maandag 30 december 2019


verzicht blog Klassieke Humor in 2019.


Een merkwaardig jaar! De pieken waren nooit zo hoog (984 hits); de dalen eveneens waren nooit zo laag (17 hits). Het gemiddelde aantal lezers blijft stabiel. Als er commentaar is, is het over het algemeen positief. Het aantal bijdrages van mij ligt beduidend lager dan in andere jaren. 

Daaraan ligt ten grondslag dat ik voor de serie Rabelais mij ertoe geroepen voelde veel zelf te vertalen. En wat voor vertalingen! Al bij de eerste aflevering (De geboorte van Gargantua) bleek mij dat de vertaling van Sandfort niet voldeed. Ik had echter niet verwacht dat dit zich zou blijven voordoen. Sandfort had er blijkbaar, lang voordat het surrealisme in de literatuur zich aandiende, toe besloten om de Gargantua en Pantagruel op die manier te vertalen. Een knap stukje eigenzinnigheid, wat het begrip van het verhaal op geen enkele manier goed doet. Ik denk zelfs dat het schade aanricht voor het waarderen van literatuur als een maatschappelijke kracht. Zoals ik het nu ken, had ik het niet begrepen en niet kunnen begrijpen, toen ik de eerste vijftig bladzijden in de vertaling van Sandfort las (verder ben ik nooit gekomen), nu veertig jaar geleden. En ik kan daarin niet de enige zijn. Hoe kan dat boek dan in zo’n grote oplage zijn verkocht? Omdat het in de boekenkast kwam te staan als een statussymbool, niet omdat men het gelezen had. Ik ben er nu van overtuigd dat het ook volstrekt onleesbaar is in die vertaling. En dat komt niet omdat er zoveel tikfouten in staan –die komen er, voor zover ik weet, niet in voor— maar omdat het verhaal uit zijn verband is gerukt. Ik wil er dan ook voor pleiten dat er zo vlug mogelijk een nieuwe vertaling wordt uitgebracht van de Gargantua en de Pantagruel, omdat de beide Reuzen het verdienen.


Het hoogste aantal lezers was van de Vrolijke thuiskomst van Plautus (geen eigen vertaling). Dat werd gevolgd door het verhaal van de Geboorte van Gargantua, nog hoofdzakelijk in de vertaling van Sandfort (566 hits). Daarna trok het verhaal over naar mijn idee de eerste detective de meeste belangstelling (527 hits), in een bewerking door Molière van De Vrek van Plautus. En ten slotte, dat deel uit Flauberts Salammbô, waarin ik me afvraag of wat er verteld wordt nog wel grappig is (270 hits).  De beide laatste stukken zijn eigen vertalingen. Al deze hoge scores (niet de lage) zijn van dit jaar. Een lijn kan ik er niet in ontdekken.


De stukken worden over de hele wereld gelezen; waarschijnlijk omdat er over de hele wereld Nederlanders wonen die voor de afwisseling graag eens een stukje in het Nederlands lezen. In Nederland wordt het blog het vaakst gelezen, daarna in Amerika, Duitsland, Rusland, België, Frankrijk, Oekraïne en Japan. Ook daarin zie ik geen echte lijn. Het is bijvoorbeeld niet zo, dat als de oorspronkelijke teksten in het Frans zijn, er meer Fransen zijn die op mijn blog komen. Ietsje, misschien, maar niet opmerkelijk veel meer. Waarom ontbreekt Marokko in deze lijst, terwijl ik,  én in het Berbers én in het Arabisch oorspronkelijke teksten die ik heb vertaald, aanlever? Overigens, heel Afrika ontbreekt in mijn lijstje. Hetzelfde geldt voor Turkije. Beide landen worden door veel Nederlandse toeristen bezocht, maar nooit een teken van leven uit deze landen. Waarom ontbreekt China? Misschien is er meer censuur dan ik vermoed? En dan is de vraag, waarom zou je dit censureren? Gemakzucht?


Als we de maanden langs lopen en daarbij stilstaan bij het verhaal met de hoogste score, blijft het beeld hetzelfde: geen duidelijke voorkeuren, afgezien van de pieken.
  • ·       Januari: al regelmatig genoemd: De vrolijke thuiskomst  (Stichus), van Plautus. Ik zie geen reden waarom dit zo vaak is gelezen.
  • ·       Februari: Wat is hieraan grappig? Poenulus, van Plautus. Dat dit vaker werd gelezen, kan ik begrijpen, omdat het naar mijn idee een van grappigste en interessantste bijdragen is van dit jaar.
  • ·       Maart: De eerste detective, De Vrek, Molière.
  • ·       April: Wat is hieraan grappig?  Salammbô, Flaubert. Tweekeer als ik me deze vraag stel, wordt het ook vaker gelezen. Toeval? Ik stel me de vraag, omdat het blog onderdeel is van een breder onderzoek, waarin ik me afvraag: wanneer is iets nog humoristisch en wanneer is het dat niet meer? Een moeilijk te beantwoorden vraag, blijkt steeds meer. Ben ik nu met het beantwoorden van die vraag verder gekomen? Uit de te herschrijven website valt op te maken, dat dat wel enigszins het geval is. Verschijnt omstreeks 1 maart! Er is vooruitgang! En waar vooruitgang is, daar is hoop, en waar hoop is, daar is leven.
  • ·       Mei: De geboorte van Gargantua, Rabelais. In deze maand ook een tussentijdsoverzicht dat goed werd gelezen. Reden: de meivakantie?
  • ·       Juni: Hoe een monnik van Seuillé etc. , Rabelais. Introductie van de trickster, broeder Jan, in het Gargantua en Pantagruel verhaal.
  • ·       Juli: Hoe Gargantua voor broerder Jan Thélème liet bouwen, Rabelais. Antwoord van Rabelais op het boek Utopia van Thomas More
  • ·       Augustus: De anciënniteit van Pantagruel, Rabelais. Kende Rabelais trickster verhalen uit Amerika?
  • ·       September: Intermezzo, met een link naar mijn Reconstructie van de Humorale Theorie. Kennis hiervan is een noodzakelijke voorwaarde om Klassieke Humor te kunnen plaatsen en begrijpen. Dat je dit leest, kan ik me voorstellen, omdat het een leuk en interessant verhaal is.
  • ·       Oktober: Hoe Pantagruel zee koos op zoek naar de goddelijke KlankKruik (Bacbuc), Rabelais.
  • ·       November: Achtergrondverhaal over De Ezel. Hoe de ezel symbool stond voor het christelijke geloof van de Donatisten van Noord Afrika. In dit verhaal staan zonder meer een paar kleine, maar interessante ontdekkingen.
  • ·       December: De rekenezels, een apocrief verhaal, toegeschreven aan Rabelais.

Volgend jaar:


Dit jaar ben ik niet aan Thales van Milete toegekomen. Daar wil ik het jaar mee beginnen. Omdat er veel werk is, aan de website Klassieke Humor, wil ik het in het begin rustig aandoen. Daarom een serie van nooit eerder vertaalde en gepubliceerde Marokkaanse, Arabische Spreekwoorden, opgetekend tijdens het Franse protectoraat.  Later aandacht voor al wel gepubliceerde spreekwoorden, maar dan in hoeverre ze ook terugkomen in de Klassieke Humor.

Ik denk dat ik dan ongeveer in de maand April zit. In deze maand eindelijk aandacht voor een van onze betere Nederlandse humoristische schrijvers: Rodenko. En wat heeft die met het Arabisch gedaan: zijn die vertalingen echt zo slecht?
Daarna het verhaal van de muizen, waaraan ik dit jaar ook niet ben toegekomen.

Ik wil het jaar afsluiten met humor van een van de klassieke schrijvers. Wie, weet ik nog niet.

dinsdag 24 december 2019


Kerst 2019

Hoe de tempel door een wonderbaarlijke lamp werd verlicht.

