donderdag 16 maart 2023
vrijdag 17 februari 2023
De beesten
De Beesten
Op mijn andere website staan verhalen van mij en van anderen. Ze kunnen als een kroniek van de tijd worden gelezen. Tenminste, dat is de bedoeling.
Ik merkte onlangs dat een serie korte verhaaltjes nog niet hierop voorkwamen. Dat heb ik nu veranderd en zijn de verhaaltjes, gezamenlijk De Beesten geheten, daar nu wel te vinden.
Drie verhalen van afscheid. Ze staan voor veel meer: ze staan voor een afscheid van een economie en maatschappij zoals we die nooit meer zullen kennen. Net als er vlak na de Eerste Wereldoorlog zich een kentering heeft voorgedaan, waardoor oude maatschappelijke verhoudingen definitief anders kwamen te liggen, vindt er ook zo'n verandering plaats na de Tweede Wereldoorlog: de schaalvergroting. De kentering van voor de Eerste Wereldoorlog is prachtig beschreven in alle toonaarden door Thomas Mann; de veranderingen na de Tweede Wereldoorlog hebben zo'n schrijver nog niet gevonden. Dat hangt samen met dat ook het schrijverschap een gooi naar de massaliteit deed zoals zich dat heeft voorgedaan in het boerenbedrijf, de industrie, het onderwijs en de zorg etc.
U kunt naar de website gaan, zoals hierboven staat gelinkt, maar u kunt ook verhalen rechtstreeks oproepen, door op de link onder De Beesten te klikken.
zaterdag 11 februari 2023
Het leven van Aesopus, de Frygiër: Deel 1, het wonder.
Lees in het commentaar het waarom van deze levensbeschrijving.
Wij weten niets met zekerheid over de geboorte van Homerus
of Aesopus. We weten zelfs nauwelijks iets over wat hun aan opmerkelijks is
overkomen. Daar kun je je over verwonderen, gezien het feit dat de
geschiedschrijving veel minder aangenamere en minder noodzakelijke dingen in
herinnering weet te brengen dan wat Aesopus of Homerus is overkomen. Zovele
verwoesters van staten, en prinsen zonder enige verdienste hebben mensen
gevonden, die hen ons hebben leren kennen tot in de kleinste details van hun leven.
En van mensen als Homerus en Aesopus, van die weten wij zo goed als niets. En
dat zijn toch twee figuren die een stempel hebben weten te drukken op de tijd
na hun geboorte. Want Homerus is niet alleen de vader van de goden, hij is ook
de vader van alle goede dichters na hem.
Wat Aesopus betreft, ik vind dat hij in de hoogste rangen dient te
worden opgenomen, omdat hij één van die wijzen is, waarop de Grieken altijd
trots zijn geweest, ze te hebben voortgebracht: hij onderwees de ware wijsheid,
en hij onderwees die met zoveel meer vaardigheid dan die ons opschepen met
definities en regeltjes.
Er is wel wat overgeleverd over het leven van deze twee
mannen; maar het grootste gedeelte daarvan houden wetenschappers voor
verzonnen, van alle twee wel te verstaan. Vooral wat Planudes over hen heeft geschreven, lijkt niet te kloppen. Wat mij aangaat, ik wil mij
niet aan die discussie wagen. Ook al leefde Planudes in een eeuw waarin de
herinnering aan het leven van Aesopus nog niet helemaal was verbleekt, denk ik
dat hij door overlevering over hem heeft kunnen vertellen, wat hij heeft
vastgelegd. In dit geloof in de overlevering ben ik hem gevolgd, zonder
terughoudendheid in wat hij over Aesopus te melden heeft, ook al lijkt het me
te kinderlijk toe of, dat het wel erg afwijkt van wat je met je gezonde verstand
ervan zou vinden.
Aesopus was een Frygiër, afkomstig uit een dorp Amorium geheten. Hij werd geboren omstreeks de 27-ste Olympiade, zo’n 200 jaar voor de stichting van Rome. Het is moeilijk uit te maken of hij
ervoor dankbaar moet zijn dat hij geboren is of dat hij zich daarover zou
kunnen beklagen. Want hoewel hij over een schitterend verstand kon beschikken,
was hij lichamelijk zo misvormd en behept met een lelijk uiterlijk, dat je
moeite zou hebben in hem een mens te herkennen, ook omdat hij zich praktisch
niet mondeling kon uiten. Met zulke gebreken is het niet verwonderlijk dat hij
tot slaaf werd gedegradeerd, zelfs als hij van geboorte af niet de status van
slaaf (1) had. Hoe dan ook, hij slaagde erin een
vrijdenker te zijn, los van wat het lot voor hem in petto had.
