donderdag 16 maart 2023

 Het leven van Aesopus: het uiterlijk (Deel 2).

Dit wonder maakte dat hij van baas veranderde.  Hij had te maken met een zekere Zénas. Die was er in de hoedanigheid van econoom en om op de slaven te letten (1). Deze man had hem uitzonderlijk hard geslagen voor een fout, die hem niet was aan te rekenen. Aesopus kon zich er niet van weerhouden om wraak op hem te nemen. En dreigde ermee zijn slechte gedrag algemeen bekend te maken. Zénas, om hem te waarschuwen en zich op zijn beurt op Aesopus te wreken, ging zijn meester zeggen dat er bij hem thuis een wonder zich had voltrokken: de Frygiër kon weer praten! Maar de deugniet bediende zich er alleen van om te vloeken en kwaad te spreken over hun baas. De baas geloofde hem en nam maatregelen: hij schonk hem Aesopus en hij mocht met hem doen wat hij maar wilde. Toen Zénas weer terug was in het veld, kwam er een handelaar naar hem toe met de vraag of hij hem voor geld een of ander lastdier kon verschaffen. “Nee, dat niet,” zei Zénas, “dat mag ik niet zomaar doen. Maar ik verkoop je, als je wilt, een van onze slaven.” Om het woord bij de daad te voegen liet hij Aesopus komen, waarop de handelaar zei: “Je houdt me voor de gek, wil je me echt dit te koop aanbieden? Je zou denken dat het een waterzak is!” Meteen nadat de handelaar dit had gezegd, keerde hij zich om en liep weg in zichzelf mompelend en lachend om wat hij had gezien.  Aesopus riep hem bij zich en zei: “Breng de moed op mij toch te kopen, want ik zal je tot nut kunnen zijn! Als je kinderen hebt, die de hele dag te keer gaan en ondeugend, zal mijn aanblik ze wel tot zwijgen brengen. Je kunt ze met mij dreigen alsof ik een allesverslindend monster ben.” (2)  Deze zelfspot beviel de handelaar. Hij kocht onze Frygiër alsnog voor 3 obolen, en zei lachend: “De goden zijn geprezen! Ik heb dan wel geen grote aankoop gedaan, maar ik heb ook niet veel geld over de balk gegooid.”


Behalve levensmiddelen handelde deze handelaar ook in slaven. Toen zij naar Ephese gingen voor handel, moest ieder van de slaven, die verhandeld zou worden,  de handelswaar dragen om gemakkelijker te reizen, ieder naar eigen vermogen en fysieke sterkte. Aesopus vroeg om clementie gezien zijn gestalte. Bovendien was hij nieuw, en daarom moest men hem met consideratie behandelen. “Jij hoeft niets te dragen, als je dat wil,” antwoordden hem zijn kameraden. Dat was Aesopus eer te na en hij wilde dat men hem belastte net als de anderen. Daarop lieten ze hem kiezen. Hij koos de mand met eten voor onder weg. Dat was de grootste te dragen last. Iedereen dacht dat hij daarvoor gekozen had, omdat hij dom was. Maar nadat ze hadden gegeten, zat er steeds minder in de mand mondvoorraad. En de Frygiër had des te minder te dragen. ’s Avonds was het hetzelfde liedje, en zo maar door de volgende dag. Zó was er na twee dagen nog maar weinig te dragen en na een paar dagen had hij zelfs niets meer te dragen. Het gezonde verstand en de logica van Aesopus werden al spoedig bewonderd.


