dinsdag 15 januari 2019

De vrolijke thuiskomst (Plautus 2).

Fragment uit het toneelstuk van Plautus, De vrolijke thuiskomst (reg. 344-370), vertaling, op een paar kleine veranderingen na van mij, door J. Hemelrijk sr. 

Romeins zeevaardig koopvaardijschip 
Wat eraan vooraf ging:
Pinacium (slaaf van Panegyris en Pamphila) is erop uitgestuurd om in de haven uit te kijken naar de boot van de echtgenoten van Panegyris en Pamphila. De beide mannen zijn bijna drie jaar weggeweest. Pinacium heeft de boot zien aankomen beladen met dure handelswaar, en door het dolle heen, omdat hij weet dat hij heel goed nieuws zal brengen, vindt hij dat hij wel wat meer waardering verdient van zijn meesteressen. Maar omdat zij, de meesteressen, helemaal nog niet weten waarom hij zo’n indruk op hen wil maken, staat hij eigenlijk te kijk. De volgende scène heeft alle kenmerken van een Commedia dell' Arte - of een circus-act.  Op Plautus’ toneel stond bijna altijd de ronde arena van een plein in Athene.

Pinacium:
Eerst wil ik hier schoonmaken – Breng me bezems en een raagbol, (schreeuwt naar binnen) om hier al dat spul van spinnen op te ruimen, om hun weefsels weg te vegen en hun webben te verscheuren.
Gelásimus (parasiet):
En d’arme beestjes koude lijden!
Pinacium:
Denk je dat ze net als jij maar een jasje hebben? (slaven brengen een raagbol) Neem die bezem!
Gelásimus (gedwee)
‘k neem hem.
Pinacium: (begint fanatiek te vegen)
Ik veeg hier en jij veegt daar!
Gelásimus (gaat ook aan de slag)
Ik zal het doen.
Pinacium: (gilt naar binnen)
Brengt iemand me een emmer water?
Gelásimus (tot het publiek)
Hij gedraagt zich als de opzichter der stadsreiniging, zonder dat ie is aangesteld.
Pinacium: (duwt hem de emmer in de hand)
Maak jij voort! Schrob de bodem, sprenkel water voor het huis!
Gelásimus
‘k zal het doen.
Pinacium: (grijpt de raagbol)
’t Moet klaar zijn! –Ik raag ’t spinnenweb van de deuren en de wand.
Gelásimus (terzijde tot Panegyris, die perplex staat)
Wat een drukte maakt ie toch!
Panegyris (schouderophalend)
‘k Weet nog steeds niet, wat er aan de hand is. Misschien komen er wel gasten.
Pinacium: (tot slaven die staan te kijken)
Maken jullie de aanligbedden klaar!
Gelásimus (die erg veel honger heeft met een verlekkerd gezicht)
Aanligbedden! Dat bevalt me!
Pinacium: (tot slaven)
Een paar van jullie hakken hout. Anderen maken de vis schoon, die ik heb meegebracht van het vissen. Pak ook zwezerik en ham!
Gelásimus (die opgetogen verder werkt)
Die weet wel wat lekker is!
Panegyris (tot Pinacium, met aarzelend verwijt)
Zeg eens vrind, jij trekt je niet veel aan van je meesteres.
Pinacium (druk aan het ragen)
Maar mijn lieve mens, ‘k laat alles varen voor uw hartenwens.
Panegyris
Wat is dan wel het nieuws, waarvoor ik je naar de haven heb gestuurd?
Pinacium (terwijl hij aldoor naar spinnen mept)
Ja, da’s waar ook! Toen u bij het ochtendkrieken mij naar de haven zond, (hij mept) rees uit de zee de zon juist stralend boven de horizon. Terwijl ik aan het tolhuis vroeg, of er uit (klein) Azië ook een schip was gekomen, (hij mept weer) en ze ontkenden, kwam er langzaam aan in zicht (hij mept weer) een boot zo groot als ‘k bij mijn weten nooit tevoren had gezien. Zij kwam recht op de haven af met volle zeile’ en flinke wind. De een vroeg d’ander: Wat voor schip is dat? Wat zou de lading zijn? toen ‘k opeens (’n paar klappen) Epignomus (de man van Panegyris!), uw man en zijn slaaf Stichus zag.
Panegyris (in plotselinge extase)
Wat zeg je? Zei je Epignomus?
Pinacium (lakoniek)
Uw man!


Symbool: spin (gevaar en verbindend); meppen naar de spin: verdrijven van het gevaar. Het lijkt erop alsof Pinacium carrière wil maken. Dat doet hij door op de zaken vooruit te lopen: hij gaat schoonmaken, nog voordat hij het goede nieuws van de aankomst van de boot van Epignomus aan Panegyris heeft verteld. De grap is dat er waarschijnlijk weinig slaven waren die zo enthousiast aan het werk waren en in dit geval keert dit enthousiasme zich bijna tegen hem. Het symbool "spin" lijkt ook iets voorspellends te hebben, in gunstige verbindende zin. Voor de tweede keer bij Plautus speelt de spin een opvallende rol (in  het begin van Aulularia -- vertaling uit het Fenicisch "Het eerste verbond"-- en hier in Stichus). Eerder heb ik hier de conclusie uitgetrokken dat het weleens zou kunnen zijn dat Plautus Anansi, de spin, verhaaltjes heeft gekend (lees het commentaar). Ook het woord voor spin in het Latijn doet aan Anansi denken: aranea (vrl). Die onwaarschijnlijke constatering ben ik overigens verder nog nergens tegengekomen.

Opvallend is de overeenkomst met het Kwakiutl verhaal.  Maar mij deed het verhaaltje  eigenlijk ook vooral denken aan het lied van Seeräuber Jenny uit de Dreigroschenoper van Bertolt Brecht.

“Meine Herren, heute sehen Sie mich Gläser abwaschen
Und ich mache das Bett für jeden.
Und Sie geben mir einen Penny und ich bedanke mich schnell
Und Sie sehen meine Lumpen und dies lumpige Hotel
Und Sie wissen nicht, mit wem Sie reden.
Und Sie wissen nicht, mit wem Sie reden.
Aber eines Abends wird ein Geschrei sein am Hafen
Und man fragt "Was ist das für ein Geschrei?"
Und man wird mich lächeln sehn bei meinen Gläsern
Und man sagt "Was lächelt die dabei?"

Brecht kende zijn klassieken, denk ik dan. Denk ook maar aan zijn eerste toneelstuk:  Baäl. En zijn verzet met Horatius in de hand tegen de dienstplicht tijdens de Eerste Wereldoorlog. 

