vrijdag 21 januari 2022



Op het eind van het jaar maak ik altijd een overzicht om na te gaan welk verhaal het meest is gelezen en welke verhalen het minder hebben gedaan. Dit jaar heb ik een lijst samengesteld van de verschenen verhalen. Je kunt op de titel klikken om naar het betreffende verhaal te gaan om het eventueel te herlezen of omdat het je was ontgaan. Verder staat er een score in de lijst vermeld.

Uit de hier bijgevoegde lijst van verhalen van afgelopen jaar valt op te maken dat het verhaal van de Baljuw (nr. 4 in de lijst: uit de Canterbury Tales van Chaucer het meest gelezen verhaal is. Het één na laatste verhaal uit de serie Cicero (nr. 29 in de lijst) is het minst gelezen. Nu ligt de verklaring minder voor de hand dan je zou kunnen denken. Het Cicero verhaal staat nog maar kort op mijn blog, terwijl het Verhaal van de Baljuw er al een jaar opstaat. De kans dat het laatste verhaal vaker gelezen kon worden dan het verhaal van Cicero is dus veel groter. Vandaar de hogere score. En het wordt nog bizarder, als je de telling van Google ernaast legt: in deze lijst komt het Verhaal van de Baljuw niet voor bij de eerste 18 genoteerde verhalen. Dat wil zeggen dat de hoogste score voor alle verhalen boven de 139 hits ligt. Wat dit jaar op Één staat, komt niet bij de eerste 18 voor in de lijst met alle verhalen.

Maar dit jaar staat de Baljuw bovenaan, gevolgd door een ander verhaal uit de Canterbury Tales: het verhaal van de Non (nr. 23 in de lijst) En aangezien dit verhaal er veel later op is gekomen, kun je nu al concluderen dat dit verhaal uiteindelijk populairder zal zijn dan dat van de Baljuw. Deze constatering kan op een dieperliggend probleem wijzen, dat ik een beetje heb uitgewerkt in een achtergrondartikel  dat je hier kunt vinden door te klikken.

Er waren dit jaar vier series: de Canterbury Tales, de Koppigheidsserie, De vrouw van Djeha-serie en de Cicero-serie. Over de eerste en de laatste serie heb ik al iets verteld en daar laat ik het ook bij. De Koppigheidsserie werd meer gelezen dan De vrouw van Djeha-serie. Dat is opvallend, omdat de Koppigheidsserie bestaat uit een serie van dezelfde verhalen die steeds anders worden verteld en misschien iets verklappen over het land waar het wordt verteld. Dit is verder uitgewerkt in De vergelijking (nr. 17 in de lijst). De vrouw van Djeha-serie bestond uit steeds andere verhalen. Deze serie zal in het komende jaar een vervolg krijgen in het bespreken van de verhalen uit de Decamerone. Want nog steeds dienen de Ontdekkingen in het vertellen van deze verhalen zich aan.

Toekomst.

In het komende jaar zal ik minder tijd besteden aan het Klassieke Humor blog. Dat houdt in dat verhalen die vorig jaar al aan de beurt hadden moeten komen, die van Aristofanes en Arabische grappen uit de literatuur van het Institut Arabe, voorlopig van de baan zijn. Over een volledig nieuwe serie  Plautus, zullen we het dan ook maar helemaal niet hebben. Dat wil niet zeggen dat ze niet uiteindelijk op mijn blog komen te saan. Ik ga door tot ik 365 keer een blog heb gepubliceerd, omdat dat de basis moet worden voor een jaarkalender, waarin op elke dag een andere grap komt te staan.

Dit jaar, zal ik waarschijnlijk maar om de twee weken een verhaaltje bespreken. Dat zijn dan de verhalen uit de Decamerone, en de verhalen uit het standaardwerk over het Soefisme, The Sufis, van Idries Shah, dat mij in de schoot werd geworpen door de helaas overleden econoom Witteveen. In het bespreken van The Sufis zal ik de uitleg van Idries Shah van commentaar voorzien.

Het komende jaar komt in het teken te staan van mijn familiegeschiedenis. En als alles loopt zoals ik hoop dat het gaat lopen zullen de afzonderlijke levensverhalen verschijnen op mijn andere website alle gepubliceerd in overleg met de familie. Ik stel het vertrouwen dat men in mij stelt erg op prijs.

 

zondag 16 januari 2022

Laatste hoofdstuk Clodius en Cicero.

Voor commentaar en oorspronkelijk Griekse tekst, klik hier.


Echter, gedurende het consulaat van Lentulus, toen de wanorde bleef voortduren, in die mate dat tribunen verwond raakten op het Forum en zelfs Quintus, de broer van Cicero, als dood lag tussen de gedode mensen om niet te worden vermoord, toen pas begonnen de mensen van mening te veranderen. Annius Milo, een van de tribunen, waagde als eerste Clodius te vervolgen voor geweldpleging. Daarna volgden velen hem, toen hij een beroep deed op Pompeius, zowel van Rome’s volksvertegenwoordiging als die van de nabij gelegen steden. Toen trok Pompeius op naar het Forum, dreef Clodius ervan af en riep de mensen op tegen Clodius te gaan stemmen.

En ze zeggen dat de volksvertegenwoordiging nog nooit eenstemmiger gestemd heeft dan toen. Ook de senaat, in wedijver met de volksvertegenwoordiging, schreef aan alle steden die Cicero te hulp waren geschoten tijdens zijn ballingschap, dankbrieven. En vaardigde het besluit uit dat zijn huis (op de Palatijn) en zijn villa’s op het platteland, die Clodius had laten verwoesten, zouden worden herbouwd op kosten van de staat.

In de zestiende maand van zijn ballingschap kwam Cicero terug naar huis. En de vreugde van de steden en het verlangen de man te ontmoeten was zo groot dat, wat Cicero er later over zei, daarbij in het niet valt. Hij zei namelijk dat Italië hem op de schouders had genomen en hem naar Rome had gedragen. Maar het was niet Italië, maar heel Italië. Want zelfs Crassus, die voor zijn ballingschap altijd zijn grote tegenstander was geweest, was nu bereid om hem te ontmoeten en zich met hem te verzoenen. Van de zoon van Crassus, Publius, wordt gezegd dat hij een vurig aanhanger van Cicero was.

Toen er nog maar weinig tijd verstreken was en Cicero ertoe de kans kreeg, omdat Clodius zich niet in de stad ophield, ging hij met groot gevolg naar de Capitolijn en scheurde daar de plakkaten van de muur met de verslagen, waarin tribunen hun bestuur verantwoordden. Toen Clodius hem hiervoor aanklaagde, zei hij dat de verslagen onwettig waren. Cicero betoogde dat het onwettig was dat Clodius uit de rangen van de patriciërs was overgegaan naar de volksvertegenwoordiging (van plebejers). Daarom was ook zijn bestuur illegaal. Alleen Cato was hierover verontwaardigd en sprak zich tegen Cicero uit.

Cato benadrukte dat hij het ook niet eens was met Clodius, --hij was zelfs heel erg ontevreden over de gang van zaken—maar hij vond dat het voor de senaat een vreemde en ongehoord agressieve maatregel was om zoveel besluiten en handelingen in een keer ongeldig te verklaren. Onder deze verslagen bevonden zich de notulen die betrekking hadden op zijn eigen bestuur op Cyprus en te Byzantium. Dit alles had verzet, dat nu aan de dag trad, ten gevolge tussen hem en Cicero, maar dit verzet werd getemperd door hun vriendelijke gedrag over en weer.

Later werd Clodius vermoord door Milo. En toen Milo werd vervolgd voor moord, werd Cicero zijn advocaat. De senaat was bang dat het proces tegen Milo aanleiding zou zijn voor onrust in de stad. Milo was een man met een bedenkelijke reputatie omdat hij snel zijn zelfbeheersing verloor. Zij vertrouwden het algehele toezicht over dit proces en nog andere rechtszaken toe aan Pompeius, die voor veiligheid in de stad en op de gerechtshoven diende te zorgen.(x)

 Harris, 815: Quintus ligt voor Dood.