De koopman ontdeed zich van al zijn slaven, die hij te koop aanbood op Samos, behalve een taalkundige, een zanger en Aesopus.  Vóór ze op de markt aan te bieden, liet hij de twee eersten zich zo mooi mogelijk aankleden. Aesopus daarentegen kreeg alleen maar een juten zak aangetrokken, en werd tussen de beide anderen gezet om hen meer te laten opvallen. Er kwamen een paar kopers en onder hen bevond zich een filosoof van naam Xanthus. Die vroeg aan de taalkundige en aan de zanger wat zij voor vaardigheden bezaten. “We kunnen alles,” zeiden ze (3). Daarover moest de Frygiër lachen. Men kan zich voorstellen hoe. Planudes zegt in zijn verslag dat het weinig scheelde of men was op de vlucht geslagen,  zo verschrikkelijk was zijn bekkentrekken. De koopman vroeg voor zijn zanger 1000 obolen, voor zijn taalkundige 3000. En als men een van de twee wilde kopen, dan moest je Aesopus als bonus er gratis bij nemen. De hoogte van de prijs voor de taalkundige en de zanger stond Xantus tegen. Maar, om niet naar huis terug te keren met lege handen, raadden zijn leerlingen hem aan om dat beetje mens te kopen dat met zijn oprechte lach hen had doen schrikken: je zou hem zo voor een vogelverschrikker kunnen houden. Met zijn gedrag vermaakte hij de mensen. Xantus liet zich overtuigen en kocht Aesopus voor zestig obolen. Hij vroeg hem, voordat hij hem had gekocht, waarvoor hij geschikt was, zoals hij dat ook aan de anderen had gedaan. Aesopus antwoordde: “Voor niks, omdat de beide anderen alles al naar zich toe hadden getrokken.” De markttoezichters waren zo vrijmoedig om te doen alsof hij geen knip voor de neus waard was, en lieten hem voor niets vertrekken (4).


Xantus had een vrouw met een nogal verfijnde smaak. Allerlei mensen vielen bij haar in ongenade. Dit was zo sterk dat Xantus geen schijn van kans maakte Aesopus, zijn nieuwe slaaf, aan haar voor te stellen zonder haar woedend te maken en haar het gevoel te geven dat hij haar voor de gek hield. Hij oordeelde het beter om hem te presenteren als een speeltje (5). Hij liet thuis weten dat hij net een jonge slaaf gekocht had, die de mooiste en meest volmaakte verschijning ter wereld was. Bij het horen van dit nieuwtje gingen de meisjes, die zijn vrouw bedienden, met elkaar op de vuist om hem voor zich te winnen. Maar ze waren heel erg verbaasd toen zij de figuur uiteindelijk zagen. De een sloeg zich de hand voor de ogen, de andere sloeg op de vlucht, weer een andere slaakte een kreet. De huisbazin (6) zei dat men haar dit monster had gestuurd om haar weg te jagen. De filosoof had allang genoeg van haar. Het ene woord haalde het andere uit, de ruzie liep zo hoog op dat ze om haar bullen vroeg om naar haar ouders terug te keren. Xantus schikte zich uiteindelijk geduldig en Aesopus droeg door zijn geestigheid er ook toe bij dat Xantus en de vrouw uiteindelijk de strijdbijl erbij neerlegden. Men sprak niet meer van weggaan en misschien droeg de vrede ertoe bij dat tenslotte de lelijkheid van de nieuwe slaaf niet meer werd opgemerkt (Inleiding)

vrijdag 17 februari 2023

De beesten

De Beesten


Op mijn andere website staan verhalen van mij en van anderen. Ze kunnen als een kroniek van de tijd worden gelezen. Tenminste, dat is de bedoeling.

Ik merkte onlangs dat een serie korte verhaaltjes nog niet hierop voorkwamen. Dat heb ik nu veranderd en zijn de verhaaltjes, gezamenlijk De Beesten geheten, daar nu wel te vinden. 

Drie verhalen van afscheid. Ze staan voor veel meer: ze staan voor een afscheid van een economie en maatschappij zoals we die nooit meer zullen kennen. Net als er vlak na de Eerste Wereldoorlog zich een kentering heeft voorgedaan, waardoor oude maatschappelijke verhoudingen definitief anders kwamen te liggen, vindt er ook zo'n verandering plaats na de Tweede Wereldoorlog: de schaalvergroting. De kentering van voor de Eerste Wereldoorlog is prachtig beschreven in alle toonaarden door Thomas Mann; de veranderingen na de Tweede Wereldoorlog hebben zo'n schrijver nog niet gevonden. Dat hangt samen met dat ook het schrijverschap een gooi naar de massaliteit deed zoals zich dat heeft voorgedaan in het boerenbedrijf, de industrie, het onderwijs en de zorg etc. 