In het stuk van Plautus is ook nog sprake van een tolhuis, en volgens een schilderij zou dat er dan zo ongeveer uit gezien moeten hebben. Het gaat op het schilderij om een tolhuis langs een rivier. In het toneelstuk gaat het om een toren in de haven van Athene (de Piraeus). 




woensdag 9 januari 2019

De vrolijke thuiskomst (Plautus 1).

Uit: Fragment uit het toneelstuk van Plautus, De vrolijke thuiskomst (reg. 69-141), vertaling, op een paar kleine veranderingen na van mij, door J. Hemelrijk sr. 
Klik hier voor Inleiding op Plautus en originele Latijnse tekst.

Panegyris:
Wel, we moeten ons schikken naar zijn wensen, ’t is zijn vaderlijke macht. Door met hem te vleien, niet door verzet, is ‘t, hoop ik, dat hij zwichten zal; ons verzetten is onmogelijk zonder schande en zware schuld. Ik tenminste doe het niet en ‘k raad het jou ten sterkste af. Maar we smeken hem ons niet van onze mannen te laten scheiden, want ik ken hem: hij is zeker te vermurwen.
……..
Pamphila (spitst haar oren):
Ja, het was de stem van vader, die me in de oren klonk.
Panegyris (glurend):
Ja, hij is het!  --Gauw erheen en hem verrassen met een kus!
(ze doen het met succes)
Pamphila:
Dag papa!
Antipho (vader, weert hen af, droog en nuchter)
Dag allebei – toe, zo is ’t goed; ga zitten nu!
Pamphila (beiden omhelzen hem nog eens)
Toe dan, een kus!
Antipho:
Ik heb genoeg van jullie gekus.
Panegyris:
Hoezo, papa?
Antipho  (turend naar hun betraand gezicht)
Omdat mijn ziel voldoende gepekeld is met jullie zoute tranen.
Pamphila (troont hem mee naar de canapé)
Ga zitten, hier, papa.
Antipho
Nee, niet daar, dat is jullie plaats. Ik ga hier zitten op de kruk.
Panegyris
Wacht – een kussen –
Antipho
Wat een zorg! Zo zit ik zacht genoeg; ga zitten.
Pamphila (komt aandragen met een kussen)
Kom papa!
Antipho
Is ’t nodig?
Panegyris
Ja.
Antipho
Ik zwicht al; -- nou, zo is ’t genoeg!
Pamphila
Dochters kunnen zich om hun vader nooit te veel bekommeren.
Want wie zou naar billijkheid ons liever zijn dan u, papa?
En natuurlijk ook de mannen, met wie u onze echtverbintenis hebt gewild, zijn ons lief boven alles.
Antipho
Jullie gedraagt je als nobele vrouwen: jullie eert je afwezige mannen precies alsof ze aanwezig waren.
Pamphila
Vader, ’t is uit goed fatsoen dat wij hen in ere houden, die ons namen als gezellin.
Antipho (rondspiedend)
Is hier soms een buitenstaander, die ons onderhoud op kan vangen?
Panegyris (kijkt verbaasd)
Niemand behalve wij en u.
Antipho
Luister dan aandachtig nu!
Onbekend met vrouwenzaken en hun zeden wend ik me tot jullie als een leerling tot zijn meesters. Welke kwaliteiten moet de beste huisvrouw hebben? –(als zijn dochters elkaar verwonderd aankijken) – Maar je moet het me beiden zeggen.
Pamphila
Wat bezielt u dat u hier komt vragen, hoe een vrouw moet zijn?
Antipho
Wel, ik zoek een vrouw voor mij, nu jullie moeder is overleden.
Pamphila (na een pijnlijk zwijgen)
Pa, u vindt er heel gemakkelijk een, die slechter is dan onze moeder, eentje die van slechtere kwaliteit is. Maar een betere vindt u nergens; zelfs de zon ziet er niet zó een.
Antipho
En toch vraag ik ’t je en je zuster.
Pamphila (aarzelend)
Nou ja – ‘k weet wel, hoe ze zou moeten zijn, als ze –  naar mijn smaak zal zijn.
Antipho
Dat wou ik weten, hoe ze naar jouw smaak moet zijn.
Pamphila
Zó dat, als ze over straat loopt, alle kwade tongen zwijgen en ze niemand reden geeft haar te bekladden.
Antipho (tot Panegyris)
Nu is ’t jouw beurt; wat zeg jij?
Panegyris
Ja, wat wilt u dat ik zeg?
Antipho
Waaraan men ’t gemakkelijkst zien kan, of een vrouw rechtschapen is.
Panegyris
Als ze de kans heeft kwaad te doen en zich bedwingt het niet te doen.
Antipho (tot Pamphila)
Niet kwaad – Nu jij weer: wat is beter: ’n meisje nemen of een weduwe?
Pamphila
Zóver als mijn wijsheid reikt, moet men maar van twee kwaden ’t minste kiezen….als het moet.
Antipho
Hoe kan een vrouw een fout vermijden?
Pamphila
Als ze alle dagen oppast dat ze nu niet iets doet, waarvan ze morgen spijt zal hebben.
Antipho (tot Panegyris)
Wat zeg jij? Wie lijkt jou verreweg de wijste vrouw te zijn?
Panegyris
Zij die, als alles haar meezit, blijft wie ze is, en die gelaten draagt (’n snik) als het haar slechter gaat dan eerder.
Antipho
Nou, ik heb jullie mooi op de proef gesteld om jullie karakter vast te kunnen stellen. Maar de reden dat ik hier kom en jullie spreken wil, is deze: al mijn vrienden raden me aan om jullie weer in huis te nemen.
Pamphila
Het gaat hier om óns welzijn en wij raden u dat af: óf u had ons niet moeten geven aan een man, die u niet aanstond, óf u doet nu onrecht, vader, ons te scheiden van ze (onze mannen) nu ze weg zijn.
Antipho
Moet ik dulden dat mijn dochters zijn getrouwd met bedelaars?
Pamphila
Maar die bedelaar is mij dierbaar als een prins aan haar prinses; mijn gevoelens zijn gelijk of ik arm of rijk ben.
Antipho
Hechten jullie dan nog waarde aan bandieten en bedelaars?
Pamphila
U hebt ons toch uitgehuwelijkt aan een mán, niet aan zijn geld?
Antipho
Waarom wacht je nog op hen, die al drie jaar vertrokken zijn? Kies in plaats van ’n miserabele toch een schitterende partij.
Panegyris
Met onwillige honden, vader, is het dwaas op jacht te gaan; trouwen met een onwillige vrouw is trouwen met een vijandin.
Antipho
Ben je geen van bei besloten om je vaders zin te doen?
Panegyris
Maar die doen we nu; want we wensen niet te scheiden van de mannen die u ons gegeven hebt.
Antipho (hij staat op)
Adieu, Ik zal het mijn vrienden zeggen.

