dinsdag 21 juni 2022

 Decamerone: Het Tweede verhaal van de Zevende Dag.
Een arme man in Napels had nog niet zo lang geleden een mooi en hups meisje, Peronella, tot vrouw genomen. Hij was metselaar en zij was spinster, maar hoe hard ze ook werkten, ze hadden grote moeite om de eindjes aan elkaar knopen. Nu gebeurde het op een dag dat een galante jongeman zijn blik op Peronella liet vallen en haar zo aardig vond dat hij verliefd op haar werd. En hij rustte niet voor hij haar met allerlei attenties voor zich had weten te winnen. Om elkaar geregeld te kunnen ontmoeten spraken ze het volgende af: aangezien haar man elke ochtend vroeg opstond om te gaan werken of werk te zoeken, zou haar minnaar zich ergens verborgen opstellen en wachten tot hij hem naar buiten zag komen. En omdat de wijk Avorio (1), waar ze woonden, erg verlaten was, zou het hem daarna weinig moeite kosten om ongezien naar binnen te glippen. Op die manier brachten de geliefden samen menige ochtend door.


Op een morgen echter, toen de brave metselaar voor een hele dag de deur uit was gegaan en Giannello Scignario (2) – want zo heette de minnaar – het huis binnengeslopen was en zich bij Peronella genesteld had, gebeurde het dat haar man onverwachts naar huis terugkeerde. Toen hij de deur vergrendeld vond, klopte hij aan en zei bij zichzelf:
“O God, Gij zijt eeuwig geprezen, want al hebt Gij mij arm gemaakt, Gij troost me tenminste met een braaf en deugdzaam (3) vrouwtje. Want kijk: zodra ik vertrokken was, heeft zij de deur op slot gedaan om ongewenste bezoekers op een afstand te houden.”


Peronella, die de klop van haar man herkend had, riep:
“O wee, lieve Giannello, dit wordt mijn dood! Dat is die vervloekte echtgenoot van me en ik weet bij god niet wat dat te betekenen heeft, want op dit uur komt hij nooit thuis: misschien heeft hij je hier wel naar binnen zien gaan. Wat er ook van zij, kruip als de bliksem in dat vat daar, dan zal ik gaan opendoen, en dan zien we wel wat die onvoorziene thuiskomst te betekenen heeft.”


Giannello sprong bliksemsnel in het vat en Peronella liet haar man binnen en snauwde hem met een vernietigende blik toe:
“Wat krijgen we nu? Waarom ben jij zo vroeg terug? Het lijkt wel of je vandaag geen zin hebt om te werken, als ik je zo zie terugkeren met je gereedschap in de hand. Maar waar moeten we dan van leven? Hoe komt er brood op de plank? Als je denkt dat ik mijn rok en de paar armzalige spulletjes die ik heb naar de lommerd zal brengen, heb je het bij het verkeerde eind! En intussen zit ik dag en nacht het vlees onder mijn nagels vandaan te spinnen om tenminste voldoende olie te kunnen kopen om ons lampje brandend te houden. Ach mannetje toch, er is geen buurvrouw die me niet aangaapt of uitlacht omdat ik me zo afsloof, en jij komt met hangende armen naar huis terug op een uur dat je allang aan het werk moest zijn!” Ze barstte in tranen uit en hernam haar jeremiade:
“Wee mij, ik ben bepaald onder een ongelukkig gesternte geboren! Ik had met een welgestelde jongeman kunnen trouwen en ik wees hem af en verkoos zo’n leegloper, die me niet eens ziet staan. Andere vrouwen maken plezier met hun minnaars: ik ken geen enkele die er niet minstens twee of drie op na houdt. Ze amuseren zich en verkopen hun echtgenoot knollen voor citroenen en  (4). En ik arme sloof, die fatsoenlijk ben om tot dergelijke onbetamelijkheden te verlagen, ik moet het bekopen. Ik weet bij god niet, waarom ik ook geen vrijer zoek zoals al de anderen. Luister eens goed, mannetje van me, als ik daar zin in had, zou ik mijn hand er niet voor hoeven omdraaien, want er is meer dan één galante jongeman die een oogje op mij heeft en die me wát graag met een bom geld, of als ik dat wil met mooie kleren en juwelen, zou verwennen. Maar zoiets zou ik nooit over het hart kunnen verkrijgen, want van dat slag ben ik niet. En dan kom jij hier tijdens je werktijd aanzetten!”
“Toe nu, vrouwtje,” suste haar man, “wees alsjeblieft niet verdrietig. Ik weet wat voor engel je bent, daarvan heb ik me ook vanmorgen nog kunnen vergewissen. Ik ben wel degelijk naar mijn werk gegaan, maar het blijkt dat ik niet wist wat jij ook niet weet: het is vandaag namelijk de feestdag van Sint-Galione (5) en dan wordt er niet gewerkt (6) , en daarom ben ik op dit ongewone uur naar huis teruggekeerd.
Maar ik heb wél gezorgd dat we voor meer dan een maand brood op de plank hebben, want ik heb daarnet het wijnvat, dat hier zoals je weet allang in de weg staat, verkocht aan de maat, die met mij meegekomen is. Hij heeft er vijf zilverstukken voor over.”
“Dat doet de deur dicht!” riep Peronella uit. “Jij bent een man en komt overal, dus zou je van prijzen op de hoogte moeten zijn: en jij verkoopt zo’n vat voor vijf zilverstukken! En ik, die maar een simpele vrouw ben en bijna nooit de deur uit komt, ik heb die ton, die ik al een hele tijd beu was, voor zeven zilverstukken verkocht aan een brave man die er, toen jij aankwam, net ingekropen was om hem op zijn deugdelijkheid te inspecteren.”


Haar man begon te glunderen van tevredenheid en zei tegen zijn gezel: “Jammer, makker, maar je zult hier met lege handen vandaan moeten gaan. Je hebt gehoord dat mijn vrouw er twee zilverlingen méér voor bedongen heeft dan jij geboden had.” “Dat moet dan maar,” zuchtte de andere en vertrok.


Daarop zei Peronella tegen haar man: “Ga mee naar boven, nu je hier toch bent, dan kun jij de zaak verder afhandelen.” Gianello, die de hele tijd zijn oren had gespitst om op alle eventualiteiten voorbereid te zijn, had elk woord van Peronella opgevangen. Hij sprong fluks uit het vat en riep, alsof hij van de thuiskomst van de man niets afwist:
“Waar ben je, goede vrouw?” Waarop de metselaar, die al naar boven onderweg was, antwoordde: “Hier ben ik! Kan ik iets voor je doen?”
“Wie ben jij?” vroeg Gianello. Ik zocht de vrouw van wie ik dit vat wou kopen.”
“Dat kun je gerust verder met mij afhandelen, want ik ben haar man.”
“Dat vat lijkt me wel stevig,” hervatte Gianello, “maar je hebt er indertijd blijkbaar droesem in gelaten, want de binnenkant is helemaal bedekt met een soort droge korst, die ik er met mijn nagels niet af krijg. Ik wil het niet kopen als het niet eerst grondig schoongemaakt is.”
“Voor zo’n kleinigheid kun je de koop toch niet ongedaan maken,” viel Peronella in. “Mijn man zal het volledig afschrapen.”
“Dat spreekt vanzelf,” stemde haar echtgenoot in, en hij legde zijn metselaarsgereedschap weg, stroopte zijn mouwen op, liet een olielampje aansteken en een schraapijzer brengen en verdween in het vat, waar ze hem weldra hoorde krabben. Alsof ze het werk van haar man wilde controleren, stak ook Peronella haar hoofd en een van haar armen over de rand van de ton, die niet heel hoog was, en gaf daarbij aanwijzingen in de trant van: “Schraap hier nog eens”, “daar ben je nog niet geweest” en “kijk, hier zit ook nog een korstje vast”.


Terwijl ze daar zo over de rand van het vat gebogen stond en de opening ervan haast volledig bedekte, maakte Gianello, wiens amoureuze elan door de thuiskomst van de echtgenoot zo ruw was gebroken, van de nood een deugd: hij liep van achter op haar toe, en zoals in de weidse vlakten van Parthenland (7) de bronstige wilde hengsten de merries bespringen, zo vierde hij zijn jeugdige lusten op haar bot. En juist was hij gereedgekomen, toen ook haar man  met zijn schraapwerk klaar was. Gianello trok zich terug, Peronella hief haar hoofd op uit het vat en haar man klom eruit.