U kunt naar de website gaan, zoals hierboven staat gelinkt, maar u kunt ook verhalen rechtstreeks oproepen, door op de link onder De Beesten te klikken.


zaterdag 11 februari 2023

 Het leven van Aesopus, de Frygiër:  Deel 1, het wonder. 

Lees in het commentaar het waarom van deze levensbeschrijving. 


Wij weten niets met zekerheid over de geboorte van Homerus of Aesopus. We weten zelfs nauwelijks iets over wat hun aan opmerkelijks is overkomen. Daar kun je je over verwonderen, gezien het feit dat de geschiedschrijving veel minder aangenamere en minder noodzakelijke dingen in herinnering weet te brengen dan wat Aesopus of Homerus is overkomen. Zovele verwoesters van staten, en prinsen zonder enige verdienste hebben mensen gevonden, die hen ons hebben leren kennen tot in de kleinste details van hun leven. En van mensen als Homerus en Aesopus, van die weten wij zo goed als niets. En dat zijn toch twee figuren die een stempel hebben weten te drukken op de tijd na hun geboorte. Want Homerus is niet alleen de vader van de goden, hij is ook de vader van alle goede dichters na hem.  Wat Aesopus betreft, ik vind dat hij in de hoogste rangen dient te worden opgenomen, omdat hij één van die wijzen is, waarop de Grieken altijd trots zijn geweest, ze te hebben voortgebracht: hij onderwees de ware wijsheid, en hij onderwees die met zoveel meer vaardigheid dan die ons opschepen met definities en regeltjes.


Er is wel wat overgeleverd over het leven van deze twee mannen; maar het grootste gedeelte daarvan houden wetenschappers voor verzonnen, van alle twee wel te verstaan. Vooral wat Planudes over hen heeft geschreven, lijkt niet te kloppen. Wat mij aangaat, ik wil mij niet aan die discussie wagen. Ook al leefde Planudes in een eeuw waarin de herinnering aan het leven van Aesopus nog niet helemaal was verbleekt, denk ik dat hij door overlevering over hem heeft kunnen vertellen, wat hij heeft vastgelegd. In dit geloof in de overlevering ben ik hem gevolgd, zonder terughoudendheid in wat hij over Aesopus te melden heeft, ook al lijkt het me te kinderlijk toe of, dat het wel erg afwijkt van wat je met je gezonde verstand ervan zou vinden.


Aesopus was een Frygiër, afkomstig uit een dorp Amorium  geheten. Hij werd geboren omstreeks de 27-ste Olympiade, zo’n 200 jaar voor de stichting van Rome. Het is moeilijk uit te maken of hij ervoor dankbaar moet zijn dat hij geboren is of dat hij zich daarover zou kunnen beklagen. Want hoewel hij over een schitterend verstand kon beschikken, was hij lichamelijk zo misvormd en behept met een lelijk uiterlijk, dat je moeite zou hebben in hem een mens te herkennen, ook omdat hij zich praktisch niet mondeling kon uiten. Met zulke gebreken is het niet verwonderlijk dat hij tot slaaf werd gedegradeerd, zelfs als hij van geboorte af niet de status van slaaf (1) had. Hoe dan ook, hij slaagde erin een vrijdenker te zijn, los van wat het lot voor hem in petto had.