Vergeet niet het commentaar te raadplegen; zonder commentaar is maar 30-20% van de tekst te begrijpen!


Voordat we u aan de Fles gaan voorstellen, wil ik de wonderbaarlijke eigenschappen van een Lamp (1) beschrijven. Dankzij deze Lamp baadde de hele tempel in het licht, zo overvloedig, dat ook al bevonden we ons in een ondergrondse ruimte, je er kon zien alsof het midden op de dag was. De Zon scheen er helder en sereen, maar dan onder de grond.

De Lamp was midden in het gewelf aan een ring van puur goud met de omvang van een vuist (2) opgehangen. Aan de ring waren drie heel kunstig gemaakte kettingen van een iets mindere dikte dan de ring bevestigd. In de lucht opgehangen omspanden ze in een driehoek een ruimte van twee en een halve voet (2) , waaraan een rond gouden venster hing. De omvang besloeg twee el en een halve palm (2). In de cirkelvormige rand waren vier gaten of openingen, waarin een glazen bol stevig was vastgeklemd, hol van binnen, open aan de bovenkant, als kleinere Lampen met een omvang van ongeveer twee palmen (2). En alle waren vervaardigd van de kostbaarste steensoorten: de ene was van Amatist (3), de andere was van Libisch karbonkel (een bloedrode robijn, altijd lichtgevend) , de derde uit opaal, de vierde uit Amatist (zie noot 3 en 1). Alle waren vol brandend water (alcohol), vijf keer gedistilleerd in een spiraalvormige kolf (3) , geïnspireerd op het werk van Callimachus, die de Lamp voor Pallas Athene op de Acropolis ontwierp met een brandende pit, deels van onbrandbare asbestvezels (oorspronkelijke tekst gaat door: in de tempel van Jupiter in Armenië), waarbij Cleombrotus, een zeer ijverig filosoof,  studeerde, en deels van Karpasisch lont, waardoor het mogelijk was dat de vlam steeds bleef branden: het vernieuwt zich, terwijl het verteert.

Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (BacBuc) de tempel van binnen toonde waarin een fantastische fontein was.

Terwijl wij in extase deze wonderlijke tempel met zijn gedenkwaardige lamp aanschouwden, stelde de aanbiddelijke KlankKruik (BacBuc) met haar gezelschap zich aan ons voor met een lach over haar hele, blije gezicht. En toen zij zag dat wij ons hadden uitgedost zoals was afgesproken, leidde ze ons zonder dralen naar het midden van de tempel. En midden onder de genoemde Lamp was een fantastische fontein. 


Hoe het fonteinwater de wijn de smaak gaf die iedere drinker zich inbeeldde.

 Vervolgens bood ze ons drinknappen, kopjes en bekers van goud, zilver, kristal of porselein aan, en werden we charmant gevraagd te drinken van het klaterende vocht. En dat deden we graag. Want onze wijntap (4) was een fantastische fontein, gemaakt van een materiaal kostbaarder, zeldzamer en wonderlijker dan men zich kan voorstellen in de mijnen van Pluto (5). De onderkant van de fontein was van het allerzuiverste en zeer doorschijnende albast, het was drie palmen (2) hoog, misschien een beetje meer, in een zevenhoekige vorm, van buitenaf gezien in gelijke vlakken verdeeld, met zijn voetstukken, zijn aronskelkachtige kommetjes, guirlandes en golfpatronen in Dorische stijl rondom. De kom van binnen was helemaal glad rond. Midden op de hoek van de rand was een holle zuil, in de vorm van een ivoren of albasten cilinder, die moderne architecten portri (betekenis onbekend) noemen. Daarvan waren er in z’n totaal zeven, naar de zeven hoeken waarop ze stonden. De lengte hiervan van de voet tot aan de steunbalk (architraaf) was zeven palmen (2), meer of minder. Ze waren even lang als de precieze en geraffineerde afmeting van de diameter van de fontein, door het midden gemeten vanaf de rand door het ronde binnenste heen. (6)


In het bestek (7) van deze architecturale constructie troffen we de punt van de Pyramide, als we ons opstelden achter 1 van de zuilen -- op welke hoek dan ook -- tegenover de andere drie zuilen, in ons gezichtsveld als een hulplijn-projectie in het midden van de fontein, die zodoende de basis exact in twee helften verdeelde. De beide helften vormden om te zien twee tegenover elkaar liggende gelijkbenige driehoeken. De loodlijn verdeelde het oppervlak in precies twee gelijke delen. Om de omvang en het oppervlak (de doorsnee) te meten van de fontein wilden we gaan van de ene kant naar de andere kant (in afgemeten passen van een meter: 2) van de fontein. De hoogtelijn werd gevormd in de kruising door de lijnen van voet naar top door te trekken van twee recht tegenover elkaar staande zuilen, die imaginair op 1/3 de derde zuil doorsneden. Dat alles resulteerde in de omtrek van de fontein waarbij de lengte van de zeven zuilen verkregen door het trekken van een rechte hulplijn en die te delen door de helft, tenzij je niet van het goede vertrekpunt in het midden was uitgegaan. (6) Deze is gelijk aan die van de tegenoverliggende zijden in de rechte lijn, aanliggend aan de stompe hoek (Hypotenusa?  Onzin!?) U weet allen dat bij ongelijkbenige driehoeken er altijd een hoek is die ligt tussen twee scherpe hoeken. (waarom hij het nu ineens over ongelijkbenige driehoeken heeft, is mij een raadsel: grapje?) Langs een omweg werd ons duidelijk gemaakt dat 7 halve diameters (7 keer de halve zijde van een zevenhoek in een cirkel) als geometrische eenheid, omvang en afstand, iets minder is dan de omtrek van een cirkel (7). Om precies te zijn, deze eenheden zijn daarvan afgeleid: te weten drie hele waarbij opgeteld een achtste (min of meer), of een zevende en een half (een beetje minder) volgens de beweringen in de antieke oudheid van Euclides, Aristoteles, Archimedes en anderen (8).

De eerste zuil was van hemelsblauw saffier: de zuil stond bij de ingang van de tempel en stond meteen in ons blikveld. De tweede zuil leek op een hyacint zonder meer, de letters A I op verschillende plekken op de zuil aangebracht waren in die kleur, waarin het cholerische bloed (9) van Ajax werd veranderd. De derde zuil was van solide (10) diamant, schitterend en sprankelend als de bliksem. De vierde was van oranjerood robijn, mannelijk, en de kleur verliep als een flakkerende vlam met een gloed veranderend van oranje in paars, als de kleur van amethist. De vijfde zuil was smaragd groen, die was wel vijfhonderd keer zo mooi als die van Serapis (syncretisme)  in het Egyptische labyrint, fleuriger en glanzender dan die ogen die ze hebben gezet in  de marmeren Leeuw tegenover het graf van Hermias. De zesde was van agaat , vrolijker en gevarieerder in vlakken en kleuren dan die Pyrrhus , koning van Epirus, dierbaar was. De zevende zuil doorzichtig in de witte kleur van Beryllus, met een warme gloed als de honing van Hymetia (11) , zodat het wel de Maan leek qua vorm en beweging, met naast zich een windhond (?). 

Imagination: verbeelding (12).