Toen zei Peronella tegen Giannello:
“Neem dit lampje, beste man, en kijk of het vat schoon genoeg is.” Gianello wierp er een blik in en mompelde tevreden dat het voor hem in orde was. Daarop betaalde hij zeven zilverstukken en liet het vat naar zijn huis brengen (8).

zaterdag 28 mei 2022

Decamerone (1)

Vandaag doe ik een poging om te achterhalen hoe Boccaccio kwam tot het schrijven van Verhaal Vier op de Achtste Dag van de Decamerone. Net als Pasolini, die ook de Decamerone heeft verfilmd (1), probeer ik inzoomend op een enkel verhaal uit de Decameraone, de sensatie van het schrijven van zo’n verhaal in de 14e  eeuw opnieuw te beleven. Hoe dat in zijn werk gaat staat beschreven in een aparte bijlage bij dit blog. De Romantiek had nog niet toegeslagen en een schrijver werkte toen anders dan nu. De noten in de tekst worden op de gebruikelijke manier besproken in een andere bijlage . De oorspronkelijke tekst valt hier te raadplegen. Het onderstaande verhaal is de vertaling van Frans Denissen:  Decamerone, Boccaccio, vertaling Frans Denissen, pag. 567 ev.:  Achtste dag, Vierde Verhaal.
 
Zoals jullie allemaal weten, was Fiesole (wikipedia; en met reclame maar mooie foto’s om in de stemming te komen), waarvan we de heuvel van hieruit zien liggen, eertijds een machtige stad. En ook al is het nu in verval, toch is het tot op heden een bisschopszetel gebleven. Niet ver van de dom bezat destijds een adellijke weduwe,
madonna Piccarda (2), een landgoed met daarop een nogal bescheiden woonhuis dat ze, omdat ze het niet zo heel erg breed had, bijna het hele jaar door bewoonde met twee van haar broers, allebei fatsoenlijke welopgevoede jongemannen. De vrouw, die nog jong en aantrekkelijk was, bezocht regelmatig de dom en zo gebeurde het dat de proost van die kerk hopeloos verliefd op haar werd. Na enige tijd was hij zo onbeschaamd om haar zelfs zijn verlangen kenbaar te maken; hij vond dat zij blij mocht zijn met zijn liefde en nodigde haar dan ook uit om die te beantwoorden.
Nu was de proost een oude bok van het soort dat nog best een groen blaadje lustte, en bovendien driest en hoogmoedig; hij had altijd praats voor zes, deed neerbuigend tegenover iedereen, hij was zo’n misselijk mannetje dat niemand iets van hem moest hebben, en zeker madonna Piccarda niet (3). Sterker nog, ze werd doodziek van hem. Omdat ze een verstandige vrouw was, gaf ze hem het volgende antwoord: ‘Dat u mij bemint, vader, is mij zeer aangenaam, en ik voel mij dan ook verplicht u mijn wederliefde te schenken. Tussen uw liefde en de mijne mag echter nooit iets ongeoorloofds voorvallen. U bent priester en mijn geestelijk raadgever, en u gaat uw oude dag al tegemoet: allemaal redenen om zorgvuldig over uw kuisheid te waken. Ook ik ben geen klein meisje meer dat van dat soort verliefdheden onder de indruk komt, en bovendien ben ik weduwe, en u weet welke mate van zedigheid van weduwen verwacht wordt. Neemt u me dus niet kwalijk dat ik op de manier die u in gedachten hebt niet wil beminnen en al evenmin bemind wil worden.’


Hoewel de proost dit keer een blauwtje liep, liet hij zich niet van stuk brengen en besloot zich niet bij de eerste tegenslag gewonnen te geven. Met zijn mateloze onbeschaamdheid bleef hij haar met briefjes en mondelinge boodschappen bestoken, en als hij haar in de kerk zag verschijnen, herhaalde hij zijn voorstellen in eigen persoon. Op den duur begon die opdringerigheid de dame dermate de keel uit te hangen dat ze besloot – aangezien zachtaardiger middelen niet bleken te baten—hem van zich af te schudden op een manier die hij verdiende. Maar alvorens iets te ondernemen wilde ze eerst overleg plegen met haar broers. Ze vertelde hun over de toenaderingspogingen van de proost, zette haar plan uiteen en kreeg hun volle steun.


Enige dagen later ging ze naar goede gewoonte ter kerke. De proost had haar nog maar nauwelijks gezien, of hij stevende op haar af om zoals steeds een vertrouwelijk gesprek met haar aan te knopen. Zodra ze hem haar richting uit zag komen, keek ze hem lonkend aan. Ze trokken zich in een hoekje van de kerk terug, en nadat de priester weer eens omstandig zijn gevoelens voor haar uit de doeken had gedaan, slaakte madonna Piccarda een diep zucht en zei: ‘Vader, ik heb vaak gehoord dat geen vesting zo sterk is of ze wordt, als ze dag op dag belegerd wordt, ooit toch ingenomen. Ik stel vast dat dit ook met mij is gebeurd. Nu eens met zoete woordjes, dan weer met deze of gene attentie hebt u mij zo ver gekregen, dat ik van mijn voornemen ben afgestapt: als ik u dan toch zo beval, ben ik bereid de uwe te worden.’(4)


‘Godzijdank!’ riep de proost verheugd uit. ‘Om u de waarheid te zeggen: het verwonderde me al ten zeerste dat u zo lang standhield. Dat is me nog nooit eerder overkomen. Integendeel, ik zeg het nog maar eens: Vrouwen mogen dan van zilver zijn, als metaal om er  munten mee te slaan zijn ze niet geschikt, want tegen hamerslagen zijn ze niet bestand! Maar ter zake: waar en wanneer kunnen wij samen zijn?’ ‘Mijn snoepje,’ antwoordde madonna Piccarda, ‘het wanneer vormt geen probleem, ik heb immers geen man aan wie ik rekenschap verschuldigd ben over mijn nachten. Maar het waar is de grote vraag.’
‘Hoezo? Kan het dan niet in uw huis?’
‘Vader, u weet dat ik twee jonge broers heb, die dag en nacht met hun kameraden het huis in- en uitlopen. Bovendien, mijn woning is niet zo groot en lijkt me dus daarom niet geschikt voor een rendez-vous. Tenzij wij te werk gaan als doofstommen, zonder één woord te zeggen of één geluid te maken, en als blinden, in het donker. (5)  Onder die voorwaarden zou het kunnen, want mijn slaapkamer komen ze niet binnen. Maar de hunne ligt zo dicht bij de mijne dat ze zelfs een gefluisterd woord zouden kunnen opvangen.’
‘Voor een of twee nachten,’ antwoordede de proost, ‘lijkt me dat geen bezwaar. Ik kijk dan intussen wel uit naar een geschiktere plaats waar we ongestoord samen kunnen zijn.’
‘Zoals u wilt,’ hernam madonna Piccarda. ‘Maar één ding zou ik u willen vragen: laat niemand hier ooit één woord over te weten komen.’
‘Maakt u zich daar geen zorgen over. Als het enigszins kan, zorgt u dan dat we elkaar vanavond al kunnen ontmoeten.’
‘Afgesproken,’ zei madonna Piccarda, waarna ze hem de nodige instructies gaf over het hoe en wanneer, en naar huis terugkeerde.