Zijn eerste baas stuurde hem erop uit om het land te ploegen. Hetzij, omdat hij hem niet in staat achtte iets anders te doen, hetzij om te voorkomen dat iemand, die zo lelijk was, in het zicht van zijn bezoekers zich zou vertonen (2). Welnu, op een dag gebeurde het dat, toen zijn baas zich ophield in zijn plattelandsonderkomen, een boer hem vijgen aanbood. Hij vond ze erg lekker en voelde door er zachtjes in te knijpen of ze allemaal van dezelfde kwaliteit waren. Daarop gaf hij bevel aan de beheerder van de wijnkelder, de sommelier, om ze hem te brengen zo gauw hij uit bad kwam. De naam van die sommelier was Agathopus (vert. “iemand die het goede doet” WtM).  Toevallig hield ook Aesopus zich in deze villa (3) op. Zodra Agathopus de villa betrad, maakte hij gebruik van de gelegenheid om samen met zijn kameraden de vijgen op te eten. Daarna gaven ze de schuld hiervan aan
Aesopus. Ze dachten dat hij nooit in staat zou zijn om zich vrij te pleiten, omdat hij stotterde en wel gek leek. De straffen, die men vroeger op slaven toepaste, waren heel erg wreed. En deze misstap was iemand heel erg te verwijten. De arme Aesopus wierp zich aan de voeten van zijn baas en schreeuwend smeekte hij hem om in godsnaam zijn bestraffing eventjes op te schorten. Dit verzoek werd ingewilligd. Aesopus liet lauw water halen, dronk het op in aanwezigheid van zijn heer, stak zijn vingers in zijn mond, en braakte alleen maar dit water uit, niets anders. Toen hij zich zo had vrijgepleit, gaf hij opdracht om de anderen hetzelfde te laten doen. Iedereen stond perplex: niemand had gedacht dat Aesopus in staat was zo’n slimme oplossing te verzinnen. Agathopus en zijn kameraden waren nog niet helemaal uit het veld geslagen. Zij dronken net als de Frygiër lauw water, stopten hun vingers in de mond, maar waakten er wel voor om de vingers niet te diep in de keel te steken. Er kwam dan wel geen water uit hun mond, maar wel wat rauwe vijgen en ander roodachtig braaksel. Het was duidelijk dat zij de vijgen hadden opgegeten en niet Aesopus! Zo wist Aesopus te bereiken dat de mensen die hem hadden beschuldigd dubbel werden bestraft, voor hun gulzigheid en hun kwaadaardigheid.


De volgende dag, toen de baas was vertrokken en de Frygiër weer zijn gewone werk was gaan doen, passeerden er een paar verdwaalde reizigers (sommigen zeggen dat het priesters van Diana waren  (4) die hem de weg vroegen in naam van Jupiter hospitalis (vert. “Jupiter van de Gastvrijheid”, WtM) naar de dichtstbijzijnde stad. Aesopus drong er allereerst op aan dat zij uitrusten in de schaduw. Daarna bood hij ze een hapje te eten aan en dat hij wel hun gids wilde zijn om ze naar de stad te brengen. Hij ging pas bij ze weg toen hij hen weer op het juiste weg had gebracht. De beste mensen hieven hun handen ten hemel, en smeekten Jupiter om deze charitatieve daad niet zonder beloning te laten zijn. Nauwelijks had Aesopus ze verlaten of de warmte en vermoeidheid dwongen hem om te gaan slapen. In zijn slaap verbeeldde hij zich dat Fortuna recht voor hem stond, dat ze hem zijn tong los maakte en tegelijker tijd hem met dat talent begiftigde waardoor hij de auteur
werd van de verhalen die aan hem zijn toegeschreven. Verheugd door dit avontuur, stond hij met een sprongetje op en verwonderd vroeg hij zich af: wat mag dat wel geweest zijn? Mijn stem heeft zich kunnen bevrijden. Ik kan nu alles zeggen: hark, ploeg, alles dat ik maar wil zeggen. Dit wonder was oorzaak dat hij van baas veranderde.

vrijdag 13 januari 2023

  

 

Asperger.


“Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere ideale verbeeldingen van een bepaalde levensvorm in een mens verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding, dan in de grote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur.” Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, pag. 181.

