vrijdag 5 maart 2021

 Je zou het bijna vergeten, maar we zijn bezig aan een serie grappen met in de hoofdrol de vrouw van Djha. We pakken de draad weer op! Voor meer achtergrondinformatie over Djha en Mart-Djha (de vrouw van Djha) kunt u hier klikken.


De twee kwartels.



Om zijn gast zijn waardering te laten blijken, bracht Djha twee mooie kwartels mee naar huis om op te eten. Hij vertrouwde ze zijn vrouw toe, die een ware top-kok was.

~      Hier heb je iets om een goede maaltijd mee te maken. Ik heb een heel erg dierbare vriend uitgenodigd, die ik in geen twintig jaar heb gezien.
Vrouw Djha, die weg was van wild, zette zich aan het koken. Ze nam het Djha een beetje kwalijk dat hij blijkbaar over de middelen beschikte om zoveel voor een vreemdeling uit te geven, terwijl zij al lange tijd geen vlees meer had gegeten. Ze verzette zich inwendig tegen deze vorm van ongepaste liefdadigheid, terwijl het vlees sappig en geurig stond te sudderen. En onder het bereiden van de maaltijd, begon ze met de puntjes van haar vingers ervan te proeven. Ten slotte proefde ze er zo vaak van en was het zó lekker, dat er niets meer over was. Zoals het spreekwoord zegt: “Met de vingertoppen proeven, ledigt zelfs de Koninklijke schatkist!”


Toen het uur van eten aangebroken was, kwam Djha met zijn gast thuis. Ze installeerden zich als vorsten in de eetkamer in afwachting van de schotel die zou worden opgediend. Hoe zou de vrouw van Djha zich uit deze benarde situatie kunnen redden? Zij had er op dat moment nog geen idee van! Ik moet erbij vertellen dat de vrouw van Djha als de nood het hoogst was tot geweldige dingen in staat was. In zulke omstandigheden was zij in staat om zelfs via het oog van de naald zich ergens uit te redden. Deze keer gaf ze met een discreet gebaar te kennen aan haar echtgenoot Djha dat hij in de keuken moest komen. En met haar mooiste glimlach vroeg ze hem dwingend om achter in de tuin het mes te gaan slijpen op een slijpsteen. Terwijl Djha met dit werkje bezig was, ging zijn vrouw naar de gast toe, die in alle rust op de bank de dingen die gingen gebeuren afwachtte. Zij hielp hem uit zijn droom door op ernstige toon hem toe te fluisteren:
~      Ongelukkige! Waarom ben je nu juist net hier gekomen?
De ander was verbaasd, en met opengesperde ogen, stamelde hij:
~      Hoezo? Mijn vriend Djha heeft me hier uitgenodigd. Het is alweer twintig jaar geleden dat we elkaar voor het laatst hebben gezien.
~      Mijn arme meneer, heeft niemand jou verteld dat onze o zo vriendelijke Djha is veranderd?
~      Nee! Hij is nog altijd precies dezelfde.
~      Helaas! Dat is maar schijn. Iedereen trapt erin! Weet dat je in groot gevaar bent! Mijn echtgenoot nodigt vaak mannen uit om hen de ba….. af te snijden. Begrijpt u? Hoe kan ik het nog duidelijker zeggen? Je weet wel, de twee oren, onderaan. Vraag me niet waarom, ik begrijp het niet. Het is een ziekte. Kijk maar eens uit het raam. Hij is nu al bezig zijn mes te slijpen.

De vriend kwam omhoog van de bank en zag warempel Djha helemaal in beslag genomen door het slijpen van een enorm mes. Verschrikt door de afmetingen van het mes, schoot hij zijn slippers aan en ging ervandoor dwars door het veld.
Toen hij de deur hoorde dichtslaan, riep Djha van achteruit de tuin:
~      Wat is er?
Zijn vrouw stormde naar buiten als een furie. Zij schreeuwde terwijl zij wild met haar armen gebaarde:
~      Vlug, vlug! Ga hem achterna! Jouw gast is er met de twee kwartels voor de maaltijd vandoor. Jij ook altijd, jij nodigt maar uit, wie je maar tegenkomt. En weer heb ik niets te eten!
Met het mes nog in zijn hand zette Djha de achtervolging in.
~      Hé, kom terug!
De man verschrikt door het idee te worden ontmand, zette er met dubbele haast de sokken in, toen hij Djha zag met het mes nog steeds in zijn hand. Djha, buiten adem, drong aan:
~      Kom hier! Ondankbare zak! Ik wil op z’n minst een van de twee! Eentje voor mijn arme vrouw, die er zó van houdt!
~      Hé Djha! Als jij erin slaagt mij te pakken te krijgen, laat ik me ze alle twee afsnijden! zei de man die zich eindelijk buiten gevaar voelde.
Djha, die dacht dat zijn vriend gek geworden was, liep terug naar huis. Intussen had zijn vrouw discreet de botjes van de twee kwartels begraven aan de voet van de jasmijnboom.

Let op het verschil in sfeer tussen de ene grap en de andere. Het is duidelijk dat de eerste grap met de tijd is meegegaan: alle brute geweld is eruit verdwenen. Alleen de dreiging met geweld is overgebleven. Toch maken de beide grappen deel uit van dezelfde serie grappen, waarin een mes kan doden en tot leven kan opwekken. In de tweede grap zou je je zo in de Romeinse tijd kunnen wanen, met veel mensen langs de weg, ook struikrovers en dieven: zie toelichting. Alle ingrediënten van het Romeinse theater zijn in de tweede grap terug te vinden. In de serie komt het zich in huiden kleden voor en het middeleeuwse leven zoals je dat nog op schilderijen van Pieter Brueghel de Oude kunt zien.


Verhaal 49: Het mes van mijnheer Djeha dat doodt en uit de dood doet opstaan.


De vier louche individuen, die Djeha tevoren flink te pakken had genomen, waren er meteen op uit gegaan om revanche op hem te nemen. Ze bleven langs de weg ergens slapen. Er was geen tijd te verliezen om bij het huis van Djeha te komen. Die had er al zo’n voorgevoel van dat ze zo vlug ze konden bij hem langs zouden komen.. Daarom wendde hij zich tot zijn moeder en zijn vrouw om hulp. Hij zei hun:
Morgen zullen die mensen langs komen, die mij willen vermoorden. Ik ben van plan ze opnieuw een poets te bakken om onze levens te redden.

~      Welke streek zullen we met ze uithalen, mijn zoon? vroeg hem zijn moeder.

~      Wij vullen een geitenblaas met bloed en die binden we om de hals van mijn vrouw, antwoordde hij. Wanneer die mensen hier zijn, zal ik haar opdragen iets te doen. Zij wordt daarover kwaad. Daarop geef ik haar een steek met mijn mes, precies in de geitenblaas met bloed, en mijn vrouw valt als dood op de grond. Zij zullen zó in shock zijn door al dat bloed dat met gutsen uit de blaas stroomt, dat ze uitschreeuwen: “Wat heb je nu weer gedaan, Djeha, god-oh-god nog aan toe!” en zullen alles vergeten wat ze van plan waren uit wraak te doen.

De volgende dag kwamen ze bij hem. Zij riepen:

 Mijnheer Djeha, kom naar buiten!
 Wie roept mij daar toch zó? vroeg Djeha. 
Wij zijn het, je vrienden, zeiden ze.
 Dat Gods zegen op jullie moge rusten, antwoordde Djeha.
 Kom dan toch naar buiten!
Hé, m’n beste vrienden, waarom komen jullie niet binnen?!
 Dat doen we niet.
 Ach, kom toch binnen, je krijgt te eten, want God is u welgezind.  
Zij gingen naar binnen en zeiden:

~      Maar, wij gaan niet eten!
 Natuurlijk wel, u gaat eten! kaatste Djeha terug onder het dekken van de tafel.  Zij gingen eten en Djeha beval zijn vrouw: “Haal water!” en dat weigerde ze te doen. Daarop zei hij het haar nog een tweede keer: “Haal water!” En weer weigerde ze te doen wat hij vroeg. Djeha sprong op haar af, trok zijn mes en stak haar neer. Zij tuimelde om bedekt met bloed en deed alsof ze dood was.

De vier individuen begonnen door elkaar heen te roepen:
 Dat ook nog, nu heeft hij in zijn eigen huis zijn vrouw om zeep gebracht. Die moord is gepleegd onzentwege. Wat staat ons nu te doen?

~      Eet nu maar op wat je is voorgezet, zei hun Djeha, je hoeft nergens bang voor te zijn. Mijn mes doodt en wekt de doden ook weer tot leven.

Hij ging naar zijn vrouw toe, veegde met zijn mes verschillende keren over haar heen, terwijl hij steeds weer zei: “Het mes van Djeha doodt en doet leven.” In een wip stond zijn vrouw van de grond op en zei tegen haar man:

~      Foei, hoe kon jij mij doden!

~      Ik zal je doden en weer tot leven wekken, net naar het mij uitkomt, om je van je kwade humeur af te helpen, zei Djeha.

De vier individuen waren stomverbaasd. 
Mijnheer Djeha, verkoop ons dat mes, toe…
Ik verkoop jullie dat mes niet, ik ben toch zeker niet op mijn achterhoofd gevallen! zei hij. 
Mijn beste, verkoop het ons toch. Onze vrouwen maken ons het leven zuur. Zo kan hij die door het humeur van zijn vrouw chagrijnig wordt, haar neersteken om haar slechte karakter te corrigeren. Daarna zal hij haar weer doen leven met hetzelfde het mes.
Neem maar mee, zei Djeha, ik verkoop het jullie!
Hoeveel zullen we u ervoor geven?
Jullie weten hoe het werkt, antwoordde Djeha.


