.(12)


Een zwartachtige vos met een sluwe neiging tot het kwaad, die al drie jaar lang in de bossen in de omgeving had lopen broeden op een fantastisch plan, ging er die nacht toe over om door een gat in het hek van stokken het erf van de weduwe binnen te dringen. In de kippenren van dat erf was Canteclear gewoon in gezelschap van zijn dames rond te paraderen. De vos ging liggen in de groentetuin in een bed winterwortelen met hoog groen loof, doodstil, tot een groot deel van de dag was verstreken. Hij wachtte het geschikte moment af om Canteclear te pakken te krijgen, zoals al die moordenaars doen die opgeruimd luchtigjes liggen wachten op het geschikte moment om mensen om het leven te brengen. Oh valse moordenaar, loerend vanuit je uitvalsbasis.(13)

Mejuffrouw Perteloto was vrolijk aan het poedelen in haar zandbadje. Haar zusters scharrelden om haar heen, badend in de zon. En Canteclear zong er al improviserend op los, nog vrolijker dan een zeemeermin (volgens de Physiologus bestaat er zoiets als een zeemeermin en in dat boek wordt benadrukt hoe goed en mooi meerminnen  kunnen zingen). En zo kwam het, dat toen hij eens in het rond keek om een vlinder te vangen, zijn blik viel op het bed wortelen in de groentetuin, waar de vos zich plat tegen de grond gedrukt verscholen hield. Hij bleef halverwege een breed uitgehaalde kraai steken, alles wat hij nog zei was: “Kok .. cok … shock .. chick …. schrik” Zijn stem schoot schriel uit zoals dat iemand overkomt, die ergens plotseling van schrikt. Van nature is een dier geneigd tot vluchten, zo gauw hij een vijand gewaar wordt, zelfs als ze elkaar helemaal niet kennen.

Ook Canteclear zou op de vlucht zijn geslagen, --maar hij bleef als aan de grond genageld staan, waar hij stond, omdat zijn hart het bijna begaf. De vos maakte vlug van de gelegenheid gebruik en zei: “Meneertje! Waarom ervandoor gaan? Bent u soms bang voor mij? Als ik echt een vijand van u ben, dan zou ik van plan zijn u iets aan te doen of misschien wel een misdrijf begaan. Maar ik ben hier niet gekomen om u daarom te beloeren. Echt waar, ik ben hier gekomen voor iets heel anders. Ik ben hier tussen de wortels gaan liggen om naar uw zingen te luisteren. U hebt een geweldige stem, en zo zuiver! Alleen de engelen in het hemelrijk zijn door God met zo’n vrolijk zangtalent begiftigd. U zou zo mee kunnen doen aan de Voice of Holland (14). En dan beschikt u ook nog over een muzikaal gehoor van Boëthius-kwaliteit, en hij, Boëthius had er verstand van. En u heeft het niet van een vreemde! Ook uw vader –God hebbe zijn ziel—, maar vooral uw moeder, die kon er ook wat van: welk een beheersing over haar nooit nalatende heldere stem, ongelooflijk! Thuis kon ik haar van verre horen, tot mijn groot genoegen. Ja, ook vrouwen kunnen kraaien, als ze maar willen! En nu U, u kunt er ook wat van. Ik ben zo gezegend naar u allen te hebben mogen luisteren. Want als puntje bij paaltje komt, moet ik dit kwijt (maar ik kan het natuurlijk helemaal mis hebben) dat er nog nooit iemand ’s ochtends vroeg zo mooi voor mij heeft gezongen als je alom gerespecteerde Vader! Alles wat hij zong, leek wel direct uit zijn hart op te wellen. En wat beheerste hij zijn stem! Om zich goed te concentreren hield hij zijn ogen helemaal dichtgeknepen –dan een pasje hier en daar—de heerlijke slanke nek gestrekt, de fijn gevormde snavel! Er was niemand die in zijn schaduw kon staan in zangtechniek, of net zo goed kon zingen als hij. Tot op de dag van vandaag is dat niet meer vertoond. Ik ken een verhaal over de ezel Burnel, Burnel the ass,  waarin een haan voorkomt waarvan een poot in zijn jeugd door de zoon van een priester kreupel was getrapt. En hierdoor verloor zijn vader zijn aanstelling in die kerkgemeente en de torenhaan verloor zijn glans en sloeg groen uit (14). Maar er is natuurlijk niet in de verste verte enige schijn van overeenkomst met het doen en laten van Uw vader, zo subtiel als die was en zo discreet, zo wijs. Oh please, alstUblieft, zou u uw bezwaren opzij willen zetten en zo goed willen zijn een liedje voor mij te zingen? Ik wil weleens weten wie van u beiden, uw vader of U, beter kan zingen!?”

