maandag 15 januari 2018

Freud, de Logica en De Grap (3).



Freud beroept zich regelmatig op de logica. In de negentiende eeuw was dit een geliefd wetenschappelijk onderwerp. Uit deze discussie vloeien de huidige wetenschappelijke uitgangspunten voort, die over het algemeen nog maar weinig gemeen hebben met de manier, waarop de bekendste grondlegger van de logica, Aristoteles, de logica zag. Net als Wittgenstein (zie blog 16 oktober 2017- 6 november 2017, waaronder een blog over Wittgenstein en Freud) isoleert Freud onderdelen om te kunnen focussen op zijn eigen interessegebied. In de volgende grap is het uit elkaar halen van een grap in zijn onderdelen de reden waarom het om een grap gaat: 

“A. heeft van B. een koperen ketel geleend. Als hij de ketel teruggeeft, klaagt B., omdat er nu een groot gat in de ketel zit waardoor je hem niet meer kunt gebruiken, hierover tegen A. A. verdedigt zich: “In de eerste plaats heb ik van B geen ketel geleend. In de tweede plaats had de ketel al een gat, toen ik de ketel van B. kreeg. En in de derde plaats heb ik de ketel heel teruggegeven.”

In “Interpretation of Dreams”, Deel 2, pag 196-197, (Freuds standaardwerk over het interpreteren van dromen) gebruikt Freud deze grap om zijn collega Otto Rank die kritiek op hem durfde te hebben, neer te sabelen. Van de manier waarop Otto Rank -- een vooraanstaande arts-collega en vriend van Freud in Wenen waaraan hij veel te danken heeft-- te werk gaat bij het analyseren van een psychiatrisch patiënte blijkt niets te kloppen, omdat hij bij de analyse op dezelfde manier te werk gaat als in de grap beschreven. De grap kan dus uiteindelijk ook als een wapen worden ingezet om een concurrent te bestrijden.

Commentaar van Freud bij deze grap:
“Iedere reden op zich is juist, maar als je ze achter elkaar bij elkaar neemt, sluiten ze elkaar uit…..Je zou ook kunnen zeggen: A. zet tussen de verschillende redenen een “en” (...en “niet geleend”, en “had al een gat” en “heel teruggegeven”) terwijl hij in plaats van met “en” de zinsdelen met “of” had moeten verbinden….. Het is een voortreffelijk voorbeeld van hoe een opsomming grappig kan werken als je er te weinig bij nadenkt…..Dit is ook de wijze waarop “het onbewuste” te werk gaat door in een droom onderdelen in te dikken, te vervangen, verschuiven of belachelijk te maken.”


Ook door symbolen in een droom te smokkelen lijkt een droom, maar ook een grap onzinnig en onlogisch. Want de hiervoor vermelde werkwijze van de droom “indikken” (bijvoorbeeld in het Frans “roux”=rossig haar, en “sot”= dwaas, indikken tot de naam Rousseau), of “vervangen” (bijvoorbeeld in het Italiaans “traduttore" door "traditore”) hebben beide tot gevolg dat de grap onsamenhangend wordt, omdat er tussen het ene gegeven en het andere geen enkele logische relatie bestaat. In de volgende grap komen nog twee werkwijzen in  grappen én dromen, aan de orde: 

“Joschko zit verveeld uit het raam te kijken en roept voor de grap een langskomende kennis toe: ‘Op het marktplein danst een zalm!’ De kennis maakt onmiddellijk rechtsomkeert en holt naar het marktplein. Binnen zeer korte tijd heeft het sensationele bericht de ronde gedaan en de hele bevolking van het stadje komt aanlopen om het wonder te zien. Plotseling zegt Joschko tegen zijn vrouw: ‘Ik ga ook naar het marktplein. Wie weet, misschien danst er werkelijk een zalm‘ ”.