Zij gaven hem 100 douros (ongeveer 1000 euro!) en gingen naar huis terug. Toen ze in hun dorp aankwamen, gaven ze het mes aan één van hen mee. Hij nam het mee naar huis. ’s Avonds riep hij zijn vrouw en beval haar iets te doen. Zij gehoorzaamde niet! Hij wierp zich op haar en doodde haar. Hij ging naar haar toe en zei: “Het mes van Djeha doodt en doet leven”. Maar zijn vrouw kwam niet in beweging. Hij sleepte haar naar buiten en begroef haar in alle stilte. De volgende dag, nam een van de anderen het mes mee naar huis zonder dat hij ervoor werd gewaarschuwd dat het mes niet voldeed. Hij pakte het aan en vertrok naar huis. Thuis aangekomen, zei hij zijn vrouw: “Breng me water!” Zij gehoorzaamde niet. Hij stak toe net als de eerste man had gedaan. Ook zijn vrouw kwam niet weer tot leven. Ook hij sleepte haar naar buiten en begroef haar. De volgende dag was het derde louche individu aan de beurt. De tweede had hem weer niet ingelicht over het mes. Hij gaf een bevel aan zijn vrouw. Toen ook die hem niet gehoorzaamde, kwam hij overeind en doodde haar. Zij gaf geen krimp meer dan de andere twee vrouwen. Hij sleepte zijn vrouw het huis uit en begroef haar. De volgende dag kwam de vierde het mes halen. Maar zijn vriend bracht ook hem van niets op de hoogte. Hij nam het mes mee en vertrok naar huis. Thuis aangekomen, zei hij tegen zijn vrouw: “Maak ons te eten!” “Wacht even, " antwoordde zij, “ik heb op het moment nog iets anders te doen.” Hij stond op, stak toe en doodde haar. Evenmin als de drie anderen kwam zij weer in beweging. Hij sleepte haar het huis uit en begroef haar. Hij ging meteen naar zijn vrienden. Toen hij ze eenmaal bij elkaar had, zei hij hun:

~      Hoe komt het dat mijn vrouw dood is? Dat zij geen teken van leven meer geeft? Dat ze niet beweegt? En hoe staat het ervoor met jullie vrouwen?

~      Zij zijn allemaal dood!

~      Vooruit, naar Djeha, erop af! Dit keer zullen we z’n hoofd eten, z’n kop gaat eraf! Want hij is te ver gegaan. Wat onze vrouwen betreft: híj heeft ze vermoord. Waar wachten we op? Ons rest niets meer dan erop af te gaan. En als God het wil, dan staat hem de dood te wachten. Dan kan hij ons niet meer voor de gek houden. Dit was de laatste keer!”

 

zondag 14 februari 2021

De man die verwisseld werd (Perzisch)

Een man vroeg in een molen om onderdak voor de nacht. Hij zei tegen de molenaar: “Wek me morgen in alle vroegte.” Toen hij in slaap was gevallen, trok de molenaar de muts van het hoofd van de man en zette hem in plaats daarvan zijn eigen muts op. Bij het ochtendkrieken ontwaakte de vreemdeling en vertrok. Toen hij een poosje had gelopen en het helemaal licht was geworden, kwam hij bij een beek. Hij zag zijn spiegelbeeld in het water, maar toen hij ontdekte dat hij de muts van de molenaar op zijn hoofd had, dacht hij bij zichzelf: “Ik had toch gevraagd of hij mij wilde wekken, maar nu heeft die domoor zichzelf gewekt.” En met die gedachte maakte hij rechtsomkeert en schold de molenaar de huid vol: “Waarom heb je me niet gewekt zoals ik had gezegd?”

Commentaar:


In de Inleiding van mijn website, getiteld Grappen van Vroeger, na de presentatie van de verschillende hoofdpersonen, merk ik op: “Het hoofddeksel benadrukt het belang van het hoofd, maar ook dat je het denken niet moet overschatten.” Het hoofddeksel was een belangrijke aanwijzing tot welke stand en klasse iemand behoorde. Het hoofddeksel van de trickster wijkt af van alle bestaande mutsen, hoeden en petten, mijters en kronen, doordat het vormeloos is. Het is iets ondefinieerbaars op het hoofd, dat aangaf dat de trickster tot geen stand behoorde en er niet alleen buiten, maar zelfs er boven stond zoals een nar vroeger aan het hof van de koning. Waarschijnlijk is die verfomfaaide muts daar ook een relikwie van. Ik weet niet of de molenaar vroeger een muts droeg, maar ik weet wel dat om zakken meel te sjouwen men de gewoonte had een lege meelzak zo te vouwen dat je je hoofd in één hoek van de zak kon steken om te voorkomen dat je onherkenbaar onder het meel kwam te zitten. Hij droeg de meelzak als een soort hoodie.


Nu gaat het er hier niet om dat de man onherkenbaar is, maar dat hij zich verwisselt met de identiteit van de molenaar. Er bestaat een hele categorie sprookjes, fabels en parabels met als onderwerp dat het ene (goede) kind geruild wordt met een ander (slecht) kind. Het bekendste voorbeeld hiervan is het verhaal van Repelsteeltje. In de psychologie houden ze het erop dat het verhaal wijst op de ervaring van de moeder bij de geboorte van het kind. Eerst kan ze zich geen mooier kind dan het hare voorstellen, wat later kan omslaan in een post-traumatische depressie, waarbij het het lelijkste kind wordt ter wereld.  Deze ervaring is heel oud, en wordt in Marokko in verband gebracht met Demonen, die het ene kind voor het andere verwisselen (Dr-esse Legey: Essai de Folklore marocain, Librairie orientaliste Paul Geuther, Paris, 1926, pag 106,  l’enfant mebeddel).


Op mijn vorige blog vertelde ik dat Chaucer dit Perzische verhaal als bron had voor het vertellen van zijn verhaal van de Baljuw. De Roomse kerk zou dit volksverhaal vertaald hebben naar christelijke normen. Wat duidelijk is, is dat Chaucer met opzet de Zeven Hoofdzonden als schema voor het vertellen van het verhaal erin heeft aangebracht. De klassieke strak logische opbouw, is uit het verhaal van Chaucer verdwenen en ervoor in de plaats is het schema van de Zeven Hoofdzonden gekomen.


Blijft de vraag, waarom heeft de kerk zich nu juist over dit verhaal ontfermd? Waarschijnlijk komt dit, omdat men in de doop een manier zag, waardoor de ene slechte identiteit, kon worden vervangen door een goede identiteit. Of dit ook al de achtergrond is van het Perzische verhaal, kan ik niet vaststellen. Wél is zeker dat de molen als eindpunt van de graanoogst een christelijk motief is. In bijbel komen verschillende parabels voor, waarin de graanoogst een rol speelt:  bijv. graan op een rotsbodem, tussen de distels etc. In mijn stuk over de Ezel haal ik aan dat de apostels “Oogsters” (Matteus 9: 38) werden genoemd. Als eindpunt van dit proces staat de molen voor “de wereld bestuurd door Christus”, waarbij je nogal oneerbiedig kunt concluderen dat de molenaar Christus is en de wereld een (water-) molen. Aangezien de molenaar ook nog bekend staat om twijfelachtiger eigenschappen, -- zoals, dat hij met alle vrouwen in de buurt seks zou hebben-- is de vergelijking een beetje pikant. Maar bij Chaucer bekend blijkbaar.

dinsdag 9 februari 2021

 Canterbury Tales: het verhaal van de baljuw (de chef).



Voor commentaar: klik hier!
 
“At Trumpington, not far from Cambridge town,
A bridge goes over where the brook runs down,
And by that brook there stands a mill as well.
And it’s God’s truth that I am going to tell.”
Voor de vertaling, klik: (1)

Alles speelt zich af op en rond een watermolen. De eigenaar, de molenaar, neemt het niet zo nauw met de eerlijkheid. Hij weet altijd wel een extra hoeveelheid graan aan zijn klanten te ontfutselen. Het is een nogal stevig gebouwde man met een kale kop. Hij is getrouwd met de dochter van de lokale predikant. Een mooie vrouw, die weet dat ze mooi is, een gedegen opleiding heeft genoten, en een vader heeft met enige landerijen. Chaucer zegt het zó:

 “For Holy Church’s goods should be expended
  On Holy Church’s blood, so well descended,
  And holy blood should have what’s proper to it
  Though Holy Church should be devoured to do it.”
Voor de vertaling, klik: (2)

Een molenaar die zijn eigen belang kent, is in Chaucer’s dagen geen onbemiddeld man. Vandaar dat hij met de dochter van een ander rijk man trouwt.


Een klooster in de buurt brengt altijd zijn graan bij deze molenaar. Maar op een dag is de monnik die het graan naar de molenaar brengt, zo ziek dat hij dit niet kan doen. In de plaats van hem gaan twee seminaristen (clerks) het graan bij de molenaar bezorgen. Ze beloven de abt dat ze het graan en het meel niet zullen laten stelen. Daarom gaat de ene, John, boven bij de schacht gaan staan waarin het graan wordt gedaan, en de andere, Alan, gaat beneden staan bij de koker waaruit het meel komt. Zo kan het hun niet ontgaan, wanneer de molenaar probeert graan of meel te gappen.