Eerst hoorden we van Atticus dat de nieuwe tribunen waren ingezworen. Acht waren medestanders van Cicero en maar twee uitgesproken vijanden – maar twee waren voldoende om een veto uit te spreken over iedere wet die zijn ballingschap zou herroepen. Toen hoorden we van Quintus, Cicero’s broer, dat Milo als tribuun , Clodius had laten vervolgen voor gewelddadigheid en intimidatie, en dat Clodius daarop zijn boeven Milo’s huis had laten aanvallen. Op nieuwjaarsdag ging de ambtstermijn van de nieuwe consuls in. Een van hen, Lentulus Spinther, was al een overtuigd medestander van Cicero. De andere, Metullus Nepos, was lange tijd als vijand beschouwd. Maar iemand moet hem overtuigd hebben, want tijdens het openingsdebat van de nieuwe senaat verklaarde Nepos dat hij, hoewel hij het persoonlijk nog steeds niet op Cicero had, geen bezwaar zou maken als hij terug werd geroepen. Twee dagen later legde de senaat het volk een motie voor de herroeping van Cicero’s ballingschap voor, opgesteld door Pompeius.

Vanaf dat moment was het mogelijk te geloven dat Cicero’s verbanning spoedig ten einde zou zijn, en ik begon discrete voorbereidingen te treffen voor ons vertrek naar Italië. Maar Clodius was een uiterst vindingrijke en rancuneuze vijand. Op  de avond voor de volksvergadering bezetten hij en zijn medestanders het forum, het comitium, de rostra – het volledig wetgevende hart van de republiek—en toen Cicero’s vrienden en medestanders arriveerden om te stemmen, vielen ze hen genadeloos aan.

Twee tribunen, Fabricius (onvindbaar) en Cispius, werden belaagd en hun assistenten werden vermoord en in de Tiber gesmeten. Toen Quintus de rostra probeerde op te klimmen werd hij weggesleept en zodanig gemolesteerd dat hij enkel wist te overleven door te doen of hij dood was. Milo reageerde door, voor het eerst, een stel van zijn eigen gladiatoren erop uit te sturen. Spoedig was het centrum van Rome een slagveld, en dagenlang werd er gevochten. Maar al kreeg Clodius voor het eerst een stevige afstraffing, hij werd niet volledig verdreven, en hij had nog steeds twee tribunen die een veto konden uitspreken, De wet om Cicero naar huis te halen moest worden verworpen.

Harris 817

Spinther diende dus een motie in waarin de gehele burgerij van de republiek bijeengeroepen werd in het hoogste orgaan, het kiescollege van honderddrieënnegentig centuriën, om eens en voor altijd het lot van Cicero te bepalen. De motie werd door de senaat met vierhonderddertien stemmen tegen één aangenomen; die ene was Clodius. Verder werd bepaald dat de stemming rond Cicero’s terugkeer gelijktijdig met de zomerverkiezingen moest plaatsvinden, wanneer de centuriën al verzameld zouden zijn op het Marsveld.

Harris, 841: Waarom heeft Cicero recht om zijn huis op de Palatijn te herbouwen? Omdat er een heilig beeld op de plaats van de villa staat, zou Cicero er niet meer mogen gaan wonen. Cicero toont aan dat het beeld helemaal niet heilig is.

 


De schrijn (het heilige beeld van Libertas, de Vrijheid) kon niet als ingewijd worden beschouwd, aangezien Clodius wettelijk geen tribuun was geweest toen hij dit schonk. “Uw overgang van patriciër naar plebejer (zie: vorig blog) is niet door dit college (van pontifices/priesters) besloten, was in strijd met alle pontificale regels, en moet als nietig worden beschouwd; en als die overgang niet wettig is, dan geldt dat voor uw gehele tribunaat.” Dat was gevaarlijk terrein: iedereen wist dat Caesar Clodius’ plebejerschap  had geregeld. Ik zag dat Crassus vooroverleunde, aandachtig luisterend. Cicero voelde dit gevaar aan, herinnerde zich misschien de kwestie met Caesar, en maakte een wending: “Zeg ik daarmee dat al Caesars wetten illegaal waren? Allerminst: geen ervan schaadt mijn belangen nog, behalve dan die wetten die met vijandige bedoelingen tegen mijn persoon gericht zijn.”

Maar de ware slag bracht hij toe toen hij de vuige origine onthulde van het standbeeld dat Clodius had laten oprichten. Ik had de arbeiders  weten te traceren die dat hadden uitgevoerd en van hen gehoord dat het beeld een donatie van Clodius’ broer Appius was geweest, die het uit Tanagra in Boeotië had weggesleept, waar het de graftombe van een bekende courtisane had opgesierd.


De hele zaal brulde van het lachen toen Cicero dit feit uit de doeken deed. “Dus dat is het idee van ‘Libertas  – als een courtisane, opgericht op een uitheemse tombe, gestolen door een dief en opnieuw geplaatst door een godslasterlijke hand! En door háár ben ik uit mijn huis verdreven? Heilige vaders, ik kan dit niet kwijtraken zonder dat de staat te schande wordt gemaakt. Als u gelooft dat mijn terugkeer de onsterfelijke goden, de senaat, het Romeinse volk en heel Italië heeft behaagd, schenkt u mij dan mijn huis terug!”

Harris, 844.

De volgende dag las Spinther het oordeel van de pontifices aan de senaat voor: tenzij Clodius geschreven bewijs kon overleggen waaruit bleek dat hij de schrijn volgens de instructies van het Romeinse volk had ingewijd ‘kan het perceel zonder heiligschennis te plegen opnieuw aan Cicero worden toegekend’.

Harris, 796. Cato is het er niet mee eens om de periode Clodius voor een onwettige regeerperiode te houden, omdat hij zelf in die tijd belangrijk werk voor de regering heeft verricht.

We hoorden bijvoorbeeld over een nieuwe wet die de annexatie van het welvarende Cyprus verordende, zodat de rijkdommen ‘het Romeinse volk ten goede konden komen’ –dat wil zeggen, zodat ze het gratis aan iedere burger verstrekte graan konden bekostigen, iets wat Clodius had ingesteld. Marcus Porcius Cato (junior) werd met het uitvoeren van de diefstal belast. Onnodig te zeggen dat die wet werd aangenomen, want geen kiezer weigert ooit een belasting voor een ander, zeker niet als hij er zelf profijt van heeft. Cato weigerde eerst te gaan. Maar Clodius dreigde hem te vervolgen als hij weigerde de wet te gehoorzamen. Aangezien Cato de grondwet boven alles stelde, had hij geen andere keus dan te gehoorzamen. Hij zeilde naar Cyprus samen met zijn jonge neef Marcus Junius Brutus, en met zijn vertrek verloor Cicero zijn meest uitgesproken medestander in Rome.

Harris, 878.

En toen, aan de vooravond van het debat, keerde Marcus Porcius Cato na twee jaar afwezigheid in Cyprus terug naar Rome. Hij kwam aan in grootse stijl; met een vloot van schepen vol schatten voer hij vanaf Ostia de Tiber op, vergezeld van zijn neef Brutus, een jongeman van wie veel verwacht werd. De hele senaat en alle magistraten en priesters, net als het grootste deel van de bevolking waren uitgelopen om Cato te verwelkomen.

Harris, 906. Het aantal medestanders van Cicero groeit. Maar ook de tegenstand houdt stand: Clodius gedraagt zich steeds gewelddadiger en het lijkt erop dat hij opnieuw aan de macht zou kunnen komen. Voor de tweede keer komt Milo Cicero te hulp. Milo had hem ook al uit zijn ballingschap bevrijd.