Deze “zalm”, dat is duidelijk, staat ergens symbool voor. In het Duits heeft de zalm ook nog zijn naam mee: “Lachs”.  Er valt op de markt dus te lachen, er is iemand die grappig is, en je rooie oortjes kan bezorgen. Maar de ”zalm” staat niet alleen voor “iemand die grappige dingen doet”, hij staat ook voor  ”iets gymnastisch en lenig”, zoals een “zalm” zwemt op weg naar zijn paaigebied om eitjes te leggen tegen de stroom in af en toe boven het water uitspringend.  Dit gebruik van symbolen lijkt het werk van het onbewuste, dat beeld vervangt voor een omhaal van woorden. De betekenis van de grap
 verschuift van slechts een absurde grap uit verveling naar een grap over iemand met een denkprobleem. De grap die hij maakt, keert zich tegen zich zelf. Hij maakt zich zelf belachelijk, terwijl hij een ander belachelijk wilde maken.

Dat lijkt ook het geval in de grap die Freud vertelt over de Atheense staatsman en redenaar, Phokion, maar uiteindelijk is hij niet belachelijk:

“Toen er eens na een rede van Phokion werd geapplaudisseerd, vroeg hij aan zijn vrienden verbaasd: ‘Heb ik iets doms gezegd?’ En hij vervolgde: ‘Wat heb ik dan gezegd, dat bij dit domme volk in de smaak kon vallen. Eigenlijk zou ik mij ervoor moeten schamen dat ze voor mij applaudisseerden. Als mijn rede bij de dommen in de smaak is gevallen, kan het geen echt goede, wijze rede zijn geweest.”

Treffender zou ik dit blog niet kunnen afsluiten, omdat het zo goed Freuds obsessie met intelligentie aangeeft. Gecombineerd met logica kan dit psychische wrakken maken van vrienden, kennissen en familieleden, zoals blijkt uit de passage in “Interpretation of Dreams” over Otto Frank. Dat nu juist de psychoanalyticus zo blind is voor de dwingende werking van het woord. Hij lijkt daarin wel op Wittgenstein.


maandag 8 januari 2018

Freud, de vrouw en De Grap (2).

Klik hier voor de originele tekst.

In feministische kring bestaat er een grote afkeer van Freud. Deze afkeer kan ik om andere redenen als die van de feministes met hen delen. Uit de humor van iemand valt vaak op te maken hoe hij of zij denkt over de andere sekse. Ik wil wel benadrukken dat deze grappen van
Freud werden gemaakt in een tijd van opkomend feminisme, en dat het niet zó is dat de grappen uit een tijd zijn waarin het feminisme niet bestond. Als je je dat realiseert komen de volgende grappen bizar over:

“Een huwelijksmakelaar (Jiddisch, “Schadchen”) verdedigt het door hem voorgestelde meisje tegen de bezwaren van een jongeman die gaat trouwen. “De schoonmoeder bevalt me niet," zegt hij, “zij is een kwaadaardige, domme vrouw.” “Maar u trouwt toch de schoonmoeder niet. U trouwt toch met de dochter!” “Ja, maar ze is ook niet erg jong meer en mooi van gezicht is ze nou ook niet bepaald.” “Is niet belangrijk, dat ze niet jong en mooi is; zó zal ze u eerder trouw zijn.” “Maar ze brengt ook nog weinig geld met zich mee.” “Wie heeft het nu over geld? Trouwt u om het geld met haar? U wilt toch een vrouw?” “Maar zij heeft een bochel!” “Ik weet nu echt niet meer wat u wil! Moet ze soms perfect zijn?”

En daar blijft het niet bij:

“De aanstaande bruidegom moet uitleggen dat één been van de bruid korter is dan het andere en dat ze daarom een beetje mank loopt. Dat vindt hij minder leuk. De huwelijksmakelaar (koppelaar) spreekt hem tegen: “Ik ben het niet met u eens. Stel, u trouwt een gezonde vrouw, recht van leden. Wat hebt u daaraan? U bent geen dag zeker dat ze niet ergens struikelt, een been breekt en verlamd is voor de rest van haar leven. En dan komt daarbij de pijn, de irritatie, en de doktersrekening! Als u echter met deze vrouw trouwt, kan ik u verzekeren dat u dat niet zal overkomen. Dit is een kant en klare zaak.”