Ze hebben buiten de waard gerekend! Want het paard waarmee het graan is gebracht, staat op het erf van de molen vastgebonden, buiten het zicht van de jongens. De molenaar ziet zijn kans schoon: hij maakt het paard los, waarop het paard meteen de benen neemt naar het veld, waar nog andere wilde paarden grazen. Als het graan gemalen is en de jongens met het meel naar huis willen gaan, ontdekken ze dat hun paard ervandoor is. Met veel moeite weten ze het paard weer te pakken te krijgen. Maar het is ondertussen laat geworden en donker. Ze vragen de molenaar of ze bij hem kunnen blijven slapen. Dat kan, maar ze slapen met z’n allen in één ruimte, want over meer kamers beschikt hij niet. De jongens laten tegen betaling bier en eten komen, want ze hebben honger. Alles wordt keurig gedeeld met de hebberige molenaar, zijn vrouw, en de jonge dochter. De baby kan nog niet delen in het feestmaal dat volgt, maar laat af en toe wel horen dat het gevoed wenst te worden, want het is een mollig welvarend ventje, dat altijd vlakbij de moeder is.
 “They supped and talked and had fine carousse
  And drank a lot of ale, the very best.
  Midnight or thereabout they went to rest.
        Properly pasted was this miller’s head,
Pale-drunk he was, he’d passed the stage of red;
Hiccupping through his nose he talked and trolled
as if he’d asthma or a heavy cold.
To bed he goes, his wife and he together;
She was as jolly as a jay in feather,
having well wet her whisle from the ladle.
And by her bed she planted down the cradle
To rock the baby or to give it sup.”
Voor de vertaling, klik: (3)

Ze gaan slapen, maar door het gesnurk van het echtpaar kunnen de jongens, John en Alan, niet  slapen:
 “He snorted like a cart-horse in his sleep
And vented other noises, loud and deep
His wife joined in the chorus hot and strong:
Two furlongs off you might have heard their song.
The wench was snoring too, for company…….
But never ye mind, all shall be for the best;
I tell ye John, as sure as I’m a man
I’m going to have that wench there, if I can!
The law grants easement when things gan amiss,
For, John, there is a law that gans like this:
If in any point a person be aggrieved,
Then in another he shall be relieved.”
Voor de vertaling, klik: (4)


En zo komt het dat, zelfs niet tegen de zin van het meisje, Alan bij haar in bed terecht komt. Maar hoe nu met John?
 “For God helps those that help theirsels, they say.
He rises, steals towards the cradle, lifts it,
And stepping softly back again, he shifts it
And lays it by his bed upon the floor.
The miller’s wife soon after ceased to snore,
Began to wake, rose up, and left the room,
And coming back she groped about in gloom,
Missing the cradle John had snatched away.
Lord, Lord, she said, I nearly went astray
And got into the student’s bed…How dreadful!
There would hacve been foul doings. What a bed-ful!
At last she gropes so where the cradle stands,
And so by fumbling upwards with her hands
She found the bed and thinking nough but good,
Since she was certain where the cradle stood,
Yet knew not where she was, for it was dark,
She well and fairly crept in with th clerk,
Then lay quite stil land tried to go to sleep.
John waited for a while, then gave a leap
And thrust himself upon the worthy wife.
It was the merriest fit fit in all her life,
For John went deep and thrust away like mad.
It was a jolly life for either lad
Till the third morning cock began to sing.”
Voor de vertaling, klik: (5)



Tegen de ochtend wil Alan naar het bed gaan waar hij samen met John naar bed was gegaan. Maar stoot daarbij op de wieg. Hij denkt dat hij zich heeft vergist en gaat naar het bed waarin de molenaar slaapt. Omdat hij denkt dat het John is, pakt hij hem beet in de nek en schudt hem eens stevig heen en weer om hem te wekken. Hij wil zo graag zijn nachtelijke avonturen aan zijn vriend John vertellen. De molenaar wordt wakker en treft Alan bij zich in bed aan. Kwaad beginnen ze te vechten en, als de molenaar neervalt, omdat hij ergens over is gestruikeld, valt hij neer op zijn vrouw in de armen van John. De vrouw “ontdekt” wat haar is overkomen, en wil de vechtenden scheiden. Omdat zij beter dan de anderen de weg weet in het duister van de kamer, weet ze een stok in een hoek te pakken te krijgen. En nu is het zaak om de juiste man neer te halen:
 “And by a little shaft of shimmering light
That shone in through a hole – the moon was bright--
Although th room was almost black as pitch
She saw them fight, not knowing which was which;
But there was something white that caught her eye
On seeing which she peered and gave a cry,
Thinking it was the night-cap of the clerk.
   Raising her stick, she crept up in the dark
And hoping to hit Alan, it was her fate
To smite the miller on his shining pate,
And down he went, shouting, Oh God, I’m dying!”
Voor de vertaling, klik: (6)

En de chef besluit zijn verhaal aldus:

 “Do evil and be done by as you did;
Tricksters will get a tricking, so say I;
And God that sits in majesty on high
Bring all this company, great and small, to Glory!
That I’ve paid out the Miller with my story”
Voor de vertaling, klik: (7)

donderdag 28 januari 2021

 


Bij de volgende grap, moet je je verplaatsen in de omgeving van een Algerijns dorp op de grens van de woestijn, de Sahara. Een dorp met een rivier zoals op de foto hierboven is te zien. In zo’n dorp is de vertelster van de grap, Nora Aceval, geboren. Het is een boeren omgeving met boerse grappen.

 

 Alles is dubbel.

Klik voor de versie in het Frans van de grap en informatie over vertelster.
De vrouw van Djha, die de ezel van haar man had geleend, maakte een flinke, lelijke val van de ezel. Je kunt beter van een paard vallen dan van een ezel, zeggen de ouden. Zo kwam het dat de vrouw van Djha (mart Djha) een nare klap op haar hoofd opliep, die niet zonder gevolgen bleef. Haar ogen loensten en ze zag alles dubbel. Djha bekommerde zich om haar, maar was helemaal niet ontevreden over deze toestand. Hij leek er ’s avonds zelfs blij mee te zijn, want tegen het vallen van de avond nam hij altijd een watermeloen, een cake of een kippetje mee, en zij bedankte hem daarvoor.
-         Mijn beste man, je bent te ruimhartig. Hartelijk dank voor deze twee grote watermeloenen! Dank je voor deze twee overheerlijke cakes! En dank je voor deze twee lekker vette kippetjes!


Dat ging zo al een week door. Djha waande zich bij de engelen opgenomen in de hemel! Zijn vrouw had niet meer zoals altijd ook maar iets op hem aan te merken.
Goed, op een dag kwam hij vroeg thuis. De zon stond zo hoog onverbiddelijk schel aan de hemel te schijnen, dat je de dingen beter kon onderscheiden. Zijn vrouw ontving hem blij, des te meer omdat hij zei “twee” lamsbouten bij zich te hebben. Djha, die een slaatje uit de situatie wilde slaan, was een en al gulle glimlach. Plotseling greep ze de lamsbout en sloeg hem ermee woest in het gezicht. Hij dacht dat zij was genezen, tot ze uitriep:
-         Schaam je je niet, Djha? Kom je zomaar met een vreemdeling het huis binnen zonder mij te waarschuwen?


Djha nog half bewusteloos, antwoordde:
-         Maar schatje, ik vind het niet erg dat je dubbel ziet, maar van mij is er maar één, je echtgenoot!

(Lucebert: Alles van waarde is weerloos, Rotterdam Zuidplein)



woensdag 20 januari 2021

 Overzicht van het rampjaar 2020.
 

1.    In de eerste week van januari, toen we nog van niets wisten (behalve de Chinese overheid), werden de Berber liederen  (Tamazight liederen) het meest gelezen. Hoewel er later, naar mijn idee, leukere liederen zijn gepubliceerd, haalden die bij lange na niet de score uit de eerste week. Interessanter vond ik het lied over de collaborerende marabout, wat nog voor geen derde (33%) de interesse opwekte van het eerste lied.


2.    In februari trok alweer een blog dat niet mijn beste was van die maand de grootste belangstelling: de spreekwoorden waarin de Hond een belangrijke rol speelt. Als je de rol van de hond vergelijkt met die van de kat, komt de hond veel vaker voor in spreekwoorden. Dat heeft waarschijnlijk met het volgzame karakter van de hond te maken. De kat is veel meer een eigen persoonlijkheid. En dat wordt gedeeltelijk niet zo gewaardeerd, en gedeeltelijk is de kat hierdoor veel moeilijker in een spreekwoord te vatten.


3.    Terecht kreeg het blog over de rol van de Os in Marokkaanse en Creoolse gezegdes in maart de meeste belangstelling. Waarschijnlijk hangt deze

belangstelling samen met de eerste lock-down, waardoor veel mensen in quarantaine de mogelijkheid benutten om het blog te lezen. Wie had er ooit gedacht dat “Subaru” in het Japans betekent “Zevengesternte”? Dat is dan ook meteen de aankondiging van de lente, met zijn voorjaarsfeesten en vrolijkheid.
Omdat dit stuk over de Os zoveel belangstelling trok, overschaduwde het een andere publicatie in die maand, die ter gelegenheid van Pasen: de geboorte Hercules. Ik weet niet wat ik zou kiezen als de beste van de twee. Natuurlijk kijk ik dan niet zozeer naar mijn Nederlands, maar vooral naar de informatieve inhoud van beide blogs. Eigenlijk zijn ze beiden even leuk. Amphitruo heeft als serie in z’n geheel wel de meeste belangstelling gekend.


4.    In april trok het stuk met Thales als wiskundige, die de eerste zonsverduistering weet te voorspellen, de meeste belangstelling. In hoeverre, een krans om de verduisterde zon die ook Corona heet, hierbij een rol heeft gespeeld, kan ik niet nagaan. Maar ook in de Thales serie vind ik dat er betere stukken op mijn blog zijn gepubliceerd die beter waren dan dit eerste artikel.


5.    Het laatste stuk over Thales, waarin het van hand tot hand gaan van een wisselbeker een rol speelt, kreeg in deze maand de meeste bezoekers.


6.    In juni trok het begin van de Rodenko serie de grootste belangstelling: deel twee,de schipbreuk. Ik vind dat begin zeker het leukste, maar latere stukken, waarin de trick-ster rol van Maroef een rol speelt en de actualiteit van het sprookje, zijn zeker zo informatief.  Het fragment waarin Maroef schipbreuk lijdt, heeft overeenkomst met de schipbreuk van Robinson Crusoë. Aan beide verhalen lijkt een theologische discussie ten grondslag te liggen, waarin het ingrijpen van God in onze onderaardse bedoening centraal staat.