Nu had madonna Piccarda een meid, die niet zo jong meer was en bovendien het meest mismaakte en afstotelijke gezicht had dat men zich kan voorstellen: een neus die wel platgeslagen leek, dikke lippen en een mond vol scheve konijnentanden; ze had schele ogen, die meestal traanden, en haar huidskleur was van een groenig soort geel, alsof ze de zomer niet in Fiesole, maar in de moerassen van Senigallia doorbracht. Tot overmaat van ramp was ze ook nog lendenlam en ging ze aan de rechterkant wat mank. Ze heette Benvenuta, maar omdat ze zo afzichtelijk was, noemde iedereen haar Malvenuta (6). En niet alleen was ze niet om aan te zien, ze had ook nog een behoorlijk slecht karakter. Madonna Piccarda riep haar bij zich en zei:
‘Malvenuta, als je mij vannacht een dienst wilt bewijzen, krijg je van mij een mooi nieuw hemd.’ Dat klonk als muziek in de oren van Malvenuta en ze zei:
‘Voor een nieuw hemd ga ik desnoods door het vuur.”
‘Luister goed: ik wil dat je vannacht met een man in mijn bed slaapt en dat je met hem vrijt. Maar let wel: je mag er geen woord bij zeggen, want je weet dat mijn broers in de kamer ernaast slapen. In ruil voor deze dienst krijg je een hemd.’
‘Desnoods slaap ik daarvoor met zes mannen!’ zei Malvenuta.
Die avond kwam mijnheer de pronkbok langs de afgesproken weg het huis binnen. Volgens het plan van hun zus hadden de twee broers zich in hun kamer teruggetrokken, waar ze flink wat kabaal maakten. De proost sloop op zijn tenen in het donker de slaapkamer van de weduwe binnen en zocht zich op de tast een weg naar het bed, waar Malvenuta met alle instructies van haar meesteres nog vers in het geheugen op hem lag te wachten. Overtuigd met zijn geliefde te maken te hebben, nam hij haar in zijn armen en begon haar, zonder één woord te zeggen, te overladen met kussen, die enthousiast beantwoord werden. Het duurde dan ook niet lang of hij nam bezit van de vesting, die hij zo hardnekkig had belegerd.


Toen madonna Piccarda zag dat de eerste helft van haar plan al verwezenlijkt was, vroeg ze haar broers ook de tweede ten uitvoer te brengen. Stilletjes glipten ze hun kamer uit en gingen naar het kerkplein waar ze bovenmate veel geluk hadden: Omdat het zo’n zwoele avond was, was de bisschop namelijk op weg gegaan naar hun huis om er samen met hen wat verkoeling te zoeken en wat te drinken. Toen hij hen zijn kant op zag komen, sprak hij over zijn voornemen om hen te bezoeken. Korte tijd later zaten ze in een fris prieel, waar talrijke fakkels ontstoken waren, met veel genoegen een glas van hun heerlijke wijn te drinken.
‘Monseigneur,’ zei een van de broers toen ze hun eerste dorst gelest hadden, ‘nu u zo goed bent geweest om onze nederige woning met uw bezoek te vereren, willen wij u eerbiedig ook nog iets anders onder de aandacht brengen.’


De bisschop verklaarde zich daar gaarne toe bereid. Daarop nam een van de broers een brandende toorts en ging daarmee de hoge gast en alle anderen voor naar de slaapkamer waar de proost met Malvenuta in bed lag. Om vlug bij zijn doel aan te komen, had de eerwaarde proost het op een galop gezet en zo al meer dan drie mijlen afgelegd, toen hij, met Malvenuta ondanks de hitte in zijn armen gedrukt, even van de vermoeienissen uitblies. Op dat ogenblik stormde de jongeman met de brandende fakkel de kamer binnen, op de voet gevolgd door de bisschop en de rest van het gezelschap. Bij het zien van het licht en al die mensen om zich heen schrok mijnheer de proost op en dook van schaamte en angst met zijn hoofd onder de lakens. De bisschop schold hem de huid vol en sommeerde hem weer tevoorschijn te komen en te kijken met wie hij in bed lag. Toen de proost merkte op welke smadelijke manier de weduwe hem bedrogen en ook nog te schande gemaakt had, kromp hij ineen van ellende. Op bevel van de bisschop kleedde hij zich weer aan en werd met een flinke escorte naar de kerk gestuurd om daar penitentie te doen voor de begane zonde.


Zodra de proost weg was, wilde de bisschop wel eens weten hoe zijn domheer, de proost, met Malvenuta in madonna’s Piccarda’s bed beland was, waarop de jongelui hem haarfijn de toedracht vertelden. Toen ze met hun verhaal klaar waren, had de bisschop niets dan lof voor de vrouw en haar broers, die zonder hun handen met priesterbloed te willen besmeuren (7), de zondaar toch zijn verdiende loon hadden gegeven. De bisschop liet de proost veertig dagen voor zijn misstap boeten, maar zijn gefnuikte liefde maakte dat hij zevenmaal veertig dagen leed. Jarenlang kon hij zich niet meer op straat vertonen zonder dat de kinderen hem nawezen met de woorden: ‘Kijk, daar heb je die vent die met Malvenuta in bed lag!’ Dat bracht hem op de rand van krankzinnigheid.


Zo werd de bewonderenswaardige vrouw verlost van het geflikflooi van de onbeschaamde proost en verdiende Malvenuta een nieuw hemd.

vrijdag 22 april 2022

Vuilnisbakken honden

 De vuilnisbakken honden.

Dit is het laatste essay in de serie Honden; het is ongebruikelijk dat ik in een serie vijf opstellen stop. De reden is dat een belangrijk aspect van de Honden nog niet aan de orde is gekomen. Dat heeft te maken met de opmerking in De wijsheid van de Honden, Georg Luck, waarin hij uitlegt dat veel filosofische anekdotes zijn geënt op populaire grappen (1). De filosofie zou een literaire bewerking zijn van mondelinge folklore.


Als je constateert dat bijna alle Honden uit het “buitenland” afkomstig zijn (Thraciërs  en Skythen, maar vooral Feniciërs)  (2) ,  die allen vaak ooit eens slaaf zijn gemaakt en zich uit de slavernij omhoog hebben weten te werken, dan is hun filosofie duidelijk een filosofie van een onderklasse in de Klassieke Oudheid. Dit bevestigt meteen een vermoeden dat ik in voorafgaande blogs diverse keren heb geuit, dat de oorsprong van de grappen waarschijnlijk Fenicisch is (o.a. in dit blog) . Dat is dan wel niet helemaal zoals ik me dat had voorgesteld, maar is wel een bevestiging van mijn vermoeden. Ik dacht dat de Feniciërs (zonder contact met het klassieke Griekenland) voor de verspreiding van de grappen hadden gezorgd. Dat is niet het geval; het ligt ingewikkelder.


De grappen kunnen niet Arabisch van oorsprong zijn, zoals Basset en Mouliéras , denken, omdat ze teruggaan op grappen die veel ouder zijn dan de dominante aanwezigheid van het Arabisch in het Midden Oosten: ongeveer 1000 voor Christus. Omdat ze toch vaak in het Arabisch (en Turks) voorkomen, moeten ze oorspronkelijk in een taal verteld zijn, die nauw aansluit bij het Arabisch (3). Dat is het Fenicisch. De variatie is te verklaren uit een eigenaardigheid van het Fenicisch: per regio verschilde het Fenicisch zo veel dat de Fenicisch sprekende bevolking van Cádiz de Fenicisch sprekende bewoners van Carthago of Tyrus nauwelijks kan
hebben verstaan. Het Fenicisch van Kanaän heeft sterk Hebreeuwse trekken. Contact blijft mogelijk, omdat Hebreeuws en Arabisch Semitische talen zijn. Het raamwerk (grammatica) was Fenicisch, maar het lexicon was aangepast aan de streek, waarin een handelsstad lag. Vandaar dat het Fenicisch in Italië de naam Punisch kreeg. In het woord valt de verachting nog te onderkennen die de Romeinen voor de handel hadden. Spreek “punisch” maar eens met een harde “P” uit en het klinkt als een vloek. Het is duidelijk dat de Fenicische handelaren, handelaren waren die wisten te handelen op het scherpst van de snede.


Maar het werpt ook een blik op de oorspronkelijke rol van de nar aan het hof van een koning. Hij was ook een ambassadeur die de handelsbelangen van een andere regio vertegenwoordigde. Het was dus niet zo gemakkelijk als het lijkt om de clown aan het hof van een dictator te zijn.