Commentaar.


Je vraagt je af belast met de zeden en normen van vandaag waarom dit grappig zou zijn. Een analyse van de tekst in het schema van vijf stappen zoals ik dat nu al een paar keer heb gedaan, kan dit ophelderen. De eerste stap is de beginsituatie: de vader verwacht dat de armoede zal toeslaan en wil daarom zijn twee dochters opnieuw uithuwelijken. De tweede stap houdt in dat de vader met de dochters in overleg gaat om hun zijn plannen voor te leggen. De derde stap is de reactie van zijn dochters die er niets voor voelen om aan zijn wensen tegemoet te komen. Dat draait erop uit (vierde stap) dat de vader beschaamd aan zijn vrienden moet zeggen dat zijn dochters er niets voor voelen om opnieuw te trouwen. De vijfde stap bestaat eruit te achterhalen welk symbool in dit verhaaltje een belangrijke rol speelt en dat kan eigenlijk maar een voorwerp zijn: de bank (canapé) of kruk. Wie op het hoogste plekje plaats neemt heeft autoriteit. De vader neemt op de kruk plaats en wil zelfs geen kussens accepteren. Kortom, hij laat zich niet gelden en dat vonden Romeinen grappig.

maandag 31 december 2018

Een gelukkig Nieuwjaar.


Op het eind van het jaar en het begin van nieuwe is er altijd veel te doen over buffers en reserves die banken en zorgverzekeringen moeten hebben om rampen te voorkomen. Misschien kan volgende grap uit de Negentiende eeuw het scherp op de snede gevoerde debat over dit onderwerp enigszins verhelderen?



Ongebruikt goud, nutteloos goud.

De Hodja, op reis met het doel de mensen te onderwijzen, kwam eens in een land waarvan de bewoners de gewoonte hadden om een vlag op hun huis te zetten voor iedere pot goud die ze in bezit hadden. Zo kon je huizen zien met een, twee, drie, vier en vijf vlaggen.

Een heel jaar verbleef de Hodja in dit land. Op een zekere dag vulde hij verscheiden potten met kiezelstenen, en zette voor iedere pot een vlag op zijn huis. De gewoonte was om tijdens de Bairam elkaar uit te nodigen. Toen de beurt aan de Hodja was en iedereen bij hem had gegeten, gingen ze naar het badhuis. De gasten merkten de potten op en troffen daarin uitsluitend kiezelstenen aan.
~      Maar Hodja, zeiden ze, daarin zitten alleen maar kiezelstenen.
~      Of het nu goud is of alleen maar kiezelstenen, dat komt op hetzelfde neer, zolang het in potten zit.


Later dan je denkt.

     had voor één keer besloten dat hij gedurende alle dertig Ramadan-dagen  zou vasten; hij zou de dagen tellen door elke dag een steen in een pot te stoppen.

     Zijn dochter zag wat haar vader deed en begon overal stenen uit de tuin op te rapen die ze ook in de pot stopte. Nasroeddin wist daar niets van.

Een paar dagen later kwamen enkele reizigers voorbij en ze vroegen hem hoeveel dagen van de vastenmaand voorbij waren. Nasroeddin spoedde zich naar de pot en telde de stenen. Toen kwam hij terug en zei:
~      Vijfenveertig.
~      Maar er zijn slechts dertig dagen in een maand!
~      Ik overdrijf niet, zei de Moela waardig, integendeel. Het feitelijke aantal is honderd drieënvijftig.


Vandaag is het de 120-ste dag van de maand!

Toen de dag aanbrak, waarop de Ramadan (de vastenmaand, die aan het Bairam-feest vooraf gaat) begon,  zei Nasreddin Hodja tot zichzelf:

~      In plaats van me het hoofd te breken zoals iedereen over het tellen van de dagen, zal ik er goed aan doen om dit jaar, waarin de Ramadan op de eerste van de maand begint, in een pot iedere ochtend een kiezelsteen te doen. Zodra er dertig kiezelstenen in zitten, beschouw ik de vasten als afgelopen en kan het Bairam-feest beginnen in alle rust. 

Hij voegde de daad bij het woord. Een paar dagen later merkte zijn dochter op wat haar vader deed en zij nam op haar beurt een handje kiezelsteentjes, zonder dat haar vader dit wist, en wierp ze te goeder trouw en vol toewijding in de pot.

De Ramadan was nog niet voor de helft verstreken, toen enige gelovigen bij de Hodja kwamen om hem te vragen:
~      Welke dag van de maand is het?
~      Laat me de pot raadplegen, en ik zal je antwoord kunnen geven op uw vraag, antwoordde Nasreddin Hodja.

Hij begaf zich naar zijn verblijf en strooide de inhoud van de pot uit op het tapijt. Hij telde de kiezelstenen: het waren er 120. Hij telde ze opnieuw: het aantal verwonderde hem, hij fronste zijn wenkbrauwen en mompelde voor zich heen:
~      Als ik ze de waarheid zeg, zullen ze me niet geloven!

En terwijl hij zich de hersens pijnigde over het gebeurde, nam hij de pot onder de arm, en ging naar beneden naar zijn gelovigen die hem opwachtten. Na eventjes te hebben geaarzeld, zei hij tenslotte zonder enige overtuiging:
~      Vandaag is het de 45-ste dag van de maand.
~      Hè? Hoe kan dat nou?, schreeuwden ze in opperste verbazing. In een maand zitten toch maar dertig of eenendertig dagen!

Ook al was Nasreddin zich ervan bewust dat hij een fout had gemaakt, sputterde hij tegen:

~      Maar vrienden, ik ben nog aan de bescheiden kant, want als ik jullie zeg waarin het raadplegen van de pot heeft geresulteerd, had ik eigenlijk moeten zeggen dat het de 120-ste dag van de maand is!

vrijdag 21 december 2018

Hoe verging het mijn blog in 2018?



In 2018 was er een lichte achteruitgang in het bezoekersaantal van het blog. Het verschil is echter zo klein dat je ook nu nog kunt zeggen dat ongeveer 100 mensen per week het blog bekeken. Of ze de verhalen ook helemaal lezen, kan ik niet nagaan. Ik blijf dan ook dit blog schrijven vanuit eigen motieven. Ik vind het leuk om de verhalen te delen, en in het commentaar kom ik telkens tot nieuwe inzichten en begrip van de verschillende grappen. Het belang ervan ligt wat mij betreft in de deductieve manier van denken die door de symboliek op een zijspoor wordt gezet.

                           Voorbeeld deductie:
                            (1)  Iedereen wil naar de bruiloft elders;
                           (2) Iemand moet op het huis letten, tijdens de bruiloft.
                           (3) Dus, niet iedereen kan naar de bruiloft: iemand moet thuis blijven.