Zijn (Milo’s) lijfwachten zetten hun paard aan en omringden hem (Clodius). Onze stoet kwam tot stilstand. Ik zag dat we dichtbij een herberg waren – een bizar toeval wilde, dat het dezelfde was waar wij waren gestopt om onze paarden te halen in de nacht dat Cicero uit Rome weg vluchtte. Milo sprong met getrokken zwaard zijn rijtuig uit en liep langs de kant van de weg om te kijken wat er aan de hand was. Overal in de stoet stegen mannen af. Clodius’ helpers hadden inmiddels de speer uit zijn ribben getrokken en hielpen hem naar de herberg. Hij was voldoende bij bewustzijn om half te kunnen lopen, ondersteund door zijn metgezellen. Intussen waren groepjes mannen in tweegevechten gewikkeld langs de weg en in de aangrenzende velden – wanhopige, woeste hakpartijen, soms te voet, soms te paard  -- in zo’n verward strijdgewoel dat ik eerst Milo’s mannen niet kon onderscheiden van die van Clodius.  Maar langzaamaan merkte ik dat die van ons, van Milo, aan de winnende hand waren, want wij waren driemaal talrijker dan zij. Ik zag hoe verscheidene van Clodius’ mannen die de hoop op de overwinning hadden opgegeven, hun handen in overgave omhoog staken of op hun knieën vielen. Anderen gooiden gewoon hun wapens neer en renden of galoppeerden weg. Niemand nam de moeite hen te achtervolgen.
    Toen de strijd over was overzag Milo met zijn handen in zijn zij het bloedbad en gebaarde toen naar Birria (een enorme gladiator) en een paar anderen dat ze Clodius uit de herberg moesten ophalen.
    Ik steeg van mijn paard. Ik had geen idee wat er nu zou gebeuren. Ik liep op Milo af. Net op dat moment kwam er een kreet, of eerder een gil, vanuit de herberg en Clodius werd naar buiten gedragen door vier gladiatoren die ieder een arm of been vasthielden. Milo moest een rekensommetje maken: zou hij Clodius laten leven en de gevolgen aanvaarden, of hem doden en de zaak afhandelen? Zij legden hem aan zijn voeten neer op de weg. Milo pakte een speer van de man die naast hem stond, beproefde de punt met de duim, zette hem midden op Clodius’ borst, greep de schacht vast en ramde hem met volle kracht naar binnen. Er spoot bloed uit Clodius’ mond. Daarna hakte iedereen om beurten in op het lichaam, maar ik kon het niet opbrengen te blijven kijken.

Harris, 914.

“En als ik word aangeklaagd,” antwoordde Milo sluw, “verdedig jij me dan?”
    Ik had verwacht dat Cicero zou zeggen dat dat onmogelijk was. Maar hij zuchtte alleen en streek met zijn hand door zijn haar. “Luister naar me, Milo – luister goed. Toen ik in het diepste dal van mijn leven zat zes jaar geleden in Thessalonica
, was jij de enige die me hoop bood. Daarom kun je er gerust op zijn dat ik me niet van je zal afwenden, wat er ook gebeurt. Maar in vredesnaam, laat het ook niet zover komen.”

Het onderzoek leidde tot het moordproces van Milo begin april en Cicero werd verzocht zijn belofte om hem te verdedigen in te lossen. Dat was de enige keer dat ik meemaakte dat hij zwaar leed onder de spanning. Pompeius had het stadscentrum volgepakt met soldaten om de orde te handhaven, maar het effect daarvan was geenszins geruststellend. Ze blokkeerden elke toegang tot het forum en bewaakten de voornaamste openbare gebouwen.

Milo wordt verbannen uit Rome en gaat naar Marseille, waar hij van een rustige oude dag geniet.

vrijdag 24 december 2021

 Verbannen. (verg. Rodenko)


Welnu, van de drie machtigste mannen was Crassus (
zie ook: grappen)  een openlijke vijand van Cicero, Pompeius wilde van twee walletje eten, en op Caesar kon Cicero voorlopig niet te rekenen, omdat hij op het punt stond naar Gallië te vertrekken. Cicero dacht bij Caesar in het gevlei te komen door aan te bieden hem op zijn veldtocht te vergezellen (hoewel Caesar nou niet bepaald zijn vriend was, eerder een voorwerp van wantrouwen vanwege de zaak Catilina) , maar toch vroeg Caesar Cicero om hem als vertegenwoordiger van de Romeinse staat (legaat) bij te staan.

Meteen toen Clodius ervan de lucht kreeg dat Caesar hiermee wilde instemmen en bedacht dat Cicero dan aan zijn macht als volkstribuun (1)  zou weten te ontsnappen, deed hij het voorkomen dat hij eropuit was om zich met Cicero te verzoenen. Hij schoof de schuld, dat Cicero tegen hem had getuigd, vooral Terentia, de vrouw van Cicero, in de schoenen. Steeds praatte hij over Cicero in de meest beminnelijke bewoordingen en was altijd vol lof over hem. Hij deed het voorkomen dat hij geen haatgevoelens of zelfs wrok jegens hem koesterde. Zijn klachten waren van milde aard om hem vriendelijk te stemmen. Uiteindelijk wist hij Cicero’s angst zo te temperen dat Cicero ervan afzag als vertegenwoordiger van de Romeinse staat in het leger van Caesar dienst te nemen. En hij wijdde zich weer aan zaken van publiek belang en bleef in Rome.

Maar dit gedrag ergerde Caesar. Die moedigde daarop Clodius aan om Cicero te vervolgen. Cicero had Pompeius helemaal van zich vervreemd. Clodius verklaarde ondertussen in het openbaar waar iedereen bij was, dat hij vond dat het rechtens en wettelijk niet in de haak was, dat men zonder een fatsoenlijk proces van hoor en wederhoor Lentulus, Cethegus en hun medeplichtigen in de zaak Catilina terecht had gesteld, zoals Cicero had gedaan. Want dit was de aanklacht die tegen Cicero werd ingebracht en waartegen hij in verweer moest gaan. Toen het eenmaal zover was en Cicero gevaar liep te worden vervolgd, trok hij rouwkleding (2) aan en droeg hij zijn haar lang en onverzorgd, omdat hij deze mensen ter dood had veroordeeld. En hij liep er zo in het publiek openlijk mee rond om hun om vergiffenis te smeken.

Maar Clodius zocht overal op straat de confrontatie, vergezeld door een bende vrijpostige en onbeschofte gasten. Zij maakten hem zonder zich in te houden belachelijk over zijn kledij. En vaak bekogelden ze hem met modder en stenen, waardoor hij aan de mensen niet duidelijk kon maken, waarom hij vroeg.

Maar aanvankelijk trokken ook de ridders (3) net als Cicero rouwkleding aan om hem hun steun te betuigen. Wel 20 duizend jongeren begeleidden hem als hij zich in het openbaar vertoonde, met onverzorgd haar en steunden hem in zijn beroep op het volk om vergiffenis. En toen de senaat bij elkaar kwam om te verordenen dat iedereen rouwkleding moest gaan dragen om aan te geven dat een openbare ramp op handen was, gaf Clodius met wapengekletter rond de vergaderzaal van de senaat  zijn ongenoegen met de gang van zaken te kennen. Veel senatoren stormden daarop naar buiten om de rebellen een lesje te leren, gekleed en jammerend in rouw.

Cicero moest zich voor hulp tot Pompeius wenden, omdat de aanblik van al die rouwende mensen Clodius’ gemoed niet kon vermurwen. Cicero moest kiezen tussen ballingschap of een beroep doen op geweld en de degens tegen Clodius kruisen, die van geen wijken wist. Maar Pompeius had opzettelijk de wijk genomen naar het platteland, waar hij in de Albaanse heuvels een onderkomen had. Eerst stuurde Cicero Piso, zijn schoonzoon, om met hem te onderhandelen. Daarna ging er zelf naartoe.

Pompeius zag huizenhoog op tegen zijn komst, want hij schaamde zich door en door voor deze man, die zich zó voor hem had ingespannen en een voor hem gunstige politieke weg was ingeslagen alleen om hem tegemoet te komen. Maar nu hij getrouwd was met de dochter van Caesar, kon hij Cicero’s verzoek niet weigeren tenzij door hem te ontwijken en geen acht te slaan op het aan hem verschuldigde respect. Daarom sloop Pompeius bij de komst van Cicero uit zijn huis langs een andere weg als waarlangs Cicero binnenkwam en ontliep zo het onderhoud. Zo door hem verraden en aan zijn lot overgelaten, wendde Cicero zich om hulp tot de andere consuls, Gabinius en Piso.

Gabinius was Cicero altijd al vijandig gezind, maar de andere consul, Piso, trad hem vriendelijker tegemoet en gaf het advies om afstand te nemen en zich niet te laten provoceren door de heftige aanvallen van Clodius op zijn persoon. Na verloop van tijd zou de razernij van Clodius bedaren en kon Cicero nogmaals zijn land redden van de opruiende en ellendige rampspoed waarin de republiek dankzij Clodius terecht was gekomen (4).

Toen hij dit advies kreeg als antwoord, riep Cicero de raad in van zijn vrienden: Lucullus drong erop aan in de stad te blijven, omdat hij dacht dat Cicero wel de ellende zou doorstaan en er als een overwinnaar uit te voorschijn zou komen. Maar alle anderen raadden hem aan in ballingschap te gaan, in de overtuiging dat het volk spoedig naar hem zou terugverlangen, als het de gekte en dwaasheid van Clodius zat was.