Freud vond dat er iets miste aan de vrouw; dat betrok hij zelfs op het lichamelijke verschil tussen mannen en vrouwen. Het doortrekken van psychische verschijnselen op fysieke verschijnselen, is misschien een van de wezenskenmerken van zijn theorie. De kracht van zijn analyse van deze grappen is erin gelegen dat hij grappen betrok op lichamelijke veranderingen. Het effect van de grap kon je aflezen aan de lach. Je kon zelfs door de mate waarin een grap de lachlust opriep, meten hoe geslaagd de grap was. Hiermee is Freud één van de grondleggers van het behaviorisme, de meest toonaangevende psychologische benadering op het gebied van gedrag. Er is geen arts, psychiater of psycholoog die het behaviorisme niet kent.


Je zou kort door de bocht kunnen stellen dat de Freudiaanse theorie een voortvloeisel is van zijn gevoel voor humor. Freud is natuurlijk bekender door zijn versie van het Oedipus verhaal. Je denkt een humorloos verhaal. Maar dat is niet het geval, want de scène waarin de sfinx Oedipus een raadsel voorlegt, is in de Oudheid vaak humoristisch verbeeld op vazen. Vaak is de aanwezigheid van Hermes (een huwelijksmakelaar bij uitstek!) op zo’n vaas een aanwijzing dat je het allemaal niet zo serieus moet nemen.


Enerzijds, blijft bij Freud alleen de ernst overeind. Opvallend daarin is dat de zoon, Oedipus,  te vondeling wordt gelegd zonder dat over de emoties van de moeder wordt gerept. Zou zij zich misschien schuldig kunnen voelen? Op het einde van de mythe sterft de moeder zonder dat dit met enige gevoelens van medeleven wordt onderschreven. Wie treurt er eigenlijk om haar? De vader- en-zoon-relatie staat centraal in de mythe, in wat er gebeurt voordat de eigenlijke Oedipus tragedie zich voltrekt, en ook in de nasleep ervan, als de beide zonen elkaar naar het leven staan en hun moeder daarin wil bemiddelen, wat mislukt.


Anderszijds, neemt Freud in zijn grappen iets mee dat wij helemaal niet meer begrijpen, namelijk dat huwelijken in de Griekse Oudheid door huwelijksmakelaars tot stand werden gebracht. Die makelaars hadden een soort lijst met karakteristieken van vrouwen waaruit de familie van de man kon kiezen. Eigenlijk zijn het meer karikaturen zouden wij zeggen; in De Grap (Der Witz) van Freud wordt het humoristische van de karikatuur onderschreven.


Semonides(1.Zwijn en 6.Ezel) (vertaling M. d'Hane Scheltema):
De vrouw  kreeg van de god in den beginne
vele gestalten mee. (Soms) lijkt zij een borstelig zwijn
als er bij haar een morsige troep dingen
over de vloer rondslingert, en zij zelf onrein
gekleed in vuile jurken van goor linnen
zich vol vreet tussen al die rommel binnen.


(Eigen vertaling: de ezel)


Een ander soort (vrouw) lijkt op de vale, grijze ezel.
Zij is gewend aan klappen, en zal niet toegeven
voordat je haar dreigt en echt druk op haar uitoefent.
Ze zal haar werk goed doen en zal niet klagen;
daar staat tegenover dat ze dag en nacht eet
alles wat voor haar neus komt, op welke plek dan ook.
En als het op (lett. het werk van de) seks aankomt (
πρὸς ἔργον ἀφροδίσιον), is ze precies zo,
iedere vreemdeling is in haar bed welkom.