Omdat het klassieke grappen zijn, verschilt de grap van onze manier van denken. Behalve de logica speelt de symboliek in deze grappen een doorslaggevende rol. Je zou bijna kunnen spreken van symbolische dominantie, waardoor de logica een ondergeschoven rol krijgt. In het voorbeeld gaat het dan niet meer om dat er iemand thuis moet blijven, maar dat degene met een zwarte stip op zijn voorhoofd moet thuis blijven. Dit spanningsveld speelt op allerlei vlakken ook nu nog. Het is dus interessant om de ontwikkeling, die deze grappen doormaken te traceren. De grap doet met andere woorden een beroep op je om hem te begrijpen door je in te leven in de situatie. Een oefening in empathie.

Hieronder ga ik per maand een grap van afgelopen jaar naar voren halen. Meestal is dat de grap met de hoogste score. Je kunt de grap te lezen krijgen door op de titel ervan te klikken. 

Januari 2018: In januari was terecht het blog met de grap van Freud het meest gelezen, terecht, tenminste als men ook de moeite heeft genomen om het commentaar daarbij te lezen . Het is niet een echt gemakkelijk stukje, maar iedereen had vakantie en ik denk dat dat ook de hoge score van wel 200 bezoekers verklaart.  Bovendien, Freud blijft een grote aantrekkingskracht op mensen uitoefenen, waarvan ik mij weleens afvraag of dat terecht is. 

Februari: In deze maand werd Freuds compadre in de psychologie besproken: Jung.  Ik vond zelf deze serie geslaagder dan die van Freud. Het blog van 16 februari  ging eigenlijk niet meer over Jung, maar werd wel het meest bezocht. Ik ben erg tevreden over het commentaar van die dag, hoewel het een moeilijkheidsgraad heeft die nauwkeurig lezen vereist. 

Maart: Deze maand staat de “trickster” in grappige verhalen bij verschillende native American tribes centraal. Met kop en schouders stak die maand het verhaal van Prairiewolf bij de Kwakiutl uit boven de andere verhalen.  Ook het commentaar op dit verhaal is goed gelezen, en terecht. 

April was aan Anansi gewijd. Ik had gedacht dat Anansi veel belangstelling zou krijgen. Het tegengestelde gebeurde: het was de maand met de minste hits: plus minus 300. Het hoogst scoorde het verhaal van de Wayana-Indianen uit Suriname; een verhaal dat eigenlijk geen Anansi verhaal is. Voor de geringe belangstelling voor het Anansi-verhaal, heb ik geen echte verklaring behalve dan dat het zo uitdrukkelijke kinderversies waren en Anansi al mag bogen op een grote bekendheid. Ook het commentaar werd weinig gelezen, terwijl daarin een ontdekking stond, nl. dat het Anansi verhaal niet alleen door de slaven naar Suriname is gebracht, maar daar waarschijnlijk ook al bekend was onder de Indianen.

In Mei begon ik met stukken uit De Libro de buen Amor. Deze stukken werden van het begin af aan redelijk goed gelezen, wat mij verwonderde, omdat het niet echt gemakkelijke kost is. De eerste keer werd het blog het beste geleden  samen met het commentaar daarop, maar ook de volgende 10 keer was er geen gebrek aan belangstelling. 

In Juni trok een verhaal uit mijn familiegeschiedenis de meeste belangstelling. Maar ook de belangstelling voor de stukken uit de Libro de buen Amor bleef constant. 

Juli: Niet helemaal onverwacht trok het stuk uit de Libro de buen Amor over de Woede (Ira)  deze maand de meeste aandacht. Ook het commentaar daarop werd goed gelezen .

Augustus: Helemaal zoals verwacht, trok het verhaal over Simio, de rechter van Bugia, de meeste aandacht. Ook het commentaar mag niet onvermeld blijven (weer een beetje aan de zware kant).

September: Dit was wel een verrassing, omdat het om deel 3 van een Marokkaans verhaal gaat, waaraan deel 1 en 2 vooraf zijn gegaan. In de niet al te vlotte eigen vertaling. De delen kunnen op zichzelf staan, maar ik zou zeggen dat als een bepaald deel je interesseert, ook je interesse voor de andere delen gewekt zou moeten zijn. Dit keer was er weinig interesse voor het commentaar. Misschien was het het plaatje van de kont van de ezel, dat maakte dat men het stuk wilde lezen?

Oktober: De interesse voor de domme ezel hield stand. Ook in de maand oktober was het verhaal dat daarover ging, het meest gelezen verhaaltje.  Hoe het commentaar werd beoordeeld, kan ik in dit geval niet inschatten (geen opmerkingen).

November: Deze maand stond in het teken van de Japanse humor. Hoewel de belangstelling een beetje tegenviel, werd het blog van14 november redelijk goed gelezen. In het commentaar werden misschien teveel dingen besproken. Voor mij van belang was de veel sterkere overeenkomst van het Japanse theater met het Romeinse theater in vergelijking met het Griekse toneelgebeuren. Veel belangstelling was er niet voor deze vondst, die voor zover ik weet nog nooit eerder iemand heeft opgemerkt.

In December trok het stuk van Daniël Kehlmann de meeste belangstelling. De hele maand stond in het teken van de invloed van de Klassieke Humor op schrijvers van vandaag. Dit laatste moet je wel ruim nemen, omdat ook Gogol  nog in dit rijtje is opgenomen.

Beoordeling: De belangstelling loopt een beetje terug. Vooral in vakanties nemen de mensen de tijd om de blogs te lezen. Opvallend is dat lezers ingewikkelde analyses niet schuwen, en er zelfs duidelijk hun waardering voor uitspreken. Als het te kinderachtig wordt, verliezen mijn lezers alle belangstelling.

Planning komend jaar
Begin dit jaar staat een toneelstuk van de Romeinse schrijver Plautus op het programma. Het is een toneelstuk, waarin niet alleen Latijn wordt gesproken, maar ook Fenicisch. Omdat ik denk dat deze taal van groot belang is geweest voor het ontwikkelen van de Klassieke Humor, ben ik er erg nieuwsgierig naar. In de maand daarop komen de volgelingen van Plautus aan bod: Molière, Hooft en niet te vergeten Gustave Flaubert (Salammbô).

Daarna zullen stukken uit de Pantagruel en Gargantua van Rabelais in 8 afleveringen besproken worden. Daarop volgt weer een vertaling uit het Marokkaans, omdat dit toch verhalen zijn die het geweldig doen. Ik weet nog niet zeker of het mogelijk is, maar ik ben nog op zoek naar de Berber versie van een verhaal over muizen, waarvan ik wel de Nederlandse versie ken, maar niet weet hoe het oorspronkelijke verhaal eruit ziet. Tegen die tijd zitten we waarschijnlijk alweer in de laatste maanden van het jaar. Dit keer wil ik  het jaar afsluiten met enkele grappen die over Thales van Milete werden verteld.