7.    In juli verscheen de Nieuwe Website, maar het fragment over Marilyn Monroe uit de Maroef van Rodenko, won het van de lancering van de nieuwe website over Grappen van Vroeger.


8.    In augustus verscheen er maar een Maroef-fragment, met als onderwerp de verwevenheid van handel en politiek. In het commentaar wordt de rol van de Trick-ster toegelicht. Deze rol werpt licht op actuele gebeurtenissen in Amerika en Nederland.


9.    In de maand september ontlopen de bezoekersaantallen voor de verschillende fragmenten van het Maroef-sprookje elkaar nauwelijks. Achtereenvolgens is er aandacht voor het huwelijk dat hij sluit met Marilyn, daarna voor de list waarmee Maroef de straf voor zijn bedrog weet te ontlopen, vervolgens zijn zwerftocht door de woestijn, waar hij de oplossing vindt om naar Nefjorek terug te keren, en ten slotte hoe hij weer in de val loopt en opnieuw naar de woestijn wordt verbannen.


10.                      In oktober sloeg de corona toe. Het enige fragment van die maand ging over de handel en wandel van de schurk van het sprookje: de vizier.  Pas in januari van 2021 verschijnt het slot van de serie, waarin Maroef door zijn vrouw, Marilyn, wordt gered. Toch is dat niet het einde van Rodenko’s verhaal. Dat is de voorspelling dat het weleens slecht zou kunnen aflopen met Al-Merika, hoezeer mensen het tegenovergestelde beloven. Niet echt de afloop van een sprookje. De politieke inslag die Rodenko het sprookje meegeeft, blijkt uiteindelijk belangrijker dan de literaire.
 

Plannen voor 2021

 In grappen is de vrouw meestal het lijdend voorwerp. Toch zijn er ook grappen met vrouwen in de hoofdrol. Daar gaan we de eerste weken van 2021 mee aan de slag (4x). Daarna gaan we aandacht besteden aan de Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer (6x). Naar aanleiding daarvan gaan we ons weer met de Klassieken bezig houden, Cicero en Aristophanes (8x). Daarna Arabische grappen zoals die in een studie van het Institut du monde arabe in Paijs in een boekje worden gepresenteerd. Om het jaar te beëindigen met een lang Marokkaans verhaal. Als er reden is van dit pad af te wijken zal ik dat ongetwijfeld doen.

woensdag 13 januari 2021

  

Rodenko (deel 11): Slot.


Na drie maanden ben ik eindelijk in staat om het laatste deel van de Rodenko vertelling
Maroef, de muilenlapper, op mijn blog te zetten. We zijn begonnen bij de negenhonderdnegentigste nacht en eindigen dit verhaal uit de Duizend en een
Nacht in Nacht 1001.

De minister echter haastte zich de kroonraad bijeen te roepen en legde een verklaring af, waarin hij uiteenzette dat de veiligheid van de staat en het welzijn van het volk hem genoopt hadden, persoonlijk de regering in handen te nemen, en sultan Sam en zijn schoonzoon, emir Maroef, die een bedrieger van het ergste soort was, te verbannen. En hij liet allen de eed van trouw afleggen, en vervolgens zette hij een aantal functionarissen af die hem niet bevielen, benoemde er andere voor in de plaats en stuurde omroepers de stad in om de troonsbestijging van de nieuwe sultan aan te kondigen en het volk op te roepen tot trouw en gehoorzaamheid.

En toen hij deze staatkundige aangelegenheden geregeld had, zei hij bij zichzelf: “ziezo, en nu het meer joyeuze deel van het programma.” (1) En hij liet prinses Marilyn melden, dat zij zich gereed diende te houden om hem, haar nieuwe heer en meester, te ontvangen en ter wille te zijn. De prinses echter, die reeds van het gebeurde in kennis gesteld was, en onmiddellijk had begrepen hoe de vork in de steel zat (want Maroef had haar intussen alles over de schat en de magische ring verteld), liet hem antwoorden, dat zij zich zeer verheugde op zijn komst; dat zij in het geheim al lang van hem had gehouden maar het nooit had durven laten merken, dat zij blij was, dat hij haar van de Egyptische bedrieger verlost had, maar dat zij helaas op dat moment juist haar maandelijkse affaire had en hem derhalve verzocht nog een paar dagen te wachten, opdat zij hem rein en puur ontvangen kon.

De minister echter liet haar weten, dat het hem niet kon schelen wat voor affaire zij had; dat hij maar in één affaire geïnteresseerd was, een affaire die hij onmiddellijk persoonlijk uit de doeken wenste te doen; en dat hij zo lang op dit moment gewacht had, dat hij er niet aan dacht zich waardoor dan ook te laten weerhouden. (2)

Daarop trok de prinses haar mooiste kleren aan en parfumeerde zich met haar verleidelijkste parfum. En toen de nieuwe sultan haar kamer betrad, ontving zij hem met haar liefste glimlach, en terwijl zij hem aankeek met een blik die hem het gevoel gaf of zijn brillenglazen begonnen te blozen en een rozige kleur aannamen, zei zij:
“Eindelijk dan, mijn suikerminister….”
“Suikersultan”, zei de nieuwe sultan. “Ik bedoel sultan.”
“Heerlijk!” juichte Marilyn. “Ik heb altijd wel geweten dat er een groot staatsman in je stak. Toon nu ook, dat er een groot minnaar in je steekt en maak onze nacht tot een nacht van verrukking en extase!”
“Dat was precies wat ik van plan was”, zei de minister, de nieuwe sultan. “En ik ben blij dat we hierover eens zijn. Hoewel ik het niet goed begrijp; ik dacht altijd, dat je een hekel aan me had……”
“Een hekel! Welnee, dat was camouflage”, zei zij. Dat moest je als mensenkenner toch weten. Maar in mijn innerlijk heb ik altijd bewondering voor je gekoesterd….”
“Des te beter”, zei de minister. “Want ik heb een cadeautje voor je meegebracht, dat het best tot zijn recht komt, wanneer je het even diep in je innerlijk koestert. Alsjeblieft. Wat zeg je ervan?”
“Enorm”, zei de prinses.
“Dat dacht ik ook”, zei de minister tevreden. “En nu aan het werk, want ik brand van verlangen om het cadeau zijn juiste bestemming te geven. Kom, snoepje, kleed je uit!”

En prinses Marilyn begon zich langzaam en met veel lonkingen, draaiingen en kokette plagerijen van haar kleren te ontdoen; maar toen zij niets meer aanhad dan haar hemd van ragfijne mousseline en de minister zich niet langer kon bedwingen en haar met het cadeau in de hand wilde naderen, stiet zij plotseling een verschrikte kreet uit en sloeg snel een doek voor haar gezicht.
“Wat is er, snoepje?” vroeg de minister verwonderd. En zij antwoordde:
“Zie je het dan niet? O, o!”
“Bij Allah ik zie niets”, zei de minister.
“O schande! O Allah, ik schaam me dood! Waarom wil je me naakt aan de blikken van die vreemde man die je bij je hebt blootstellen?” riep Marilyn.
“Wat voor een vreemde man?” vroeg de minister.
“Daar aan je vinger”, zei de prinses. “In die kornalijn!”
“Waarachtig”, zei de minister, “daar dacht ik niet aan. Maar hoe zie je dat zo? Ik bedoel, zo van buiten is er toch niets aan te zien?”
“Dat is vrouwelijk instinct”, zei Marilyn. “Een snufje man is
genoeg om onze oren te doen spitsen. Figuurlijk bedoel ik. En ik vóél dat hij naar me kijkt. Stuur hem alsjeblieft weg!”
“Maar het is helemaal geen man”, begon de minister.
“Ik weet ook wel dat een kornalijn geen man is”, zei Marilyn. “Maar ik voel duidelijk dat er ergens iets van een man inzit, al is het maar een snufje; en dat snufje is in ieder geval één en al oog!”
“Maar het is geen man”, herhaalde de minister, “het is alleen maar een ifriet, de slaaf van deze ring”.
“Een ifriet!” kreet Marilyn. “O Allah, ik ben als de dood voor ifrieten. Ik heb al genoeg met de Cholliwoets te stellen gehad, maar ifrieten moeten nog erger zijn. Alsjeblieft, laat hem niet zo kijken, stop hem weg!”

En om haar gerust te stellen en eindelijk het verlangde doel te bereiken, nam de minister de ring van de vinger en stopt hem onder het beddenkussen.
“Zo, hij is weg”, zei hij. “En nu geen kuren meer. Kom hier en ga liggen….zo. Allah, wat 

ben je mooi!…..Een beetje hoger…..Zo. Opgelet daar komen we aan! Wie komt er aan?  Haha, de nieuwe sultan komt er aan! Open de poort voor de nieuwe sultan!” (3) En prinses Marilyn lichtte haar benen hoog op als om de nieuwe sultan de poort van het verlangen te openen, maar toen hij zich gereed maakte om binnen te treden, gaf zij hem plotseling met beide voeten tegelijk zo’n harde trap tegen zijn buik, dat hij hals over kop van het bed vloog en nog een paar meter ver over de vloer gleed, tot zijn hoofd met een doffe bons tegen een pilaar stootte. De prinses echter greep zonder een seconde te verliezen de ring van onder het kussen vandaan en wreef snel over de kornalijn; en er klonk een luid gegiechel en een stem riep:
“Hi-hi-hi! Tot uw dienst, tot uw dienst. Maar kietel….Hee, dat is gek!”
“Wat is gek?” vroeg Marilyn.
“Hoe doet u dat? Dit was een prettig soort kietel”, zei de ifriet Winnetoe. “Kietelt u nog eens”.
“Ik zou de man wel eens willen zien die durft te beweren, dat het niet prettig is door mij gekieteld te worden! Maar we hebben nu wel iets anders aan ons hoofd dan kietelen. Vooruit, grijp dat zwijn daar met zijn tweestuiverscadeau (4) en werp hem in de onderaardse kerker van het paleis. En haal vervolgens mijn vader en mijn man terug van de plaats waarheen je ze gevoerd hebt en breng ze heelhuids en onbeschadigd hier”.
“Met het grootste genoegen”, zei Winnetoe. En de minister, die juist weer begon bij te komen van de schok, werd als een vaatdoek opgelicht en in de donkere kerker geworpen en een paar tellen later zaten de sultan en Maroef reeds in de kamer van prinses Marilyn, de eerste nog groen van de doorstane angsten, de tweede nog niet helemaal van zijn roes bekomen.’