Cicero besloot in ballingschap te gaan. Hij nam het standbeeld van Minerva
 dat lang bij hem in huis had gestaan en waarvoor hij groot ontzag koesterde, en verplaatste het naar het Capitool. Hij gaf het als wijgeschenk weg met het opschrift: “Voor Minerva, Beschermster van Rome”. Middernacht sloop hij zo de stad uit vergezeld van een select groepje vrienden. Te voet ging hij op weg via Lucania naar Sicilië, omdat hij daar hoopte onderdak te vinden.

Maar zo vlug als bekend werd dat hij was gevlucht, liet Clodius het volk – de plebejers; zie ook: opstand van het volk) -- meteen stemmen om hem voorgoed uit Italië te verbannen. Hij vaardigde een edict uit waarin stond dat iedereen hem vuur en water moest weigeren, en dat niemand hem onderdak mocht verlenen binnen een straal van 500 mijl (de Romeinse mijl was ongeveer 1,5 kilometer) van Italië.  Nu was het zo dat de meeste mensen niet het minste geringste acht daarop sloegen uit respect voor Cicero. Zij begeleidden hem op zijn tocht naar Sicilië met alle tekenen van vriendschap.

Maar te Hipponium (5), een stad in Lucania, die heden ten dage Vibo heet, wilde Vibius hem niet ontvangen, ook al had hij veel profijt gehad van zijn vriendschap met Cicero, in het bijzonder omdat Cicero hem Hoofd van de engineers had gemaakt. Wél bood hij zijn landhuis aan voor onderdak als alternatief. En ook Caius Vergilius, de praetor (6) van Sicilië, die op heel erg goede voet stond met Cicero, schreef hem, uit Sicilië weg te blijven.

Door deze behandeling ontmoedigd, ging Cicero naar Brindisi om zich te laten inschepen voor Dyrrhachium (7). Hij wilde op een stevige wind mee oversteken naar de tegenoverliggende kust, maar door tegenwind werd hij juist gedwongen de volgende dag terug te keren. Daarop probeerde hij het nog een keer en die keer lukte de overtocht. Verder wordt er verteld dat toen hij Dyrrhachium binnenliep en aan land wilde gaan, er zich een aardbeving voordeed die vergezeld ging van een tsunami, een geweldige torenhoge samentrekking van de zee. De waarzeggers maakten hieruit op dat zijn ballingschap niet lang zou duren, omdat zij hierin tekenen van verandering zagen.

Ook al bezochten veel mensen hem met de beste bedoelingen en wedijverden de Griekse steden onder elkaar om hem als vluchteling te ontvangen (8) door afvaardigingen naar Cicero te sturen, toch bracht hij ondanks dit alles het grootste deel van de dag door neerslachtig en gebukt onder groot verdriet. Hij staarde in de richting van Italië als een ontroostbare minnaar, die zijn geliefde heeft verloren. Zijn stemming was zo dat hij begon te piepen om elke kleinigheid. Dan weer was hij tegen iedereen door en door gemeen. Dit alles kwam door het ongelukkige lot dat hem getroffen had. Hij voelde zich meer vernederd dan je zou verwachten van iemand die altijd alles zo luchtig had opgenomen (9).

En toch vroeg hij vaak zijn vrienden hem niet een redenaar (10)  te noemen. Hij had ervoor gekozen om de filosofie tot zijn vak te maken en hij beschouwde de kunst van de redevoering (het debat) een middel om de noodzakelijke stappen te zetten in een politieke carrière. De publieke opinie is in staat om redelijke verbanden weg te spoelen als kleur die verbleekt uit de ziel van de mens. De kracht van bekend veronderstelde associaties maakt, dat we het gevoel hebben dat diegenen die zich in het politieke leven ophouden, zich met vulgaire zaken afgeven. Alleen als iemand zich heel erg ervoor hoedde wanneer hij zich bemoeide met de buitenwereld en er zich strikt aanhield zich alleen met de zaak zelf (11)  in te laten, kon een politicus voorkomen door de politiek besmet te raken.

Clodius, ondertussen, na Cicero uit Rome te hebben verdreven, stak zijn villa’s in de fik, verbrandde tot op de grond zijn huis. Op de plaats van zijn woning op de Palatijn bouwde hij een Tempel voor de Vrijheid  (12). De rest van zijn eigendommen bood hij te koop aan en maakte daar dagelijks reclame voor, maar niemand wilde wat dan ook kopen. De patriciërs (dus de mensen die Cicero altijd had verdedigd) vonden dit geweldig! Het volk, vooral de brutalen en provocateurs onder hen, liet zich meesleuren in de opinie van de patriciërs. Clodius nam het op tegen Pompeius door de politieke regelingen ongeldig te verklaren die Pompeius voordelig had weten af te sluiten met betrekking tot de afloop van zijn veldtocht in Klein Azië.

Deze smaad leidde ertoe dat Pompeius van kamp verwisselde. Hij verweet zichzelf dat hij Cicero zo in de steek had kunnen laten. Hij stelde alles in het werk om de terugkeer van Cicero te bespoedigen. Ook zijn vrienden streefden ernaar dat Cicero kon terugkeren. Maar door het verzet van Clodius tegen de terugkeer, nam de senaat ondertussen geen beslissingen meer. Ook onthield het zich van het behartigen van de publieke belangen, tenzij Cicero werd toegestaan terug te keren. (x)

 (Harris, 711)

Op het podium aan de andere kant van de zaal, omringd door zijn lictoren, stond Caesar in zijn gewaad van hoge priester, geflankeerd door Pompeius, die er dwaas uitzag met zijn augurenmuts op en gekromde staf in zijn hand. Rondom stonden ook diverse andere priesters, onder wie Crassus, die op Caesars verzoek in het college was ingelijfd ter vervanging van Catulus. Dicht bij elkaar op de houten banken als binnen een hek gedreven schapen, zat de curia, de dertig bejaarde grijsaards die ieder aan het hoofd stonden van een stadstribus. Het plaatje werd afgemaakt door Clodius met zijn goudgele krullen, neergeknield op het middenpad naast een andere man. Bij het geluid van onze binnenkomst draaide iedereen zich om, en nooit ben ik de grijns van triomf op het gezicht van Clodius vergeten toen hij Cicero zag – een blik van bijna kinderlijke ondeugd, al maakte die snel plaats voor een uitdrukking van paniek toen zijn zwager op hem af beende, met Cicero in zijn kielzog.
“Wat is hier verdomme aan de hand?” riep Celer, de zwager van Clodius.
“Metellus Celer,” antwoordde Caesar met krachtige stem, “dit is een religieuze plechtigheid. Onheilig haar niet!”
“Een religieuze plechtigheid! Met Rome’s hoofdontheiliger hier op zijn knieën, de man die je eigen vrouw heeft geneukt!” Hij schopte naar Clodius, die van hem wegvluchtte in de richting van Caesars voeten.
“En wie is deze figuur?” vroeg hij. Hij torende dreigend boven de andere ineengedoken man uit.
“Laten we eens kijken wie zich bij de familie heeft aangesloten!’ Hij trok hem bij zijn nekvel overeind en draaide hem een halve slag om hem aan ons te laten zien, een rillende puisterige jongen van een jaar of twintig.
“Toon enig respect voor mijn aangenomen vader,” zei Clodius, die ondanks zijn angst zijn lachen niet kon inhouden.
“Jij, verachtelijke…” Celer liet de jongeman los en richtte zijn aandacht weer op Clodius. Hij bewoog zijn enorme vuist naar achteren om hem een dreun te verkopen, maar Cicero pakte zijn arm vast.
“Nee, Celer, geef ze geen excuus om je te arresteren.”
“Wijze raad,” zei Caesar. Na een kort ogenblik liet Celer met tegenzin zijn hand zakken.
“Dus jouw vader is jonger dan jij? Wat een klucht
!” Clodius lachte zelfgenoegzaam.
“Hij is de beste die we zo vlug konden vinden.”

Ik heb geen idee wat de tribusoudsten – die geen van allen onder de vijftig waren – van deze vertoning moeten hebben gedacht. Velen waren oude vrienden van Cicero. We hoorden later dat Caesars handlangers hen uit hun huis of van hun werk hadden geplukt en voortgeduwd naar het Senaatsgebouw, waar hun min of meer bevolen was de adoptie van Clodius goed te keuren.
“Zijn we hier klaar?” vroeg Pompeius. Hij zag er niet alleen belachelijk uit in zijn augurenkledij, maar voelde zich overduidelijk ook zo.
“Ja, wij zijn klaar,” zei Caesar. Hij hield een hand op alsof hij zijn zegen gaf bij de voltrekking van een huwelijk.
“Publius Clodius Pulcher, uit hoofde van mijn ambt als pontifex maximus verklaar ik dat je nu de aangenomen zoon bent van Publius Fonteius, en dat je in het staatsregister zult worden bijgeschreven als plebejer. Aangezien je verandering van status meteen ingaat, mag je je als tribuun verkiesbaar stellen, als je dat wilt.”