Dus, nu weet u wat u zo ongeveer voor het komende jaar te wachten staat. In het jaar daarop zal vooral aandacht zijn voor Carnaval in de oudheid. 

dinsdag 18 december 2018

De laatste aflevering in de serie “recent”.

Uit: Tijl, Daniël Kehlmann, vertaling uit het Duits door Josephine Rijnaerts, Em. Querido’s Uitgeverij bv, Amsterdam, 2018, pag. 214-216: de illusie. 

De nar boog zich naar hem toe.
“Kijk me in mijn ogen”
Aarzelend keek de koning de nar aan. De dunne lippen, de smalle kin, het bonte wambuis, de kap van kalfsleer; hij had hem een paar keer gevraagd waarom hij zulke rare kleren droeg, of hij zich misschien als dier wilde vermommen, waarop de nar had geantwoord:
“Oh, nee, als mens.”

Daarna gaf hij gehoor aan het verzoek en keek hem in de ogen. Hij knipperde. Het was onaangenaam, want hij was niet gewend de blik van iemand anders te trotseren. Maar alles was beter dan te moeten praten over het feit dat de Zweed (Gustaaf II, Adolf van Zweden) hem liet wachten, hij had tenslotte zelf om wat afleiding gevraagd en eigenlijk was hij ook wel een beetje benieuwd naar wat de nar in het schild voerde. Hij onderdrukte het verlangen om zijn ogen dicht te doen, hij keek de nar aan.

Het witte doek schoot hem te binnen. Het hing in de troonzaal en eerst had hij er veel plezier aan beleefd. ‘Zeg tegen je gasten dat domme mensen het schilderij niet kunnen zien, zeg dat alleen hoogwelgeborenen het zien, zeg het gewoon en je zult niet weten wat je overkomt!” Het was om te gillen hoe bezoekers wanhopig probeerden zich een houding te geven, hoe ze met een kennersblik naar het witte schilderij keken en knikten. Ze beweerden natuurlijk niet dat ze een echt schilderij zagen, zo naïef was niemand, vrijwel iedereen begreep heel goed dat daar een wit doek hing, meer niet. Maar in de eerste plaats waren ze er toch niet helemaal van overtuigd dat er geen toverij in spel was, en in de tweede plaats wisten ze niet of Liz (zijn echtgenote) en hij er misschien in geloofden – en door een koning verdacht worden van domheid of een lage komaf was uiteindelijk even erg als dom en van lage komaf te zijn.

Zelfs Liz had niets gezegd. Zelfs zij, zijn fantastische, mooie, maar uiteindelijk niet altijd even slimme gemalin had naar het schilderij (zie commentaar 1) gekeken en gezwegen. Zelfs zij wist het niet zeker, natuurlijk niet, ze was ook maar een vrouw.

Hij had het ter sprake willen brengen. Liz, had hij willen zeggen, hou op met die onzin, speel geen toneel! Maar opeens had hij het niet gedurfd. Wat als zij erin geloofde, ook al was het maar een beetje (zie commentaar 2), als ook zij dacht dat het doek betoverd was, wat vond ze dan van hem?
En als ze er met anderen over praatte? Als ze bijvoorbeeld zei: Zijne majesteit, mijn gemaal, de koning, hij ziet geen schilderij op het doek, wat voor figuur sloeg hij dan? Zijn status was zwak, hij was een koning zonder land, een balling (zie commentaar: Achtergrond), volledig aangewezen op wat men van hem vond, wat moest hij doen als het verhaal de ronde deed dat er in zijn troonzaal een magisch schilderij hing, dat alleen hoogwelgeborenen konden zien, maar hij niet? Natuurlijk was er geen schilderij, het was een grap van de nar geweest, maar nu het doek daar hing, had het zijn eigen macht gecreëerd, en de koning had tot zijn schrik gemerkt dat hij het niet van de muur kon halen en er ook niets over kon zeggen. Hij kon niet beweren dat hij een schilderij zag op de plek waar geen schilderij was, want dat was de beste manier om te bewijzen dat hij een idioot was, maar hij kon ook niet hardop zeggen dat het doek leeg was, want als anderen dachten dat daar een betoverd schilderij hing dat over het vermogen beschikte om een lage afkomst en domheid aan het licht te brengen, was dat al genoeg om hem volledig voor schut te zetten. Hij kon er niet eens met zijn arme lieve, naïeve vrouw over praten. Het was lastig en gecompliceerd. En het was de nar aan wie hij het allemaal te danken had.

Commentaar:

    1.    Achtergrond.

Daniël Kehlmann heb ik al eerder genoemd in het commentaar op een Japanse grap:  noot 10. De Tijl op het boek van Daniël Kehlmann is een “bucco”  (die met een brede kaak), een clown die zich toelegt op het uitbaten van het verschil tussen domme en slimme mensen. De domme is afkomstig van het platteland; de slimme is van oudsher een stadbewoner. Dat speelt ook in de hierboven aan gehaalde scène. Maar de beschrijving in de tekst zegt nog iets heel anders; waarschijnlijk wist de uitgever niet goed hoe hij het verschil tussen de “bucco” en deze door Daniël ten tonele gevoerde clown in beeld kon brengen, de clown van Daniël heeft trekken van een zogenaamde “witte clown . De Tijl van Daniël Kehlmann lijkt ook veel op onze Jan Klaassen, die trompetter was in het leger tijdens de Tachtigjarige Oorlog. En ten slotte is deze Tijl het heilige vuur van een sjamaan niet vreemd: “Zou je een dier willen worden?” “Nee, een mens." Maar ook weer niet helemaal; hij lijkt het meest een kruising van deze drie types clowns, Jan Klaassen, en een sjamaan. 


Daniël Kehlmann schreef het boek, omdat het 400 jaar geleden is dat de Dertigjarige Oorlog begon : de allereerste wereldoorlog. De koning in het boek is Frederik V, die in 1619 tot koning Frederik I van Bohemen werd gekroond in Wenen.  Hij trouwde met Elizabeth Stuart. Elizabeth wordt over het algemeen gezien als een erg intelligente, mooie vrouw, die omdat zij een oudere broer, Charles, had, niet op de Engelse troon belandde, hoewel zij er meer voor geschikt was. Waar koning Frederik I is overleden is onbekend ; misschien was het inderdaad in de in het boek in al zijn verschrikkelijke finesses beschreven sneeuwstorm (vergelijk Thomas Mann: De Toverberg). Volgens de website zou hij op weg naar Amsterdam om de Zilvervloot te bewonderen zijn verdronken.  Zijn vrouw, Elizabeth,  woonde toen al in Nederland, in Den Haag, in het huis van Oldenbarnevelt.  Met “de Zweed” wordt Gustaaf II, Adolf van Zweden bedoeld , die koning Frederik I geen aandeel in zijn zegetocht gaf, hoewel ze beiden lutheraans waren. Koning Frederik I heeft zijn naam Winterkoning te danken aan de omstandigheid dat hij één winter lang als koning in Wenen resideerde.