“Ha, die Ma! Ha, die Pa!” riep prinses Marilyn, terwijl ze ze de een na de ander omhelsde. “Nou, dat was op het nippertje”.
“Zeg dat wel”, zuchtte de sultan. ”Ik wist niet dat mijn land zulke helse woestijnen bevatte. Een wonder dat we nog leven; mijn tong lijkt wel van leer en mijn keel is volkomen verschroeid….”
“Zjonge, ja”, zei Maroef. “Ik dachal, wa wad zschoeit er toch zo? Maar m’n beker is leeg, daddizzet! Kom, zchenk nogges in! Zeddemop! Zjonge, Ma, wat doe jij hier? Diddiz een ma mannenfuif, ouwe jongens onder mekaar. Ik zeg nettegen meouwe vrind, de minister, ouwe jongen zeggik….Maar waar izzie ineens gebleven? Zjonge, wacht, daz waar ook, wewwaren gaan pik piknikken oppet strand en…Hee, Ma, weet je wel dat je nik je niks aanhebt? Waddiz dat voor toeztand?”
“Dat zal ik je straks haarfijn uitleggen, m’n zuiplammetje”, zei Marilyn, “maar ik zal jullie eerst maar eens wat te eten en te drinken laten brengen; wat het laatste betreft, iets alcoholvrijs. Dan kleed ik me intussen aan”.

En zo geschiedde. En toen de sultan en Maroef gegeten en gedronken hadden en de eerste van zijn schrik, de tweede zich van zijn roes hersteld had, vertelde prinses Marilyn hun wat er intussen gebeurd was en hoe zij de verrader had laten opsluiten. En de sultan riep: “Voor zo’n schurk is er maar één straf: de spiets!”
“We kunnen hem ook levend verbranden”, zei Maroef.
“Aan de martelpaal!” klonk de stem van Winnetoe uit de kornalijn.
“Dat is waar ook”, zei Maroef. “Geef me nu maar gauw mijn ring terug, Ma, voor er verdere ongelukken mee gebeuren”.
“Dat is sterk!” zei Marilyn. “Wie veroorzaakt er ongelukken met die ring, jij of ik? Nee, mijn zonnige jongen, die ring zal ik voortaan maar bewaren. Vrouwen kunnen met zulke dingen beter omspringen dan mannen; wat jij Winnie? voegde ze eraan toe, terwijl ze met haar vinger over de kornalijn streek.
“Hi-hi-hi!” zei Winnetoe. “Heerlijk! Hè, mevrouwtje, kietelt u nog eens. U hebt een kietel over u waar je als ifriet gewoon de haberdaan van krijgt! Ugh”.
“Maar zeg”, zei Maroef, “ik dacht overigens, dat je nog een appeltje met haar te schillen had?”
“Ach, welnee”, zei Winntoe, en men hoorde zijn stem blozen. “Ik wist toen nog niet hoe ze er uitzag, maar nu begrijp ik al die Cholliwoets beter. Bij Allah, als ik niet aan deze kornalijn gebonden was, zou ik ook mijn tenten wel in zo’n lichaam willen opslaan! Uche-uche”.
“Als je dat maar uit je hoofd laat”, zei Maroef.
“Ik heb geen hoofd”, zei Winnetoe.
“Nou, datgene wat in jouw constitutie met een hoofd overeenkomt”, zei Maroef. “Bovendien zou je er weinig plezier aan beleven”.
“Waarom niet?” vroeg Winnetoe.
“Omdat ik van plan ben, me nog lang en grondig met dat lichaam te bemoeien”, zei Maroef, “en zolang ik me ermee bemoei, zou jij tien keer per nacht de kans lopen om dwars door je tenten heen gespietst te worden. Ugh. Maar over spietsen en over zulke soorten toestanden gesproken….”
“Juist”, zei sultan Sam. “Al dat abstracte gepraat is mij vrij duister, laten we ons liever haasten een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. En om iedereen zijn zin te geven lijkt mij het beste, de verrader op een puntige martelpaal te spietsen en vervolgens aan de voet van de martelpaal een vuur te ontsteken, zodat hij levend geroosterd wordt. En ik zal een aantal kunstenaars opdracht geven, zijn marteling van minuut tot minuut met de tekenstift vast te leggen, evenals de kreten die hij uit, en hieruit een instructief en leerzaam beeldenboek voor de jeugd laten samenstellen onder het motto: Misdaad Betaalt Niet”.

En zo werd de verraderlijke minister op het grote plein ter dood gebracht, en de tienduizenden die het schouwspel bijwoonden namen een onvergetelijke herinnering mee naar huis, waar ze nog lang morele kracht uit putten (5). De sultan echter deelde de macht voortaan met zijn schoonzoon Maroef, die hij tevens als opvolger op de troon van Al-Merika aanwees. En aangezien de plaats van minister was vrijgekomen, werd op voorstel van Maroef zijn vriend Ali tot minister benoemd. En zo leefde Maroef nog lang en gelukkig in gezelschap van zijn beste vriend Ali en zijn lieve vrouw Marilyn, die voortaan de ring met de kornalijn aan haar vinger droeg en er op een nuttige en verstandige wijze gebruik van wist te maken.

Alvorens echter deze geschiedenis te besluiten rest ons nog één episode te vermelden niet alleen omdat de geschiedenis zonder deze episode niet compleet zou zijn, maar ook omdat zij een goed voorbeeld geeft van de praktische zin die prinses Marilyn bij het beheer van de ring aan de dag legde.

Het gebeurde namelijk op een nacht, toen Maroef na de echtelijke geneugten het vertrek van de prinses verliet en zich naar zijn eigen kamer begaf om nog wat te slapen, dat er plotseling een afschuwelijke heks vanonder zijn bed vandaan kroop en zich tierend en krijsend op hem stortte (6). En tot zijn ontzetting herkende Maroef in de heks niemand anders (dan) de onzalige Hajbaj, zijn vrouw uit Kaïro! En op hetzelfde ogenblik dat hij haar herkende, daalden er reeds een paar dreunende oorvijgen op hem neer die opnieuw twee tanden uit zijn mond deden springen. En zij gilde hem toe:
“Zo! Lummel, vlegel, rokkenroller! Waar heb je al die tijd gezeten, hè? Dacht je, dat je zo gemakkelijk van me afkwam? Welja, dat gaat maar op reis! Dat knijpt er maar tussenuit zonder iets te zeggen! Stiekemerd, snoeperd! Ik heb je lang gezocht, maar nu zal je ervan lusten!”

Maroef echter wachtte niet, maar rende zoals hij was, in zijn vorstelijke pyjama en met de zijden slaaptulband op zijn hoofd, de kamer uit en spoedde zich naar het appartement van zijn echtgenote, terwijl hij luidkeels riep:
“Help, Ma, help! Ma, Winnetoe, te hulp!”En hij vloog als een waanzinnige de kamer van Marilyn binnen en viel aan haar voeten in zwijm.

En terwijl Marilyn nog bezig was, zijn gelaat met rozenwater te besprenkelen, kwam reeds met een hels kabaal de verschrikkelijke heks binnengestormd, zwaaiend met een dikke knuppel die zij speciaal uit Egypte had meegebracht, en zij krijste:
“Waar is hij, de bruut, de meisjespinner, de kindernepper?” De prinses echter, die bij dit ijzingwekkende schouwspel haar tegenwoordigheid van geest niet verloor, wreef snel over de kornalijn en kon de ifriet Winnetoe nog net op tijd een haastig bevel geven. En op hetzelfde ogenblik dat Hajbaj haar knuppel hoog in de lucht hief om hem op het hoofd van de arme Maroef te doen neerkomen, verstijfde zij in deze houding en bleef onbeweeglijk en roerloos als een standbeeld staan waar zij stond alsof zij door honderd onzichtbare handen werd vastgehouden.

En toen Maroef weer bijkwam en de furie met opgeheven knuppel in de kamer zag staan, slaakte hij een kreet van ontzetting en viel opnieuw in zwijm. En Marilyn begreep dat deze feeks niemand anders was dan de onzalige Hajbaj kon zijn; en toen Winnetoe haar op haar vraag meedeelde, dat zij door vijftig ifrieten, sterk als buffels, werd vastgehouden en dat zij zonder tegenbevel tot in alle eeuwigheid in diezelfde positie zouden vasthouden, besloot zij dat het beste was haar zonder meer in deze positie te laten. En aangezien Hajbaj een zo schandelijk misbruik had gemaakt van haar rechten van echtgenote, besloot zij voorts, haar ondanks haarzelve tot een nuttig gebruiksvoorwerp te maken. En zij gaf Winnetoe opdracht, de knuppel uit te hollen en er een toorts in te plaatsen en de tot standbeeld verstarde Hajbaj te vergulden en bij wijze van schemerlamp aan het voeteneind van het bed neer te zetten.