Deze passage zette me aan het denken over wat ik nu zoal te weten ben gekomen over de hoofdfiguur in de Klassieke Humor:  Nasreddin, Jeha (en het commentaar), Tijl Uilenspiegel  etc. We komen hem tegen als (nederige) wiskundige in de verhaaltjes rond Thales van Milete. We leren hem als de verteller kennen in de sprookjes van Aesopus. In de nuchtere filosofie heeft de hoofdpersoon trekken van Socrates en de Cynici. In het theater leren we hem beter kennen door Aristofanes, Plautus, Molière, Carlo Goldoni, Hooft en Bredero, allen schrijvers die ook voor het volk wensten te schrijven. In de elitaire literatuur verschijnt hij bij Boccaccio, Rabelais en Geoffrey Chaucer in geschrift en later als verfilming van de Canterbury Tales. In onze tijd komt hij voor bij Cortázar  ( zie ook dit blog); en bij Passolini. In de psychologie heeft hij te maken met Freud en Jung . Vooral in de mystieke theologie speelt hij een rol als Soefi (lees ook het begeleidende verhaal), als dwarsdenker en vernieuwer.


Het beeld dat mij voor ogen komt, is dat van iemand met het syndroom van Asperger, vooral doordat de gebeurtenissen keurig aaneengeregen kunnen worden en er allerlei situaties ontstaan, waaruit de “heilige” Asperger zich dient te redden uit zeer benarde omstandigheden. Het citaat van Huizinga lijkt op onze hoofdpersoon te kunnen slaan. Er lijkt sprake van een soort romantiek om aan de werkelijkheid te willen ontsnappen. En dat kan alleen nog maar in woord: de werkelijkheid zelf verzet zich als een muur tegen het erop losgelaten spervuur van de fantasie.  Of zoals Huizinga het zegt (pag.201): de uitingen van de hoofdpersoon zijn een “ultra-concrete geloofsverbeelding.” Als ooit verhalen het tekort, aanwezig in deze wereld,  hebben proberen te verwoorden, dan zijn het deze humoristische verhaaltjes. En misschien is dat ook de reden, waardoor reizigers in vreemde landen deze verhaaltjes lezen, want zijn reizigers in die landen niet vaak exponenten van het syndroom van Asperger?


Als ik naar de in het verleden behaalde resultaten kijk, zou hieruit een bevestiging moeten blijken, van mijn bewering. Ik noem alleen enkele verhaaltjes met een hoge score tussen de 500 en 1500 hits. Vier blogs springen er dan uit: 1. De geboorte van de reus Gargantua van Rabelais (1059 hits) en De vrolijke thuiskomst van Plautus (1482 hits) . Op deze twee blogs is het stempel “Asperger” zeker van toepassing!  2. Iets minder gelezen, maar voor een verhaaltje in het Nederlands toch nog steeds behoorlijk vaak: De eerste detective van Molière (848 hits)  en Is dit grappig van Flaubert (661 hits) . Opvallend is dat de meest oorspronkelijke versies met Nasreddin, Jeha, of Tijl in de hoofdrol in dit rijtje niet voorkomen. Pas in bewerkte teksten komt deze voorkeur tevoorschijn. Je zou kunnen concluderen: op het moment dat de individuele psychologie zijn intrede doet op het toneel of in de roman, treden de Asperger symptomen aan de dag. Het individu had het in het verleden moeilijk; nu is het individuele het hoofdkenmerk van een op het westen georiënteerde elite. Het lijkt erop dat uit de “heilige” zich de “asperger” ontwikkelde.


Wat zegt dit nou over de schrijvers van deze toneelstukken en romans, over de lezers en over mij? Natuurlijk, noch de lezers noch de schrijvers, noch de vertellers, noch de verzamelaars, hebben op welke manier dan ook het syndroom van Asperger, op een enkeling na natuurlijk. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Waarom dan de vraag stellen? Ik stel de vraag, omdat ik zou willen weten of deze verhaaltjes misschien dit syndroom zouden kunnen verhelderen, toelichten. Je ziet het autisme van de hoofdpersoon (maar het is niet absoluut), je ziet het misverstand met de omgeving, je ziet de hoofdpersoon overreageren. En niet onbelangrijk: het syndroom zou dan zo oud als de wereld zijn! En als je dit eenmaal weet, dan zie je bijna in elk van deze verhaaltjes Asperger om de hoek heen komen kijken. En dat zou toch een beetje “verlichting” moeten brengen?!