Daarop kregen we mooie, vette en lekkere hammen voorgezet, mooie,  vette en lekkere gerookte ossentongen  (13), goeie en mooie worstjes van wild en cervelaatworst, kaviaar, wat we op haar verzoek opaten tot we niet meer konden. Onze magen konden niet meer verdragen en een kwalijke dorst begon ons parten te spelen.
Toen sprak zij: “Heel lang geleden was er eens een Joodse bevelhebber (14), belezen en ridderlijk, die zijn volk door de woestijn leidde terwijl ze verschrikkelijk honger leden. Hij vroeg de hemel om eten. De manna uit de hemel had in hun Verbeelding de smaak die tevoren hun echte eten had. Met de drank uit deze wonderlijke fontein is het precies zo gesteld: hij smaakt precies als wat je je verbeeldde te drinken als je vroeger echt wijn dronk. Laat je verbeelding (12) de vrije loop, en drink!” En dat deden we, wat Panurg de volgende uitspraak ontlokte: “God nog aan toe, dit is de wijn van Beaune, beter dan welke wijn die ik ooit te drinken kreeg, anders mogen zesennegentig duivels me komen halen!(15). Oh om beter te kunnen proeven zou je een keel moeten hebben van drie el, zoals Philoxenus (16) al zei, of als die van een Kraan (vogel), zoals Melanthius (17) die zich wenste.”

Hoe KlankKruik (BacBuc) Panurg opdirkte om het woord van de Fles te vernemen.

Na de drankjes en praatjes, vroeg Klankkruik: “Wie van jullie wil het woord van de goddelijke Fles vernemen?” “Ik,” zei Panurg, “uw nederige en kleine malloot (18)”. “Mijn vriend,” zei ze daarop, “ik hoef je maar een aanwijzing mee te geven: als je bij het orakel bent, zorg er dan voor dat je met maar één oor naar het woord luistert!” “Dan is het, “grapte broeder Jan, “de beste wijn uit een glas met een oortje”. Toen trok ze hem lompen aan, zette hem een mooi en wit nonnenkapje op, zette hem een trechter ondersteboven op naar de manier van Hyppocrates (19) en ten slotte in plaats van een sjerp speldde ze hem drie naalden in de vorm van ezelsoren (20) op, voorzag hem van twee ouderwetse buitenboord-gulpen (braguette) , omgordde hem met drie samengebonden doedelzakken, dompelde zijn hoofd drie keer onder in het water van de fontein, en gooide hem om te besluiten een handvol meel in het gezicht en plaatste drie hanenveren op de rechterkant van de hippocratische trechter. Daarop moest hij negen keer om de fontein heen lopen, zij liet hem een stuk of drie kleine mooie sprongetjes maken, liet hem zeven keer op z’n gat zitten, en dat onder het prevelen van ik weet niet wat voor bezweringen in het Etruskisch (21) en af en toe las ze een stuk voor uit een soort misboek, dat door een van haar mystagogue’s steeds achter haar aangedragen werd.

Hoe de opper-priesterlijke KlankKruik (Bacbuc) ons voorstelde  aan de genoemde Fles. 

Daar liet de edele opper-priesterlijke KlankKruik Panurg knielen en de rand van de fontein kussen. Daarna liet ze hem opstaan, en drie Bacchanale dansen rondom de fontein doen. Toen dat gebeurd was, moest hij tussen twee daartoe klaargezette zadels gaan zitten. Toen sloeg ze haar brevier open en terwijl ze hem de woorden in het linker oor fluisterde, liet ze hem het volgende dranklied zingen, dat ging als volgt (22)


(link naar grotere afbeelding)
Toen dit lied uit was, wierp KlankKruik iets –ik weet niet wat—in de fontein. Het water begon daarop geweldig te koken, als het water in de grote ketel van Bourgueil (23), wanneer men die met stokken bewerkt. Panurg luisterde stilletjes met een oor, KlankKruik lag op een knie dichtbij hem, toen er uit de Fles een geluid ontsnapte, als zoemende jonge bijen die zich aan jong stierenvlees tegoed doen, volgens de slagerskunst van uitvinder Aristaeus (24) bereid, of het zoevende geluid dat een snorrende pijl maakt als ze van de boog wegvliegt, of als geluid van een plotselinge stevige bui. En dat klonk als……”Trinch” “Oh,” schreeuwde Panurg, “ze is, ze is gesprongen, dat God me moge bijstaan, ik hoop dat ik het niet bij het goede einde heb: zo praten bij ons de kristallen flessen als ze te dicht bij het vuur staan en barsten”
Daarop stond KlankKruik op en pakte Panurg zachtjes, maar beslist in de oksels beet om hem op te tillen, en zei:
“Vriend, prijs de hemelen, daar is alle reden voor, zo snel als jij het woord van de goddelijke Fles hebt mogen ontvangen. Het is het charmantste, het meest goddelijke, het duidelijkste woord dat ik ooit heb gehoord in mijn tijd in dienst van het allerheiligste Orakel. Sta op allen, laten we naar het hoofdstuk gaan, waarin de strekking van dit mooie woord wordt uitgelegd. “Laten we gaan,” zei Panurg. “Misschien dat ik er dan wijzer van word, want nu weet ik nog even veel als tevoren. Leg me eens uit, waar is dat boek, waar is dat hoofdstuk, welk bladzijde moeten we omslaan om deze blijde boodschap te begrijpen.”

Hoe KlankKruik het woord van de Fles uitlegt.

Toen gooide KlankKruik iets –ik weet niet wat—in het bekken en meteen daarop hield het borrelen van het water op, en bracht ze Panurg naar de hoofdtempel. In het midden daarvan stond de leven brengende fontein. Daar haalde ze tevoorschijn een dik boek met zilverbeslag, helemaal kromgetrokken als een tonnetje of als één vierde deel van het boek met jurisdictie van de laatste veroordelingen, doopte haar hand in de fontein en schepte daaruit water, en zei:
“De filosofen, predikers en doctoren van uw wereld leiden u met voor uw oren welluidende woorden; die woorden worden hier in onze werkelijkheid mondeling gemasseerd en gemodelleerd. Toch zeg ik u niet: lees dit hoofdstuk, doorzie de strekking van het woord. Nee, ik zeg u: proef de smaak van dit hoofdstuk, slik de strekking ervan door. Ooit was er een profeet van de Joodse natie in de antieke Oudheid (25) die een boek helemaal opat. Toen was hij tot aan de tanden toe gewapend met de strekking van het woord, er helemaal van doordrongen: nu is het moment gekomen, waarop u ervan drinkt, en doe dat net zoals die profeet, proef wat het op z’n lever heeft. Drink, sper je kaken open.” Toen Panurg de mond wijdwagen open had, pakte KlankKruik het boek met zilverwerk. Tot op dat moment hadden we gedacht dat het een boek was, vanwege zijn vorm als dat van een brevier, en dat was het ook een echt brevier, maar met daarin een bastaard fles vol Falernische wijn. En die moest Panurg helemaal leeg drinken.
“Zò, “ zei Panurg, “dat is een opmerkelijk hoofdstuk! En de strekking heeft een authentieke smaak. Is dit nou alles wat de Hermes trismegistos (26) Fles ons pretendeerde te verstaan te geven met zijn  woord? Daar ben ik dan mooi klaar mee! Echt!”
“Niet meer en niet minder, “ antwoordde KlankKruik, “want “Trinch” is een woord met een waarheid als een koe, beroemd en in alle landen gehoord: het betekent “Drink!”. In die wereld van u, zeggen ze dat er in alle talen een woord is dat klinkt als “zak” (27). Het woord is terecht en juist opgepakt in alle landen. Want, zelfs Aesopus voert als verontschuldiging voor het gedrag van mensen aan dat ze met twee zakken om hun nek in het leven staan. De zak aan de voorkant van de ander zien we, die we zelf op onze rug ook met ons mee dragen, zien we niet (28). Zo is de mens: hulpbehoevend en altijd afhankelijk van de mening van een ander, elkaar bevragend. Onder deze hemel is er geen Koning hoe machtig hij ook is, die niet anderen nodig heeft. Er is geen arme zo arrogant, die niet van een rijke afhankelijk is, zelfs niet als hij is als de filosoof Hippias, de alleskunner. Zo kunnen we nog minder zonder drinken dan zonder zak. En ik wil beweren dat niet lachen, maar drinken (29) is dat de mens een mens maakt. Ik bedoel niet zomaar drinken, want de dieren drinken ook, maar het drinken van goede en frisse wijn. Ik wil u erop wijzen dat je zonder de goddelijke wijn minder helder denkt en kunt redeneren, en ook minder goed orakelt. Uw academici hebben de volgende etymologie voor het woord “wijn”, dat volgens hen komt van het Griekse woord οινος (oinos), dat zou samenhangen met het Latijnse woord voor kracht “vis”. Want drank kan de ziel doordrenken van alle waarheid, kennis en wijsheid. Misschien hebt u gezien wat er in Ionisch schrift boven de poort van deze tempel staat geschreven, dan zal u begrijpen dat in wijn waarheid is verborgen. De goddelijke Fles heeft u hierheen gestuurd: wees zelf degene die de betekenis van uw onderneming duidt.
“Het is onmogelijk, “zei Pantagruel, “het beter te formuleren dan deze aanbiddelijke opperpriesteres zonet heeft gedaan: nog meer dan in het begin ben ik ervan dus overtuigd: Trinch! Verhef je hart in Bacchanaal enthousiasme.