Zijn eerste baas stuurde hem erop uit om het land te
ploegen. Hetzij, omdat hij hem niet in staat achtte iets anders te doen, hetzij
om te voorkomen dat iemand, die zo lelijk was, in het zicht van zijn bezoekers
zich zou vertonen (2). Welnu, op een dag
gebeurde het dat, toen zijn baas zich ophield in zijn plattelandsonderkomen,
een boer hem vijgen aanbood. Hij vond ze erg lekker en voelde door er zachtjes in
te knijpen of ze allemaal van dezelfde kwaliteit waren. Daarop gaf hij bevel
aan de beheerder van de wijnkelder, de sommelier, om ze hem te brengen zo gauw
hij uit bad kwam. De naam van die sommelier was Agathopus (vert. “iemand die
het goede doet” WtM). Toevallig hield
ook Aesopus zich in deze villa (3) op. Zodra
Agathopus de villa betrad, maakte hij gebruik van de gelegenheid om samen met
zijn kameraden de vijgen op te eten. Daarna gaven ze de schuld hiervan aan
Aesopus. Ze dachten dat hij nooit in staat zou zijn om zich vrij te pleiten,
omdat hij stotterde en wel gek leek. De straffen, die men vroeger op slaven
toepaste, waren heel erg wreed. En deze misstap was iemand heel erg te
verwijten. De arme Aesopus wierp zich aan de voeten van zijn baas en schreeuwend
smeekte hij hem om in godsnaam zijn bestraffing eventjes op te schorten. Dit
verzoek werd ingewilligd. Aesopus liet lauw water halen, dronk het op in
aanwezigheid van zijn heer, stak zijn vingers in zijn mond, en braakte alleen
maar dit water uit, niets anders. Toen hij zich zo had vrijgepleit, gaf hij
opdracht om de anderen hetzelfde te laten doen. Iedereen stond perplex: niemand
had gedacht dat Aesopus in staat was zo’n slimme oplossing te verzinnen.
Agathopus en zijn kameraden waren nog niet helemaal uit het veld geslagen. Zij
dronken net als de Frygiër lauw water, stopten hun vingers in de mond, maar
waakten er wel voor om de vingers niet te diep in de keel te steken. Er kwam
dan wel geen water uit hun mond, maar wel wat rauwe vijgen en ander roodachtig
braaksel. Het was duidelijk dat zij de vijgen hadden opgegeten en niet Aesopus!
Zo wist Aesopus te bereiken dat de mensen die hem hadden beschuldigd dubbel
werden bestraft, voor hun gulzigheid en hun kwaadaardigheid.
De volgende dag, toen de baas was vertrokken en de Frygiër
weer zijn gewone werk was gaan doen, passeerden er een paar verdwaalde
reizigers (sommigen zeggen dat het priesters van Diana waren (4) die hem de weg vroegen in naam van Jupiter hospitalis
(vert. “Jupiter van de Gastvrijheid”, WtM) naar de dichtstbijzijnde stad.
Aesopus drong er allereerst op aan dat zij uitrusten in de schaduw. Daarna bood
hij ze een hapje te eten aan en dat hij wel hun gids wilde zijn om ze naar de
stad te brengen. Hij ging pas bij ze weg toen hij hen weer op het juiste weg
had gebracht. De beste mensen hieven hun handen ten hemel, en smeekten Jupiter
om deze charitatieve daad niet zonder beloning te laten zijn. Nauwelijks had
Aesopus ze verlaten of de warmte en vermoeidheid dwongen hem om te gaan slapen.
In zijn slaap verbeeldde hij zich dat Fortuna recht voor hem stond, dat ze hem zijn tong los maakte en tegelijker tijd hem
met dat talent begiftigde waardoor hij de auteur werd van de verhalen die aan
hem zijn toegeschreven. Verheugd door dit avontuur, stond hij met een
sprongetje op en verwonderd vroeg hij zich af: wat mag dat wel geweest zijn?