De verschillen waren ook de reden waarom de communicatie al gauw grappig werd en zich vertaalde in variaties om het contact te kunnen onderhouden. Het schrift speelt daarin een grote rol. Als afspraken op schrift werden gesteld in het Fenicisch, dan moesten die later nog begrepen kunnen worden. En daar ging het wel eens mis!  De grappen uit Marokko en Turkije, die ook teruggaan op de Hondse filosofie, verschillen subtiel van elkaar en zijn ouder dan de filosofie. De verhalen hebben te maken met het belang dat het Fenicische schrift had voor de handel. Behalve het hierboven door Georg Luck gestelde: “veel filosofische anekdotes lijken geënt op populaire grappen”, was er een praktisch nut. De op schrift gestelde verhalen waren een soort handelscontract, dat diende om er zeker van te zijn dat je met de juiste handelaar te maken had. Ze functioneerden als een tessara hospitalis (en ook). De nar aan het hof van een koning of dictator was blijkbaar een schrijver, die zulke contracten kon opstellen. Naast de handel ontwikkelde hij een theorie hoe je het beste met mensen kon omgaan, wilde je een succesvolle handelsrelatie opbouwen. De Klassieke Humor  werd de filosofie van de handelaar, van de de idiotès ( ἰδιώτης). 


In deze laatste aflevering, zal ik uit deze allochtone invalshoek drie fragmenten presenteren.

Menedemos, De Honden, pag. 214 (vertaling verbeterd)(4)

Menedemos was een leerling van Kolotes van Lampsakos. Deze man ging volgens Hippobotos zo ver met zijn wonderlijke acts, dat hij verkleed als een wraakgodin rondliep en beweerde dat hij als toezichthouder op de misdadigers (?) uit de Hades (vergelijk Aristofanes, De kikkers) was gekomen, met de bedoeling om daarover aan de goden te rapporteren, als hij weer naar beneden ging.


Zijn kleding zag er als volgt uit: een grijs lang hemd tot aan zijn voeten, daarover een purperen (Fenicische) buikband, en een Arkadische muts op zijn hoofd met daarop de twaalf sterrenbeelden geborduurd. Hij droeg toneellaarzen, een ontzaglijk lange baard, en in zijn hand had hij een essenhouten staf.


Onesikritos, De Honden, pag. 225: de naaktgeleerden (vertaling verbeterd) (5) (6) 

Een voorbeeld: zo-even hadden zij Taxiles (7) geadviseerd Alexander binnen te halen: als Alexander beter (in deugd) was dan hij, zou hij er wel bij varen om hem binnen te halen; als hij slechter was, zou hij diens mentaliteit verbeteren!
Toen Alexander daarmee instemde, zou hij gevraagd hebben of er ook onder de Grieken zulk soort theorieën in zwang waren. Toen zei hij dat Pythagoras iets soortgelijks verkondigde en adviseerde van bezielde wezens af te blijven evenals Sokrates en Diogenes (van wie hij zelf les had gehad), en Taxiles antwoordde daarop dat hij vond dat zij in het algemeen wel verstandige ideeën hadden, maar één fout maakten door de conventie (afspraak, de regels, contracten) boven de natuur te stellen. Anders zouden zij zich namelijk niet generen om, net als hij, naakt door het leven te gaan en te leven van simpele kost. Het beste huis was volgens hem ook een huis dat het minste onderhoud vergde.

Hij vertelde dat zij ook veel natuurverschijnselen hadden onderzocht en voorspellingen konden doen van regenbuien, droogtes en ziektes. Als zij terugkeerden naar de stad, verspreidden ze zich over de pleinen en, als ze iemand tegenkwamen met vijgen of druiven, dan kregen zij die spontaan van hem cadeau. Was het olie, dan goten ze die over zich heen en smeerden zich ermee in. Elk rijk huis stond voor hen open tot de vrouwenvertrekken toe, en als ze ergens binnengingen, namen ze deel aan het diner en de gesprekken. Lichamelijke kwalen vonden ze echter het meest ellendig. Wie dat bij zich zelf ontdekte, pleegde zelfmoord met vuur, door een brandstapel te bouwen. (8) Na zich met olie ingesmeerd te hebben en boven op de brandstapel te zijn gaan zitten, vroeg hij iemand het vuur te ontsteken, en hij ging dan zonder zich te verroeren in vlammen op!


Teles, De Honden, pag. 260 (vertaling aangepast op basis van brontekst) (9).


Uit de bronteksten  blijkt dat wij mensen idealiseren.Wij hebben niet alleen Socrates, maar ook Xantippe geïdealiseerd. Van een onberispelijke Socrates of Xantippe is geen sprake. De tekst eindigt met de enigszins gewijzigde uitspraak, die later door Nietzsche werd gebruikt om de westerse deugden te beschamen: “Ecce homo”, “zie de mens”, maar dan vooral in de zin van “zie de man”; in het Grieks en op de vrouw toegepast: “ὁρα παιδίαν”,  “zie het meisje”, en Teles, de schrijver van het verhaal, heeft het dan over de vrouw van Socrates, Xantippe.


Voordat u het verhaal gaat lezen wil ik uitdrukkelijk wijzen op de noten in de tekst, omdat zonder deze uitleg het verhaal verwordt tot een platvloerse anekdote, wat het niet is!


Een andere keer, toen Socrates Alkibiades voor de lunch had uitgenodigd en Xantippe de tafel omgooide, gaf hij geen kik, werd niet kwaad en klaagde niet van “Ach, wat een ellende, dat ik dat moet verdragen!”, maar pakte alles op wat was gevallen, en beval Alkibiades het weer op tafel te zetten. Toen deze er niet op inging, maar met de mantel om zijn hoofd geslagen zich zat te schamen, zei hij: “Vooruit, laten we maar naar buiten gaan, want het lijkt erop dat Xantippe ons in haar bittere woede zal gaan verscheuren.”


Vervolgens, toen hij een paar dagen later zelf bij Alkibiades lunchte en de dappere haan (10) van Alkibiades naar binnen vloog (op tafel), bleef híj met zijn mantel om zijn hoofd geslagen zitten en at niet meer. Toen Alkibiades moest lachen en vroeg of hij daarom niet at, omdat de haan (vogel)  naar binnen was gevlogen en zijn bord omver had geworpen, zei hij: “Ja, natuurlijk! Toen Xantippe gisteren de tafel omver gooide, wilde jij niet meer eten, en denk je dat ik nog een hap naar binnen krijg nu die haan de boel omver heeft gegooid? Of denk je dat er enig verschil is tussen haar en een stompzinnige haan? Zeg, als een varken (11)  die tafel omgegooid had, zou je dan niet geërgerd zijn, maar als het varken een vrouw is, ben je het wél? Zie daar de vrouw!  


De maaltijd was het moment om handel te drijven! Je zou dus kunnen denken dat Socrates’ kwaliteiten naast filosofische, ook commerciële waren! Ik denk dat weinig feministische vrouwen dit verhaal zullen waarderen. Bij nauwkeurig lezen staat er echter dat de positie van de vrouw tot stand is gekomen in de loop van de geschiedenis van man én vrouw! Er waren in die tijd maar weinig denkers die daar zo over dachten! Die positie stond niet vast; was aan verandering onderhevig! En dan krijgt de uitspraak van Nietzsche meer reliëf! Vind ik!


donderdag 31 maart 2022

Twee hondjes...

 Krates en Hipparchia: een filosofenpaar.


(“Ik wou dat ik twee hondjes was…”: Spleen
)

Drie fragmenten.