Canteclear begon van vreugde met zijn vleugels te klapperen, hij vergat alles, en rook geen onraad meer. Helaas, mijne heren, zo staan de zaken! Pluimenstrijkerij en gevlei vult uw hoven met zoetgevooisde stemmen: dat is voorwaar plezieriger om te horen dan iemand die in ernst u de waarheid zegt. Lees wat de Ecclesiasticus (15) over vleiers te zeggen heeft: Pas op voor vleierij! Canteclear ging toen rechtop staan, borst vooruit, op de puntjes van zijn tenen, strekte zijn nek, en hield zijn ogen stijf dicht en begon luid te kraaien, terwijl het er helemaal nog niet de tijd voor was. En die vieze Reinhaert de Vos stortte zich op de haan, pakte hem bij zijn nek, en gooide Canteclear met een fluks gebaar op zijn rug, en zette er de sokken in naar het bos, toen er nog niemand was die de achtervolging inzette. (16)

Inderdaad, nog nooit werd een schreeuw van verdriet gehoord, zo heftig als geslaakt door de Trojaanse vrouwen bij de val van het hoog ommuurde Troje. Toen Ilium viel en Pyrrhus Priamus, hun koning en heer,  bij zijn baard greep en met zijn zwaard een einde aan zijn leven maakte zoals in de Aeneas staat te lezen. Maar die kippen, die kakelden en schreeuwden, kreten uit angst harder, toen ze zagen wat er met Canteclear gebeurde. En baas boven baas was Perteloto, die luider van zich liet horen dan de vrouw van Hasdrubal bij de inname door de Romeinen van het in de brand gestoken Carthago. (17)

Laten we de draad van het verhaal oppakken, waar we waren gebleven. Deze gezegende weduwe met haar twee dochters hoorden het lawaai en gekakel buiten van de kippen. Hals over kop renden ze naar buiten om te zien wat er aan de hand was. Zij waren net op tijd om de vos te zien wegrennen naar de bosrand met op zijn schouders Canteclear, slap als een doek. En ze schreeuwden: “Kijk, kijk, help, genade, zie dat toch eens! Houd de dief, het is een vos, pak h’m!“ en ze gingen hem achterna, met een stok in de hand. Anderen, gealarmeerd, sloten zich bij hen aan. Onze hond holde er staartzwiepend op af, in gezelschap van Talbot, Bran en Shaggy. En Maggie had nog haar spinrokken in de hand, toen ze de achtervolging inzette, zo van slag was ze door het optreden van de vos. De koe kreeg het op haar heupen, en zelfs de varkens stoven knorrend alle kanten op, omdat ze de schrik te pakken kregen door al dat blaffen van de honden. Mannen en vrouwen schreeuwden door elkaar heen, je hoorde ze vloeken en tieren. Ze renden zich de longen uit het lijf, hun hart klopte zo hard dat ze bang waren dat het zou klappen. Ze gilden als wilde duivels in de hel, eenden in de sloot kwakend en fladderend om aan de slacht te ontkomen. De gans vloog de bomen in en uit de bijenkorf kwam een dikke zwerm zoemende bijen. Het lawaai dat ze maakten, was verschrikkelijk, het einde der dagen leek nabij. Dat Gods zegen over allen mag komen (benedicite). Jack Straw (18) en zijn bende in hun verhitte vechtpartijen maakten nog niet half zoveel helskabaal, toen ze de jonge Vlamingen ombrachten, als de jacht op de vos aan klankkleur en geschreeuw losmaakte. Ze pakten er hun trompetten bij, gemaakt van koper en hout, van hoorn en been, en daarmee tetterden ze, toeterden ze, en bliezen ze zo hard ze konden dat het leek op fluiten, begeleid door geschreeuw en gejammer, dat je zou denken dat de hemelen uit de hemel zouden komen vallen.

En nu, beste mensen, let op! Zie hoe juffrouw Fortuin vlug van kant kan verwisselen en haar vijand van alle hoop en eer kan beroven. De haan die slapjes op de rug van de vos mee bungelde vol angst voor wat hem te gebeuren stond, slaagde erin nog een laatste kuch uit te brengen: “kuukulikuuk….” En hij zei: “Vos, als ik jou was, dan zou ik me omkeren naar de meute die achter je aan zit, en schreeuwen: Hou toch eens op jullie eerzuchtige dommeriken (proude cherles). God weet dat het geen zin meer heeft. Ik zal de Pest op jullie afsturen! Nu ik zo ver ben gekomen, is er geen helpen meer aan, de haan is van de baan: hij is van mij! Ik zal eens lekker van hem gaan smullen, wat je ook doet.”

De vos antwoordde: “Verrek, dat is een goed idee, dat ga ik doen!” Hij opende zijn bek, toen hij sprak, en fluks trok de haan zijn nek terug uit de bek van de vos. Hij vloog meteen hoog in de boomtoppen. Toen de vos zag, waar de haan zat, schreeuwde hij: “Helaas, helaas, mij Canteclear, ik heb je niet goed behandeld, heb je onrecht aangedaan. Ik zal je wel angst aangejaagd hebben. Ik heb je te hard bij de vlerken gepakt, toen ik je eenmaal bij de nek beet had en je meenam uit de kippenren op het boerenerf. Maar ik bedoelde het goed, ik wilde je geen pijn doen. Wees nou niet zo beledigd en gekrenkt in je eer. Kom naar beneden, en ik zal je uitleggen wat ik wilde doen. Zo helpe mij God, ik vertel je de waarheid! Ik zweer het je onder ede.”
“Nee,” zei de haan, “loop naar de verdommenis. Dacht je nou echt dat ik zo’n stommerik ben, dat ik er nog weer eens intrap? Nooit zal ik nog eens naar jouw vleiende woorden luisteren. Jij kunt mij met je praatjes aan het huilen brengen. Maar God schrapt hen uit zijn levensboek die een oogje dichtdrukken in plaats van eens beter toe te zien.”
“Inderdaad,” zei de vos, “Zijn plagen kome over hen die kletsen, als ze er beter aan zouden doen hun bek te houden.” (19)
 

dinsdag 10 augustus 2021

 Het verhaal van de Man van de Wet (deel 2)

 

Zij was zwanger van een jongetje. Híj, Alla, moest het kind en zijn vrouw toevertrouwen aan de opperbevelhebber én een bisschop, omdat hij weer eens tegen Schotland ten strijde moest trekken. Constance bleef zachtmoedig en onderdanig op haar kamer, omdat het kind haar zwaar woog in haar hoogzwangere buik; ze wachtte geduldig het moment af dat Christus voor haar beschikt had om te bevallen.