Aldus geschiedde, en al kostte het Maroef aanvankelijk enige moeite, zijn angst voor de nieuwe schemerlamp te overwinnen, ten slotte begon hij niet alleen aan het idee te wennen maar er zelfs meer en meer plezier in te krijgen. Want de machteloze aanwezigheid van Hajbaj bleek aan de genoegens van het echtelijk sponde een pikante noot toe te voegen; en in het licht van de toorts, die Hajbaj eigenhandig ophield, toonden Marilyn en Maroef zich vindingrijker dan ooit in het verzinnen van steeds weer nieuwe amoureuze posities. En in hun lange en gelukkige huwelijk werd de schemerlamp  Hajbaj een vertrouwd en onmisbaar meubelstuk; en zelfs de naam Hajbaj kreeg een intieme klank en het werkwoord “hajbajjen”, of “een rondje hajbajjen”, nam in het echtelijk spraakgebruik een kleur aan die met de associaties die de naam Hajbaj vroeger wekte, tezamen wit gevormd zou hebben (en die in een net boek trouwens door een regel wit wordt aangeduid). En toen Ma en Ma hun gouden bruiloft vierden, lieten zij uit dankbaarheid voor de bewezen diensten ook de schemerlamp Hajbaj van top tot teen vergulden.

En zij leefden nog zo lang, dat ten slotte niemand meer wist wat de oorsprong was van deze vergulde toortsdraagster in de gedaante van een vrouw; daar men echter via de boulevardpers wel nauwkeurig op de hoogte was van de plaats en de functie van de toortsdraagster, kreeg deze in de volksmond de naam van het Vrijersbeeld. En na de dood van sultan Maroef en zijn vrouw Marilyn, die op hoge leeftijd gelijktijdig in elkaars armen ontsliepen, werd het gouden beeld met de hoog opgeheven toorts in de haven van Nefjorek geplaatst; want men meende de herinnering aan de zegenrijke regering van sultan Maroef niet beter hoog te kunnen houden dan door het beeld, dat een baken was geweest voor zijn huwelijksbootje, tot een baken te maken voor alle schepen die naar de haven van Nefjorek koersten. En wanneer wij ons niet vergissen, staat het beeld er ook thans nog; daar de legende echter verloren is gegaan en niemand begreep wat het beeld met vrijers te maken had, noemt men het tegenwoordig het Vrijheidsbeeld.

Het is ons helaas niet bekend wat er van de ring (7) met de kornalijn is geworden; de oude bronnen geven hieromtrent geen uitsluitsel. Waarschijnlijk bevindt hij zich in een glazen kistje in een van de musea van Al-Merika zonder dat iemand een vermoeden heeft van de geheime krachten die de kornalijn bevat; en op zekere dag zal iemand er wel achter komen en zullen zich opnieuw vreemde gebeurtenissen in het land Al-Merika afspelen. Het is echter te hopen dat hij niet in verkeerde handen valt: want wat zou er gebeuren wanneer de vijftig ifrieten, die het beeld van de Vrijheid staande houden, tot andere taken geroepen zouden worden? De vrouwenheerschappij, die achter het verguldsel van de Al-Merikaanse Vijheid schuilgaat, zou zich ongetwijfeld als een furie over Al-Merika storten en het land tot een Hajbajaanse hel maken, waarin de mannen niet meer dan slaven zouden zijn, die dansten naar de pijpen van der vrouwen en wier enige taak het was, de Al-Merikaanse speeldoos - dat wil zeggen het pijpen van steeds weer nieuwe vrouwen – draaiende te houden; kortom pik-opslaven. Maar zover is het nog niet, al lijkt het soms of de vijftig ifrieten reeds spierpijn beginnen te krijgen, of althans pijn in dat onderdeel van hun constitutie dat met spieren overeenkomt. (8)

En dat was dan de waarachtige geschiedenis van Maroef, de arme muilenlapper uit Egypte, en zijn avonturen met Hajbaj, Winnetoe en Marilyn, de schone prinses uit het land der onbegrensde mogelijkheden. Maar waarlijk Onbegrensd is alleen Allah, de Alwijze, de Alwetende.

 

donderdag 1 oktober 2020

 

Rodenko (deel 10): Verbannen.


Maar om tot Maroef terug te keren…of nee, laten we liever de ijlbode volgen, dan kunnen wij meteen zien wat zich inmiddels in Nefjorek aan het hof heeft afgespeeld. Het zal de lezer die over mensenkennis beschikt, alreeds duidelijk zijn, dat de minister zijn nederlaag niet zonder meer geslikt heeft en dat hij in die tussentijd niet heeft stilgezeten, en inderdaad was hij er langzamerhand weer in geslaagd, het wantrouwen van de sultan ten opzichte van emir Maroef opnieuw aan te wakkeren. En de ijlbode arriveerde in het paleis juist op het ogenblik, dat de minister tegen de sultan zei:

“Nee, majesteit, die man verdient geen vertrouwen en wat het verhaal van uw dochter betreft: u ziet toch zelf wel, dat zij dodelijk verliefd op hem is, en dat zij alleen maar probeert haar man te beschermen! Ligt het trouwens niet het meest voor de hand dat hij gewoon gevlucht is, omdat hij wel begreep dat zijn gedrag vroeg of laat uit moest komen? Geloof me, majesteit, die man is een gewone internationale oplichter en hij heeft u lelijk te pakken gehad!”


Op dit ogenblik echter, juist toen de sultan, reeds half en half overtuigd door de woorden van zijn minister, zijn mond wilde openen om de nodige orders uit te vaardigen, trad de ijlbode binnen en sprak, na zich diep ter aarde gebogen te hebben:
“Majesteit, ik ben door mijn meester, de edele en grootmachtige emir Maroef, uw schoonzoon, vooruit gezonden om u zijn spoedige aankomst te melden; hij bevindt zich aan het hoofd van een grote, rijk beladen karavaan die minder snel vooruitkomt dan ik vanwege de zware kostbaarheden die de lastdieren te vervoeren hebben.” En na deze woorden boog de mammeluk opnieuw diep ter aarde en trok zich vervolgens terug.


En toen de sultan dit nieuws hoorde, raakte hij geheel buiten zichzelf van vreugde en opwinding en riep:
“Zie je wel? Zoek altijd de zonnige kant op! Jippie!! Heb ik het niet gezegd? Blauwe ski’s al rond de kornel, zoals een van onze Vijftigers het uitdrukt, wat hij er ook mee mag bedoelen (1).  Maar ik zag direct, dat emir Maroef geen loze praatjesmaker was. Jaja, mensenkennis! Koppetje! Van je jippiejippiejee!...Maar jij,” wendde hij zich vervolgens toornig tot zijn minister, ”weet je wat je bent? Een hiel, een raaskal, een sukker, (2) een misdadige pessimist! Ik weet nog niet of je alleen maar een klier van een ezelsveulen en een chagrijnige imbeciel bent of een spion en landverrader die heult met mijn vijanden, maar dat zal ik wel uitvinden!” (3) En de minister die zich altijd op een degelijk inzicht en zijn gezonde verstand had laten voorstaan (maar hij wist niet, de arme, dat het gezonde verstand ’s mensen grootste vijand is) was zo volkomen uit het veld geslagen, dat hij geen woord wist uit te brengen en zich alleen maar sprakeloos voor de voeten van de sultan kon neerwerpen. De sultan liet hem echter liggen waar hij lag en verliet het vertrek ten einde orders te geven om de stad te versieren en voorbereidingen te treffen om zijn schoonzoon in feestelijke optocht tegemoet te rijden.


En vervolgens begaf hij zich naar de appartementen van zijn dochter om haar het heugelijke nieuws mee te delen. En toen prinses Marilyn haar vader hoorde spreken over de aankomst van Maroef aan het hoofd van een karavaan die zij zelf uit haar duim gezogen meende te hebben, kon zij haar oren niet geloven en zij wist niet meer of zij waakte of droomde; zij staarde naar haar duim, alsof het een vreemd soort monster was. En toen zij over de eerste verrassing heen was, dacht zij:
“Wat zou die olijkerd van een Ma nu weer in zijn schild voeren? Als hij maar op zijn tellen past, want de kruik gaat zolang te water tot hij breekt. Of zou het werkelijk waar zijn en heeft hij mij die nacht alleen maar een beetje voor de gek gehouden met zijn verhaal over Egypte en zijn eerste vrouw, de feeks Hajbaj? Misschien wel om mij te straffen voor mijn indiscretie; of om mijn liefde op de proef te stellen? Nu, we kunnen alleen maar afwachten.” (4)  Maar uiteindelijk liet ze niets van haar verbazing blijken en zei alleen met een blijde lach:
“Ha, eindelijk!” En de sultan verliet haar weer om zich aan het hoofd te stellen van de stoet die Maroef ter verwelkoming tegemoet reed.


Maar het meest van allen was wel de koopman Ali, de oude vriend van Maroef, die beter dan wie dan ook wist hoe het met de fameuze rijkdommen van Maroef gesteld was. En toen hij de versieringen zag die overal werden aangebracht en de alom heersende feeststemming en toen hij op vragen vernomen had dat dit alles in verband stond met de aankomst van emir Maroef en zijn fabelachtige karavaan, sloeg hij zijn handen in elkaar en zei bij zichzelf:
“Allah, Allah, wat haalt hij nu weer in zijn hoofd? Als dat maar goed afloopt! Ik ben bang, dat ik hem wat te veel chocoladerepen heb gegeven. Ik hield mijn hart al vast, toen hij zo onverwacht met de prinses trouwde en was blij, toen ik hoorde dat hij tijdig de vlucht had genomen en net op tijd de dans was ontsprongen. Maar hij is bij zijn vlucht zeker op een chocoladepalmenplantage terecht gekomen en heeft zich nu zo vol gegeten, dat het helemaal in zijn bol is geslagen. Allah sta hem bij!” En aangezien hij toch niets anders kon doen, bleef hij te midden van de andere mensen staan wachten op de aankomst van de karavaan.