Krates  (De wijsheid van de honden, pag. 192, fragment 536)
Hij was zo aantrekkelijk, dat een meisje van adel jongere en rijkere huwelijkskandidaten afwees en uit vrije keuze hem als man wilde hebben. Toen Krates zijn rug, die voorzien was van een behoorlijk grote bochel, had ontbloot, zijn knapzak en zijn mantel op de grond had gelegd en het meisje mededeelde dat dát zijn huisraad én zijn schoonheid was, zoals ze zelf had gezien – ze moest dus serieus overleggen, om later geen reden tot klagen te hebben – accepteerde Hipparchia deze voorwaarden toch. Zij antwoordde dat zij dit al lang geleden genoegzaam had bekeken en voldoende had overdacht en dat ze waar ook ter wereld geen rijkere echtgenoot en geen knappere man kon vinden. Hij moest haar dus maar meenemen waarheen hij wilde. De cynicus nam haar mee naar de zuilengalerij (“Stoa) . Daar, op die drukbezochte plek, is hij op klaarlichte dag voor aller ogen bij haar gaan liggen en hij zou voor aller ogen het meisje, dat daartoe met evenveel standvastigheid bereid was, hebben ontmaagd, als Zeno  niet, door diens filosofenjasje op te schuiven, de blikken van de kring omstanders op de edele delen van zijn leermeester had afgeschermd! (vergelijk het verhaal in De ezel over Diogenes)


Het bekendste verhaal van wat tussen Krates en Zeno  voorviel (De wijsheid van de honden, pag. 195, fragment 547):

Zoals hiervoor is vermeld, volgde Zeno college bij Krates. … Met Krates kwam hij dus op de volgende wijze in contact. Op reis vanuit Foinicië (1) met een lading purper (2) lijdt hij bij Piraeus
schipbreuk (3). In Athene aangekomen – hij was toen al dertig jaar – hield hij even halt bij een boekhandelaar. Toen hij daar het tweede deel van Xenefons Memorabilia Socratis las, raakte hij zo enthousiast, dat hij vroeg waar dat soort mensen woonde. [3] Toen Krates net op dat moment passeerde, wees de boekhandelaar op hem en zei: “Ga hem achterna!” Vanaf dat moment werd hij leerling van Krates, waarbij hij zich in alle opzichten energiek op de filosofie toelegde, maar verlegen was als het ging om de cynische schaamteloosheid. Vandaar dat Krates, die hem ook daarin wilde helpen, hem met een pot linzensoep door de Kerameikos-wijk (4 )  liet lopen. Toen hij zag dat hij zich geneerde en de pot wilde wegmoffelen, (door hem te verstoppen onder zijn mantel en te doen alsof hij een dik buikje had) sloeg hij met zijn stok de pot in stukken (5) Toen hij wegvluchtte en de linzensoep langs zijn benen naar beneden stroomde (als poep), zei Krates: “Zeg, Foinicisch mannetje, waarom vlucht je? Er is niets ergs gebeurd!”….

Tenslotte vertrok Zeno en volgde hij zo’n twintig jaar lang lessen bij de (andere) filosofen. Daar zou hij ook gezegd hebben: “Ik heb een goede reis gehad, sinds ik schipbreuk heb geleden.” Anderen beweren dat hij dat al in zijn tijd bij Krates had opgemerkt.


Hipparchia  (Engelse website, zoveel beter dan de Nederlandse!) (De wijsheid van de honden, pag. 212, fragment 604, (x)):

Ook de zus van Metrokles, Hipparchia raakte geboeid door deze leer (van Krates). Zij kwamen beide uit Maroneia. Ze was zelfs verliefd op Krates, zowel vanwege zijn woorden als om de manier van leven, waarbij ze verder geen aandacht schonk aan welke huwelijkskandidaat ook, hoe rijk, hooggeboren of knap hij ook was. Nee, Krates was alles voor haar. Sterker nog: ze dreigde haar ouders zich van kant te maken, als ze niet met hem mocht trouwen. Krates, die van haar ouders het dringende verzoek kreeg haar van gedachten te doen veranderen, deed dus wel zijn uiterste best, maar toen hij haar niet kon overtuigen, stond hij ten slotte op, trok voor haar ogen zijn kleren uit en zei: “Dit is je bruidegom, dat is zijn bezit. Denk daarover na! Je zult namelijk niet mijn levenspartner kunnen zijn als je niet tevens dezelfde levenswijze aanneemt.” [97] Het meisje koos voor hem en trok in dezelfde soort uitrusting met haar man rond, bedreef de liefde met hem in het openbaar en bezocht met hem diners.
Toen zij een keer op een feest bij Lysimachos kwam, wist ze daar Theodorus, bijgenaamd de atheïst,  de mond te snoeren, door hem de volgende redenering (ivm Will Smith actueel!) voor te leggen. “Als Theodorus iets doet waarvan je niet kunt zeggen dat het onrechtmatig is, kun je ook niet zeggen dat Hipparchia in zo’n geval onrechtmatig handelt. Als Theodorus zichzelf een klap geeft, handelt hij niet onrechtmatig. Dus, als Hipparchia Theodorus een klap geeft, is dat ook geen onrechtmatige daad!” Hij wist geen antwoord op haar redenering, maar tilde haar jurk (6) omhoog. Hipparchia liet zich daardoor niet uit het veld slaan en raakte als vrouw niet in verlegenheid. Toen hij tegen haar zei: “Hé, het is een vrouw die weefgetouw en spoelen thuis gelaten heeft,”  zei zij: “Ja, zo ben ik, Theodorus. Zeg, je vindt toch niet dat ik daar fout aan gedaan heb, dat ik de tijd die ik aan het weefgetouw zou moeten doorbrengen aan mijn ontwikkeling heb besteed?”

zaterdag 26 maart 2022

Diogenes

 Diogenes van Sinope (1): een grote man.


Van de verhalen van “de honden” is onduidelijk of ze teruggaan op de levensverhalen van de cynici (“de honden”) of dat ze eigenlijk een soort parabels zijn. Persoonlijk ben ik voor deze laatste opvatting. Anderen menen dat deze anekdotes hun waarde verliezen, als ze niet gaan over de (heiligen-)levens van “de Honden”. Ik denk dat de kracht van de verhalen aantoont dat ze geweldig verteld zijn en ons een blik in onze ziel verschaffen. En daardoor lijkt het alsof deze verhalen anekdotes zijn over mensen die vroeger geleefd hebben. Ik zou zelfs nog een stapje verder willen gaan, en in deze verhalen de aankondiging willen zien van het Nieuwe Testament. Concreet houdt dat in dat het christelijke geloof zijn aanvang vindt in de filosofie van de cynici, en niet gedragen werd door een persoon, die wonderen verricht, maar door een goed georganiseerde kritische club intellectuelen. Veel over het leven van Christus wordt in dezelfde trant verteld als de verhalen over “de Honden”. Hoe het ook zij de christelijke en de cynische beweging hebben elkaar beïnvloed. Het oordeel over deze laatste uitspraken laat ik aan de lezer over, omdat in dit blog Diogenes van Sinope centraal staat en niet de wording van het Nieuwe Testament.

In een quiz op de televisie werd laatst de vraag gesteld of The Westside Story terugging op een verhaal van Shakespeare. Ik beantwoordde de vraag resoluut met: nee! Mijn vrouw, die meestal gelijk heeft, antwoordde: “Het gaat terug op Romeo en Juliet (Julia ) !” En inderdaad, ook de quizmaster bevestigde dat The Westside Story teruggaat op het liefdesdrama Romeo en Juliet van William Shakespeare. Ik was verbijsterd: mijn talenten zijn al gemakkelijk te tellen, nu bleek dat ik ook op een gebied waarop ik mij enigszins vertrouwd voelde, geen expertise had. Ik begreep dat ik op een geheel andere manier keek naar verwantschap tussen verhalen dan de meeste anderen. Want ik vond dat, als The Westside Story terug ging op Romeo en Juliet, je eigenlijk beweerde dat er in beide verhalen dezelfde woorden voorkwamen, kortom alles had met alles te maken en op die manier kon je elk verhaal herleiden tot elk ander verhaal. En dat zette mijn uitgangspunt waarbij ik verhalen van nu in verband breng met verhalen uit de klassieke oudheid, op scherp. Wat is een soliede basis om verhalen met zo’n groot tijdsverschil met elkaar in verband te brengen, zonder dat je een beledigende inbreuk doet door het ene verhaal met het andere te vergelijken?