In het totaal staan er tien karikaturen in het lijstje van Semonides. Welke bruid zou u willen? Bestaat er ook een lijst van bruidegoms? Moeten we dan de lijst van helden raadplegen? Ik heb het eerste couplet uit de elegie van Semonides gekozen, omdat het de eerste is, en het zesde couplet die van de ezel, omdat die in de Nederlandse vertaling weer eens was weggelaten, volgens mij omdat hij over seks gaat. Toen Freud koos voor de Oedipus mythe had hij toch ook iets meer besef aan de dag moeten leggen van de waarden en normen van het oude Griekenland, waarmee wij niet meer kunnen leven. Het komt allemaal wel erg gedateerd over. Is het dat ook?

dinsdag 2 januari 2018

Nieuwjaar 2018, Freud en De Grap (1).

Klik hier voor de originele tekst en commentaar.

Ik wil het nieuwe jaar beginnen met een toepasselijke grap uit het boek  “Der Witz”, dat Freud in 1905 publiceerde over grappen:

“Men vertelt dat de schrijver Heine op een avond in een café in Parijs in gezelschap van de dichter Soulié was, toen een van de Parijse geldbaronnen binnenkwam. De man werd wel met Midas, bij wie alles wat hij aanraakte in goud veranderde, vergeleken, maar hij was ook nog heel populair. In korte tijd werd de geldbaron omstuwd door een menigte van bewonderaars, die hem vol verering tegemoet trad. ‘Zie dat toch eens,’ zei Soulié tegen Heine, ‘hoe men in de negentiende eeuw het Gouden Kalf aanbidt.’ Daarop antwoordde Heine instemmend met een blik op het voorwerp van verering:  ‘Maar die moet al veel ouder zijn dan het Gouden Kalf….’ (K. Fischer, 1889, pag. 82-3)

Mijn wens voor 2018 is hieruit op te maken: ik hoop dat tien jaar na de crisis in 2008 er voldoende kritiek mogelijk is om geldwolven aan banden te leggen. Gezien de resultaten van de afgelopen tien jaar, vrees ik het ergste. Freud legt de wens van Heine en Soulié als volgt uit:

“Waaruit bestaat de techniek van deze voortreffelijke grap? K. Fischer denkt dat dat komt door het woordspel. ‘Zó doet het Gouden Kalf behalve aan de Mammon (zie: Avaritia, en de tweede doodzonde)  ook aan afgoderij denken. In het eerste geval gaat het om het goud, in het tweede geval om de verering van het beeld van een dier. Het kan ook de bedoeling zijn om een dom iemand zonder te huichelen de waarheid te zeggen dat hij alleen maar kan denken aan goud.’  Om de som op de proef stellen, vult Freud hierop aan: als we de uitdrukking “het gouden kalf” weglaten uit de grap van Heine en Soulié, houden we niets grappigs over! Soulié zegt dan: ‘Kijk toch eens aan, hoe de mensen die domme kerel op handen dragen, alleen maar omdat hij rijk is.’ En het antwoord van Heine slaat dan nergens op.”

Dit is de manier waarop Freud analyseert. Het is heel erg gericht op taal. Bovendien past hij telkens dezelfde truc toe die hij aanduidt met de term “Reduktion” (zie: commentaar: 3): bij een juiste interpretatie van de grap, verdwijnt het grappige. Als het grappige niet verdwijnt, is er een niet uitgelegde rest die nog op interpretatie wacht.


Als je echter naast deze grap een anekdote, die door Plutarchus over Cicero wordt verteld, legt, dan heb ik de indruk dat er aan deze wijze van werken iets schort (vertaling overgenomen uit ‘Komt een Griek bij de dokter’: pag. 87, vertaler Patrick De Rynck): 

“Toen Caesar eens een wetsvoorstel indiende om het land in Campanië te verdelen onder zijn soldaten, waren veel senatoren ontstemd. Lucius Gellius, zowat de oudste onder hen, zei dat dit niet zou gebeuren zolang hij leefde. Waarop Cicero zei: ‘Laten we dan nog even geduld oefenen. Lucius Gellius vraagt niet om een lang uitstel.’ 