 

Toen haar tijd was gekomen, kreeg ze een jongetje. Hij werd Maurits (1) gedoopt. De opperbevelhebber liet een boodschapper komen, en schreef zijn koning dat iedereen zich verheugde over de geboorte van het kind, en nog andere dingen die niet wachten konden. De boodschapper nam de brief en ging op pad.

 

Deze boodschapper hield er een dubbele agenda op na. Hij reed rechtsreeks naar de moeder van de koning (2) en groette haar in zijn eigen taal: “Madam,” zei hij, “U mag zich verheugen, verblijden en duizendmaal God danken: uw schoondochter, mevrouw de koningin, heeft een kind ter wereld gebracht, een jongen, wat ongetwijfeld zal strekken tot grotere glorie van deze regering.

Kijk, hier is de verzegelde brief met dit bericht die ik zo vlug mogelijk bij de koning moet afleveren. Als U er iets aan wilt toevoegen: ik sta geheel tot uwer beschikking, dag en nacht!” Donegilde (3) antwoordde: “Alles op z’n tijd: nu niet, dus! Je kunt hier overnachten en uitrusten. Morgen weet ik wat ik wil doen.”

 

De boodschapper liet zich vollopen met wijn en bier. En toen hij eenmaal in slaap gevallen was en geen pap meer kon zeggen, werden hem de brieven ontstolen uit zijn tas. Een andere, slim in elkaar geflanste brief kwam ervoor in de plaats. Heel knap opgesteld en direct gericht aan koning Alla alsof hij door de opperbevelhebber zelf was gestuurd.


De inhoud van de brief: “De koningin is bevallen van een verschrikkelijk duivels schepsel, zodat de kasteelbewoners alleen al huiveren bij het ernaar kijken. Ze kunnen de aanblik niet verdragen. Het is duidelijk dat zijn moeder een trol (heks) is, daar is iedereen het over eens. Een dwalende toverkol vol tovenarij en magie. Niemand kan haar gezelschap verdragen.”

 

Groot was het verdriet van de koning. Met niemand had hij het over de ellende die over hem was gekomen. In zijn eigen handschrift antwoordde hij: “Het woord Gods is mij een baken, nu ik kennis heb genomen van zijn Wetten! Heer, U mag met mij doen naar uw wil. Heel mijn leven plaats ik onder uw gezag.

 

En hij schreef terug aan de opperbevelhebber:

“Laat dit kind leven, of het er nu goed of slecht uitziet, hoe het er ook aan toe is, totdat ik thuis kom. Zorg goed voor mijn vrouw. Christus zal, als Hij wil, mij met een erfgenaam zegenen. Later, misschien eentje die mij meer zal bevallen dan deze eersteling.” Hij zegelde deze brief met zijn zegel, wenend in afzondering. De boodschapper reed terug met deze boodschap. Meer valt er hierover niet te vertellen. (4)

 

De boodschapper verliet de koning en opnieuw passeerde hij het hof van de koninginmoeder om er de nacht door te brengen. Zij onthaalde de boodschapper met open armen, en kwam hem in alles tegemoet. Hij dronk stevig door, en deed de broekriem losser en losser, zodat de enveloppen in zijn tas voor het grijpen lagen. Hij sliep en snurkte erop los de hele nacht door tot de opkomst van de zon.

En weer stal zij de brieven, en wat ze er deze keer van maakte, komt op het volgende neer: ”Koning Alla vraagt de opperbevelhebber op straffe van de strop het volgende te doen. De koning zweert dat hij niet de aanwezigheid van Constance in zijn rijk langer kan verdragen. Ze kreeg drie dagen de tijd om op de vierde dag bij vloed als het getij voor een kwart is verstreken, te vertrekken.

En zij zou in hetzelfde bootje (5) worden gezet als dat waarin zij was aangespoeld. En zó moest ze het ruime sop kiezen in haar oude bekende tobbe, zij en haar zoon, met alles wat van haar was. En draag haar op, nooit meer voet aan wal in onze contreien te zetten.” O mijn Constance, als een ander dit te horen zou krijgen, zou hij of zij de geest geven. In je dromen zullen deze gedachten rondspoken, vol vrees. En dit alles heeft Donegilde op haar geweten.

De boodschapper sloeg de kortste weg in, toen hij eenmaal wakker was, naar het kasteel van Constance. Hij gaf te goeder trouw de brief aan de opperbevelhebber. En toen de inhoud van de brief tot de opperbevelhebber doordrong, kon hij alleen nog uitbrengen: “Helaas, helaas!” en “Wee, oh wee!” “Here Christus nog aan toe,” zei hij, “hoe kan deze wereld blijven bestaan, als ze zo vol is van zondaars die doodzonden begaan?”

Oh machtige God, is dit het dat U wilt laten gebeuren? Hoe kunt U toestaan dat onschuldig bloed wordt vergoten? En dat de slechteriken in welvaart gedijen? Oh, aller zachtmoedigste onder de vrouwen, goede Constance, helaas! Wat doet het mij pijn om de uitvoerder te moeten zijn van dit koninklijk bevel om uw leven te bekorten! Of ik moet ervoor kiezen zelf te sterven! Er is geen tussenoplossing.