Clodius wordt tot volkstribuun gekozen en keert zich tegen Cicero. Hij stelt een juridische procedure tegen Cicero in gang. Caesar speelt op deze bedreiging in. (Harris, pag 731):

“Hoor eens, Cicero,” zei Caesar, “ als hij inderdaad een bedreiging gaat vormen, kun je altijd bij mij aankloppen voor steun.” Van z’n stuk gebracht door Caesars aanbod vroeg Cicero:
“Echt? Op wat voor manier dan?”
“Met dit verenigde commando zal ik veel op veldtocht zijn. Ik heb dan een legaat (een vertegenwoordiger) nodig die belast is met het burgerbestuur in Gallië. Jij zou ideaal zijn voor die post. Je hoeft er niet eens veel tijd door te brengen, je kunt zo vaak naar Rome terugkeren als je wilt. Maar, als ik je toevoeg aan mijn staf, ben je immuun voor rechtsvervolging. Denk er eens over na. En als je me nu wilt excuseren.”
     Met een beleefd hoofdknikje liep hij weg om een tiental andere senatoren te woord te staan die luidruchtig om zijn aandacht vroegen.

---

De verkiezingen van dat jaar werden later dan anders gehouden, dankzij Bibulus’ herhaalde aankondigingen dat de auspiciën ongunstig waren. Maar de kwade dag kon niet eeuwig worden uitgesteld en in oktober verwezenlijkte Clodius zijn grote ambitie en werd met een meerderheid van stemmen tot volkstribuun gekozen. Cicero besloot zichzelf de kwelling niet aan te doen om naar het Marsveld te gaan en de uitslag te vernemen. Dat was helemaal niet nodig, want we konden het uitgelaten gebrul ook wel horen zonder dat we het huis verlieten. Op de tiende dag van december werd Clodius beëdigd als tribuun.

pag. 736

Zoals ik had geraden waren het nieuwe wetsvoorstellen, twee om precies te zijn, die Clodius had uitgevaardigd. De ene ging over toewijzing van consulaire provincies voor het volgende jaar en bedeelde Calpurnius Piso met Macedonië en Aulus Gabinius met Syrië (als ik me goed herinner). Het

andere wetsvoorstel was erg kort, niet meer dan één regel: “Het wordt als een halsmisdaad beschouwd om water en vuur aan te bieden aan iedere persoon die Romeinse staatburgers zonder proces ter dood heeft laten brengen.” Ik keek er verdwaasd naar, zonder er aanvankelijk de betekenis van te begrijpen. Dat het tegen Cicero gericht was, had ik wel door. Maar hij werd niet genoemd.

 pag 743

De volgende ochtend stond ik met Cicero’s huismeester te praten toen ik Cicero voor het eerst in twee weken voorzichtig de trap zag afdalen. Mijn adem stokte in mijn keel. Het was alsof ik een spook zag. Hij had zijn normale toga laten hangen en droeg een oude zwarte tunica om te laten zien dat hij in rouw was. Zijn wangen waren ingevallen, zijn haar piekte alle kanten op, zijn witte stoppelbaard gaf hem het voorkomen van een oude zwerver.

Cicero roept de hulp in van Pompeius (pag. 745):

“Het spijt me heel erg,” zei Julia (de dochter van Caesar en de vrouw van Pompeius) “maar mijn man is weggeroepen.” Ze bloosde en keek naar de deur. Ze was het duidelijk niet gewend te liegen. Cicero’s gezicht betrok enigszins, maar toen herstelde hij zich:
“Dat geeft niet,” zei hij “Ik wacht wel.”

Maar hij kon wachten tot hij een ons zou wegen, Pompeius kwam niet tevoorschijn (pag. 747):

Toen het nieuws van Pompeius’ verraad bekend werd leek het gedaan met Cicero, en ik begon discreet te pakken in afwachting van een snel vertrek uit Rome. Dat wil niet zeggen dat iedereen hem meed. Honderden mensen hulden zich in rouw om hun solidariteit te tonen en met een krappe meerderheid stemde zelfs de senaat voor om zich in het zwart te kleden als teken van medeleven.

Het mag niet baten. Cicero slaat op de vlucht (pag. 758):

Het was een maanloze nacht, en toen we de top van de treden bereikten zagen we onder ons minstens tien fakkels langzaam de heuvel op komen. Iemand in de verte gaf een vreemde vogelroep ten gehore, die werd beantwoord met eenzelfde kreet van een plek dicht achter ons. Ik voelde hoe mijn hart begon te bonken.
“Ze zijn op weg,” zei Cicero zacht. “Hij laat er geen gras over groeien.” We haastten ons over de treden omlaag en sloegen aan de voet van de Palatijn links af een smalle steeg in. We bewogen ons dicht langs de muren en maakten zorgvuldig een bocht langs geblindeerde winkels en slapende huizen tot we op de hoofdstraat vlak bij de Porta Capena uitkwamen. De portier was omgekocht om de voetgangersdeur te openen en stond ongeduldig te wachten terwijl wij fluisterend afscheid namen van onze beschermers. Daarna stapte Cicero door de smalle poort, op de voet gevolgd door mij en nog drie jonge slaven die zijn bagage droegen.

We spraken of rustten niet tot we zeker twee uur hadden gelopen en ook de monumentale tombes langs de kant van de weg achter ons hadden gelaten die destijds beruchte schuilplaatsen waren voor dieven. Toen besloot Cicero dat het veilig was om even te stoppen. Hij ging op een mijlsteen zitten en keek terug in de richting van Rome. Een vage rode gloed, te vroeg voor het ochtendgloren, karmozijnrood in het midden en oplossend in roze strepen, kleurde de hemel en omlijnde de lage zwarte bulten van de heuvels van de stad. Het was ongelooflijk om te bedenken dat een brandend huis zo’n onmetelijk hemels effect kon creëren. Als ik niet beter had geweten, zou ik hebben gezegd dat het een voorteken was.

Harris, pag. 785

We vertrokken uit de haven op een heldere, koude winterochtend vol verschroeiend blauw. Zee en hemel, lichtblauw en donkerder, de lijn die ze scheidde messcherp, de afstand naar Messina maar drie mijl. Het kostte ons minder dan een uur. We kwamen zo dichtbij dat we Cicero’s medestanders naast elkaar op de rotsen konden zien staan om hem welkom te heten. Maar tussen ons en de ingang van de haven lag een oorlogsschip dat het rood en groen voerde van de gouverneur van Sicilië, Gaius Vergilius, en toen we de vuurtoren naderden, werd het anker opgehaald en voer het schip traag naar voren, om ons de pas af te snijden. Vergilius stond aan de reling, omringd door zijn lictoren. Eerst schrok hij zichtbaar van Cicero’s sjofele verschijning, toen riep hij een groet, waar Cicero vriendelijk antwoord op gaf. Ze hadden vele jaren samen in de senaat gezeten.

Vergilius vroeg hem naar zijn bedoelingen. Cicero riep terug dat hij uiteraard van plan was aan land te komen.
“Dat heb ik gehoord,” antwoordde Vergilius. “Helaas kan ik dat niet toestaan.”
“Waarom niet?”
“Vanwege de nieuwe wet van Clodius.”
“En wat mag die nieuwe wet dan wel zijn? Het zijn er zoveel, je raakt de tel kwijt!” Vergilius gebaarde naar een staflid dat een document tevoorschijn haalde en zich omlaag boog om het aan mij te overhandigen en daarna gaf ik het aan Cicero. Nog altijd kan ik me herinneren hoe het door het briesje fladderde in zijn handen, als een levend wezen; het was het enige geluid in de stilte. Hij nam de tijd en toen hij uitgelezen was, gaf hij het zonder commentaar aan mij.