Ook in deze grap is hebzucht en ouderdom de kern van de grap, zonder dat er sprake is van een “gouden kalf”.  Lucius Gellius is zó oud dat het niet lang zal duren dat hij gaat sterven. De hebzucht van Caesar spreekt voor zichzelf. Het antwoord van Cicero slaat dus wel ergens op. En ook het antwoord van Heine kan ergens op slaan, als we even afzien van de bezwerende formule waarmee Freud de grap denkt te kunnen smoren. Wat je moet doen, is je de oude man uit de beide grappen voor ogen halen. En je ziet waarom de grap grappig is en grappig blijft. Maar Freud ziet in een grap slechts een laag, de talige. Misschien is op Der Witz van Freud toch wel grotendeels de volgende Jiddische grap van toepassing (als je het origineel wilt lezen, klik dan hier, en je zult zien dat met enige fantasie je hem ook in het Jiddisch kunt volgen): 

“Als je een boer een grap vertelt, lacht hij drie keer. De eerste keer lacht hij als je de grap vertelt, de tweede keer als je hem de grap uitlegt en bij de derde keer heeft hij de grap begrepen. Een landeigenaar van adel lacht twee keer. De eerste keer als je de grap vertelt, en de tweede keer lacht hij beleefd als je hem de grap uitlegt. Maar hij had hem eigenlijk toch al begrepen. Een officier in het leger lacht slechts een keer, namelijk als je hem de grap vertelt. Hij laat je de grap niet uitleggen en begrijpen doet hij hem zonder meer toch niet. Een Jood zal je zeggen, als je per ongeluk de grap aan hem vertelt: ‘Weet je, dat is een oud verhaal!’ en laat daarop na enig nadenken erop volgen ‘ en ik kan hem beter vertellen.’ De verzamelaar van Jiddische grappen, Richard G. Klein, zelf Jood, laat er dan op volgen: ‘Het is echt waar, maar ik heb een leukere versie hiervan gehoord, waarin de hoofdfiguren een Engelsman, een Schot, een Duitser en een Jood zijn.’ “

Een voorspoedig 2018!

zondag 24 december 2017

Een Kerstgedachte.

Klik hier voor de originele tekst.

Shankara (788-820 nChr), de grote hindoeïstische filosoof, vertelt ons het volgende verhaal, dat ook in het Book of Noodles voorkomt:
“Tien mannen zijn op reis en komen aan bij een woest stromende rivier die ze moeten oversteken. Als ze de overkant bereikt hebben, gaan ze in een kring staan. Eentje telt of ze allemaal heelhuids de overkant hebben bereikt. Maar hij vergeet zich zelf mee te tellen. Als de andere mannen gevraagd worden om het aantal na te tellen, omdat er een iemand te weinig is, maken die steeds dezelfde fout. Daarop gaan ze in een kring zitten, diep bedroefd, omdat er iemand bij het oversteken van de rivier is omgekomen. Zo treft een vreemdeling ze aan, en vraagt hun wat er aan de hand is. De vreemdeling telt de mannen en telt er tien. Daarop springen de mannen vol blijdschap overeind. In plaats van te rouwen vieren ze nu feest."