Zij huilden, zowel jong als oud, in het hele kasteel, bij het horen van dit vervloekte Koninklijke bevel. Maar Constance, met een lijkbleek gezicht, stond op uit haar slaap de vierde dag en liep naar de klaargelegde boot op het strand, helemaal gehoorzamend aan de wil van Christus. En ze knielde op het strand neer en zei: “Uw wil geschiede, Heer, Uw woord is wet.”(6)

De boot werd ruim voorzien van levenstocht; inderdaad, het werd volgestopt met levensmiddelen en andere spullen om te kunnen overleven op zee voor langere tijd. Genoeg! God zij dank hiervoor! Dat Hij licht op haar gezicht laat schijnen en haar naar haar ouderhuis mag terugvoeren. Ik weet niets anders te verzinnen. Over de weidse zee dreef zij weg om er te verdwijnen als een stip aan de horizon.(7)

 

Deel III

 


Kort daarop kwam koning Alla thuis in zijn kasteel, waarover ik al heb verteld. Toen hij vroeg naar zijn vrouw en kind, sloeg het de opperbevelhebber koud om het hart. En hij vertelde zonder omwegen en openlijk over de toedracht van de gebeurtenissen waarover ik heb verhaald. Beter had ik niet kunnen vertellen. Ten slotte toonde hij hem het zegel en de brief, zoals hij hem had ontvangen.
(8)


Het handschrift waarin de brief was geschreven, werd herkend. Duidelijk was het venijn waarmee deze brief tot deze vervloekte daad aanzette. Maar wat de motieven waren om dit te doen, weet ik niet. Ik weet alleen dat de koning per koninklijk besluit zijn moeder

terechtstelde. En hij maakte bekend dat hij haar doodvonnis tekende, omdat zij hem had verraden, hem oneervol had bejegend en ontrouw aan hem was geweest. Zo kwam de oude Donegilde aan haar einde, moge zij verdoemd zijn.

Koning Alla werd dag en nacht door verdriet om zijn vrouw en kind verteerd. Geen pen kan het leed beschrijven waaronder hij gebukt ging. Ik verleg mijn aandacht naar de warrige wederwaardigheden op de weidse oceaan van Constance. Vijf jaar of nog langer zwierf ze als een banneling ellendig en gepijnigd over de woeste zee. Maar geleid door Christus hand kwam er land in zicht. (9)

Toen Constance over de zee zwierf, gebeurde er ook in Rome iets dat ik moet vertellen (10). In Rome was het nieuws van de mislukte huwelijksvoltrekking en zijn nasleep doorgedrongen: de afgeslachte christenen en de laaghartige schande die Constance, de dochter van de keizer, was aangedaan door het bedrog van die smerige sultane. Dat vervloekte beest, die schorpioen, die hen had laten vermoorden op de bruiloft van haar zoon.

Om wraak te nemen had de keizer zijn vloot erop uitgestuurd. Aan boord bevonden zich een senator en anderen van adel, die door de keizer aangewezen waren om de wapenen op te nemen. En God weet dat ze wraak namen… en hoe! Ze versloegen ze verpletterend, brandden land en huizen plat, doorboorden ze met hun zwaarden, dagen achtereen, en daarna keerden ze terug naar huis, naar Rome. Zo stonden de zaken ervoor.

En op zijn roemvolle terugtocht, gelauwerd en wel, trof de senator op zee langs de kust een bootje, het bootje waarin Constance voer met haar kind. Constance was bleek afgetrokken en meelijwekkend gezeten op de boeg van het vaartuig. Hij wist nergens van, wist niet wie zij was, of hoe zij in deze toestand terecht was gekomen. Maar, ook zij wilde hem dat niet vertellen (11), zelfs niet toen hij haar met de dood bedreigde.

Hij nam haar mee terug naar Rome, en gaf haar aan zijn vrouw om die te helpen in de huishouding. En met haar zoon woonde ze veilig in het huis van de senator. Zo tilde Onze Vrouwe haar op uit haar ellende, zoals ze dat ook doet met vele anderen hier op aarde. Constance vond zó rust een tijdje, omgeven met heilige werken en door de gave die genade schenkt (12). (13)

Hoe verging het ondertussen koning Alla. Dat zal ik u in het kort vertellen. Wroeging, omdat hij zijn moeder terecht had laten stellen, verteerde hem in die mate dat hij besloot naar Rome te gaan om vergiffenis te vragen. Hij wilde boete doen, groot of klein, voor het vele kwaad dat hij had aangericht, en hoopte dat de paus hem die boete namens Jezus Christus wilde opleggen.

Al spoedig ging door Rome het gerucht dat koning Alla op pelgrimstocht was naar de paus. Bodes die op en neer gingen tussen de landen brachten het nieuws van zijn komst, nog voordat hij in Rome arriveerde. Zoals gebruikelijk in die dagen trok de senator met zijn gevolg erop uit koning Alla tegemoet om met pracht en praal hem hun respect te betonen.

Het welkom dat deze mannen koning Alla bereiden was prachtig. Hij wilde niet voor ze onder doen en de senator op zijn beurt eer bewijzen. En zo kwam het dat koning Alla de senator uitnodigde om elkaar op een feest te ontmoeten. En ja, ook de zoon van Constance zou op het feest aanwezig zijn. (14)

Dit kind leek heel erg op Constance, zoveel als maar kan. Alla herinnerde zich maar al te goed hoe jonkvrouw Constance eruit zag. Toen hij het kind zag aan de andere kant van de tafel, kwam alles terug en verbijsterd keek hij naar het kind, en dacht: “Het kan toch niet waar zijn….” (15)

En die namiddag ging de koning naar het huis van de senator, onaangekondigd. Hij werd met open armen ontvangen en op verzoek van de koning werd Constance gevraagd om te komen. U kunt van mij aannemen dat ze geen tijd had zich op te maken als om te gaan dansen, toen zij de reden te horen kreeg, waarom zij moest komen –wie haar stond op te wachten. Bijna was ze flauw gevallen zo was zij van haar stuk.