      2. Commentaar 1 en 2.

In het boek wordt hetzelfde verhaal door Tijl ook aan Elizabeth (Liz), de echtgenote van de koning, verteld en ook zij vertelt haar man niet dat op het schilderij niets valt te zien. Op die manier wordt het schilderij een metafoor voor het huwelijk, waarin je nooit elkaar kunt leren kennen, ook al laat je je door beroemde schilders als Rembrandt ten voeten uit schilderen als Het joodse bruidje.  En, ook al leef je een leven lang samen en neem je samen alle belangrijke beslissingen, je blijft in wezen vreemden voor elkaar. Het is een illusie dat je elkaar volledig zou kunnen leren kennen, en het streven ernaar is “grappig”: we houden ons zelf voor de gek. Daniël Kehlmann sluit hiermee aan op de moderne filosofie die er vanuit gaat dat je niet kunt bewijzen wat er is en wat er niet is , een stapje verder dan het existentialisme. Met het op die manier denken over de werkelijkheid was al een begin gemaakt door Plato  wat nu weer veel weerklank kent.

 3. Het schema.

S-1: De beginsituatie is de wachtkamer op het slagveld, nadat Gustaaf Adolf een beslissende slag heeft gewonnen. De koning moet dan aan het schilderij denken dat hij in de troonzaal had hangen, waarop niets te zien was.

S-3: Hij gaat ervan uit dat niemand dom of niet een hoogwelgeborene wil zijn. Dat blijkt ook het geval te zijn, omdat niemand durft te zeggen dat het doek leeg is.

S-2: Daardoor wordt elke situatie dubbelslachtig  en kan niemand meer op de ander vertrouwen. Zelfs echtgenoot en echtgenote kunnen niet op elkaar bouwen.

S-4: Acceptatie dat het leven een illusie is. Iedereen is iedereen een vreemdeling.
Het klassieke schema wordt keurig afgehandeld. Het geheel heeft echter een hegeliaanse metamorfose ondergaan. Normaal bestaat de grap uit handelingen (acties); minimaal vier handelingen op een rij maken de grap. Dat is hier over de hele linie niet meer het geval, er wordt niet gehandeld, er wordt alleen maar gedacht. De hele grap speelt zich in het hoofd van de koning af. Dit is de meest vernieuwende invulling van het klassieke schema tot nu toe.

Misschien overbodig, maar ik zeg het toch maar: bedenk dat dit verhaal speelt in de Dertigjarige Oorlog, een godsdienstoorlog. Bij Biesheuvel vinden we in zijn boek Brief aan Vader in het verhaal Opstapper  (pag. 260) de volgende passage:

“Naderhand werd het Smith (stichter van de christelijke sekte der mormonen) duidelijk dat de taal der tekens die hij door het wonderbrilletje gelezen had geen Hebreeuws, geen Nederlands, geen Zweeds, geen Grieks was geweest. De taal bestónd helemaal niet en was alleen voor diegene te begrijpen die het boek door het brilletje las…….Het brilletje was spoorloos verdwenen, zeiden de heren met hun bolhoed op hun knieën. De bril was weg en het gouden boek was weg. ‘Maar God zij dank, wij hebben de boek in vertaling!’ “

Hetzelfde gegeven dat alleen een uitverkorene iets ziet dat andere gewone mensen niet zien, komt in deze passage van Biesheuvel voor. Maar in dit geval wordt er door veel mensen geloof aan gehecht. Hiervoor wil Kehlmann waarschuwen. De grap van Kehlmann kan alleen begrepen worden als een radicale afwijzing van een theologische strijd die tot een oorlog met honderdduizenden slachtoffers heeft geleid. Kehlmann stelt de vraag: waar was die Dertigjarige Oorlog eigenlijk voor nodig? Iedereen joeg een illusie na, iedereen dacht iets te zien dat er in feite helemaal niet was. En Tijl probeert dat iedereen duidelijk te maken, maar het werkte niet. De gewone mensen leden honger, werden het slachtoffer van plunderende soldaten, de gewone mensen keken net als Tijl machteloos toe.

dinsdag 11 december 2018

Gogol, “Dode zielen”, vertaling Aai Prins, Van Oorschot, Amsterdam, 2014. Tekeningen uit de eerste naoorlogse prisma editie van Dode Zielen met een oorspronkelijke vertaling van S. van Praag  uit 1927. 


Figuur 1: Tekenaar onbekend Tsjitsjikov ontsnapt per calèche.



Inleiding

Rusland in de negentiende eeuw. Tsjitsjikov, de hoofdpersoon uit Dode Zielen, koopt bij heerboeren de contracten van overleden lijfeigenen  op. De boeren willen graag van die overleden lijfeigenen af, omdat ze daarover belasting moeten betalen. Tsjitsjikov ontvangt daarom voor  deze “dode zielen” (dode lijfeigenen) ongeveer 200 roebel per persoon, omdat ze nu geen belasting meer hoeven te betalen. Voorwaarde is wel dat de heerboer doet alsof hij een levende lijfeigene aan Tsjitsjikov verkoopt. De ene boer kan en wil voor dit bedrog meer betalen dan de andere. Dit contract tussen verkoper en koper is geheim. Het heen en weer reizen, het onderhouden van zijn status etc. gerekend als kosten, levert deze handel hem voldoende op als hij een stuk of 100 “dode zielen” heeft kunnen kopen.


Maar hij doet het ook nog eens voorkomen alsof deze lijfeigenen nog in leven zijn, anders had hij zelf hiervoor belasting moeten betalen. Na verloop van tijd is hij zelfs een vermogend man, op papier, omdat hij erg veel lijfeigenen heeft. De hoeveelheid lijfeigenen bepaalt het aanzien van een Russische heerboer in de tijd van Gogolj (1842). Tsjitsjikov wil natuurlijk zelf uiteindelijk een eigen boerderij gaan kopen. Daarover moet hij met andere boeren onderhandelen om ze zover te krijgen zijn “vermogen” aan lijfeigenen te accepteren als onderpand (hypotheek) voor de verkoop van hun boerderij. Hij wordt tot driemaal toe eigenaar van een boerderij, maar bij de laatste keer valt hij door de mand: zijn lijfeigenen zijn in werkelijkheid immers dode zielen en de opbrengst van de boerderij is onvoldoende om zijn schulden te betalen. Dit keer kan hij niet zoals alle vorige keren in vliegende vaart in zijn calèche ontsnappen. Vooral ook omdat hij een innerlijke drang heeft zijn zonden op te biechten, wat hem belemmert te vluchten. Hij wil schoon schip maken.