In Turkije een aangepaste versie:Nasreddin zou op 10 ganzen passen voor een vriend. Toen zijn vriend terugkwam, waren er nog maar negen over. “Nasreddin, waar is de tiende gans?”, vroeg hij Nasdreddin. Nasreddin telde de ganzen en telde er tien. Zijn vriend telde de ganzen en telde er negen. Ze ruzieden lange tijd, maar telkens maakte Nasreddin dezelfde vergissing. Nasreddin nam Eén in gedachten (om te onthouden dat  het er 10 waren) en vervolgens 2, 3, 4 tot tien. Zijn vriend begon bij 1, en bleef op negen steken. “Zie je wel, het zijn er tien”, zei Nasreddin. ”Nee, het zijn er negen!”, hield zijn vriend voet bij stuk. “Weet je wat we doen”, antwoordde Nasreddin,“we vragen tien mensen hier te komen. En ze pakken allemaal een gans, en dan merken we vanzelf wie er gelijk heeft.” Zo gezegd, zo gedaan. En wat bleek: er was één iemand zonder gans. “Zie je wel,” zei zijn vriend,“ er is 1 gans weg. Hoe kan dat nou?” Nasreddin stapte daarop op de man met lege handen af, en zei tegen hem: “Als je op tijd was geweest, had je ook een gans te pakken kunnen krijgen! Waarom was je te laat? Daarom zijn er nu nog maar negen!”


In Marokko weer een andere versie:
Jeha kocht tien ezeltjes. Op een ervan ging hij zitten op weg naar huis. Onderweg telde hij ze. Hij constateerde dat er nog maar negen over waren. Toen hij afstapte, en ze nog een keer telde, waren er tien. Daarop zei hij tot zich zelf: “Het is beter te voet te gaan, om er niet eentje kwijt te raken.”


Het verhaal lijkt afkomstig uit het Verre Oosten. In religieus onderwijs wordt de ontbrekende persoon  “het ware zelf” genoemd. Dit “ware zelf” bestaat eruit dat je je zelf wegcijfert. Met kerstmis doen wij eigenlijk hetzelfde: het kind wijst ons erop dat wij ooit eens geboren zijn. Kortom, niet wat wij denken te zijn geworden, maar het nog onschuldige, onbeschrevene is ons ”ware zelf”. Het is dan ook beter te zeggen dat Kerstmis de zoektocht is naar mijn ware zelf dan de zoektocht naar je zelf! Wat is het verschil?


Spreekwoorden over de hele wereld  kun je met een knipoog hiermee in verband brengen. De moederlijke mening over haar kind benadrukt niet, wat er van het kind is geworden, maar dat het oorspronkelijk bij geboorte onbezoedeld en met een eigen aangeboren “ware zelf” ter wereld kwam.

Op Trinidad zeggen ze:

“Macaque pas jamais ka die iche li laide.” Vertaling: de Makaak (een aap) zegt nooit van haar kind dat het lelijk is.”(Uit: Gombo Zhebes, Little dictionary of creole proverbs Lafcadio Hearn, Redford Massachusetts, Applewood books, 1885, pag. 24.)


In het Oud Syrisch van bisschop Hebreaus, heet het (GrapCCCLXXX):
“Een mestkever zei tegen zijn moeder: “Waar ik ook ga, altijd spugen de mensen op mij!” Zijn moeder antwoordde hem: “Dat is omdat ze jaloers zijn op je schoonheid en je lekker vinden ruiken.”


Een Arabisch spreekwoord maakt ervan:  الخنفسة في عين امها مليحة, vertaling: ”De mestkever is een schoonheid in de ogen van zijn moeder!”
(Beide spreekwoorden uit: Mar Gregory John bar Hebreaus, London, Luzac & Co, 1897).


Al deze spreekwoorden benadrukken hetzelfde: het gaat niet om het uiterlijk, maar om het innerlijk, “het ware zelf”. Het gaat niet om wat anderen over je zeggen, het gaat niet om wat je zelf wil dat anderen over je denken of zeggen, het gaat om je eigenwaarde die je van geboorte af aan mee hebt gekregen. Een twijfelgeval is de aap:  de Makaak heeft onlangs het wereldnieuws gehaald, omdat hij een selfie van zichzelf had gemaakt. De vraag was, wie de eigenaar van de foto was: de fotograaf die hem het fototoestel ter beschikking stelde of de aap. En de aap won. Als je naar je zelf op zoek bent, ben je op zoek naar de buitenkant, je wilt je zelf beter laten uitkomen in de ogen van anderen.  Als je op zoek bent naar het “ware zelf”, ben je op zoek naar de reden waarom het allemaal begonnen is en niet naar jezelf, want die kent iedereen al. Behalve de aap! Die kent wel zijn ware aard, maar niet hoe anderen hem zien of hoe hij door hen gezien wil worden. De aap is een twijfelgeval! Maar ik vraag me af: Zouden mestkevers, ganzen en ezels ook selfies kunnen maken? Beter van niet!