Neem bijvoorbeeld het volgende verhaal uit 1980 door een volwassen Marokkaanse verteller (M’hammed, 30 jaar) in het Nederlands mij verteld:

Op een dag is Jeha heel arm. Hij loopt door het bos, en zie: wat glinstert daar tussen de bomen? Hij kijkt eens heel goed en ziet dat er een schat ligt tussen de struiken. Van de ene dag op de andere dag zijn zijn moeder en hij heel erg rijk. Hij pakt de schat en loopt ermee naar huis. Zijn moeder ziet de schat en klapt zich in haar handen van blijdschap: “Dit ga ik de koning brengen om te laten zien”, roept zij uit. En zij pakt de schat op en loopt ermee naar het paleis van de koning. Als de koning de schat ziet, vraagt hij of hij de vinder ervan kan spreken. De moeder is daarover heel erg verheugd, en zegt dat dat haar zoon is! Zij gaat hem meteen halen. Als hij voor de koning verschijnt, zegt de koning: “Ik veroordeel je ter dood!” Jeha wordt aan de schandpaal gebonden op de binnenplaats van het paleis. ’s Avonds, als iedereen gaat slapen, verschijnt de dochter van de koning voor het

raam van haar slaapkamer, dat uitkijkt op de binnenplaats. Daar staat Jeha aan de schandpaal gebonden. Jeha kijkt op naar het verlichte raam en ziet haar daar in volle glorie, zoals de natuur haar geschapen heeft. Ineens krijgt hij een stijve lul. Als hij dat merkt moet hij lachen. Hij schaterlacht uit volle borst, de lach weergalmt langs de muren van de binnenplaats. De koning hoort dat en hij vraagt: “Wat is dat voor gelach midden in de nach?” Zijn poortwachters antwoorden hem: “Dat is Jeha: waar hij zo om moet lachen, weten wij niet, maar hij kan maar niet ophouden met lachen. Hij heeft de slappe lach!” De koning beveelt hun: “Breng hem onmiddellijk hier!” Jeha moet nogmaals voor de koning verschijnen. De koning vraagt hem: “Waarom moet jij zo onbedaarlijk lachen?” “Sire,” antwoordt Jeha hem, “ik zal u antwoorden, als u mij belooft mij te sparen. Want wat ik u ga vertellen, is eigenlijk iets wat ik niet zomaar tegen uw persoon kan zeggen. U zou erdoor beledigd kunnen zijn, en dat is niet mijn bedoeling.” “Nou, goed dan,” zegt de koning, omdat de nieuwsgierigheid het bij hem wint van de lange tenen. “Vertel op!” “Sire, toen ik uw dochter naakt voor het raam zag staan, kreeg ik een erectie. Op dat moment schoot mij door het hoofd: zowel mijn moeder als u zijn eigenlijk precies als mijn lul. Mijn moeder brengt u zomaar mijn schat en u laat mij daarop zomaar onthoofden. En mijn lul wordt stijf, terwijl ik eigenlijk wel andere zorgen aan mijn hoofd heb dan uw dochter. Alles gebeurt buiten mijn wil om, en daarom kreeg ik de slappe lach!”

Toen ik dit verhaal de eerste keer hoorde twijfelde ik aan de authenticiteit. Ik dacht dat de verteller het had verzonnen, maar opbouw en strekking van het verhaal deden mij uiteindelijk besluiten het als echt te bestempelen. Terecht?


Vele jaren later stuit ik op Diogenes van Sinope en de verhalen die erover hem worden verteld, zoals het hieronder aangehaalde fragment (Philodemus Gardarensis, De stoicis, Papyri Herculis, Ed. Dorandi, 185, De pietate (ed. Comperz), 95; De rhetorica fragmenta incerta 181) (2):

[vii] Laten wij nu de “fraaie” acties van deze heren snel op een rijtje zetten, om zo min mogelijk tijd te hoeven besteden aan hun gedachtegoed. Deze “heiligen” hebben dus de regel om het leven van honden te leiden, onverbloemd termen te gebruiken en iedereen uit te schelden, zich openlijk af te trekken, een jas met voering te dragen(om gestolen goed in te verbergen, WtM); mannen te misbruiken, of ze van hen houden of niet, […] of ze nu graag toegeven aan hun verzoeken of ertoe gedwongen worden [..lacunes in de brontekst..].

~        Ze menen dat kinderen communaal bezit zijn.

~        Ze keuren het goed gemeenschap te hebben met hun eigen zussen, moeders en verwanten, en ook met broers en zonen, om voor hun seksuele bevrediging geen enkele beurt af te slaan, zelfs als het neerkomt op een soort verkrachting!

[ix] Dat vrouwen mannen benaderen, vervolgens verleiden en alle seksuele trucs aanwenden zodat zij maar met hen naar bed gaan, en als ze niemand kunnen vinden, mannen kopen om hen ten dienste te zijn;

~        Dat je alle mannen en vrouwen, naar het uitkomt, mag gebruiken;

~        Dat getrouwde mannen met hun eigen slavinnen naar bed mogen, getrouwde vrouwen er vandoor mogen gaan met mannen naar hun keuze en hun eigen mannen verlaten;

~        Dat mannen en vrouwen dezelfde kleding dragen, dezelfde beroepen uitoefenen [lacune].

~        Ze mogen aan hardlopen en sportoefening doen, naakt zijn[…] voor ieders ogen en met hen trainen[….] [….];

~        Vader te vermoorden[…];

~        Ook hebben ze de regel dat ze geen enkele staat erkennen die wij kennen en ook geen wetten;

~        Dat ze iedereen als kinderlijk beschouwen of krankzinnig en ziek[…];

~        Dat ze vijandig staan tegenover goden, zodat ze niemand vertrouwen […];

~        In alle opzichten foutief bezig zijn, zodat van alles wat bij hen voor goed en rechtvaardig doorgaat, niets van nature goed is [….] [lacunes].

Vergelijk dit eens met de vele geruchten die later de ronde deden over bijvoorbeeld Joden of Sinti in de Middeleeuwen en de verhalen verliezen hun onschuld. Waar wij om lachen, blijkt bittere ellende te zijn voor anderen in andere tijden. Mag je het verhaal en het fragment dan toch met elkaar in verband brengen? Ik denk van wel. Het fragment dat op Diogenes betrekking heeft, plaatst het eerste verhaal in een perspectief. Het is geen verhaal van nu (?), maar een verhaal van lang geleden. De uitleg helpt ons om het in het verleden te plaatsen! Als je het eerste verhaal plaatst tussen de andere Jeha-verhalen, dan blijkt dat Jeha met het koninklijk paleis in contact is gekomen, door het verjagen van honden, waarom de prinses die nooit lachte, moest lachen (3). Dat was de eerste keer dat hij op het paleis werd uitgenodigd. En dit alles mag je gerust als een aanwijzing zien dat het fragment over Diogenes hoort bij het eerste verhaal van de Marokkaanse man als uitleg. Het is in feite een afwijzing van een dictatuur, gebaseerd op de ideeën van Diogenes (en Plato). Als dat het geval is, lijkt dit me ook een aanwijzing dat het hier niet om anekdotes gaat, maar eerder om goed vertelde (opvoedkundige!) verhalen.

Is dit eenzelfde verband als tussen de Westside Story en Romeo en Juliet? Het verband tussen de Westside Story en Romeo en Juliet is losjes gebaseerd op eenzelfde verhaallijn. Mijn verband is formeel (= gelijkluidende bijzondere verhaalelementen): het voorkomen van vergelijkbare scènes en de verklaring van het ongerijmde. Als je van mijn analyse uitgaat, is er inderdaad maar een heel los verband tussen de Westside Story en Romeo en Juliet, omdat het ene verhaal weinig uitlegt van wat er gebeurt in het andere verhaal behalve heel erg oppervlakkig. En ook de scènes verschillen, al was het maar door de danspartijen. 

zaterdag 26 februari 2022

 Deel 2:  het Hondse begin van de psychologie!


Toen ik 40 jaar geleden het volgende verhaaltje voor het eerst onder ogen kreeg, schoot mij al meteen de mythe van Prometheus  door het hoofd. Maar er was niets dat op een verband tussen de mythe en dit Marokkaanse verhaaltje wees, zelfs niet na lang zoeken! Het verband was bovendien beladen, omdat alles wat met de aanwezigheid van de Romeinen in Marokko te maken had, bijna altijd wees op de Franse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, die toen zijn rechten op het gebied wilde laten gelden door op de klassieken terug te vallen.


Mythes zijn vreemde verhalen, want wie herleidt de Oedipus-mythe tot een gewoon conflict op leven en dood tussen ieder ouder en kind? Freud legde de mythe heel realistisch en concreet op die manier uit. Het was geen koningsdrama, maar een door iedereen beleefd conflict. Daarmee heeft hij de wereld van de psychologie een tijdlang op z’n kop gezet. Zijn leerling Jung probeerde het fysieke geweld weer enigszins te kanaliseren in geestelijke processen. De dialectiek in theorievorming op psychologisch gebied leek voorlopig weer tot stilstand te komen. Maar waar is die dialectische ontwikkeling begonnen?