aten we drinken,” zei Panurg, ”op de goede Bacchus.
        Ha, ho, ho, ik ga van bil
        kort en goed van snee,
        de ballen goed gemutst,
        met mijn kleine menselijkheid.
        Wat is dat ouderschap?
        Mijn hart geeft mij oprecht in
        dat ik niet mijn hele leven alleen zal zijn:
        ik ga binnenkort in onze buurt trouwen.
         Belangrijk is: mijn vrouw komt
         geheel uit vrije wil naar het liefdes-strijdperk.
         mijn god, wat een woordenstrijd
         wacht er mij. Ik ploeter
         op en neer, meer en minder, en ploeter, à gogo,
         door en door, want ik ben goed doorvoed,
         Dat ben ik! Ik ben de goede echtgenoot,
         de beste van de besten. Ik bezing Io

         Ik bezing Io. Ik bezing Io.
         Io (30) trouwde driekeer.
         Ik zeg je broeder Jan,
         ik zeg je plechtig, waar en duidelijk,
         het Orakel is onfeilbaar:
         het is duidelijk en onontkomelijk.

Hierna barst de gemeente in een ware dichtorgie uit. Veel komen we niet meer te weten, dan dat ze huiswaarts keren en Panurg inderdaad trouwt, als in een sprookje: ze leefden nog lang en gelukkig (31: Propp, laatste functie).



 

dinsdag 3 december 2019

Hoe Pantagruel het eiland van de rekenezels (1) met de lange vingers en haakhanden bezocht; en van de avonturen die hij er meemaakte en de monsters die hij er aantrof.

Klik hier noten en commentaar.


Zodra het anker was uitgeworpen, en de zeilen verzekerd vastgezet, lieten we een sloep te water. Nadat de goede Pantagruel de gebeden had gezegd en de here God ervoor had bedankt dat Hij hen van zo’n groot gevaar had gered en ervoor behoed, klom hij met al zijn reisgezellen in de sloep om aan land te gaan. Dat was niet moeilijk, omdat de wind was gaan liggen en de zee tot bedaren was gekomen. In korte tijd bereikten ze de rotsen.

Epistemon stond vol verwondering het landschap en de vreemd gevormde rotsformaties te bekijken, toen ze voet aan wal zetten. En hij informeerde ernaar bij enige bewoners van het land. De eerste tot wie hij zich wendde, had kleren aan in de kleur van de koning (blauw) met een wambuis van fijne stof en satijnen mouwen. Hij had zeemleren schouderstukken en een (2) muts op. Kortom een man die er wezen mocht en die zoals we later vernamen Fortuinmaker heette. Epistemon vroeg hem hoe deze rotsformaties en vreemde valleien heetten. Fortuinmaker (3) antwoordde dat ze zich bevonden in een kolonie met de naam Dossiers (4), die gesticht was door het land Volmacht (5). Achter de rotsen, na een kleine doorwaadbare plaats te hebben overgestoken, zouden wij de Rekenezels (6) aantreffen.
“Bij de zegeningen van de Extravagantes (7), “ liet broeder Jan zich ontvallen, “ waar leven jullie (8), beste mensen, van? Zit er bij u ook nog voor ons wat onder de kurk? Want al wat ik zie aan materieel is perkament, inktpotten en schrijfveren.” “Dat is alles wat we nodig hebben om van te leven. Want iedereen die op dit eiland komt, nemen wij onder handen.” “Waarom?” zei Panurg, “Zijn jullie soms kappers? Moeten ze zich kaal laten scheren?” “Ja,“ zei daarop Fortuinmaker, “tenminste, als je bedoelt dat we ze financieel kaal plukken.” “Nou, “ zei Panurg die net zijn beurs was kwijtgeraakt, “van een kale kip valt het moeilijk veren te plukken. Maar breng ons naar die Rekenezels, want wij komen uit het land van Wetenschap waar geen rooie cent te verdienen valt.”

Terwijl zij zo kletsten, kwamen ze aan op het Eiland van de Rekenezels, want al vlug waren ze de doorwaadbare plaats overgestoken. Pantagruel had grote bewondering voor de infrastructuur, de bebouwing en 
huisvesting van de inwoners van het land. Want zij woonden in een grote (wijn-)pers, waar je inklom via een trap van 50 treden
(9), en om de grote pers
 (er waren kleine, grote, geheime, middelmatige en van allerlei andere soorten)  te betreden, moest je door een galerij met zuiltjes als in een klooster. Vandaaruit kon je de ruïnes zien van over de hele wereld. Dit panorama bood uitzicht op een galgenveld (10) met galgen en kruisen voor grote misdadigers, zodat je de schrik om het hart sloeg. Pantagruel die vond het wel wat. Toen Fortuinmaker dat zag, zei hij: “Meneer laten we doorlopen, dit is nog maar niks.”

“Hoezo,” zei broeder Jan, “dit is niks! De moed zakt me in de schoenen, het water stijgt me tot de lippen: Panurg en ik vergaan ondertussen van de honger. Ik heb dorst en die ruïnes zijn niet om aan te zien.” “Kom,” zei daarop Fortuinmaker. En leidde ons een kleine pers in, die verscholen lag achter een grotere. Deze pers noemden ze in de taal van dit eiland Pithie (gelagkamer: 11).

Vraag me niet, of de heren Jan en Panurg daar zich te goed deden aan al dat lekkers! Ze hadden daar: worstjes uit Milaan (12), kalkoenen, kapoenen, trapganzen, malvezij wijn. Alle vleeswaren waren op de beste en vlugste manier klaargemaakt (fastfood!). Een kleine opperkelner bij een toog zag dat broeder Jan een verliefde blik wierp op een fles, die iets terzijde van de andere flessen wijn stond. Meteen liet hij daarop aan Pantagruel weten: “Mijnheer, ik zie dat er iemand in uw gezelschap zijn oog heeft laten vallen op deze fles hier. Ik verzoek u met nadruk deze fles niet te openen, want die is gereserveerd voor de hoge heren (13)”. “Wat zeg je me nou?” zei Panurg. “Zijn er hier ook nog hoge heren? En men perst er wijn voor zover ik zie?!” Daarop liet Fortuinmaker ons een kleine verborgen trap op klimmen. Vandaaruit kon je de hoge heren zien, die in een grote wijnpers zaten. En hij vertelde ons dat het aan iemand niet was toegestaan om hier naar binnen te gaan zonder toestemming (14). Door dit raampje konden we ze bespieden zonder dat zij ons zagen.
Wij zagen in d e grote wijnpers, twintig of vijfentwintig (15)  ouwe nietsnutten rondom een groot bureau (16) met een groen tafelblad elkaar aankijken. Ze hadden lange handen als de stakerige benen van kraanvogels met nagels van wel twee voet. Want zij mochten hun nagels niet knippen, zodat het wel haken leken als op hellebaarden of punters waarmee een binnenschipper zijn boot vooruit duwt. Op dat moment werd er een grote druiventros aangesleept uit de wijngaarden daar te lande. Deze druivensoort staat bekend onder de naam Extraordinair, omdat ze hangt aan stokken (17). De druif was nog maar nauwelijks binnen, of ze begonnen te persen, en er was geen greintje druif waaruit ze niet het gulden gouden sap zó wisten te persen, dat duidelijk was dat de arme druif helemaal droog en vezelig was en er echt geen druppeltje sap meer in zat. Fortuinmaker vertelde ons dat ook al waren er niet vaak zulke grote en volle druiven als deze keer, er altijd andere druiven waren voor de wijnpers.