Mijn stem heeft zich kunnen bevrijden. Ik kan nu alles zeggen: hark, ploeg,
alles dat ik maar wil zeggen. Dit wonder was oorzaak dat hij van baas
veranderde.
vrijdag 13 januari 2023
Asperger.
“Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere ideale verbeeldingen van een bepaalde levensvorm in een mens verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding, dan in de grote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur.” Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen, pag. 181.
Deze passage zette me aan het denken over wat ik nu zoal te weten ben gekomen over de hoofdfiguur in de Klassieke Humor: Nasreddin, Jeha (en het commentaar), Tijl Uilenspiegel etc. We komen hem tegen als (nederige) wiskundige in de verhaaltjes rond Thales van Milete. We leren hem als de verteller kennen in de sprookjes van Aesopus. In de nuchtere filosofie heeft de hoofdpersoon trekken van Socrates en de Cynici. In het theater leren we hem beter kennen door Aristofanes, Plautus, Molière, Carlo Goldoni, Hooft en Bredero, allen schrijvers die ook voor het volk wensten te schrijven. In de elitaire literatuur verschijnt hij bij Boccaccio, Rabelais en Geoffrey Chaucer in geschrift en later als verfilming van de Canterbury Tales. In onze tijd komt hij voor bij Cortázar ( zie ook dit blog); en bij Passolini. In de psychologie heeft hij te maken met Freud en Jung . Vooral in de mystieke theologie speelt hij een rol als Soefi (lees ook het begeleidende verhaal), als dwarsdenker en vernieuwer.
Het beeld dat mij voor ogen komt, is dat van iemand met het syndroom van Asperger, vooral doordat de gebeurtenissen keurig aaneengeregen kunnen worden en er
allerlei situaties ontstaan, waaruit de “heilige” Asperger zich dient te redden uit zeer
benarde omstandigheden. Het citaat van Huizinga lijkt op onze hoofdpersoon te kunnen
slaan. Er lijkt sprake van een soort romantiek om aan de werkelijkheid te
willen ontsnappen. En dat kan alleen nog maar in woord: de werkelijkheid zelf
verzet zich als een muur tegen het erop losgelaten spervuur van de
fantasie. Of zoals Huizinga het zegt
(pag.201): de uitingen van de hoofdpersoon zijn een “ultra-concrete
geloofsverbeelding.” Als ooit verhalen het tekort, aanwezig in deze wereld, hebben proberen te verwoorden, dan zijn het deze humoristische verhaaltjes. En misschien is
dat ook de reden, waardoor reizigers in vreemde landen deze verhaaltjes lezen,
want zijn reizigers in die landen niet vaak exponenten van het syndroom van
Asperger?
Als ik naar de in het verleden behaalde resultaten kijk, zou
hieruit een bevestiging moeten blijken, van mijn bewering. Ik noem alleen enkele
verhaaltjes met een hoge score tussen de 500 en 1500 hits. Vier blogs springen er
dan uit: 1. De geboorte van de reus Gargantua van Rabelais (1059 hits)
en De vrolijke thuiskomst van Plautus (1482 hits)
. Op deze twee blogs is het stempel “Asperger” zeker van toepassing! 2. Iets minder gelezen, maar voor een
verhaaltje in het Nederlands toch nog steeds behoorlijk vaak: De eerste
detective van Molière (848 hits)
en Is dit grappig van Flaubert
(661 hits)
. Opvallend is dat de meest oorspronkelijke versies met Nasreddin, Jeha, of
Tijl in de hoofdrol in dit rijtje niet voorkomen. Pas in bewerkte teksten komt deze
voorkeur tevoorschijn. Je zou kunnen concluderen: op het moment dat de
individuele psychologie zijn intrede doet op het toneel of in de roman, treden
de Asperger symptomen aan de dag. Het individu had het in het verleden
moeilijk; nu is het individuele het hoofdkenmerk van een op het westen
georiënteerde elite. Het lijkt erop dat uit de “heilige” zich de “asperger” ontwikkelde.
Wat zegt dit nou over de schrijvers van deze toneelstukken en romans, over de lezers en over mij? Natuurlijk, noch de lezers noch de schrijvers, noch de vertellers, noch de verzamelaars, hebben op welke manier dan ook het syndroom van Asperger, op een enkeling na natuurlijk. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Waarom dan de vraag stellen? Ik stel de vraag, omdat ik zou willen weten of deze verhaaltjes misschien dit syndroom zouden kunnen verhelderen, toelichten. Je ziet het autisme van de hoofdpersoon (maar het is niet absoluut), je ziet het misverstand met de omgeving, je ziet de hoofdpersoon overreageren. En niet onbelangrijk: het syndroom zou dan zo oud als de wereld zijn! En als je dit eenmaal weet, dan zie je bijna in elk van deze verhaaltjes Asperger om de hoek heen komen kijken. En dat zou toch een beetje “verlichting” moeten brengen?!