Toen Alla zijn vrouw zag, omhelsde hij haar en huilde. Het was roerend te zien hoe hij bij de eerste blik op haar meteen zag wie zij was, omdat hij zijn ogen niet meer van haar kon afhouden. En zij wist zich geen raad en stond daar als aan de grond genageld. Haar hart sloot zich op in zijn eigen verdriet, toen zij zich herinnerde wat voor kwaad hij haar had aangedaan.(16)

Toen vroeg zij haar echtgenoot nederig als compensatie voor het doorstaan van haar lange meedogenloze ellende, of zij haar vader, de keizer, mocht zien. Zij wilde dat Alla een dag en tijdstip met hem zou afspreken om elkaar te zien voor een diner. Maar hij mocht niets over haar zeggen.(17)


De dag brak aan waarop koning Alla en zijn koningin, die al vroeg waren opgestaan, de keizer zouden ontmoeten. Te paard reden ze uitgelaten naar zijn paleis. En toen ze haar vader aan het eind van de oprijlaan zag staan, stapte ze van haar paard en knielde voor hem neer. Ze zei: “Vader, ik ben het Constance. Oh heer, kunt u zich mij niet herinneren? Ben ik uit uw geheugen gewist? Ik ben het Constance, die u ooit eens naar Syrië hebt gestuurd waar de slachtbank haar wachtte. Die op zee werd gedumpt en op dat zilte nat bleef rond zwalken dagenlang om er te sterven. Maar genoeg, ik heb het overleefd! En nu, mijn goede vader, wees mij genadig. Stuur me niet weer de zee op naar blind heidense landen, maar bedank mijn echtgenoot voor al zijn compassie met mij.”


Wie kan de vreugde over de ontmoeting beschrijven van deze drie, die elkaar na jaren weerzagen. Maar mijn verhaal loopt ten einde. Ik zal niet langer uitweiden, nu de dag ten einde loopt. Zij gingen zitten eten, en ik laat ze in mijn verhaal daar achter, etend. Deze gelukkige mensen in al hun blijdschap, een grotere blijdschap dan wie dan ook zou kunnen bevatten.(18)

Koning Alla ging met zijn goedmoedige heilige vrouw en kind terug naar Engeland, toen hij zag dat hij zijn doel had bereikt. En ze namen de kortste weg naar huis. En daar leefden ze nog lang en gelukkig. Maar het duurde niet lang of aan hun geluk kwam een eind. Tijd kan alle geluk op aarde verwoesten. Geluk op aarde houdt niet stand. Dag en nacht drijft het geluk op wisselende getijden, op en neer.(19).

Dood rekent rente onder hoog en laag, houdt geen rekening met klassenverschillen. Er was nog geen jaar verstreken, of koning Alla overleed. Daar leed Constance heel erg onder. Laat ons bidden dat God zijn ziel zegene. En jonkvrouw Constance keerde terug naar Rome. En dat is het einde van mijn verhaal. (20)

 

Zoon Maurice  wordt de opvolger van de keizer. (21: De Europese Unie…)

 

maandag 2 augustus 2021

 De Europese Unie in de Veertiende Eeuw.

 

Wie dit verhaal goed leest, leest daarin het ontstaan en het reilen en zeilen daarna van de Europese Gemeenschap (EU), maar dan zoals verteld in de veertiende eeuw door Geoffrey Chaucer. Natuurlijk komt daarbij interpretatie om de hoek kijken. Die ga ik u in dit geval verklappen; ik weet niet of ik daar goed aan doe. Je moet namelijk weten dat het verhaal begint aan de Syrische kust, ongeveer op het strand, waar Zeus de Fenicische prinses Europa schaakte in een geile bui (1). De hoofdpersoon in het verhaal van de Man van de Wet is Constance (2); daarin zou je de moeilijke en dappere rol van de voorzitter van de Europese Commissie kunnen herkennen: Ursula von der Leyden. Rome verruilen we voor Brussel  en Strassburg . Wie er vluchten in boten, lijkt mij duidelijk. Een bekering is natuurlijk toetreding tot de EU, en afvalligheid is ….  uittreding (Brexit). De Brexit vindt plaats in Deel 2 van dit lange verhaal en het einde is verrassend; we beginnen in Deel 1.
Als je het verhaal op die manier decodeert, lijkt het Verhaal van de Man van de Wet bijna profetische proporties aan te nemen, een profetie gedaan in de veertiende eeuw. Voor de feitelijke interpretatie verwijs ik naar de Noten en de Oorspronkelijke tekst, want er is nog  veel meer dat interessant is aan dit verhaal…..als je je over je vooroordelen heen kunt zetten.

Het verhaal van de Man van de Wet.

Eens was er in Syrië een organisatie van rijke handelaren, die hun werk serieus namen en beslissingen namen met vooruitziende blik. Zij handelden in kruiden, in met goud bestikte kledingstoffen, rijk gekleurd satijn en allerhande andere innovatieve koopwaar waarnaar door zijn verrassingseffect veel vraag was in verschillende landen. Het was plezierig handel met ze te drijven en goederen tegen de meest gunstige prijs van ze te kunnen afnemen.
 