“Mijn beste, “zei Panurg, “ik zou graag willen weten of er veel wijngaarden zijn waarvan ze druiven betrekken?” “Ja,” zei Fortuinmaker, “kijk, zie je dat kleine druifje, dat ze nog eens in de wijnpers doen? Dat komt uit de wijngaard van de Gedecimeerden (18): die hebben ze al eens in de wijnpers gedaan, maar het drap daarvan, de  wijnmoer,  wordt ook nog eens geperst. Waarom? Omdat de olie stonk als een meurende priester in een muffe hutkoffer (19). En dat lusten de hoge heren niet. “Maar waarom, “vroeg Pantagruel, “doen ze die dan nog een keer in de wijnpers?” “Om te zien, “ zei Fortuinmaker, “of ze niet iets over het hoofd hebben gezien bij het proeven van het sap of in het recept. (Sandfort: of ze geen nattigheid voelen, nu er een luchtje aan zit.)”  “Tjonge, jonge, nog aan toe!” zei broeder Jan, “en zulke mensen noemen jullie onwetende ezels? Verduveld nog aan toe, die zijn in staat om sap uit een muur te persen (20)!“ “Dat doen ze ook, “ zei Fortuinmaker, “want vaak genoeg zetten ze hele kastelen, parken en bossen in de pers, en slagen ze erin uit alles drinkbaar goud te maken.” “U bedoelt zeker: draagbaar goud, “ kon Epistemon niet nalaten te zeggen. “Ik zei: drinkbaar!” antwoordde Fortuinmaker, “want men drinkt hier menige fles, die men beter niet drinkt (21). De wijn komt van zoveel verschillende wijngaarden dat men niet meer weet hoeveel het er zijn. Kom hier maar eens kijken en zie in deze hof (22) duizenden wachten op het uur dat ze uitgeperst zullen worden. Ze komen van de staatswijngaarden, van particulieren, van grootgrondbezitters, van leenheren, uit giften, schenkingen, landgoederen (23) , van kleine pleziertjes (quilty pleasures)  , overnachtingen, collectes of het koningshuis (24).” “En wat is die vette wijnpers daar, waar al die kleintjes omheen staan?” “Dat,” zei Fortuinmaker, “is de Spaarpot (25). Dat is uit de wijngaard waarvan de beste druiven worden betrokken. Als die aan de beurt is om uitgeperst te worden, duurt het wel zes maanden, voordat je je het aan de hoge heren niet meer kunt ruiken.” 

Toen de hoge heren opstonden van de vergadertafel, vroeg Pantagruel aan Fortuinmaker dat hij ons meenam de grote wijnpers in, wat hij graag deed. Zodra iedereen binnen was, begon Epistemon, die alle talen beheerst, de opschriften met instructies in de wijnpers uit te leggen. Zoals gezegd was de wijnpers een mooi en groots ding en zoals Fortuinmaker ons zei van het hout van het kruis gemaakt, waaraan Christus was gestorven. Op elk onderdeel stond beschreven waartoe het gebruik diende, in de taal van het herkomstland. (Een indrukwekkende lijst geheimtaal waarvoor de wijnpers een metafoor is, volgt. Onderstaande afbeelding is een plaatje van een gewone pers, geen wijnpers. In het commentaar staat een plaatje van een wijnpers (25), waaraan dezelfde onderdelen zitten als aan een gewone pers. Onderstaand plaatje is alleen duidelijker om de onderdelen te kunnen benoemen.)



De schroef (8)  om te persen heette Inboeking; de overloop (10), de Onkosten; de hevel (2), de Rekenstaat; de(schoen-) zolen (6), het berekende, nog niet ontvangen geld: Kruisposten; de persvaten, Aanhoudingen, afwachten of er betaald gaat worden; de rammen (7), Afgeboekte, weggestreepte niet terug te ontvangen uitgaven (radietur); het paar dragers van de hefboom (3), Terug te vorderen gelden (recuperetur); liggende opgeslagen vaten, Opwaarderen; de handvaten, Opnemen; vaten die moeten worden opgeslagen in de wijnkelder, Aanwinsten; de rugzakjes, Subsidie, betalingen volgens rechtsgeldig regelingen; de dragers, Transport (overbrengen van gelden van de activa naar passiva, van inkomen naar vermogen); de emmers, de macht; de trechter, vervallen verklaarde gelden wegens geestelijke ontoereikendheid (quittus). (26)

 “Bij de koninginne der worstjes,“ zei Panurg, “alle hiërogliefen van Egypte zijn duidelijker te begrijpen dan dit. Welke code is dit? Welk jargon? De duivel heeft ze gemunt als geitenkeutels, voor sommigen leesbaar, maar voor de meesten niet. Maar waarom, mijn beste, mijn vriend, zeggen ze dat deze mensen geen kennis van zaken hebben?” “Dat is,“ zei Fortuinmaker, “omdat ze niet hebben gestudeerd om dit vak te kunnen uitoefenen, wat ook niet van ze wordt gevraagd. Elke onbenul kan deze functie krijgen. Alles gebeurt zonder erbij na te denken, een reden hoeft er niet voor zijn. Wat geldt, is: als de hoge heren het zeggen en ze willen het, dan hebben ze het bevolen.” “Bij de enige echte god,“ zei daarop Pantagruel, “omdat ze zoveel verdienen aan de druiven, zal hun erewoord (27) ook wel heel veel waard zijn.” “Twijfelt u daaraan?” vroeg Fortuinmaker. “Er gaat geen maand voorbij zonder opbrengst: in uw land is het heel anders gesteld. Daar brengt het erewoord maar eens in het jaar wat op.”

Daarna werden we langs duizenden kleine wijnpersen geleid. Op het eind zagen we nog weer een klein bureau, waaromheen vier of vijf van die nietsnutten zaten, vieze mannetjes, en chagrijnig als ezels (28) die je een poepzak (29) aan de kont bindt. Deze mannetjes plozen de droesem na op de laatste resten druif: die noemde men hier Hercorrectors. Dit zijn de meest afstotelijke schurken om te zien, zoals je nog nooit eerder heb gezien (30).  We passeerden een ontelbaar aantal kleine wijnpersen, die alle vol zaten met mensen die aan het oogsten waren (31). Deze oogsters zochten de pitjes eruit die waren gaan gisten. Ze noemden dat het aanmaken van een account. Ten slotte kwamen we aan in een zaal met een lage zoldering, waar we een grote buldog zagen met twee koppen, de buik van een wolf en nagels als de duivel van Lamballe (32)

Dit beest leefde van de moedermelk van bovenvermelde verzoeken om een account, en werd daarom op gezag van de hoge heren met veel omzichtige zorg behandeld, omdat hij voor ieder afzonderlijk de opbrengst waard was van één leuk stuk landgoed. In de taal van de Onwetenden (de rekenezels) heette het Dubbel. (Creatief boekhouden, omdat ze Dubbel vingen van de belastingen, in eerste instantie  door er geen belastingen over te betalen, en in tweede instantie door voor het omvangrijke onderhoud van de landgoederen subsidie te vragen.) De moederteef van de buldog was ook aanwezig met eenzelfde vacht en aanzien, behalve dan dat zij vier koppen had, twee mannelijke en twee vrouwelijke. Haar noemden ze Vierdubbel (omdat er voor haar ook nog eens belastingaftrek via de inkomstenbelasting voor beide bovengenoemde posten mogelijk was). Zij was het gevaarlijkste beest van allemaal, en de gevaarlijkste op de grootmoeder na, die we opgesloten zagen zitten in een hondenhok, wat de rekenezels een Executoriaal Beslag  noemden, waarbij De koning  het landgoed had onteigend vanwege te grote malversaties.