Nu 40 jaar later, vind ik het verband tussen de Klassiek Humoristische verhaaltjes en de filosofie van de Honden. Maar, dat is filosofie en geen psychologie: een verhit debat op dit moment ontkent of beweert hardnekkig, dat mythes geen psychologische diepgang kennen. Dat maakt het werk van Freud en
Jung op zijn zachts gezegd merkwaardig. Laten we bij het begin beginnen.


40 Jaar geleden ging het om dit verhaaltje, terug te vinden in mijn doctoraalscriptie (1):


Jeha koopt lever en begeeft zich naar huis. Zo gebeurt het dat een raaf (2) de lever van hem pikt. Jeha kijkt achterom naar een andere man, die ook lever bij zich heeft en die hem net wil inhalen. Jeha pakt hem snel de lever af en gaat ervandoor. Tot hij op een hoog verheven plek aangekomen, niet meer verder kan. De man achtervolgt Jeha en haalt hem in. “Wat doe je toch, Jeha?” vraagt de man. “Niets, ik probeer alleen maar uit of ik raaf kan worden. (Want die weet op zijn vleugels te ontsnappen, wat mij niet lukt)”

Zoals gezegd had ik alleen de indruk dat Prometheus hiermee iets te maken zou kunnen hebben, maar een duidelijke aanwijzing daarvoor had ik niet. Totdat ik dit fragment van Antisthenes onder ogen kreeg (3):

Als jullie werkelijk willen begrijpen dat inzicht een verheven zaak is, roep ik Plato noch Aristoteles tot getuigen, maar de wijze Antisthenes , die deze methode heeft onderwezen. Hij zegt immers dat Prometheus aldus tot Herakles sprak: ‘Jouw werkzaamheden zijn erg minderwaardig, omdat jij je bezighoudt met menselijke zaken, maar de zorg voor datgene wat van groter belang is dan dat heb je verwaarloosd. Je zult namelijk geen volmaakt mens zijn, voordat je die dingen leert die hoger zijn dan de mensen. Als je die zaken leert, zul je ook de menselijke zaken leren. Als je echter alleen maar menselijke zaken leert, zul je als een dom beest ronddolen.

Hier zie je de tegenstelling tussen Freud en Jung terug: gaat het om realisme of is het verhaal eigenlijk alleen maar een geestelijk product zonder enige verwijzing naar wat dan ook in de realiteit? Herakles bekommert zich om deze wereld en de omstandigheden waaronder mensen moeten leven. Prometheus verwijt hem alleen voor aardse zaken belangstelling te hebben.
Prometheus heeft in zijn hoogmoed het vuur uit de hemel gestolen, en wordt daarvoor gestraft. Vastgebonden aan een zuil (4) daagt hij de oppergod Zeus uit. Herakles, ondeugende puber, bevrijdt Prometheus van zijn kluisters, en je zou kunnen denken praktijk en theorie hebben elkaar weer gevonden. In het commentaar op de scène van de gekluisterde Prometheus, zegt Georg Luck, De wijsheid van de Honden: noot 63, pag. 301-302):

…Verder merkt Buecheler  (5) op dat we hier Prometheus als “een nieuwe figuur” leren kennen, die de mensheid niet alleen het vuur maar ook de filosofie gebracht heeft. De verbinding met Prometheus (Antisthenes stelt Herakles als student van Prometheus voor) enerzijds en met Cheiron (de vaderlijke centaur die zich voor hem opoffert) anderzijds, en verder de wonden die Cheiron door Herakles zijn toegebracht, duiden ongetwijfeld, zoals Buecheler gezien heeft, op een situatie die overeenkomt met de mythe die door Apollodorus is samengevat en door Aischylos  is gedramatiseerd:  …”Hij trof in Prometheus naar mijn mening een soort sofist (trickster), aan, zoals hij door de publieke opinie te gronde werd gericht: telkens wanneer men hem
prees, werd zijn lever groter en groter, als men echter kritiek op hem had, verschrompelde hij weer. Herakles ontfermde zich over hem, verdreef de adelaar (6) en bevrijdde Prometheus van zijn ambities en arrogantie (boeien).”

Hieruit concludeer ik dat er in deze mythe wel degelijk sprake is van psychologie, namelijk die van bestrijding van de Hoogmoed (hubris) van Prometheus  en de driften van Herakles (7)! Dit zien we later terug als twee Hoofdzondes, die van Superbia en de Invidia, waarover ik al het een en ander op dit blog heb staan. Marokkaaans volksverhaal uit de Atlas: Superbia; Libro de buen Amor: Superbia. Van hetzelfde Marokkaanse verhaal: Invidia; idem Libro, Invidia .


De hoogmoed en de afgunst kun je met de Roomse kerk verbinden, door de biecht als een soort voorloper van een psychiatrisch consult te zien. Ik vind het daarnaast belangrijk dat je met het benoemen van de hoogmoed, een direct verband kunt leggen met de Humorale Theorie: de lever (doorscrollen naar tabel, IV, orgaan “lever”) was de zetel van het geweten (8) , een instantie die je soms verleidde tot de hoogmoed van het Gouden Kalf. Het begrip waar het hier om gaat heet in het Grieks syneidèsis (συνειδησισ ), in het Latijn Conscientia. Het eerste deel van de beide woorden (syn- en con-) wijzen erop dat Geweten (bewustzijn) gevormd wordt door de ervaringen in de natuurlijke en maatschappelijke omgeving. Verder verwijst het begrip naar een fragment in het Nieuwe testament (Hebreeën, 10, 2) waarin de woede van Mozes wordt beschreven bij het zien van het Gouden Kalf. Naar deze scène is de eerste volledige Sura (9) van de Koran genoemd: Al-Baqarah (De Koe). In Al-Baqarah worden degenen die openbaringen ontvangen hebben gecategoriseerd. Je zou kunnen zeggen zowel Mozes als deze verschillende profeten gaan terug op de allereerste profeet: Prometheus, de grondlegger van de psychologie. Waarbij moet opgemerkt dat psychologie en filosofie nog niet van elkaar werden onderscheiden.


En ook de Invidia kun je met de Humorale theorie verbinden door Herakles te zien als een vertegenwoordiger van instantie VI-1 en VI-2: sex en eer, wat kan leiden tot angst en depressie. Maar dit valt dan in de Oudheid niet zozeer onder de godsdienst, maar eerder onder de staatsinrichting. Een goed en fatsoenlijk burger wist zijn plaats in het maatschappelijk stelsel. Een mening die ook de Honden waren toegedaan zoals gezegd op mijn vorige blog .  Maar hierover bestond discussie: Alcibiades wilde de goden beledigen en niet zozeer de staat.
Dit alles bij elkaar leidt tot mijn conclusie dat het begin van de psychologie een geestelijke, Hondse start kende, die veel later door Freud werd omgebogen tot een materialistische. Jung poogde de synthese, maar de vraag is of hij daarin wel is geslaagd. Of dat bij hem praktijk en theorie toch veel te ver van elkaar blijven staan. Het in het begin aangehaalde verhaaltje over Jeha, de raaf en de lever, sluit wel aan bij de dagelijkse levensbeslommeringen en overbrugt de kloof tussen praktijk en theorie. Het belang van de Klassieke Humor voor de psychologie dat al eerder in de Zwitserse psychiatrie om de hoek bij Freud opdook, blijft van onschatbare waarde!

vrijdag 11 februari 2022

De Honden

 De Honden (de Cynici ) : Macht corrumpeert!