En het duurde niet lang of men hoorde in de verte een gejuich dat gaandeweg aanzwol en dichterbij kwam; en terwijl iedereen reikhalzend op zijn en andersmans tenen ging staan, de kinderen op de schouders getild werden, de mensen die achteraan stonden aan stokjes bevestigde spiegeltjes omhoog staken, de mensen van de dertigste verdiepingen hun kijkers in gereedheid brachten, en hier en daar met een doffe plof iemand uit een volgepropt venster viel, -- terwijl al dit vrolijke en verwachtingsvolle geroezemoes aan de gang was, bleef het gejuich maar zwellen totdat iedereen op zijn vingers kon natellen, dat de stoet nu inderdaad niet veraf meer kon zijn. En ja hoor, lezers, daar kwam de stoet om de hoek! En hoewel het de hele dag bewolkt geweest was, brak op hetzelfde ogenblik het zonnetje door, het traditionele zonnetje van het traditionele Al-Merikaanse optimisme dat voor de zoveelste keer gelijk gekregen had; en, lezers, het zonnetje glimlachte alsof het zeggen wilde: denk aan artikel één van de Al-Merikaanse grondwet! En, oh lezers, daar was de stoet! Een sprookje, ik weet er geen ander woord voor! En al zwol het gejuich nu tot een oorverdovend kabaal aan, toch voelde men dat iedereen innerlijk een ogenblik stil was van zoveel sprookjesachtige, ik weet er geen ander woord voor, schoonheid! De luisterrijke stoet werd vooraf gegaan, lezers, door twaalf reusachtige negers, bewapend met lange stokken waarmee zij ruim baan maakten voor de luisterrijke stoet; en hun zwarte gezichten glommen van trots op deze bijzondere dag, alsof zij wilden zeggen: Ook ik ben Al-Merika! En daarop, lezers, volgde een poosje niets; maar het was geen gewoon niets, welnee! Het was een niets, geladen met spanning en kloppend van blijde verwachting, een sprookjesachtig niets als ik het zo mag uitdrukken. Er is trouwens geen ander woord voor. En toen het niets voorbij was naderde er……o, lezers, de tong stokt me in de keel!… toen naderde er een fleurige stoet van als krijgslieden uitgedoste pin-opslavinnen, vooraf gegaan door een majoortje! En van de heupen opwaarts waren zij gekleed in niets dan haar benen! En het waren benen die schreden alsof zij nooit zouden sterven en die glommen van trots op deze bijzondere en feestelijke dag alsof zij wilden zeggen: Ook ik ben Al-Merika! En inderdaad, lezers: weerspiegelde zich in het rozige en toch vormvaste  bloot dezer feestbenen niet iets van het zonnige en toch daadkrachtige optimisme dat Al-Merika groot gemaakt heeft? Waren het geen benen die noodden tot daden? En welk land, ik vraag het u, lezers, welk land dat ook maar iets menselijks heeft zou niet op zulke steunpilaren willen steunen… Maar reeds was dit kranige en wakkere stoetje, dat een welverdiend applaus oogstte, voorbij gestapt, en aller blikken richtten zich op het niets dat nu volgde, een nog veel sprookjesachtiger niets dan het eerste, opgeluisterd als het werd door het nu reeds duidelijk hoorbare hoefgetrappel van de hoofdstoet en de karavaan zelf! Lezers, lezers, laat ik die enkele seconden die ons nog scheiden van de verschijning van de karavaan die ieder ogenblik verschijnen kan…o wacht! Dáár kwamen de spróókjes… nee, toch niet. Laat ik dus de enkele seconden die ons nog resten vullen met u mede te delen, dat dit een zéér bijzondere dag was. Nog nóóit in de geschiedenis…. Maar wacht! Ja, ja, jááá, dáár kwam de sprookjesachtige stoet in zicht, de luisterrijke, zonnige karavaan! Lezers, dit schouwspel was werkelijk iets bijzonders, ik weet er geen ander woord voor. Of ja, fantástisch, dat is het woord! Voorop reden Maroef en sultan Sam, maar sultan Sam verzonk bij Maroef geheel in het niet: nog nooit hadden de bewoners van Nefjorek zo iets stralends en luisterrijks, zo iets schitterends en vorstelijks gezien als emir Maroef zoals hij hoog te paard en minzaam glimlachend en met gulle hand goudstukken rondstrooiend door de feestelijk versierde straten van hun stad reed! En dan de eindeloze karavaan die volgde, beladen met kostbaarheden en geëscorteerd door bereden mammelukken in fantastische kledij met wapperende vederbossen op hun hoofd! Nee, het was in een woord fantástisch! Onbeschrijfelijk!


En ook de koopman Ali wist niet wat hij zag, en hij zei bij zichzelf:
“Nou breekt m’n muil! Hij heeft ‘t ‘m gelapt, die ouwe muilenlapper! Met hulp van zijn vrouw, prinses Marilyn natuurlijk. Ze zullen samen deze circusvertoning op touw hebben gezet om de sultan om de tuin te leiden. In die kisten en die balen zal wel gewoon houtwol zitten, of een paar met het geld van de prinses gekochte stoffen en voor de rest waardeloze rommel. Maar tegen de tijd dat men daar achter komt, zal hij wel weer iets nieuws verzonnen hebben; en ik dacht dat ik hem moest leren wat bluf was!” En hij slaagde erin op een onbewaakt ogenblik door de afzetting te glippen en Maroef te naderen; en hij zei zo dat alleen Maroef hem kon horen:
“Zo, opperste sjeik van alle schelmen! Hoe gaat het met de bluf? Ik zie, dat ik je geen lessen meer hoef te geven. Nou succes, kerel, ik zal voor je duimen!”
En Maroef barstte bij deze woorden in en luide schaterlach uit en zei:
“Kom me morgen op het paleis bezoeken: ik heb je heel wat te vertellen!”


En toen de karavaan het paleis bereikt had, nam Maroef in volle glorie plaats op een troon naast die van de sultan. En hij liet om te beginnen alle kisten en manden met goudstukken, parelen, edelstenen, en juwelen naar de schatkamer vervoeren en in de schatkist storten, met uitzondering van een paar dozijn kisten waarvan hij de inhoud met handen vol aan de omstanders begon uit te delen. En hij liet de balen met kostbare stoffen komen en ging hiermee op dezelfde wijze te werk, en hij overlaadde de hofdignitarissen, de generaals, de ambtenaren en hun echtgenoten en verder ieder die maar in zijn buurt kwam, zodanig met geschenken dat sommigen weldra onder de last bezweken. En de sultan werd intussen steeds zenuwachtiger, toen hij zag hoe zijn schoonzoon met al die kostbaarheden omsprong; en hij wrong zijn handen en danste van het ene been op het andere en riep bij elke nieuwe schenking uit: “Genoeg, m’n zoon! Als je zo doorgaat, houden we zelf niets over! O, die mooie robijnen! O, die prachtige zij! Bij Allah, hou op of ik krijg een hartaanval!”


Maar Maroef glimlachte alleen maar en zei: “Maak u geen zorgen, mijn voorraad is onuitputtelijk.” En op een gegeven ogenblik kwam de minister terug en meldde de sultan, dat niet alleen de schatkist maar de hele schatkamer van onder tot boven vol was, terwijl de kisten en manden nog lang niet leeg waren. En de sultan zei: “Goed, vul de volgende kamer”, terwijl Maroef er achteloos en zonder op te kijken aan toevoegde: “En vul daarna een derde en een vierde kamer; en als je er plezier in hebt mag je voor mijn part, en als de sultan het goed vindt, het hele paleis van de grond tot aan de veertigste etage met dat spul volstoppen; wat maakt een paar ton meer of minder uit? Voor mij heeft het evenveel te betekenen als zand van zee.”


En sultan Sam wist niet meer of hij waakte of droomde. Maroef echter haastte zich, nadat hij alle in de troonzaal bijeengebrachte kostbaarheden had uitgedeeld, naar zijn echtgenote prinses Marilyn, en zodra Marilyn hem zag, snelde zij hem verheugd tegemoet en wierp zich met een: “Ha, die Ma!” in zijn armen.


“Ha, die Ma!” zei Maroef, en de eerst volgende ogenblikken werden geheel door kussen en omhelzingen ingenomen. Daarop echter zei Marilyn: “Zo, zo, m’n suikermannetje. En hoe maken Hajbaj en de zeven bloedjes van kinderen het, sinds we elkaar voor het laatst gesproken hebben?”
“Hajbaj?” vroeg Maroef verschrikt! “En over wat voor bloedjes van kinderen heb je het?”
“Ach nee, die heb je er niet bij genoemd,” zei Marilyn. “Jammer, die hadden er eigenlijk ook bij gehoord, dat had het verhaal nog echter gemaakt.”
“Wat bedoel je toch?” vroeg Maroef.
“Wat ik bedoel?” zei Marilyn. “Ik bedoel dat jij, m’n olijkerd, me lelijk voor de mal hebt gehouden met je gekke verhalen over Egypte en die feeks van je en dat je een arme zuilenplakker was…”
“Muilenlapper,” zei Maroef.
“Goed, muilenlapper, wat doet het er toe? Je wou me op de proef stellen, hè? Kijken of ik wel genoeg van je hield. Nou, mannetje, de proef is geslaagd, maar reken maar, dat ik je die voordegekhouderij nog eens betaald zal zetten!”