Enkele handelaren waren er onder hen, die besloten om het eens te gaan proberen in Rome. Zakelijk, maar ook om er eens uit te zijn. Ze besloten zelf te gaan en niet iemand anders namens hen te sturen. Ze wilden zelf de Middellandse Zee oversteken naar Rome. Ze verwachtten goede zaken te kunnen doen en streken er daarom neer.
 
Toen ze een maand of misschien al langer in de stad waren naar aller tevredenheid, bereikte hun bij toeval het nieuws van de excellente, alom geroemde naam van Constance (dame Custance), de dochter van de Keizer. Eenmaal op haar geattendeerd, kregen de Syriërs steeds meer bijzonderheden over haar te horen, iedere dag weer.
 
In de volksmond zei men over haar: “Onze Keizer van Rome, -- dat God op hem toe ziet—heeft een al sinds het begin van de schepping onvergelijkbare dochter. Nooit was er iemand anders die in haar schaduw kon staan, wat schoonheid en goedheid aangaat. Met alle ogen op haar gericht zou zij de Koningin van Europa kunnen zijn. Moge God haar een lang, eervol leven in gezondheid geven.” (3)
 
Maar haar lot staat al in de hemelsterren beschreven: het zal anders lopen dan verwacht.
 
In die boekrol, die over de aarde en wat, de mensen de hemelen noemen, zich uitstrekt al rondwentelend, stond bij haar geboorte in de sterren al geschreven dat liefde haar levenslot zou zijn. Want waarlijk de dood van iedereen staat hierin opgeschreven in een sterrenbeeld, duidelijker te lezen dan in een glazen bol. Mocht ons alleen maar gegeven zijn, dat we onbevreesd zouden kunnen zien, hoe ons leven zich zal voltrekken.
(4)
 
In Syrië wordt een sultan stapelverliefd, alleen van horen zeggen over haar.
 
De Sultan riep zijn Eigen Adviseurs bij elkaar en legde hun zijn plan voor om met Juffrouw Constance te trouwen, en wel op zo kort mogelijke termijn. Meteen! Want ze moesten toch begrijpen dat hij onder liefdesverdriet zou bezwijken, als zij niet altijd bij hem was. Hij zei: “Hou dit goed in gedachten, want mijn leven staat op het spel.”(5)


Maar het geloof is een obstakel.
 
En hij antwoordde: Liever dan Juffrouw Constance te verliezen, laat ik me dopen! Ik ben voor haar voorbestemd, ik heb geen keuze. Praat zoveel je wilt, het zal niet baten. Zie je dan niet dat mijn leven gevaar loopt? Ik heb een ziekte opgelopen die alleen zij kan genezen. De pijn kan ik niet langer verdragen.


Het heeft geen zin er nog langer over uit te weiden. Door verdragen te sluiten, diplomatie, en de bemiddeling van de Heilige Vader, de paus, geschraagd door Kerk en Adel die erop uit zijn het Mohammedanisme een loer te draaien en de gezegende Wet van de katholieke kerk te verbreiden; dat alles bij elkaar genomen, houdt in dat iedereen het eens is, een win-win situatie. Dat is genoeg reden om het plan (voor het huwelijk) uit te voeren.


De Sultan en zijn raad- en leenheren in al hun waardigheid zouden ook worden gedoopt. Constance zou hoe dan ook met hem trouwen. De bruidsschat in goud betaald –ik weet niet hoeveel—werd vastgesteld voor als het mis zou gaan. Van beide kanten werd trouw gezworen aan de beloftes. Schone Constance, mag God je leiden op je levensweg.(6)


Uiteindelijk brak de dag van haar vertrek aan – beter gezegd: de fatale dag waarop alle ellende is begonnen, brak aan. Langer uitstel en verweer kon niet meer, want iedereen was gepokt en gemazeld voor de bootreis. Constance trok wit weg van verdriet, de kleur op haar wangen verdween, hoe dichterbij het moment van vertrek kwam en alle voorbereidingen waren gedaan. Zij wist dat niets haar bespaard zou blijven.


Helaas, het is geen wonder dat zij huilde, toen zij naar een vreemd, ver weg land werd gestuurd. Zij nam afscheid van haar vrienden die haar zo lang vol liefde hadden omringd, om zich te onderwerpen aan iemand waarvan zij zelfs maar bij benadering de reputatie kende. Zoals vrouwen uit ervaring zeggen: “Alle echtgenoten zijn goede echtgenoten”. Ik denk er het mijne van (7) (8).


Uit de stand van de sterren valt op te maken dat de onderneming niet goed zal aflopen. Waarom heeft men die niet bijtijds geraadpleegd?


Veroorzaker van alle Beweging (9), wreed firmament, de sterren langs hun dagelijkse weg voortdrijvend, alles heen en weer slingerend van Oost naar West, dat van nature geneigd zou zijn een ander pad te volgen. Jouw massaal geweld zet de hemel zo in het gelid dat dit wel de eerste reis van Constance in de war moet sturen. Mars zal dit huwelijk doen mislukken in zijn loopgraaf, als het nog tot trouwen mocht komen.


Jouw ongelukkige Elliptische, scheve gradenboog, met Mars in verval , uit zijn juiste baan gebracht en hulpeloos in het sterrenbeeld Schorpioen terecht gekomen, duisterste sterrenbeeld van allemaal. Oh Oorlogsgod, door de invloed van wie alle hoop teniet wordt gedaan. Oh Maan (Luna), tevergeefs in verval met Hem tegen wie je niet op kunt, weggeslingerd van de plaats waar je zou moeten staan.(10)


En de marionet in de hand van God is?