Aristoteles, Politica, 3.13, 1284a, 11-17, in de vertaling van Jan Maarten Bremer en Ton Kessels, Historische Uitgeverij, Groningen, 2012:

Als er één persoon is, of meer dan één maar niet genoeg om een volledige polis (1) te vormen, die zover boven de anderen uitsteekt (uitsteken) dat de voortreffelijkheid en politieke bekwaamheid van al die anderen het in de verste verte niet halen bij die van hen of hem alleen, dan moet(en) deze niet langer worden beschouwd als onderdeel van de polis. Zulke mensen doet men onrecht door hen, bij zo grote ongelijkheid in voortreffelijkheid (2) en politieke bekwaamheid, slechts dezelfde waardigheid als anderen toe te kennen. Het is niet teveel gezegd dat zo iemand als een god onder mensen is (3) . Hieruit blijkt duidelijk dat ook wetgeving noodzakelijkerwijs geldt voor gelijken in geboorte en bekwaamheid, maar dat voor mensen als juist beschreven er geen wet bestaat. Zij vormen immers zelf een wet; wie zou proberen hun de wet te stellen zou zich alleen belachelijk maken – ze zouden waarschijnlijk hetzelfde zeggen wat volgens Antisthenes (4) de leeuwen zeiden toen in de volksvergadering de hazen het woord namen en gelijke rechten voor allen eisten (5).
Om dezelfde reden kennen democratisch ingerichte staten het systeem van ostracisme (6). Men ziet dat deze staten gelijkheid boven alles nastreven; daarom bracht men tegen mensen van wie men vond dat zij dankzij hun rijkdom, relaties of een andere politieke machtsfactor bovenmatig veel invloed hadden gekregen, een stem uit om ze voor een bepaalde tijdsduur uit de polis te verbannen. Naar wat men vertelt, hebben de Argonauten  Heracles achtergelaten om een soortgelijke reden: hun schip (7) , de Argo, wilde hem niet aan boord nemen, omdat hij véél meer gewicht had dan de overige opvarenden.(x)


 “Macht corrumpeert”, deze uitspraak is waarschijnlijk net zo oud als een uitspraak, dat alle mensen altijd hebben gehuild en gelachen. Ik wil daarmee zeggen dat al heel lang geleden heersers ervan doordrongen waren dat hun inzichten niet absoluut goede of juiste inzichten waren. Elke beslissing had zijn commentaar nodig, voordat de heerser tot handelen overging. Daartoe hadden een aantal heersers iemand in huis die net als tegenwoordig een Tweede Kamerlid alles mocht zeggen. Maar in den beginne was er de sjamanistische nar (8), die de absolute religieuze heerser in bestuur en recht, alle hoeken van de kamer moest laten zien. Dat was natuurlijk geen beroep zonder gevaar. En menigeen kwam aan een ellendig einde.
In onze verhaaltjes, geput uit wat ik Klassieke Humor noem, komt deze rol van de nar in dienst van een tiran of een koning nog regelmatig voor: bij Nasreddin, Jeha, Tijl Uilenspiegel, Anansi etc. Maar daarmee is zijn rol niet uitgespeeld. Robin Lane Fox, nr 106, pag. 78 ):
“.. spot was een van de belangrijkste sociale cohesie versterkende instrumenten in Sparta. Dat hield in (zoals ons wordt verteld) dat dronken (krijgsgevangen) slaven, heloten, werden bespot door ze willoos te laten ronddartelen.” (9)
Op een gegeven moment is de nar op straat gezet. Dat gebeurde in onze streken voor het eerst in Klein Azië. Je ziet daar tirannen optreden die wreed en meedogenloos regeren, maar andere die beseffen dat macht corrumpeert. En deze laatsten roepen, om zich daartegen te behoeden, in plaats van grappenmakers, volksvergaderingen bijeen. Ook in deze vergaderingen mag alles geroepen worden, wat iemand maar te berde wil brengen. Soms, zoals in het Athene van Alkibiades (10), omstreeks 450 vChr, gedragen deze volksvergaderingen zich weer op hun beurt als volks-tirannen. Ze onderwerpen eilanden aan een strak bewind waarbij er niet voor wordt teruggeschrokken om hele bevolkingen uit te moorden (Melos). Dat roept een merkwaardige reactie op onder intellectuelen als Antisthenes, Socrates en Diogenes van Sinope etc. Zij verloren het vertrouwen in het woord van de heerser. Pas gedrag bewees dat je meende wat je zei, dat je je (boeren- en dus gezonde) verstand gebruikte. In de Romeinse tijd krijgt deze stroming een gematigde tweeling: het stoïcisme en het epicurisme. Cicero past dus wel degelijk in de traditie van Klassieke Humor, omdat hij tegen het stoïcisme aanleunt en hun debatten heeft (laten) opschrijven.

De filosofische stroming die uit de kritiek op de macht voortkwam, noemde zich naar de  straathond, die net zoals we in eerdere bloggen (Wittgenstein en Vergelijking)  hebben gerapporteerd in roedels door de straten van de antieke steden zwierven, en soms onderdak vonden in tonnen. Vieze beesten kortom, net zoals de filosofen die zich naar hen noemden, met slechts één mantel, eten uit de hand, sporadisch gebruik van het bad, ruige baardgroei en geen schoenen aan de voeten. Van geld moesten ze niets hebben, dat stonk en was goed om zich in te wentelen, maar niet om er een maatschappij mee in te richten. De burger moest opgevoed worden, afgericht, tot een goede burger, zoals Socrates al had gezegd. En goed gedrag kun je hem leren. In hun gedrag lijken ze veel op de latere vertegenwoordigers van het Soefisme in de Islamitische wereld, waarover in latere blogs zal worden verteld. In India zijn het de yogi, die sterke overeenkomsten met de Cynici hebben.


Na jarenlang grappige verhaaltjes te hebben verzameld in de traditie van de Klassieke Humor, kan ik nu zeggen dat veel van deze verhaaltjes teruggaan op de filosofie van de Cynici. De verhaaltjes geven een beeld van waarschijnlijk het belangrijkste contrapunt uit de Europese politieke geschiedenis. Deze schaduw van de macht zorgde ervoor dat macht minder corrumpeerde dan ze anders zou hebben gedaan. Sporen van de cynische traditie zijn tot op de dag van vandaag voelbaar in de politiek. Wat stonden deze Cynici dan voor dat ze tegelijkertijd van groot belang zijn én zodanig in de schaduw van het wereldgebeuren zich ophouden, dat het jaren kost om er achter te komen, waar de verhaaltjes van bijv. Tijl Uilenspiegel op teruggaan? In de komende vier afleveringen van dit blog, Klassieke Humor, ga ik na, wat de Cynici hebben bijgedragen aan de Klassieke Humor. Dit is een eerste aanzet.

Een paar van hun kernwaarden heb ik al opgesomd: afzien van rijkdom en kritiek op de macht. Bij een cynisch persoon denk je inderdaad aan negatieve waarden. Maar ze stonden ook positief in het leven. Die positiviteit werd aangeduid met het begrip “aretè” (2). Ook in het citaat hierboven uit de Politica van Aristoteles, komt dit begrip voor. In de Wijsheid van de honden (Georg Luck, vertaald door Gerard Jansen en Goverdien Hauth-Grubben, 1997, pag. 28) wordt het begrip als volgt omschreven:
“Het hoogste goed, de enige absolute noodzakelijkheid in het leven, het doel van alle streven is de deugd. De deugd, zo leert ook Sokrates al, is kennis, zij kan onderwezen worden en is – eenmaal in iemands bezit –onvervreemdbaar. De grootste deugd is het verstand, ook dat is sokratisch, en wordt overgenomen door de kyrenaici (de honden), die in het verstand en in de rechtvaardigheid het werkelijk goede zien. De deugd is de enige vereiste voor het geluk en is op zich al genoeg om gelukkig te zijn…”
Je kunt uit de omschrijving opmaken, hoe dicht de Cynici staan bij het christelijk gedachtengoed. Als Jezus de handelaren uit de tempel jaagt, dan heeft hij een hele volksbeweging achter zich die hem in zijn handelen steunt: de cynici, ook wel “de honden” genoemd (een geuzennaam)! Wat eerst een geuzennaam was, wordt later een scheldnaam. Een vergelijkbare ontwikkeling hebben we gezien bij de ezel. En net zoals de symbolische betekenis van de Ezel in deze verhaaltjes mij veel moeite heeft gekost om hem te achterhalen, is dat het geval voor de Hond.
 
Verwijzingen:

  1. Spreekwoorden over de hond: 15 februari 2020;
  2. Wittgestein en de hond;
  3. Rabelais, Panurg achtervolgd door 1311 honden; ook onder link (29) in de tekst!
  4. Rabelais: de Parijse dame;
Andere verbanden:
  1. achtergrondverhaal;
  2. Geboorte Herakles: Plautus, Amphitruo;
  3. De wederopstanding;
  4. De vergelijking;
  5. De ezel;
  6. Duitse fotograaf van “honden”,  Elke Vogelsang;
  7. polis
  8. Windhond.