Lex Clodia in Ciceronem

Overwegende dat M.T. Cicero Romeinse burgers zonder verhoor of vonnis ter dood heeft gebracht en voor dat doel het gezag en de besluiten van de senaat heeft vervalst, wordt hierbij verordend dat hem tot op vierhonderd mijlen van Rome geen toegang tot vuur en water kan worden verschaft; dat niemand hem onderdak kan bieden of ontvangen, op straffe des doods; dat zijn gehele have en goed verbeurd worden verklaard; dat zijn huis in Rome zal worden gesloopt en dat op de plaats ervan een schrijn voor Libertas zal worden ingewijd; en dat wie hem tracht terug te halen door daad, woord, stemgedrag of op welke wijze dan ook, als een vijand van de republiek zal worden behandeld, tenzij diegenen die Cicero wederrechtelijk ter dood heeft veroordeeld eerst weer tot leven komen.

Cicero besluit naar Macedonië te vluchten (Harris, pag. 792):

Op ongeveer een mijl afstand ontdekte ik een muur van zwarte rotsen die uit de branding stak. Ik nam aan dat we terug naar huis waren geblazen en dat dit de kust van Italië moest zijn. Maar de kapitein lachte om mijn onwetendheid en zei dat het Illyrië was, en dat dit de beroemde klippen waren die de oeroude stad Dyrrachium (13) beschermden.

Maar ook hier is Cicero niet zo welkom als door Plutarchus gesuggeerd. Zijn verblijf is anoniem. (Harris, pag. 795):

Er werd een bewaker bij de ingang geplaatst. Plancius had zijn bedienden verteld dat zijn anonieme gast een oude vriend was, die aan heftige smart en melancholie leed. Zoals alle goed leugens was deze ook gedeeltelijk waar. Cicero at amper, sprak bijna niet en kwam ook bijna niet zijn kamer uit; soms was zijn gehuil door het hele huis te horen. Hij ontving geen bezoekers, zelfs zijn broer Quintus niet, die op weg naar Rome langs kwam, na het afronden van zijn termijn als gouverneur van Azië:  “Je zou je broer niet herkennen als de man die je je herinnert,” zo smeekte hij, “hij heeft niets meer van hem weg, hij lijkt enkel nog een ademend lijk.

…….

Terentia beschreef hoe de zwartgeblakerde muren van het familiehuis op de Palatijn waren gesloopt, zodat daar Clodius’schrijn voor Libertas –hoe ironisch – kon worden opgericht. De villa in Formiae was leeggeplunderd, ook op het landgoed in Tusculum was ingebroken, en zelfs enkele van de bomen in de tuin waren door de buren meegenomen. Dakloos had ze haar toevlucht gezocht bij haar zuster in het Huis van de Vestaalse Maagden.

Maar op een dag staat Milo, Cicero’s bevrijder, met een gladiator voor de deur (Harris, pag. 802)

“Goed dan,” zei Milo, en toen vertelde hij ons wat hij Pompeius had voorgesteld: hij kon hem honderd koppels goedgetrainde vechters ter beschikking stellen, om het centrum van Rome te heroveren en zo een einde te maken aan Clodius’ macht over de wetgeving. In ruil had hij om een zeker bedrag gevraagd, om de kosten te dekken, en ook om Pompeius’ steun tijdens de tribuunverkiezingen: “Ik kon dit niet gewoon als een burger doen, begrijpt u – dan zou ik vervolgd worden. Ik zei hem dat ik de onschendbaarheid van het ambt nodig had."

vrijdag 3 december 2021

Het complot houdt in dat Hortensius en Crassus uit wraak het erop aanleggen dat Cicero moet getuigen in de zaak tegen Clodius, de rebel. Cicero heeft Hortensius en Crassus met gefingeerde brieven waarin hij doet alsof Catilina en consorten de staat omver willen werpen, ertoe verleid op hun gezag en dat van Cicero Catilina te arresteren, te berechten en uiteindelijk ter dood te brengen. Later, door de getuigenis tegen Clodius, komt Cicero zelf in de problemen, doordat de jeugd hem het leven zuur maakt. Uiteindelijk wordt hij zelfs verbannen (Deel 3). Hortensius, Crassus en niet te vergeten Clodius hebben wraak op hem genomen. 
 

Resultaat van een Complot.


Alvorens verder te gaan in mijn verhaal, wil ik in herinnering roepen dat Cicero eerst een vriend was van Clodius, de rebel. En in de zaak Catilina (1) had Clodius Cicero onschatbare diensten bewezen, in de samenwerking en beveiliging van zijn persoon. Maar toen Clodius op de klacht van heiligschennis, die tegen hem ingebracht werd, nadrukkelijk antwoordde dat hij zelfs niet in Rome was op het moment dat het voorval in het huis van Caesar gebeurde. En hij beweerde dat hij elders was ver van de plaats des onheils, getuigde Cicero tegen hem door te verklaren dat Clodius die dag bij hem thuis was geweest en hem over bepaalde zaken had geraadpleegd, en dat was waar.

Men dacht echter dat Cicero deze verklaring niet afgaf om waarheidsvinding, maar dat het een truc was van zijn vrouw, Terentia, om wraak te nemen op Clodia, de zuster van Clodius, van wie zij dacht dat haar man een oogje op haar had. Want er was vijandschap tussen haar en Clodius vanwege het doen en laten van zijn zuster Clodia. Terentia dacht dat de mooie Clodia haar zinnen erop had gezet haar man te verleiden om met hem te trouwen (2). Zij bediende zich daarbij van een zekere Tullus (3). Tullus was een medewerker en bijzondere vertrouweling van Cicero. En de voortdurende bezoekjes en attenties van Cicero aan Clodia, die nu naaste buren van elkaar waren, maakten Terentia jaloers en wantrouwig.

Zo komt het dat omdat Terentia zo haar meedogenloze methodes had en zij grote invloed (4) op Cicero had, zij hem ertoe aanzette om zich in te laten met de aanval op Clodius en het afleggen van zijn getuigenis tegen hem. Immers, er waren veel mannen uit de hogere klasse die tegen hem getuigden vanwege meineed, roekeloosheid, omkoping van de massa’s bij verkiezingen en omgang met verderfelijke vrouwen. En Lucullus (5) kwam op de proppen met slavinnen die getuigden dat Clodius verkeerde met zijn jongste zuster, Clodia, toen zij met Lucullus getrouwd was.

Het gerucht ging dat Clodius het deed met zijn zuster Clodia, en ook nog met zijn twee andere zusjes. Zijn tweede zuster heette Tertia (eenderde?) en was de echtgenote van Marcius Rex. Clodia nu was later getrouwd met Metellus Celer en  kreeg de roepnaam Quadrantia (eenvierde?), omdat een van haar minnaars koperen munten in een beurs had gedaan in plaats van zilveren. De kleinste kopermuntjes werden “vierden” (quadrans) genoemd (6) De omgang van (de mooie/pulcher) Clodius met deze (mooie/pulchra) zuster werd hem in het bijzonder kwalijk genomen.

Maar, de publieke opinie keerde zich in die dagen tegen hen die manipuleerden en tegen Clodius getuigden. De jury had de schrik te pakken en beveiligden zich. En toen ze schuldig of onschuldig moesten stemmen op hun kleitablet was hun schrift onleesbaar (7) gemaakt. Hoe het ook zit, degenen die voor vrijspraak waren, waren in de meerderheid. Volgens sommigen was de jury omgekocht.

Toen Catulus met die uitslag werd geconfronteerd, merkte hij op: “Jullie hebben niet voor niets veiligheidsmaatregelen genomen. Jullie waren bang dat iemand jullie het geld afhandig zou maken.” En Cicero zei tegen Clodius, toen die schamper opmerkte dat Cicero door zijn krediet heen was bij de jury, omdat er zoveel stemmen tegen Cicero waren uitgebracht: “Daarin heb je geen gelijk, vijfentwintig juryleden gaven me wél krediet door niet voor vrijspraak te stemmen. En de andere dertig gaven jóu krediet, niet omdat ze je wilden vrij spreken, maar omdat jij ze nog moet betalen.”

Toen Caesar moest getuigen, legde hij geen getuigenis af ten laste van Clodius, en ontkende dat zijn vrouw overspel had gepleegd, maar zei dat hij haar het huis had uitgezet omdat de vrouw van Caesar (8) boven elke blaam verheven diende te zijn, en dat niet alleen wat haar gedrag betreft, maar dat ze zelfs verheven diende te staan boven elke vorm van roddel om haar te schande te maken.