Maroef moest hierop onbedaarlijk lachen, en toen hij uitgelachen was, zei hij:
“Ik zal je straks alles wel uitleggen, m’n duifje. Maar kijk eerst eens wat ik voor je heb meegebracht.” En hij gaf haar een prachtig gewaad, benevens een parelcollier dat uit tien rijen van veertig parels, groot als duiveneieren, bestond en een paar arm- en enkelbanden van puur, fijn geciseleerd goud en ingelegd met robijnen en smaragden; en aangezien dit alles het werk was van de dzjinni’s en ifrieten kan men zich voorstellen, dat het van een perfectie was, waar geen aardse koopman tegenop kon. En Marilyn, die als Cholliwoetster toch het een en ander gewend was, sloeg haar handen ineen van verbazing, toen zij deze kostbaarheden zag; en zij riep verrukt uit:
“O honinglammetje, hoe kom je aan die prachtige dingen? Ik durf ze nauwelijks te dragen, het zijn echt van die dingen die in een glazen kastje in een museum horen te staan. Maar ik zal ze bewaren voor de feestdagen.”
“Niks bewaren,” zei Maroef. “Bij ons is het voortaan elke dag feest! En ik ben van plan, je elke dag weer andere toestanden te geven die net zo mooi zijn als deze. Nog veel mooier! Haha, m’n snoepprinses, je zult eens zien wat we allemaal gaan doen! Maar…eh…over doen gesproken….”
“Ik weet wat je denkt,” zei Marilyn schalks.
“Nou laten we het dan doen,” zei Maroef. En zij deden het; en hoewel zij het naar wederzijdse tevredenheid deden, besloten zij toch nog een keer over te doen; en toen zij het hadden overgedaan, begonnen zij weer van voren af aan. En zo bleven zij voortgaan, tot het kraaien van de haan aankondigde dat het tijd was om op te staan.


En Maroef was nog maar nauwelijks uit bed gestapt, toen hij de stem van de sultan hoorde die vroeg of hij binnen mocht komen; en hij haastte zich de deur voor hem te openen. En de sultan trad binnen met zo’n trieste en terneergeslagen uitdrukking op zijn gezicht, dat Maroef hem snel op de divan deed plaats nemen en hem een glas water bracht. En Marilyn, geschrokken van het uiterlijk van haar vader en dit ongewoon bezoek zo vroeg op de morgen, kwam ook vlug uit bed en vroeg met trillende stem:
“Wat is er vader? Is er iets ergs gebeurd?”
“Helaas!” zuchtte sultan Sam. “Ik durf het nauwelijks te vertellen. Een ramp, mijn zoon, bereid je voor op een ramp! Die prachtige mammelukken van je….en die niet alleen….O Allah, ik weet niet hoe ik het zeggen moet! Ik ben er helemaal van ondersteboven.”
“Zeg het maar, vader,” zei Marilyn. “Zijn ze aan het muiten geslagen?”
“Nog veel erger!” zuchtte de sultan. “ze…ze zijn weg!” Alle tweeduizend mammelukken, de kameel- en muilezeldrijvers, de muilezels en de kamelen! Ze zijn vannacht allemaal spoorloos verdwenen en niemand weet waar heen of wat er van ze geworden is. O, o, wat een ramp!”
“Hebben ze het paleis geplunderd?” vroeg Marilyn.
“Nee, dat niet,” zei de sultan. “Er wordt niets vermist. Dat wil zeggen, alleen een paar pin-opslavinnen…”
“Hahaha!” lachte Maroef. “De schalken! Tjonge, geef ze eens ongelijk; ze willen de eeuwige jachtvelden een beetje versieren, denk ik. Maar schoonvader, maak u over die toestanden geen zorgen, een paar duizend mammelukken en kamelen meer of minder, wat zou dat? Ik kan er op ieder gewenst moment net zoveel krijgen als ik wil. Meer dan de hele stad Nefjorek kan bevatten. Stel u dus gerust en zet een wat vrolijker gezicht, want dit verlies betekent voor mij minder dan niets.” 

En sultan Sam verliet verbaasder dan ooit, zó verbaasd inderdaad, dat hij aan zijn eigen verstand begon te twijfelen, het appartement van zijn schoonzoon; en hij liet zijn minister komen en vertelde hem alles wat hij gehoord had. En hij voegde eraan toe:
“Ik vertel je dit, niet omdat je weer in de gratie bent, maar eenvoudig omdat ik er met iemand over moet spreken want mijn verstand staat hierbij stil. Wat denk je van dit alles?” (5)“Wat doet het ertoe wat ik denk, majesteit?” zei de minister, die onmiddellijk begreep, dat dit zijn kans was om wraak te nemen op de gehate emir Maroef. “Ik ben toch maar een hiel, een sukker en een zwartkijker.”
“Hiel en sukker neem ik terug wanneer je iets verstandigs weet te zeggen,” zei de sultan.
“En raaskal,” zei de minister.



“En raaskal,” zei de sultan. “Zwartkijker (6) kan ik niet terugnemen, want dat ben je nu eenmaal. Je zult toch moeten toegeven, dat die schatten echt zijn en dat emir Maroef ons in dat opzicht niet misleid heeft. Alleen, het lijkt wel wat veel van het goede zou je zeggen. Niet dat ik er iets tegen heb, maar die vreemde geschiedenis met die verdwenen mammelukken… Ik voel me op een of andere manier niet op mijn gemak. Wel, wat denk je ervan?”
“Tja,” zei de minister, terwijl hij bedachtzaam zijn bril afzette. “Wanneer u mij naar mijn mening vraagt zou ik zeggen dat hier iets achter steekt.”
“Precies,” zei de sultan. “Dat was ook mijn idee. Maar wat?”
“Er is maar één manier om dat te weten te komen,” zei de minister. “Ik zou u willen adviseren, emir Maroef uit te nodigen voor een intiem wijnfuifje van mannen-onder-elkaar en er op toe te zien, dat hij diep in het glas kijkt; en zodra de dronkenschap zich van hem meester begint te maken, hoort u hem voorzichtig uit. U weet dat dronken mensen meestal de waarheid zeggen.”
“Een uitstekend idee,” zei de sultan. “Er zit toch meer in je dan ik dacht. We zullen vanavond meteen de pref op de som nemen.”



En toen het avond werd, nodigde de sultan zijn schoonzoon, emir Maroef, en zijn minister uit voor een intiem wijnfuifje; en hij zag erop toe, dat de beker van Maroef geen ogenblik leeg was. En Maroef, die niet gewoon was om wijn te drinken, raakte al spoedig in rozige en expansieve toestand van alle-mensen-worden-broeders; en zijn tong begon te draaien als de wieken van een molen. En toen hij het stadium bereikt had, waarop hij zijn linkerhand niet meer van zijn rechter kon onderscheiden (7) link voor de noten werkt niet, noten staan in bijlage en onder de tekst.)), de minister vriendschappelijk op de schouder begon te kloppen en de sultan aan zijn sik te trekken, vroeg deze laatste op zeker ogenblik:
“Vertel ons toch eens wat over je leven, schoonzoon. Een bereisd man als jij zal in zijn leven heel wat meegemaakt en heel wat interessante dingen gezien hebben, en nu we hier toch zo gezellig bij elkaar zitten, zou je ons best eens iets over jezelf kunnen vertellen.”
“Hahaha! Intezezzante dingen?” riep Maroef uit. “Tjonge, z-schoonpa, je zult zdeil achtellovel slaan azze azzik je de toe toezdanden vertel die ik heb meegemaakt. Zdeil! En jij ook, m-mimmemister… nog dzeiler! Weden jullie waddik ben? Een o een olijkerd bennik! Nolijkerd! Dazzet woord. Kenne lullie die mop van dakkameel dakwam in een koffiehuis  en dazzet….”
“Jaja, die kennen we,” zei de minister snel, “maar je zou ons over jezelf vertellen.”
“Haha, dazwaar!” zei Maroef. “Dazze dazzeen veel beet betere mop. Zjongejonge, dazzijn toeste zijn toestanden..!” En daarop begon hij de sultan en de minister omstandig zijn gehele geschiedenis te verhalen, zonder iets te verzwijgen; en ook het vinden van de schat der Inka’s en het geheim van de kornalijn verzweeg hij niet.


En de sultan en zijn minister keken elkaar aan en beten op hun nagels van opwinding, want nooit hadden ze gedacht, dat zijn historie zó wonderbaarlijk zou zijn! En de minister zei tegen Maroef:
“Nou, beste vriend, dit is wel het meest fantastische verhaal dat ik ooit gehoord heb! Ik moet zeggen, je bent inderdaad een olijkerd, hoor!”
“Juist Nolijkerd,” bevestigde Maroef, terwijl hij glom van trots. “Dazzet woord. Nolijkerd!”
“Laat eens kijken die ring,” vervolgde de minister. En Maroef die allang niet meer wist wat hij zei of deed, nam de ring van zijn vinger en gaf hem aan de minister:
“Daddizzie,” zei hij. “En daar in die kor konnelijn dazit me vvriend, ouwe jongen Winnetoe.”


De minister nam met fonkelende ogen de ring aan en wreef snel over de kornalijn, zoals Maroef had uitgelegd. En op hetzelfde ogenblik klonk een luid gegiechel en de stem van Winnetoe riep:
“Hi-hi-hi! Wat is er van uw dienst? Maar alsjeblieft, wrijf niet langer want ik kan niet tegen kietelen. Wenst ge, dat ik bouw of dat ik afbreek, dat ik een berg doe verdwijnen of dat ik een stad doe verrijzen, dat ik een paar koningen naar de eeuwige jachtvelden zend of een paar koninginnen ontvoer?”


En de minister antwoordde:
“Ik beveel je deze onwijze sultan hier en zijn schoonzoon, de imbeciel Maroef, onmiddellijk op te pakken en in de woestijn neer zetten waar ze van honger en dorst zullen omkomen.”
“Ik hoor en gehoorzaam,” zei Winnetoe triest, en in een oogwenk werden de sultan en Maroef als strootjes opgeheven en sneller dan de wind verplaatst naar een droge en barre woestijn, die slechts bewoond werd door de eenzaamheid en de dood.