De moeder van de Sultan, de aanstaande schoonmoeder van Constance, was een bron van ondeugden. Zij zag welke weg haar zoon insloeg door de last van vroegere gewoontes van zich af te schudden. Daarom liet zij bepaalde raadgevers ontbieden om hun haar plannen voor te leggen. Toen deze mensen van aanzien zich om haar heen hadden verzameld, ging ze zitten en sprak als volgt.
 
‘Mijne heren,’ zei ze, ‘U weet dat mijn zoon vast besloten is om de heilige wetten van onze Alkoran en alles dat door God aan Mohamed (Makomete) is geopenbaard, af te zweren. En tot God zweer ik deze onbuigzame eed dat ik liever sterf dan mijn geloof, dat me in mijn hart staat geschreven, te verloochenen.” (11)
 
Deze
Sultane, die ik uit de grond van mijn hart verwens, stuurde haar raadgevers in het geheim naar huis, –waarom het verhaal langer maken dan strikt noodzakelijk? – ging daarop te  paard op bezoek bij de Sultan, haar zoon, en vertelde hem dat ook zij de Islam de rug toe keerde en zich tot christen wilde laten dopen. Zij had berouw, zolang een heiden te zijn geweest.


En om haar bekering te vieren wilde ze voor hem en zijn bruid een feest organiseren, waarop alle christenen aanwezig zouden zijn. De Sultan stemde daarmee in en zei: “Ik zal me richten naar jouw wensen.” Hij knielde voor haar neer om haar te bedanken. Omdat zij had bereikt wat ze in de zin had, kuste ze haar zoon, en hij blij van hart, in sprakeloze vreugde, liet haar vertrekken om aan de voorbereidingen voor het feest te beginnen. (12)


Zelfs de triomftocht onder zijn ereboog door van Caesar, die Lucanus zo pochend dichterlijk heeft beschreven, was niets bij de Koninklijke optocht naar het feest van de tot christen bekeerden, gehouden als eerbetoon voor hun zielsgelukkige gastheer. Maar die nare schorpioen in haar verderfelijke positie, de Sultane, zat klaar ondanks al haar vleiende woorden om haar meest dodelijke steek te prikken.


Even later verscheen de Sultan zelf op het toneel, geweldig koninklijk in zijn optreden om te zien. Hij verwelkomde blij en lachend zijn moeder. Houd dit moment goed in gedachten, want in mijn verhaal vertel ik alles alleen maar beknopt (13) de vrucht van deze geschiedenis. Na een tijdje was het wel genoeg geweest en liepen de feestelijkheden af om te gaan slapen.(14)


En toen gebeurde het:
Zoals het mij betaamt, wil ik kort van stof zijn. De Sultan en zijn bekeerde christenen werden allemaal opgedoekt, in stukjes gehakt, neergestoken waar ze lagen te slapen (at the bord), allemaal behalve Constance, alleen zij werd gespaard. De ouwe Sultane, dat vervloekte oude wijf, geholpen door haar vriendjes, voerde precies uit wat ze had gepland, vastbesloten zelf het heft in eigen handen te nemen en het land te gaan besturen.


Want er was er niet één van hen die zich hadden bekeerd tot het christendom en die de gedragslijn van de Sultan volgden, die geen kopje kleiner werd gemaakt nog voordat hij besefte wat er gaande was. En Constance (en haar bruidsschat) werd op aanwijzing van de Sultane hals over kop in een roerloos bootje zonder roeispanen gedumpt, terug naar Italië. Zij kreeg te horen dat zij haar weg naar Italië maar zelf moest vinden: ga terug naar waar je vandaan bent gekomen! (15)


Zo dreef ze daar over de oceaan en kwam veilig langs de Zuilen van Hercules in ons stormige Kanaal tot haar bootje uiteindelijk strandde bij een kasteel, waarvan ik de naam niet weet. Ver weg in Northumberland
liep haar vaartuig vast op het strand en lag het bij eb en vloed te dobberen in de branding. Zoals God beschikte, kwam zij daar tot rust.


Het kasteel behoorde toe aan een opperbevelhebber, die een kijkje ging nemen in het wrakkige vaartuigje, zoals dat in de omschrijving van zijn functie stond dat hij moest doen. Hij doorzocht het bootje en trof daar een vrouw aan in al haar ellende met haar bruidsschat (16). Zij smeekte hem, in haar eigen taal, om genade. Zij vroeg hem haar te doden om uit dit aardse tranendal verlost te worden.


Zij sprak haar smeekbede uit in het Latijn, weliswaar heel gebrekkig, maar hoe dan ook, hij begreep haar bedoeling. Toen hij er zeker van was (list no lenger seche: geen zin had nog langer te zoeken) dat er niet nog ergens andere schatten verborgen waren aan boord, nam hij haar veilig mee aan land. Zij knielde voor hem neer om hem te bedanken, want zij zag in haar redding door hem Gods hand. Maar zij vertelde hem niet wie zij was, misschien om zo in aanmerking te komen voor een gunst van zijn kant of omdat zij doodsbang was.(17)


De opperbevelhebber en zijn vrouw, Hermengilde, waren heidenen zoals ook al hun buren. Hermengilde werd zeer gesteld op Constance en zou haar leven voor haar geven als haar iets zou overkomen. Het verblijf op het kasteel gaf Constance de tijd om weer tot zich zelf te komen. Zij huilde bittere tranen en bad veel tot God. Zo kwam het dat door haar gebed Jonkvrouw (Dame) Hermengilde, de kasteelvrouwe, zich bekeerde tot het christendom. (18)


De opperbevelhebber was niet de echte baas over het strand waar Constance werd gevonden, maar hij was allang in deze regio om de orde te handhaven in dienst van Alla, de koning van Northumberland. Alla was een wijze koning met een sterk leger om zich te verdedigen tegen de Schotten, zoals u ongetwijfeld wel zult weten. Maar laat ik de draad van het verhaal weer oppakken.