Broeder Jan, die altijd wel twintig meter lege slokdarm beschikbaar had om een afgeladen advocaten-maaltijd mee te vullen, raakte geïrriteerd. Hij bracht Pantagruel  het middagmaal in gedachten en vroeg Fortuinmaker daarbij uit te nodigen. Toen we om te gaan eten de achterdeur namen om te vertrekken, kwamen we een oude, geketende man tegen -- voor de helft Onwetend en voor de andere helft Wetend -- die eruit zag als een androgyne duivel, half man en half vrouw en overdekt met brillen, als een schildpad in een maliënkolder. Hij leefde van een stuk vlees dat men in de landstaal Appelation (van “appelation contrôlée” op wijnflessen) noemde ( een appeltje voor de dorst—Sandfort). Toen Pantgruel hem zag, vroeg hij aan Fortuinmaker tot welk ras dit notarisachtige soort behoorde en hoe ze hem noemden. Fortuinmaker deelde ons mee dat hij al lange tijd onder hen was en dat hij kon bogen op een geweldige stamboom. De hoge heren betreurden dit en beleefden geen plezier aan dit soort geketende kerels, en degene die ze hier zagen, hongerden ze uit, en noemden ze Herzien (-e uitgave).  “Bij alle heilige, pauselijke drollen,” zei broeder Jan, “het mishaagt me geenszins dat alle hoge Onwetende heren zo’n misbaar maken om die smulpaap. Mijn god nog aan toe, verbeeld ik me nu dat hij lijkt op de Aaiepoes (= Grippeminaud: figuur uit de hoofdstukken 11-15, een advocaat)? Die kerels hier, hoe onwetend ze ook mogen zijn, weten eigenlijk net zoveel als al die wetenden! Ik zou hem graag terugsturen naar waar hij vandaan is gekomen, en hem eens flink in de bil prikken met een scherp voorwerp zou goed van pas kunnen komen!

“Als je zó bekijkt, door mijn Oriëntaalse bril,” zei Panurg, “heb je gelijk, broeder Jan! Want dat tronie van die valse Herziene schurk zegt me dat hij nog Onwetender en slechter is dan deze arme Onwetenden hier, die genoegen nemen met minder kwaad dan ze kunnen aanrichten, zonder lange processen te voeren. Deze plukken de vruchten zonder tussenhandel of gerechtelijke uitspraken, waarover de Bontgevoerde Katten (de tegenpartij van de Aaiepoezen: zie voorgaande hoofdstukken 11-15) zich zó kwaad maakten.”

woensdag 20 november 2019

Achtergrondverhaal: De ezel.

Klik hier voor het achtergrondartikel over De Ezel.



In de afgelopen twee weken heb ik gewerkt aan een achtergrondverhaal. Net als het verhaal over de Humorale Theorie is dit verhaal nodig om de Klassieke Humor te kunnen begrijpen. Het verhaal over de ezel in deze grappen is een bijzonder verhaal.


Al eerder had ik geschreven over de ezel: in het hoofdstuk Fatsoen van mijn website . De website moet op de schop en om dit voor te bereiden, ben ik bezig bepaalde delen eruit te lichten in een achtergrondverhaal. Ik hoop begin volgend jaar de vernieuwde website online te hebben. Voorlopig zult u het nog met de oude moeten doen.

Ik heb om het achtergrondverhaal over De Ezel te schijven het boek
van Conens & Van Wiechen aangeschaft. Een geweldig boek en ik hoop in de komende tijd in een gesprek met deze auteurs, die hun boek op hun website Oud Web aanprijzen, van gedachten te kunnen wisselen. Dat gaat vooral om een zestal afbeeldingen dat ik in mijn achtergrondverhaal bespreek.  Deze afbeeldingen bespreken zij ook in hun boek, maar geven er een andere uitleg aan. Ik zou dit hier niet zeggen, als ik niet de indruk had dat de uitleg die ik aan de afbeeldingen geef, eigenlijk mij al in hun boek werd voorgeschoteld. Omdat het om uitleg van symboliek bij afbeeldingen gaat, denk ik dat zij niet dezelfde conclusies trekken als ik. In een gesprek zou ik hier graag meer over willen weten. Symboliek ligt in Nederland moeilijk. Niemand durft zich op dit zeer gladde ijs te begeven, maar ik denk dat daar toch veel winst te halen is. De betekenis van een symbool lijkt namelijk door eeuwen heen heel erg constant. Daarom doe ik het toch, zelfs als ik er faliekant mee op mijn bek ga.

Hier staat een link waarop u een boodschap kunt achterlaten, als u eerder contact met mij wil dan ik met u kan opnemen, op mijn andere website: het gastenboek van de website Life Events

dinsdag 29 oktober 2019

Hoe Pantagruel landt op het eiland van de Papenvijgers.

Klik hier noten en commentaar.

De volgende ochtend kwamen we aan op het eiland van de Papenvijgers (1), die vroeger rijk en vrij waren en zich de Bommelaars (2) noemden. Nu waren ze arm, ongelukkig en onderworpen aan de Papimateurs (3). Dat was zo gekomen.

Op een jaarfeest met op stokken gedragen processievaandels waren de burgemeester, de gilden-meesters en hoofdrabbi’s van de Bommelaars naar het eiland van de Papenvijgers, dat in de buurt lag,  gegaan om het feest bij te wonen. Toen één van hen de beeltenis van de Paus (de Pappa) op  een vaandel zag staan (zoals de prijzenswaardige gewoonte was in die dagen om in een processie op openbare feestdagen met dubbele banieren te lopen), wierp hij er met een vijg  naar. Dat werd in dat land opgevat als een ernstige belediging en een manier om iemand publiekelijk te kakken te zetten. Dat riep om wraak: de Papimateurs bewapenden zich een paar dagen later, en zonder verdere aankondiging overvielen ze hen, plunderden het eiland, en verwoestten het helemaal. Iedere man met baard staken ze overhoop. De vrouwen en kinderen spaarden ze onder dezelfde  voorwaarden als die waaronder Frederik Barbarossa de inwoners van Milaan spaarde.

De Milanezen waren tijdens zijn afwezigheid tegen hem in opstand gekomen en hadden zijn vrouw, keizerin Beatrix, de stad uitgejaagd. En niet zomaar. Zij zat achterstevoren op een oude ezelin met de naam Thacor (4) en zo achteruitrijdend, namelijk met haar billen naar de kop van de ezelin en haar gezicht naar de steert van het beest, werd ze de stad uitgezet. Nadat Frederik, haar man, ze bij zijn terugkomst had onderworpen en gevangen had genomen, deed hij alle moeite om de ezelin Thacor terug te vinden. Toen allen in de grote hal te Milaan zaten te feesten, gaf hij aan zijn beul (5) bevel om een vijg te steken in de kont van de ezelin, terwijl de aanwezige gevangengenomen burgers toekeken. Onder trompetgeschal liet de keizer daarop luidkeels weten, dat wie zijn leven wilde redden, in het openbaar met zijn tanden de vijg uit de ezelin moest peuteren, en de vijg keurig moest deponeren daar waar hij had gelegen, zonder zijn handen te gebruiken. Ieder die weigerde zou op staande voet worden geëxecuteerd, gehangen of gewurgd. Er waren er die uit schaamte en afschuw voor zo’n abominabele straf, de dood trotseerden. Zij werden opgehangen of gewurgd naar eigen believen. Bij de anderen overheerste de doodsangst de schaamte. Die peuterden met lange tanden de vijg uit de kont van de ezelin, lieten de vijg zien aan de beul onder het murmelen van: “Ecco lo fico, Zie hier de vijg” (6).