Ook in de verhaaltjes van het afgelopen jaar speelt de
misinterpretatie van de hoofdpersoon – waaraan hij zelf behoorlijk debet is
– een grote rol. U kunt alle stukken met een kort commentaar teruglezen in het
Overzicht van 2022.
Wat brengt de toekomst? Net als afgelopen jaar zal ik
proberen iedere maand één stukje te plaatsen. Nog steeds heeft het schrijven
van de familiegeschiedenis prioriteit op het blog. Op het programma staat allereerst het verhaal
dat Fontaine over Aesopus vertelt. Dat is een lang verhaal en ik zal wel
tot Pasen hiermee bezig zijn. Daarna hoop ik een toneelstuk van Bredero en
Plautus te bespreken. Ten slotte enige bloemlezingen met Jeha-verhaaltjes. Er is nog zoveel, teveel om op te noemen.
zaterdag 24 december 2022
Kerst
Kerst 2022.
Rond 1900, honderd tweeëntwintig jaar geleden, kwam de
Franse filosoof Henri Bergson met een verhaal dat onze opvatting van
tijd flink aan het wankelen kan brengen. Als jonge man ondervond hij dat op het
moment dat we afdalen in onszelf er plotseling helemaal geen sprake meer lijkt
te zijn van minuten en uren en weken en maanden.
Als er iemand overlijdt van wie we houden of je gaat scheiden dan kan geen
weegschaal wegen hoe zwaar dat verdriet is en geen liniaal kan meten hoeveel
tijd we nodig hebben met het verwerken ervan. Het enige wat we merken is hoe we
het verdriet beleven.
Nasreddin stelt de Soefi in opleiding (Sufi seeker), volgens
Idries Shah, in staat te begrijpen dat
de gangbare
manier van denken en de ideeën over tijd en plaats niet noodzakelijkerwijs die ideeën
zijn, die het wijdere gebied behelzen van wat echt de werkelijkheid is. Mensen die bijvoorbeeld
denken dat zij
voor hun vroegere daden (goede werken) zullen worden beloond, en dat zij in de toekomst voor
toekomstige acties zullen worden beloond, kunnen geen Soefi zijn. Het tijdsbesef van de
Soefi is een aaneenschakeling,
een voortduren in de tijd – een continuüm. (1)
Het klassieke verhaal van Nasreddin in een Turks Bad (2) schetst, volgens Idries Shah, bij benadering wat bedoeld is en stelt ons in
staat om het idee
enigszins te vatten.
“Nasreddin bracht eens een bezoek aan een Turks Bad. Hij
was gekleed
in lompen en hij werd nogal lomp aangepakt door de badhuisbedienden. Die gaven hem
een versleten handdoek en wat zeep. Toen hij wegging, gaf hij de verbaasde bedienden een
gouden muntstuk.
De volgende dag verscheen hij weer, dit keer prachtig gekleed, en natuurlijk stonden ze
toen allemaal eerbiedig voor hem klaar om hem te helpen. Toen hij klaar was met badderen,
gaf hij de bedienden het kleinste koperen muntje dat er maar was. “Dit
koperen
muntje is voor de eerste keer dat ik hier kwam, en de fooi van de
vorige keer is voor jullie behandeling van vandaag.”
Waar gaat dit verhaal over? Gaat het over, wat je na verloop
van tijd verwacht te krijgen of over vooroordelen? In eerste instantie heb ik
het gehouden op vooroordelen. En ergens in de verte heeft het verhaal ook
nog met toekomstverwachtingen te maken, Maar als je dat erin ziet, dan wil je
het erin zien,
dacht ik. Anderen zouden
zeggen: het verhaal
is gelaagd.
Eén laag, de meest oppervlakkige, lijkt te
zeggen dat je niet bevooroordeeld zou moeten zijn en
open moet staan voor iedereen. Een tweede
laag lijkt erover te gaan, dat de toekomst
onvoorspelbaar is. In het verleden behaalde resultaten zijn geen garantie voor de toekomst. Daar is-t-ie-weer: voorspellen, profeteren en misschien wel
profiteren!