Gogolj wilde een soort Russische louteringsroman schrijven met de Don Quichotte van Cervantes en de Gargantua en Pantagruel van Rabelais als voorbeelden. De oplichter (trickster)  Tsjitsjikov zou uiteindelijk gelouterd zijn door straf voor zijn misdaden te ondergaan. Dat was de opzet. Maar telkens weer, als een schrijver van écriture automatique, belandde de held in situaties waardoor hij alleen maar slechter werd, grotere misdaden bedreef en meer mensen in gevaar bracht. Het lijkt erop dat Gogolj, maar ook Tsjitsjikov zich niet aan hun lot kunnen onttrekken. Gogolj onderneemt daarvoor zelfs meerdere reizen naar Rome, maar de paus wil hem niet ontvangen. Op zijn laatste terugreis naar Rusland pleegt hij zelfmoord, en verbrandt hij het tweede deel van Dode Zielen. Delen hiervan zijn echter bewaard gebleven.


De steur.


Figuur 2: Tekenaar onbekend.

Het volgende fragment uit het Tweede Deel (pag 307-308) laat zien hoe Klassieke Humor een onoplosbare puzzel kan vormen, een blijkbaar voor de schrijver ondraaglijk lot. Klik hier voor een Engelstalige versie. Tsjitsjikov zit in een calèche op weg naar een klant en ziet de volgende scène: 

Het geboomte werd dunner, het blikkeren nam toe, en voor zich zagen ze een meer: een watervlakte van een werst of vier in doorsnee. Op de tegenovergelegen oever waren boven het meer de grijze blokhutten van een dorp uitgestrooid. Uit het water stegen kreten op. Tot hun middel, schouders of nek door het water wadend trok een man of twintig een sleepnet naar de overkant. Er was iets aan de hand. Een man, rond als een ton of een watermeloen, en even lang als hij breed was, had zich met de vissen en al in het net verward. Hij verkeerde in een hopeloze situatie en schreeuwde uit alle macht: “Dennis, lummel, geef door aan Kozma! Kozma, pak het uiteinde van Dennis aan! Niet zo hard trekken. Grote (eig. oude) Forma! Ga bij de kleine (eig. jonge)  Forma staan. Verdomme! Ik zeg toch dat jullie het net scheuren!” De watermeloen vreesde kennelijk niet voor zichzelf: verdrinken kon hij niet vanwege zijn dikte; hoe hij ook zou duikelen om onder water te raken, hij zou toch omhoog gestuwd worden; ook al gingen er twee man op zijn rug zitten, hij zou als een koppige luchtblaas samen met hen op het water blijven drijven en onder hun gewicht alleen een beetje kreunen en luchtbellen uitblazen door zijn neus. Maar hij was als de dood dat het net zou scheuren en de vis ontkwam, en daarom stonden ook nog eens een paar man vanaf de oever aan touwen te trekken die hun waren toegeworpen.“Dat zal de heer, kolonel Kosjkarkov (de klant), wezen,” zei Selifan (de koetsier van Tsjitsjikov, de held).“Waarom?”“Omdat zijn lijf witter is dan dat van de anderen, ziet u wel, en hij heeft de respectabele dikte van een heer.”De in het net verstrikte heer was intussen een heel eind naar de oever getrokken. Toen hij voelde dat hij bij de bodem kon, ging hij staan en zag op dat moment het van de dam afdalende rijtuig en de daarin gezeten Tsjitsjikov.“Hebt u al gegeten?” riep de heer die, in het net gewikkeld als een dameshandje in een opengewerkte handschoen, met de buitgemaakte vis naar de oever waadde terwijl hij één hand als een zonneschermpje boven zijn ogen hield en de andere omlaag, als de Venus de Medici die uit het badhuis komt.

Commentaar:

De zin “De watermeloen…..zijn neus” is een typische Gogol-stijlfiguur. Het lijkt een ontsporende zin, maar ondanks dat blijft de zin betekenis dragen, vooral in zijn visuele kwaliteiten. Wat er gebeurt, zie je niet alleen in de grammatica, maar ook als beeld voor je geestesoog opdoemen.  Het Klassieke schema gaat als volgt: De hoofdfiguur (de trickster Tsjitsjikov)  komt bij een meer aan, waarin het toekomstige slachtoffer (de klant) aan het vissen is. Deze heeft zich al in de nesten gewerkt, en biedt in de punchline als het ware aan: eet deze lekkere dikke vis (steur) maar op. Opvallend: er is geen moraal. Datgene wat Tsjitsjikov en Gogol in het tweede deel van de Dode Zielen parten speelt, blijkt al na een oppervlakkige analyse van de tekst zich aan te dienen: Tsjitsjikov slaagt er niet in om gelouterd te worden van zijn misdaden. Het geweten ontbreekt, lijkt het wel, als er geen uitsmijter (moraal) volgt op de laatste handeling in het Klassieke schema van het verhaal.

Later in het verhaal blijken grote Forma en kleine Forma veel overeenkomsten te hebben met het slot van het verhaal over Grote Klaas en Kleine Klaas , die we van Andersen  kennen, en bij ons bekend staan onder de naam Groot oog en Klein oog, opgenomen in Sprookjes van de Lage landen. Maar natuurlijk is het hele verhaal rond Tsjitsjikov eigenlijk een groot trickster-gebeuren.



dinsdag 4 december 2018

Het schaap.

Uit: Driss Chraïbi, La Civilisation, ma Mère!....., pag 17-19.

Om me te kleden moest er voor mij een schaap worden gekocht. Levend en wel! En dan ook nog eentje dat zich gemakkelijk liet scheren in onze aanwezigheid.
Mijn oudere broer, Nagib, ging er eentje kopen op de markt, dreef het de keuken in door het met alle geweld voor zich uit te duwen:
“Vooruit, naar binnen, m’n schaapje, hop naar binnen! Doe alsof je thuis bent.” 

Had ik al verteld dat mijn moeder een scheerapparaat had? Nou, nee. Trouwens, zij zou niet geweten hebben hoe ze het zou moeten gebruiken. Maar wat ze wél had, dat was een schaar, waarmee ze me af en toe dreigde de oren af te snijden en ze dan aan de deur van de woonkamer vast te spijkeren, vooral als ik grof was in de mond. U kent ze wel: zo’n Japanse schaar uit de jaren 20 met het gewicht van een ketel en de omvang van een snoeischaar. En wonder boven wonder, als ze op de tegelvloer viel, loste dat zomaar op in poeder.