Weet dat Satan altijd erop uit is om ons in de val te lokken. En toen die de vrome perfectie (19) zag van Constance, zon hij op een list om haar te pakken te nemen. Hij zette zich ertoe om een jonge ridder, die in de omgeving woonde, stapelverliefd op haar te maken en lage lusten in hem te wekken. De verliefdheid nam zulke felle proporties aan dat de arme drommel dacht dat hij zou sterven, zo’n sterke prikkel ging er van die lust uit, tenzij hij haar kon nemen zoals hij wou.


Hij dong naar haar hand onophoudelijk. Het bracht hem nergens, want zij wilde van geen wijken voor zonde weten. Zo kwam het dat hij uit wrok een plan opvatte om haar op schandelijke wijze te vermoorden. Hij zou strategisch en tactisch wel overwogen met voorbedachten rade te werk gaan. Toen de opperbevelhebber eens afwezig was, kroop hij zachtjes op een nacht bij Hermengilde, die lag te slapen, in bed.


Moe van het vele bidden en de heilige meditatie (overdenking) sliep ze in dezelfde kamer als Constance. Zij had er geen notie van hoe hij op instigatie van de Duivel, die hem overmande met zijn  verleidingskunsten, naar haar toe sloop en stilletjes op haar ging liggen. Hij sloeg de jonkvrouw Hermengilde bewusteloos en sneed

haar de keel door. Het bloederige mes legde hij naast Constance in haar bed. Toen ging hij weg. Dat God hem straffe door ter plekke dood te vallen!


De volgende dag kwam de opperbevelhebber terug in gezelschap van Alla, zijn baas, en koning van het eromheen gelegen land. Hij trof zijn vrouw aan meedogenloos doodgeslagen. Hij wrong zich in zijn handen, schreide en viel op de grond. In het bed van Constance vond hij het bloederige mes. Helaas, wat kon zij zeggen, zij was zó buiten zichzelf van schrik en ontzetting. (20)


Gelukkig getuigen haar vrienden en kennissen à decharge:

Ze kenden haar niet anders dan deugdzaam en liefdevol voor haar bazin Hermengilde. En de hele huishouding legde in diezelfde trant getuigenis ten gunste van Constance af. Behalve die ene ridder, die haar had vermoord. De zachtmoedige koning die door al die getuigenissen heel erg geroerd was, wenste een duidelijker bewijs voor haar schuld. Hij wilde dieper graven om de waarheid te achterhalen (21). (22)


Maar is de Koning wel objectief?


King Alla begon gevoelens voor haar te krijgen –fijngevoelige mensen voelen vaak eerder medelijden met iemand – en ook hij kon zijn tranen niet bedwingen. Ten slotte zei hij: “Laat iemand een boek halen, en als deze ridder op dit boek zweert een eed dat zij een mes heeft genomen om haar te vermoorden, zullen we overgaan tot haar terechtstelling.”


Ze brachten het Britse Boek met de Evangeliën, de Bijbel. En de ridder stond op en zwoer dat zij schuldig was. En ongelofelijk wat er toen gebeurde: de ridder werd tegen de grond gesmeten. Er verscheen een Hand uit de Hemel die hem zo hard sloeg tot op het bot in zijn nek dat hij neerplofte als steen, allebei zijn ogen sprongen hem uit de oogkassen in zijn gezicht, in aanwezigheid van iedereen duidelijk te zien (23). (24)


Deze tussenkomst stelt niet iedereen gerust.


Groot was hun angst en groot was hun berouw, omdat zij over Constance verkeerd hadden geoordeeld en haar onschuld in twijfel hadden getrokken. En toen kwam uiteindelijk dit wonder uit de hemel haar te hulp, door haar eigen godvruchtige bemiddeling. Dit alles bracht Alla ertoe zich te bekeren tot Christus, en velen volgden zijn voorbeeld, o gezegende genade!


De bedrieger, de ridder, werd terechtgesteld voor het onder ede onwaarheid spreken. Alla talmde niet in het ten uitvoer brengen van zijn vonnis. Hoewel Constance het weet aan zijn jeugd, stond het oordeel onwrikbaar vast. Toen wekte Jezus uit genadig mededogen bij de koning liefde voor haar op en hij trouwde de heilige vrouw. Overal werd feest gevierd en vreugdekreten klonken op van alle kanten: Constance werd op instructie van Christus tot koningin gekroond.(25)


Zij gingen naar bed, zoals nu eenmaal de gewoonte is voor vrouwen  en mannen in een huwelijksnacht, zelfs als ze vol zijn van heilige dingen. Die nacht moeten ze geduld oefenen, om aan de noodzakelijke pleziertjes van een Koning of van anderen die met de ring zijn getrouwd tegemoet te komen. Haar heiligheid – daar moet ze maar een tijdje van afzien, heel eventjes maar, en dat is alles. (26)