De heremiet en zijn bezoek (3).
“Een reiziger onderbrak zijn reis op een plaats waar een
heremiet woonde in een kamertje, in zijn cel. De heremiet bood hem meteen te
eten aan: 4 broden maar liefs! En hij ging linzen halen om het maal
te completeren. Bij zijn terugkomst merkte hij dat zijn gast alle broden al had
opgegeten. Vlug ging hij op pad om nog meer brood te halen. Bij zijn
terugkeer bemerkte hij dat zijn gast ook alle linzen alweer had
opgegeten. Dit herhaalde zich tien keer, toen vroeg hij zijn
gast:
“Waar ga je naartoe?”
“Ik ga naar Jordanië.”
“Waarom ben je op reis?" informeerde de heremiet.
"Ik heb
gehoord dat daar een heel erg competente arts woont. Ik wil hem consulteren over mijn
maag,
want
ik heb de laatste tijd zo weinig
appetijt."
“Dan wil ik je om een gunst vragen."
"En dat mag
zijn...?”
"Als je
vandaar terugkomt en je bent genezen van je maagklachten, wil je dan
vooral niet weer hier langs komen?”
Eigenlijk zitten we hier in hetzelfde schuitje als in het
Turkse bad: het gaat over vooroordelen en verwachtingen van de toekomst. Toch ligt
het iets anders. De heremiet heeft de gast onbevooroordeeld
ontvangen,
maar de gast
houdt zich niet aan een onuitgesproken verwachting, dat hij
beleefd zich zal inhouden bij de maaltijd. Welke
gast valt ongegeneerd aan op de maaltijd, als die wordt aangeboden door een
in armoede levende heremiet? Ook de heremiet voldoet niet aan
een onuitgesproken verwachting, namelijk dat je je gastvrij opstelt
voor mensen op reis. Op het einde van het verhaal kan hij
er zich niet van weerhouden te zeggen dat hij deze gast nooit
meer wil terugzien.
Waar zit dan het verschil met het eerste verhaal? De kracht van het verhaal zit in het gegeven dat de gast zich er niet van bewust is, dat hij de heremiet heeft kaal gegeten. Misschien omdat, wat hij in één maaltijd verstouwt, de heremiet in nog geen week, geen maand of jaar zal opeten. Maar dat weet de gast niet. En de heremiet heeft geen idee van wat de reiziger drijft om zoveel te eten.
Kortom er ontstaat een vervreemdende ruimte tussen beide
lotgenoten. Wat is die ruimte, niet gevuld met woorden, beelden, verwachtingen,
begrip of onbegrip en zelfs niet met vooroordelen, rekenlinialen of -machines?
Die ruimte, leegte, is dat het besef dat tijd ondeelbaar is? Waarom gaat de
heremiet er zonder meer vanuit dat de reiziger op de terugweg weer bij hem zal
belanden? Alsof tijd kan stil staan, heenweg is terugweg? Er bestaat een weg,
maar geen terug of heen?
Het vorige verhaal komt, kort samengevat, neer op de volgende
grap van Hebreaus :
“Een of andere dwaas zei: “Mijn vader ging twee keer naar
Jeruzalem, en daar is hij overleden en begraven, maar ik weet niet
meer welke keer dat is geweest, bij zijn eerste of zijn laatste
bezoek”.
Geleidelijk aan ontspoort het verhaal van Idries Shah over
het badhuis en neemt een afslag naar een onzekere toekomst én verleden! Is dit
het indalen in onszelf dat Bergson tot voorwaarde maakt om het voortduren van
de tijd als onafgebroken te ervaren? Of is dit een vorm van dementie? De
ongewilde geboorte van een onafgebroken tijd? Dit stilstaan in de tijd, dit
mediteren, geneest ons van tomeloze dadendrang. Welk verlies is zo groot, dat
je in vergetelheid verdwijnt? Misschien is mediteren wel de manier om aan dementie
te ontsnappen? We zouden meer moeten mediteren en stilstaan bij wat we doen,
denk ik! Met de rug naar het verleden en het gezicht naar de toekomst. In een
nu dat geen nu is, altijd op reis. Maar waarom?
Abonneren op:
Posts (Atom)