De schaar stak ze achter haar ceintuur alsof het de hakbijl was van een piraat, die zich opmaakte om te gaan enteren. Met de half gesloten rechterhand bracht ze het gevaarte als een bril voor haar ogen, peilde de herkauwer en riep:

“ Nagib, ga een stuk touw halen!”

We legden een lus om de hals van het schaap en het andere eind van het touw maakten we vast aan een tralie in het raam. 

En zo begon de rituele dans van het scheren. De dans van het beest zag er niet uit, het zette passen in alle richtingen, zonder enige artistieke gratie. Het begeleidde zich met zo’n meelijwekkend geblaat dat je om je heen keek om uit te vinden wie er wel op een panfluit probeerde te spelen. Nagib lachte en bewoog zich ritmisch naar voren en achteren door het hele huis heen. De buren klopten op de deur, en verweten ons minderjarige kinderen te mishandelen. Mijn moeder verloor op geen enkel moment haar beheersing noch haar vastberadenheid. Als een Sioux-indiaan sprong ze van het ene been op het andere, tot ze ineens het schaap de rug toekeerde, en luid uitriep, elke lettergreep beklemtonend, om het ook tot die harde kop van het schaap door te laten dringen:

“Ik hou niet van wol. Wol is niet goed, helemaal niet goed. Je hebt er niks aan, niks helemaal niks.. Je kunt er niks van maken, bah….”

Plotseling draaide ze zich om en wierp zich op het beest, en de beruchte gietijzeren schaar hoorde je knippen.

“Vlug, vlug, vlug!,” schreeuwde mijn moeder. "Nagib, ga een bezem halen. Er moet ergens een pluk wol liggen, ja, ik zie het liggen. Kijk daar tussen zijn poten.”

Op het einde van de dag hadden we een hoop wol in een houten bak – en een paar stukjes lamsvlees. Mijn moeder was drijfnat van het zweten. Nagib was zijn stem kwijt, maar zijn ogen waren kurkdroog: hij had zoveel gelachen en gehuild van het lachen dat hij geen tranen overhad. Hij leek wel veranderd in een hitsig paard, een gekke mustang, met psychosomatische symptomen. En hij wilde nergens meer van horen praten, niet van de boksring, niet over danspassen en zeker niet van de rodeo. Vol tics, overgevoelig, de ogen meer uit dan in zijn hoofd, de tong uit de mond, liet hij een soort miauwen horen: heb medelijden, medelijden..!

Vooruit, broertje, kom hier!” zei Nagib, terwijl hij zich in de handen spoog. Hij greep de herkauwer beet, en legde hem als een meelzak op zijn schouder en zo bracht hij hem omhoog naar het platte dak van ons huis. Daar droegen, de zon, de rust en de blauwe hemel alle bij tot het herstel van het schaap. En tijdens de dag klom mijn moeder naar boven om hem gezelschap te houden. Als Nagib en ik naar school waren, had zij geen gezelschap om mee te praten, aan wie ze de laatste nieuwtjes kon toevertrouwen en haar hart kon luchten. Zij gaf hem gerst, maïskolven, bosjes mint, een emmer melk, een banaan en een ui als dessert toe.


Zij noemde hem haar “Schatje”, “Semiradis Sieraad” en vertelde hem al die verhalen die ik al Duizend en Een keer van haar had gehoord in allerlei toonaarden, zij zong voor hem treurzangen waarin sprake was van een Hof van Eden, groen van groen gras zo teer dat Gods engelen ervan aten om op krachten te komen.


Als het Offerfeest aanbrak, moest zij afscheid van de vertrouweling nemen die wekenlang naar haar had geluisterd en maandenlang niets had kunnen antwoorden. Op de barbecue roosterde ze koteletjes, poten, brochettes. Ondertussen liet zij haar tranen de vrije loop.

La civilisation, Ma mére is door Chraïbi geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn moeder. Hij moest voor haar begrafenis hals over kop naar Casablanca vliegen, waar zij al begraven was, voordat hij haar nog een keer kon zien.

Commentaar:

In dit lange verhaal zien we hetzelfde schema terugkomen als in het Cronopio verhaal van Cortázar dat ik vorige week heb besproken. Het begin is de koop van het schaap. De verwachting is dat het schaap onwillig is om vrijwillig onder het oog van toeschouwers zich te laten ontbloten. Door te doen alsof ze niet in de wol van het schaap geïnteresseerd is, slaagt de moeder erin wol te pakken te krijgen om een djellaba (traditionele Marokkaanse kleding, de moeder noemt ze "Bijbelse"kleding) van te maken. Eindresultaat: een kaal beest waar de moeder troost bij zoekt. Tot zover is het schema Klassiek. Maar ook in dit geval komt er een echo vanuit hogere idealen ons toespreken, ditmaal een goddelijke: het schaap is een offer dat een mooie toekomst in het paradijs wacht. Omdat dit in de punchline van de grap staat, kun je de slotsom dominant verklaren ten opzichte van de rest van het grappige sprookje. Als je kritisch leest, staat in deze onschuldige tekst onbedoeld iets over het martelaarschap te lezen! Cortázar had het daar niet zo op begrepen! En Chraïbi heeft dat al zeker niet zo bedoeld. Maar onbewust werkt het wel zó.

De tekst heeft natuurlijk grote overeenkomsten met het verhaal van Foufouya. Ik noem de overeenkomstige elementen: het oor dat aan de deur wordt gespijkerd, de wol van het schaap (die bij Foufouya in goud verandert) en ten slotte het schaap dat haar in haar koppige eenzaamheid gezelschap houdt. Maar ook bij Foufouya de uitsmijter: het schaap wordt vrijgelaten. Een tegenovergesteld resultaat van wat Chraïbi ervan maakt! Het extra slotakkoord maakt de Foufouya tekst modern. En zoals in het commentaar toen al is gezegd: Lala Foufouya is een bewerking voor de televisie van een volksverhaal. Het slotakkoord is ongetwijfeld een latere toevoeging.

De televisieserie was in 1971, terwijl Chraïbi dit boek in 1972 heeft gepubliceerd. Dat hij een variatie op de Foufouya tekst heeft gemaakt, ligt dus voor de hand. Uit het slotakkoord blijkt dat hij er een islamitische draai aan heeft gegeven, die er zelfs in de televisieserie nog niet in was aangebracht. Nu voegde Plutarchus aan Aesopus verhalen ook een slotakkoord toe in de vorm van de moraal van het verhaal. Het al dan niet aanwezig zijn van een extra conclusie op het eind van het Klassieke schema, is daarom nog geen uitsluitsel over de ouderdom van het verhaal. Je zou wel kunnen zeggen dat  het aan het begin van de christelijke jaartelling voor het eerst zou kunnen zijn opgeschreven.