Ook in de verhaaltjes van het afgelopen jaar speelt de misinterpretatie van de hoofdpersoon – waaraan hij zelf behoorlijk debet is – een grote rol. U kunt alle stukken met een kort commentaar teruglezen in het Overzicht van 2022.


Wat brengt de toekomst? Net als afgelopen jaar zal ik proberen iedere maand één stukje te plaatsen. Nog steeds heeft het schrijven van de familiegeschiedenis prioriteit op het blog.  Op het programma staat allereerst het verhaal dat Fontaine over Aesopus vertelt. Dat is een lang verhaal en ik zal wel tot Pasen hiermee bezig zijn. Daarna hoop ik een toneelstuk van Bredero en Plautus te bespreken. Ten slotte enige bloemlezingen met Jeha-verhaaltjes. Er is nog zoveel, teveel om op te noemen.

zaterdag 24 december 2022

Kerst

 Kerst 2022.

Rond 1900, honderd tweeëntwintig jaar geleden, kwam de Franse filosoof Henri Bergson  met een verhaal dat onze opvatting van tijd flink aan het wankelen kan brengen. Als jonge man ondervond hij dat op het moment dat we afdalen in onszelf er plotseling helemaal geen sprake meer lijkt te zijn van minuten en uren en weken en maanden.

Als er iemand overlijdt van wie we houden of je gaat scheiden dan kan geen weegschaal wegen hoe zwaar dat verdriet is en geen liniaal kan meten hoeveel tijd we nodig hebben met het verwerken ervan. Het enige wat we merken is hoe we het verdriet beleven.


Nasreddin stelt de Soefi in opleiding (Sufi seeker), volgens Idries Shah,  in staat te begrijpen dat de gangbare manier van denken en de ideeën over tijd en plaats niet noodzakelijkerwijs die ideeën zijn, die het wijdere gebied behelzen van wat echt de werkelijkheid is. Mensen die bijvoorbeeld denken dat zij voor hun vroegere daden (goede werken) zullen worden beloond, en dat zij in de toekomst voor toekomstige acties zullen worden beloond, kunnen geen Soefi zijn. Het tijdsbesef van de Soefi is een aaneenschakeling, een voortduren in de tijd – een continuüm. (1)
Het klassieke verhaal van Nasreddin in een Turks Bad (2) schetst, volgens Idries Shah,  bij benadering wat bedoeld is en stelt ons in staat om het idee enigszins te vatten.


“Nasreddin bracht eens een bezoek aan een Turks Bad. Hij was gekleed in lompen en hij werd nogal lomp aangepakt door de badhuisbedienden. Die gaven hem een versleten handdoek en wat zeep. Toen hij wegging, gaf hij de verbaasde bedienden een gouden muntstuk. De volgende dag verscheen hij weer, dit keer prachtig gekleed, en natuurlijk stonden ze toen allemaal eerbiedig voor hem klaar om hem te helpen. Toen hij klaar was met badderen, gaf hij de bedienden het kleinste koperen muntje dat er maar was. “Dit koperen muntje is voor de eerste keer dat ik hier kwam, en de fooi van de vorige keer is voor jullie behandeling van vandaag.”


Waar gaat dit verhaal over? Gaat het over, wat je na verloop van tijd verwacht te krijgen of over vooroordelen? In eerste instantie heb ik het gehouden op vooroordelen. En ergens in de verte heeft het verhaal ook nog met toekomstverwachtingen te maken, Maar als je dat erin ziet, dan wil je het erin zien, dacht ik. Anderen zouden zeggen‎: het verhaal is gelaagd. Eén laag, de meest oppervlakkige, lijkt te zeggen dat je niet bevooroordeeld zou moeten zijn en open moet staan voor iedereen.  Een tweede laag lijkt erover te gaan, dat de toekomst onvoorspelbaar is. In het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Daar is-t-ie-weer: voorspellen, profeteren en misschien wel profiteren!