Clodius wist zo op het nippertje aan het gevaar van veroordeling te ontkomen. En nadat hij tot tribuun (9) was gekozen, begon hij meteen Cicero aan te vallen door iedereen en alles tegen hem in het geweer te brengen en onrust te stoken. Hij won de sympathie van het volk door het uitvaardigen van het volk gunstige wetten (10) en door rijke en grote provincies toe te wijzen aan de vertrekkende consuls (11) (Macedonië ging naar Piso en Gabinius kreeg Syrië), door het opnieuw in het leven roepen van wijkcentra kon hij de arme klasse (12) organiseren in een politieke beweging. Arme slaven zorgden voor zijn veiligheid.(x) 

Cicero en Clodius, vlgs Harris pag. 616.


In de rechtbank, Cicero: ‘Daar de vermoede schanddaad onder het eigen dak van de hoogste priester is begaan, kan hij (Caesar) ons wellicht de moeite besparen te wachten op de uitkomst van een onderzoek en ons nu vertellen of er wel of niet een vergrijp is gepleegd.’
Caesars gezicht stond zo strak dat ik zelfs vanaf mijn oude plekje buiten bij de deur – waarnaar ik had moeten terugkeren nu Cicero geen consul meer was – een spier in zijn kaak zag vertrekken toen hij opstond om antwoord te geven. ‘De  riten van de Goede Godin zijn geen zaak voor de hoogste priester (Caesar was pontifex maximus), aangezien hem niet eens is toegestaan aanwezig te zijn bij de viering ervan.’ Hij ging weer zitten.
Cicero mat zich een verblufte blik aan en verhief zich weer. ‘Maar had niet de eigen vrouw van de hoogste priester de leiding over de ceremonie? Hij moet toch enige kennis hebben van wat er is voorgevallen.’ Hij zeeg neer op zijn bank.


    Caesar aarzelde heel even, stond op en zei kalm: ‘Die vrouw is mijn echtgenote niet meer.’
Er ging een opgewonden gefluister door de zaal. Cicero kwam weer overeind. Nu klonk hij echt verbluft. ‘We mogen er dus van uitgaan dat er inderdaad een schanddaad is gepleegd.’
 ‘Niet noodzakelijkerwijs,’ antwoordde Caesar, en hij nam weer plaats.
 Cicero ging staan. ‘Maar als er geen schanddaad is gepleegd, waarom wil de hoogste priester dan van zijn vrouw scheiden?’
  ‘Omdat de vrouw van de hoogste priester boven alle verdenking moet staan.’

Harris pag 617, later thuis bij Cicero:

Ik ben bang dat mijn meester (Cicero) niet thuis is,’ zei ik (Tiro, de slaaf-stenograaf).
    Clodius glimlach verbleekte even, omdat hij uiteraard vermoedde dat ik loog. ‘Maar ik heb de hele gebeurtenis tot een prachtig verhaal voor hem uitgewerkt. Hij moet het gewoon horen. Nee, dit is belachelijk. Ik laat me niet wegsturen.’
    Hij duwde zich langs mij heen en liep de brede hal door en de bibliotheek in. Ik volgde hem handenwringend. Maar tot zijn verrassing en de mijne was er niemand te bekennen. Er was een kleine deur in de hoek aan de andere kant van het vertrek waar de slaven door in en uit gingen, die toen we ernaar keken zachtjes dichtging. … ‘Nou,’ zei Clodius, en hij klonk plotseling ongemakkelijk,’ zeg hem maar dat ik langs ben geweest.’

Harris, pag. 628 e.v.

Te midden van al die opschudding was het mogelijk te geloven dat de kwestie rond de Goede Godin vergeten zou worden. Er was nu meer dan een maand verstreken sinds het vergrijp en Clodius had zich zorgvuldig op de achtergrond gehouden. De mensen hadden het alweer over andere dingen. Maar een paar dagen na de terugkomst van Pompeius overhandigde het college van priesters eindelijk een oordeel over de gebeurtenis aan de senaat. Pupius, de leidende consul, was een vriend van Clodius en wilde het schandaal graag in de doofpot stoppen. Niettemin was hij gedwongen het verslag van de priesters voor te lezen, en hun mening loog er niet om. Het gedrag van Clodius was een duidelijk geval van nefas (13) geweest – een oneerbiedige daad, een zonde, een misdrijf tegen de godin, een gruwel.

pag. 637

Vanaf die dag wees hij steeds als hij op het forum sprak naar Cicero’s nieuwe huis op de Palatijn, hoog verheven boven de hoofden van de menigte, als een volmaakt symbool voor dictatorschap. ‘Kijk hoe de tiran, die burgers zonder behoorlijk proces heeft omgebracht, van zijn werk heeft geprofiteerd. Geen wonder dat hij naar nieuw bloed smacht.’ (14) Cicero betaalde met gelijke munt terug. De beledigingen werden steeds dodelijker. Soms stonden Cicero en ik op het terras te kijken naar hoe de beginnende demagoog aan het werk was, en hoewel we hem niet konden verstaan, daarvoor was de afstand te groot, hoorden we wel het applaus van het publiek en herkenden we wat we zagen: het monster dat Cicero dacht verslagen te hebben (Catilina), begon weer teken van leven te vertonen.

pag. 645

Op de vierde dag begon de verdediging met zijn pogingen Clodius uit het moeras van vunzigheid te trekken. Het leek een hopeloze taak. want niemand ook Curio niet, twijfelde er serieus aan dat zijn cliënt zich schuldig had gemaakt aan het vergrijp. Niettemin deed hij zijn best. De kern van zijn betoog hield in dat het hele voorval een eenvoudige kwestie van persoonsverwisseling was geweest. Het huis was in het halfdonker gehuld, de vrouwen waren hysterisch, de indringer vermomd – hoe kon iemand er zeker van zijn dat het om Clodius ging? Dit was geenszins een overtuigende benadering. Maar aan het eind van de ochtend kwam Clodius’ advocaat met een verrassende getuige. Ene C. Causinius Schola, een ogenschijnlijk respectabele burger uit Interamna (15), een stad op een mijl of negentig afstand van Rome, liep naar voren en verkondigde dat Clodius de betreffende avond met hem in zijn huis had doorgebracht. Zelfs onder kruisverhoor was hij niet aan het wankelen te brengen, en hoewel zijn stem er slechts één was tegen tien aan de andere kant, waaronder het ijzersterke getuigenis à charge van Caesars eigen moeder, had hij iets heel geloofwaardigs.
    Cicero, die toekeek vanaf de banken die bestemd waren voor de oud-senatoren, wenkte me. ‘Of die vent liegt of hij is knettergek,’ fluisterde hij. ‘Op de dag dat de ceremonie van de Goede Godin werd gehouden kwam Clodius toch bij mij langs? Ik herinner me nog dat ik ruzie met Terentia had over zijn bezoek.’
     Nu hij het zei, wist ik het ook weer, en ik antwoordde dat hij gelijk had. ‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg Hortensius, die zoals gewoonlijk naast Cicero zat en mee had proberen te luisteren.
    Cicero keerde zich tot hem. ‘Ik zei net dat Clodius die dag bij mij thuis was, dus hoe kan hij in godsnaam al rond het vallen van de avond in Interamna zijn aangekomen? Zijn alibi slaat nergens op.’ De woorden rolden er spontaan uit – als hij had nagedacht over de implicaties ervan zou hij een stuk voorzichtiger zijn geweest.
    ‘Dan moet je een verklaring afleggen,’ antwoordde Hortensius onmiddellijk. 'Dit getuigenis (van Schola) moet nietig worden verklaard.’

(Die dag kwam ook Cicero’s vrouw op hetzelfde idee.) Terentia had de kleine Marcus op schoot. Opeens zette ze hem neer en droeg hem naar binnen en gaf hem aan de kindermeisjes. Ze draaide zich om en keek haar man aan en zei: ‘Je mag het dan niet leuk vinden, maar je moet het wel doen – je moet een verklaring afleggen, zo niet in het belang van de republiek, dan wel in je eigen belang.’

Cicero was eraan gewend verklaringen af te leggen in de getuigenbank --  het afgelopen jaar al minstens tien keer tegen de samenzweerders van Catilina. Maar hij had nog nooit een dergelijk hanengevecht hoeven trotseren, en de stadspraetor moest de zitting onderbreken tot de orde hersteld was. Clodius zat met gevouwen armen en een grimmige blik naar Cicero te kijken.

‘…Ik herinner het me nog zeer goed.’ Cicero draaide zich van zijn ondervrager naar de jury toe. ‘Hij was bij mij thuis.’