Getekend door eenzelfde pek en veren schande wist de rest van deze arme en troosteloze Bommelaars zich het vege lijf te redden. Zij werden tot slaaf gemaakt, schatplichtig aan de keizer, en vanaf die dag heetten ze de Papenvijgers, omdat één van hen het gewaagd had het portret van de paus met een vijg te bekogelen. Vanaf die tijd hebben deze armelui geen voorspoed meer gekend. Alle jaren waren er vorst, orkanen, pest,  hongersnood, en al die ellende die men over zich afroept als eeuwige straf voor de zonden van de voorvaderen en de ouders.

Toen we de ellende en rampspoed van dit volk zagen, wilden we niet verder het eiland opgaan. Slechts om wijwater te halen en om de bescherming van God te vragen, gingen we een klein kapelletje binnen dichtbij de haven. Het kapelletje was geruïneerd, verlaten en het dak lag eraf,
net zoals dat het geval is met de Sint Pieters-kathedraal te Rome (7). Eenmaal in de kapel, ontwaarden we in het wijwaterbekken, toen we er wijwater uit wilden nemen, onder het wateroppervlak een man met priesterlijke stola’s behangen en helemaal onder het water verborgen als een ondergedoken eend, alleen het puntje van zijn neus stak nog boven het water uit om te kunnen ademhalen. Om het wijwaterbekken heen stonden drie glad geschoren priesters met een mooie ronde tonsuur. Zij lazen voor uit het magisch handboek van Grigorius om de duivels te bezweren.

Pantagruel vond dit maar vreemd. Hij vroeg ze welk toneelstukje ze aan het opvoeren waren. Hij kreeg te horen dat sinds drie jaar er op het eiland een afschuwelijke pest heerste, waardoor de helft van de eilandbewoners gestorven was en het grootste deel van het eiland onbewoond was als een verlaten woestijn, omdat er geen landbouwers meer waren om de akkers te verzorgen. Toen de pest voorbij was, ging deze in het wijwatervat verstopte boer over tot het opnieuw in cultuur brengen van een groot vruchtbaar stuk land. Hij zaaide er wintertarwe (8) . Dat viel samen met het moment waarop een klein duiveltje (dat van toeten noch blazen wist, analfabeet was en zeker nog niet wist hoe te hagelen en onweren behalve op peterselie en kool) aan Lucifer (9), de baas van alle duivels, toestemming vroeg om het eiland van de Papenvijgers te bezoeken om er te kunnen ronddartelen en er zich te vermaken, want op dit eiland gingen de duivels met de mannen en vrouwen heel vertrouwd om. Zij zagen het als hun vakantieoord bij uitstek met prachtige stranden en een ruwe zee (10). Dit duiveltje ter plaatse aangekomen wendde zich tot onze boer en vroeg hem wat hij aan het doen was. 

De arme man antwoordde hem dat hij de akkers aan het inzaaien was met wintertarwe om het volgende jaar goed door te kunnen komen. “Heel goed, heel goed,” zei daarop het duiveltje, “maar dit land is niet van jou! Het is mijn land! Want vanaf het ogenblik dat u de vijg gooide, is dit land onteigend en aan ons toegevallen. Jullie hebben hier niets meer te zoeken! MAAR ik heb geen verstand van het inzaaien van akkers, dat is mijn vak niet. Daarom laat ik het land aan jou over, op voorwaarde dat we in de winst delen.”
“Dat is goed,” zei de landbouwer.
“Begrijp me goed,” zei het duiveltje, “de opbrengst verdelen we onder ons fifty fifty. De een krijgt wat er op het land staat en de ander wat er verborgen onder groeit. Ik bepaal welk deel ik krijg, want ik ben een duivel van hoge komaf met een stamboom tot in het verre verleden, en jij bent een outcast, een pummel. Ik heb dus het recht te bepalen wat mij toekomt: jij krijgt wat erop groeit. Wanneer is de oogst?” (11)
“In het midden van juli,” antwoordde de landbouwer.
“Oké,“ zei het duiveltje, “tegen die tijd zul je me hier weer aantreffen. Verder, doe gewoon wat je hoort te doen, werk, pummel, werk. Ondertussen zal ik mijn best doen met de verleidelijke zonde van de wellust (12)  de nonnetjes van het klooster Pètesec (Droogscheet) als ook de schijnheiligen en de moddervette monnikjes op het verkeerde pad te brengen. Ik ben ervan overtuigd dat gesterkt door hun verlangens het een leuk treffen wordt.”

Het vervolg op deze eerste kennismaking met de ondergedompelde landbouwer ga ik u in drie korte stukjes vertellen.

1. Hoe wordt een duiveltje wijzer?

Toen de oogsttijd was aangebroken, deed het duiveltje inderdaad zijn opwachting bij de boer. Hij oogstte de tarwe en met een wijds gebaar nodigde de boer het duiveltje uit ook zijn aandeel in de  oogst binnen te halen, van onder de grond. Het duiveltje deed dat natuurlijk niet. Maar gaf de boer de opdracht de stoppels voor hem van het land te halen en in zakken te doen. Zó gingen ze gezamenlijk naar de markt. En de boer deed goede zaken, maar de duivel verkocht niets. “Ik begrijp het,” zei de duivel, “dat van mij is waardeloos en daarom willen de mensen er niet voor betalen! De volgende keer krijg ik wat boven de grond staat en jij moet het doen met wat onder de grond groeit.” Zo gezegd zo gedaan.

2 Een hardleers duiveltje.

De boer zaaide dit keer bieten. En weer was de opbrengst geweldig, en weer gingen ze naar de markt en de boer verkocht goed, maar het duiveltje werd uitgelachen. “Ik heb je door!” zei het duiveltje. “Jij neemt me niet serieus! Nou, ik zal je leren. We gaan er eens om vechten. Ik weet zeker dat ik dat beter kan! Ik zal m’n klauwen eens zó in je slaan dat de vellen ervanaf vliegen! Dat is je verdiende loon. Als je me niet alles wat je van mij hebt gestolen, binnen een week terugbetaalt, dan is het met je gebeurd!” Dat alles zei hij heel beheerst en zachtjes, maar goed verstaanbaar. De boer wist niet waar hij het zoeken moest en deed z’n beklag bij zijn vrouw. “Je zegt dat het een klein en nog jong duiveltje is? Oh, dan weet ik wel hoe ik je kan redden. Maak je geen zorgen.”


3. Een in een wijwatervat verstopte boer: wat doet die daar?


Op de afgesproken dag stuurde de vrouw haar man naar de kerk. “Zorg, “ zei ze dat je je daar goed verstopt, zodat niemand je daar kan vinden.” Tja, maar waar moet je je verstoppen: er zit geen dak meer op de kapel, de muren staan op omvallen, en de kerkdeur hangt scheef in de hengsels. Toen viel zijn oog  op het enige voorwerp dat alle stormen doorstaan had: de doopvont. In dit wijwaterbekken zat genoeg regenwater om in te kunnen onderduiken. En, met een “in godsnaam” sprong hij in de doopvont. En wist hij zich veilig voor alles dat hem de duivel aan kon doen, ook al wist hij zich maar in regenwater ondergedompeld.