De heremiet en zijn bezoek‎  (3).‎ 

“Een reiziger onderbrak zijn reis op een plaats waar een heremiet woonde in een kamertje, in zijn cel. De heremiet bood hem meteen te eten aan: 4 broden maar liefs!  ‏En hij ging linzen halen om het maal te completeren. Bij zijn terugkomst merkte hij dat zijn gast alle broden al had opgegeten. Vlug ging hij op pad om nog meer brood te halen. Bij zijn terugkeer bemerkte hij dat zijn gast ook alle linzen alweer had opgegeten. Dit herhaalde zich tien keer, toen vroeg hij zijn gast:
“Waar ga je naartoe?”
“Ik ga naar Jordanië.”
“Waarom ben je op reis?" informeerde de heremiet.
"Ik heb gehoord dat daar een heel erg competente arts woont. Ik wil hem consulteren over mijn maag, want ik heb de laatste tijd zo weinig appetijt.‏"‏
“Dan wil ik je om een gunst vragen."
"En dat mag zijn...?”
"Als je vandaar terugkomt en je bent genezen van je maagklachten, wil je dan vooral niet weer hier langs komen?


Eigenlijk zitten we hier in hetzelfde schuitje als in het Turkse bad: het gaat over vooroordelen en verwachtingen van de toekomst. Toch ligt het iets anders. De heremiet heeft de gast onbevooroordeeld ontvangen, maar de gast houdt zich niet aan een onuitgesproken verwachting, dat hij beleefd zich zal inhouden bij de maaltijd. Welke gast valt ongegeneerd aan op de maaltijd, als die wordt aangeboden door een in armoede levende heremiet? Ook de heremiet voldoet niet aan een onuitgesproken verwachting, namelijk dat je je gastvrij opstelt voor mensen op reis. Op het einde van het verhaal kan hij er zich niet van weerhouden te zeggen dat hij deze gast nooit meer wil terugzien.


Waar zit dan het verschil met het eerste verhaal? De kracht van het verhaal zit in het gegeven dat de gast zich er niet van bewust is, dat hij de heremiet heeft kaal gegeten. Misschien omdat, wat hij in één maaltijd verstouwt, de heremiet in nog geen week, geen maand of jaar zal opeten. Maar dat weet de gast niet. En de heremiet heeft geen idee van wat de reiziger drijft om zoveel te eten.


Kortom er ontstaat een vervreemdende ruimte tussen beide lotgenoten. Wat is die ruimte, niet gevuld met woorden, beelden, verwachtingen, begrip of onbegrip en zelfs niet met vooroordelen, rekenlinialen of -machines? Die ruimte, leegte, is dat het besef dat tijd ondeelbaar is? Waarom gaat de heremiet er zonder meer vanuit dat de reiziger op de terugweg weer bij hem zal belanden? Alsof tijd kan stil staan, heenweg is terugweg? Er bestaat een weg, maar geen terug of heen?
Het vorige verhaal komt, kort samengevat, neer op de volgende grap van Hebreaus


“Een of andere dwaas zei: “Mijn vader ging twee keer naar Jeruzalem, en daar is hij overleden en begraven, maar ik weet niet meer welke keer dat is geweest, bij zijn eerste of zijn laatste bezoek”.


Geleidelijk aan ontspoort het verhaal van Idries Shah over het badhuis en neemt een afslag naar een onzekere toekomst én verleden! Is dit het indalen in onszelf dat Bergson tot voorwaarde maakt om het voortduren van de tijd als onafgebroken te ervaren? Of is dit een vorm van dementie? De ongewilde geboorte van een onafgebroken tijd? Dit stilstaan in de tijd, dit mediteren, geneest ons van tomeloze dadendrang. Welk verlies is zo groot, dat je in vergetelheid verdwijnt? Misschien is mediteren wel de manier om aan dementie te ontsnappen? We zouden meer moeten mediteren en stilstaan bij wat we doen, denk ik! Met de rug naar het verleden en het gezicht naar de toekomst. In een nu dat geen nu is, altijd op reis. Maar waarom?