‘Vijfentwintig juryleden achten de beklaagde schuldig, en eenendertig achtten hem onschuldig. De rechtbank spreekt derhalve Publius Clodius Pulcher vrij van de hem ten laste gelegde aanklachten, …’

    De laatste woorden van de praetor gingen verloren in een geloei van bijval. Het was of de aarde overhelde. Ik voelde mezelf wankelen en toen ik mijn ogen opendeed, knipperend in het felle licht, zag ik Clodius de juryleden langsgaan om ze een hand te geven. 



woensdag 17 november 2021

 Een puberale Romeinse Rebel: Clodius!

Lees deze toelichting!  Verder van belang: informatie over in welke soort grappen, dit verhaal valt: archetype Herakles.



Plutarchus [28]

Als een gevolg daarvan kregen velen een hekel aan hem (Cicero). Bovendien spanden de aanhangers van Clodius eendrachtig tegen hem om de volgende redenen.

Clodius was van adel, nog jong van jaren, maar moedig en arrogant. Deze jongeman nu was verliefd op Pompeia, de vrouw van Caesar. Hij sloop in he geheim haar huis binnen door zich te verkleden als een fluitspeler. Op dat moment waren de vrouwen van Rome van plan in het huis van Caesar de mysterie-rituelen, waarbij geen man aanwezig mocht zijn, te gaan vieren. En er was dan ook geen man in huis. (1)

Clodius had nog maar nauwelijks baard omdat hij nog heel jong was en hij hoopte onopgemerkt de kamer van Pompeia binnen te glippen samen met de uitgenodigde vrouwen voor de viering. Maar omdat het nacht was en het huis groot, verdwaalde hij in het labyrint van gangen in het huis. Hij was zodoende aan het ronddolen in het huis een beetje de weg kwijt, toen een dienstmeid van de moeder van Caesar, Aurelia, hem zag en naar zijn naam vroeg. Hij was wel gedwongen te spreken, en daarom zei hij dat hij op zoek was naar een hulpje van Pompeia genaamd Abra. Daarop sloeg de dienstmeid alarm, omdat zij hoorde dat zijn stem niet die van een vrouw was. Zij zette het op een gillen en riep alle vrouwen samen. (2)

De vrouwen deden daarop alle deuren op slot van hun eigen kamers en het huis, zodat hij niet kon ontsnappen. Zij gingen nauwgezet het hele huis doorzoeken. En toen vonden ze Clodius in de kamer van het hulpje, Abra, dat hem geholpen had binnen te komen. Het schandaal liet van zich spreken. En er was sprake van dat Caesar zich wilde laten scheiden van zijn vrouw, Pompeia. Hij spande tegen Clodius een rechtszaak aan vanwege heiligschennis. (3)

En in het boek van Harris over Cicero, verschenen in 2020 gaat hetzelfde verhaal als volgt. Wat is er anders!?

Harris, pag. 607:

Een paar uur later kwam Terentia naar de bibliotheek om haar man (Cicero) gedag te zeggen. Ze vertrok om de nachtelijke riten van de Goede Godin (Bona Dea) te vieren en zou pas de volgende ochtend terugkeren. Haar verstandhouding met Cicero was koel. Ondanks de elegantie van haar privévertrekken op de bovenverdieping had ze nog steeds een hekel aan het huis (waarnaar ze pas verhuisd waren) vooral vanwege het komen en gaan van de buurvrouw op de late avond: de louche bezoekjes van Clodia, het zusje van Clodius, aan Cicero; en de nabijheid van de luidruchtige menigtes op het forum die omhoog staarden als ze met haar dienstmeisjes het terras op ging. Om haar te verzoenen gedroeg Cicero zich uitermate aardig tegen haar.
    “En waar wordt de Goede Godin (Bona Dea
) vanavond vereerd? Als,” voegde hij er glimlachend aan toe, “zulke heilige informatie aan een man mag worden toevertrouwd.” (Het ritueel werd ieder jaar uitgevoerd in het huis van steeds weer een andere hooggeplaatste magistraat, wiens vrouw belast was met de organisatie ervan.)
“Bij Caesar thuis.”
“Heeft Aurelia (moeder van Caesar) de leiding?”
“Pompeia (echtgenote van Caesar).”
“Ik (Cicero) vraag me af of Mucia (de vrouw van Pompeius),
ook komt.”
“Dat lijkt me wel. Waarom zou ze niet komen?”
“Misschien schaamt ze zich te erg om haar gezicht te laten zien.”
“Waarom?”
“Ik heb gehoord dat Pompeius van haar gaat scheiden.”
“Echt waar?” Ondanks zichzelf was Terentia niet in staat haar interesse te verbergen.
“Van wie heb je dat?”
“Clodius kwam langs om het me te vertellen.”
Meteen perste ze haar lippen samen tot een afkeurende streep.
“Dan zal het wel niet waar zijn. Je moet echt kieskeuriger zijn in met wie je omgaat.”
“Ik ga om met wie ik wil.”
“Dat is duidelijk, maar moeten ook wij daar het slachtoffer van worden? Het is al erg genoeg om zo dicht bij zijn zuster (Clodia) te wonen zonder ook nog continu de broer over de vloer te hebben.”

pag. 612:

(Wat) Terentia (later) die avond aan Cicero vertelde is bizar, maar nooit serieus aangevochten. Ze was naar Caesars ambtwoning gegaan en daar ontvangen door Pompeia’s dienstmeisje, Abra – een notoire slettenbak, zoals paste bij de aard van haar meesteres, en wat dat betreft ook van haar meester, die op dat moment uiteraard niet thuis was. Abra bracht Terentia naar het hoofdgedeelte van het huis, waar Pompeia, de gastvrouw van de avond, en de Vestaalse maagden al zaten te wachten, samen met Caesars moeder, Aurelia. Binnen het uur had het merendeel van Rome’s hoogst geplaatste vrouwen zich er verzameld en kon het ritueel beginnen. Wat ze precies deden wilde Terentia niet zeggen, alleen dat het huis bijna geheel in duisternis gehuld was toen ze plotseling onderbroken werden door gegil. Ze renden het vertrek uit om de bron te achterhalen en stuitten onmiddellijk op een van Aurelia’s vrijgelaten slavinnen, die een aanval van hysterie had. Tussen haar gesnik door riep ze dat er een indringer in huis was. Ze was op wat zij dacht dat een muzikante was afgestapt, maar had toen gezien dat het meisje in werkelijkheid een verklede man was. Op dat moment viel het Terentia op dat Pompeia verdwenen was.

   Aurelia nam meteen de touwtjes in handen. Eerst gaf ze opdracht alle heilige voorwerpen te bedekken en de deuren te laten afsluiten en bewaken. Daarna begonnen zij en een paar van de dapperste vrouwen, zoals Terentia, aan een grondige doorzoeking van het enorme huis. Het duurde niet lang of ze troffen achter een gordijn in Pompeia’s slaapkamer een gesluierde figuur in vrouwenkleren aan met een lier in zijn handen. Ze joegen hem de trap af en de eetkamer in, waar hij over een bank struikelde en de sluier van zijn hoofd werd getrokken. Vrijwel iedereen herkende hem. Hij had zijn sikje afgeschoren en zijn gezicht opgemaakt met rouge, ogenkool en lippenstift, maar dat was bepaald niet genoeg om de bekende mooie jongenstrekken van Publius Clodius Pulcher te  verhullen – “Je vriend Clodius”, zoals Terentia hem op bittere toon tegenover Cicero beschreef.

    

   Toen Clodius, die overduidelijk dronken was, besefte dat het spel uit was, sprong hij op de eetkamertafel, trok zijn jurk omhoog en toonde zijn geslacht aan het verzamelde gezelschap, onder wie de Vestaalse maagden, en terwijl zijn publiek het uitgilde en in zwijm viel rende hij het vertrek uit en slaagde erin via een keukenraam uit het huis te ontsnappen. Pas toen verscheen Pompeia met Abra, waarna Aurelia haar schoondochter en het dienstmeisje beschuldigde van medeplichtigheid aan deze heiligschennis. Beiden ontkenden in tranen, maar de oudste Vestaalse maagd liet weten dat hun tegenwerpingen er niet toe deden: de avond was ontwijd, de heilige riten konden niet meer worden voortgezet en de bezoeksters van de eredienst moesten allemaal onmiddellijk naar huis vertrekken.