Ondertussen was de duivel bij zijn huis aangekomen, en trof tot z’n grote ongenoegen de vrouw alleen thuis aan. Hij kon haar dan misschien wel verleiden, maar daar nam hij nu geen genoegen meer mee, na alles wat haar man hem had aangedaan, en zijn avonturen met de nonnen en monniken. Bovendien, hij was nog jong en onervaren, en dacht er niet over zijn “geweten” met onplezierige ervaringen te bezoedelen. Daarom vroeg hij recht op de vrouw af: “Waar zit die man van jou waar ik eens lekker mijn klauwen in wilde zetten!” “Nou, “ zei de vrouw, “moet je eens zien hoe hij mij heeft toegetakeld! Ik vraag me af of je dan nog wel met hem wil vechten. Weet dat hij nu naar de manicure is om zijn nagels te laten slijpen voor dat gevecht met jou.” Dit antwoord had de duivel niet verwacht. En overdonderd door de vrouw, stamelde hij: “Wat heeft hij je dan wel aangedaan?” Ongegeneerd deed de vrouw haar rokken omhoog, en de duivel keek recht in haar vrouwelijk geslachtsorgaan, als in een open wonde. Toen begreep hij wat haar man haar had aangedaan, en hij vluchtte halsoverkop het huis uit, en riep: “Hou alles maar, ik wil niet meer vechten met die man van jou.”



donderdag 17 oktober 2019

Hoe Panurg en broeder Jan zich hielden onder de storm.

Klik hier om te weten wat eraan vooraf ging.


Pantagruel had eerst God, de grote Heiland, aangeroepen en een gebed voor iedereen gebeden met grote vurigheid, daarna op advies van de stuurman hield hij de hoofdmast stevig vast (om afbreken te voorkomen). Broeder Jan in een wambuis gestoken was bezig de zeelieden zoals Epistemon, Ponocrates en anderen, te helpen bij hun werkzaamheden. Panurg bleef met z’n kont op het dek zitten huilen en klagen. Broeder Jan merkte hem op toen hij hem passeerde via het gangboord, en sprak hem aldus toe: “Mijn god nog aan toe, Panurg de grootogige koe, Panurg de huilebalk, Panurg in  waterland, je zou er beter aan doen ons hier te helpen in plaats van daar te zitten huilen als een koe , en op je kloten te blijven zitten als een aap.”

“BebebebeBoeboeboeboeboe,” sputterde Panurg, “broeder Jan, mijn vriend, mijn goede vader, ik verdrink, mijn vriend, ik verdrink. ‘t Is met mij gedaan, mijn geestelijke leidsman, mijn vriend, ’t is afgelopen. Uw houwdegen kan mij niet meer redden. Helaas, helaas, wij zijn tot onder de laagste noot gezakt, tot onder de do in b-mol (1),  vals in alle opzichten, en dan gaan we weer omhoog, te hoog. BebebeBoeboe (2) , het zal ons nu niet meer helpen “helaas” te roepen. Op en neer gaat ie! Toontje hoger, toontje lager. Ik verzuip! Ah,  mijn vader, mijn oom, mijn alles. Het water staat mijn schoenen aan de lippen. Boeboeboe –pats-boem- huhuhuhu hahahahaha ik verdrink! Helaas, helaas (3), huhuhuhuhu; bebe boeboe bobo bobo hohohohoho, helaas, helaas, ik sta d’r bij als een gevorkte boom, mijn voeten omhoog en mijn hoofd naar beneden, op z’n kop (4).

Als God het had behaagd, had ik net zo goed in het schip kunnen zitten van de goede concilie-gangers, dat schip van de zaligen, die we vanochtend nog zijn tegengekomen, zo devoot, zo lekker vet, zo vrolijk, zo mollig en vol goede moed. Holoholoholo –los- helaas, helaas, helaas, deze golf, deze duivelse golf (vergeef me mijn God), deze goddelijke golf zal ons schip doen ondergaan, een kruik gaat zolang te water tot hij breekt of volloopt. Helaas, broeder Jan, mijn vader, mijn vriend, ik wil biechten (5). Je ziet me hier voor je knielen. Confiteor: Ik belijd (schuld). Geef me uw heilige zegen (van vergiffenis)!"
“Galgenaas,” zei broeder Jan, “kom ons hier helpen. Uit naam van dertig legioenen duivels, kom! Komt er nog wat van!?"
“Vloek niet zo,” zei Panurg, “mijn vadertje, mijn vriend, nu niet! Morgen zoveel je maar wilt, maar nu niet. Hoho, salasalasalsa, onze boot maakt water. Ik verdrink. Helaas, helaas, bebebubbub  drink, dronken. Nu zitten we weer helemaal beneden, ik geef iedereen 1.800.000 euro (6) die me aan wal zet, zo schijterig en full of shit ik er ook aan toe mag zijn, als iemand in mijn drekkige land eraan toe kan zijn. Confiteor: Ik belijd schuld. Helaas, een klein woordje tot slot als testament of tenminste nog een handgeschreven afscheidsbriefje (6).

“Dat 1000 duivels, “ zei broeder Jan, “deze schijtluis, deze overspelpleger bespringen. Genadige God, dat praat van het opmaken van een testament op een moment dat wij in levensgevaar verkeren, en hij zich moet beheersen, nu of nooit meer! Gevangenisbewaarder (7) mijn vriend, kom hem halen. Oh, lieve uitsmijter (8), Gymnaste, kom hier naar het achterdek, schuilen. We worden opgetild als de rokken van een vrouw, mijn God nog aan toe. Je jaagt me de stuipen op het lijf: mijn lichtje dooft. Alles gaat naar de 1.000.000-en bliksemse duivels.”
“Helaas, helaas, “ zei daarop Panurg, “helaas, helaas, boeboeboeboe, helaas, helaas. Zijn wij ertoe voorbestemd om hier te sterven? Hola, beste mensen, ik verdrink, ik ga dood, Consummatum est: het is volbracht, dat was het dan!”

“Grote grutjes nog aan toe, nu geen overbodige beleefdheden meer uitwisselen,” (9) zei broeder Jan, “wat is een huilbaby toch een lelijk ding! Scheepsjongen, let op, bij alle duivels nog aan toe, hou de kajuit in de gaten. Ben je gewond? God nog aan toe, bind hem vast aan de houten reling, ja hier, verdomde duivel. Zo moet je dat doen, beste jongen."
“Broeder Jan,” zei Panurg, “luister toch eens naar mij. Mijn geestelijk vader, mijn vriend, vloek toch niet zó. Je zondigt! Helaas, helaas, Bebebeboe boeboe, ik verdrink, ik ga dood, mijn vrienden. Ik vergeef de hele wereld alles. Vaarwel, in Uw handen (10) beveel ik mijn geest, mijn Heer. Boe boe boeoeoeoeoeoe. Heilige Michel d’Aure, heilige Nicolaas (11), nog een keer en dan nooit meer. Ik wil u hierbij een plechtige belofte doen, richt je tot de Heer en vraag hem ons te helpen – Ik beloof hierbij plechtig, dat waar ik weer voet aan wal zal zetten, een mooi, groot kapelletje zal laten bouwen of wel twee tussen Cande en Montsereau (12), dat er noch koe noch kalf zal weiden. Helaas, helaas, ik heb een heel zwembad leeggedronken, emmertje voor emmertje is mij meer dan een stuk of 18 of 2 keer water in mijn mond gegoten. Wat is dat water bitter en brak.”

“In de naam van het bloed, het vleselijke vlees, de buik en het hoofd, “ zei broeder Jan, “als ik je nog een keer hoor piepen, duivelse spelbreker, zal ik je opdienen als zeewolf, in Gods naam, waarom gooien we hem niet over boord in het diepst van de zee? Roeier, ho rustig aan, beste man, zo gaat ie goed, hou hem recht overeind, bliksem en donder nog aan toe. Ik geloof dat vandaag alle duivels op hol zijn geslagen of dat Proserpina van een kind moet bevallen. Alle duivels dansen de salsa op z’n Moors (13).