Fijne kerstdagen!




maandag 18 december 2017

De molenaar, zijn zoon en de ezel.

Klik hier voor de originele tekst.

Een molenaar en zijn zoon waren met hun ezel onderweg naar de markt om de ezel te verkopen. Daarom wilden ze hem zoveel mogelijk sparen om een goede prijs te bedingen. Op hun weg kwamen ze een groep meisjes tegen. “Kijk toch eens,” zei één van hen, ”heb je ooit zulke dwazen gezien? Zij sjokken moeizaam te voet voort, terwijl ze op een ezel zouden kunnen zitten." Toen de oude man dit hoorde, vroeg hij zijn zoon om op de ezel plaats te nemen, en bleef er zelf fluitend naast lopen.
Even later kruiste een groep oude mannen in een ernstig debat verwikkeld hun pad.
“Kijk,” zei een van hen, “dit bewijst precies wat ik bedoel: wat voor respect bestaat er tegenwoordig nog van de jeugd tegenover de oude van dagen. Zie je die leeghoofdige puber op de ezel, terwijl zijn oude vader ernaast loopt? Kom eraf, nietsnut! En laat de vermoeide leden van de oude man wat uitrusten.” Daarop liet de vader zijn zoon afstijgen en ging zelf op de ezel zitten. Ze waren zo nog niet ver gevorderd, toen ze een gezelschap vrouwen met kinderen tegenkwamen. “Waarom zit jij op de ezel? Jij ouwe, luie zak!” schreeuwden verschillende vrouwen als uit een mond.  “Hoe kun je het maken zelf op de ezel te zitten, terwijl te voet naast de ezel dat arme kleine kereltje je nauwelijks kan bijhouden.” De goedaardige molenaar zette meteen zijn zoon achter zich op de ezel.
Toen ze de stad bijna hadden bereikt: “Vertel me eens, beste vriend,” zei een tegemoetkomende stedeling, “is dat jouw ezel?” “Ja,” zei de oude man. “Nou, dat zou je toch niet zo vlug hebben gedacht, gezien de manier waarop jullie hem beladen. Jullie, twee sterke mannen zijn beter in staat om de ezel te dragen dan de ezel jullie!” “Alles wat u wenst,” zei de oude man. Dus bonden ze de poten van de ezel aan elkaar, nadat ze afgestegen waren. Ze deden een paal tussen de poten van de ezel door en slaagden er zo in om hem op hun schouders een brug over te dragen.

Massa’s mensen kwamen naar buiten rennen bij het zien van dit tweetal met tussen hen in de bungelende en balkende ezel. Ze lachten hen uit! Totdat de ezel er genoeg van had – de ezel kon niet tegen de lachende mensen en tegen de situatie waarin ie zich bevond --,  zich uit de touwen rond de poten los wrikte, van de paal af viel en in de rivier terecht kwam. Daarop vond de oude man dat hij er het beste aandeed om met zijn zoon huiswaarts te keren – hij was ervan overtuigd dat door te proberen iedereen het naar zijn zin te maken, hij er alleen in geslaagd was niemand het naar z’n zin te maken, en dat zijn handel erbij ingeschoten was.

Een verhaal dat ik al eerder op dit blog heb gepubliceerd met als hoofdpersoon Jeha “ Instemmen met onbegrijpelijke gedragsvoorschriften” geheten en vertaald uit het Arabisch, blijkt terug te gaan op deze Aesopus versie. Toen ik dit verhaal vertaalde, wist ik dat nog niet. Als je bij Phaedrus zoekt, dan blijkt dit verhaal bij hem niet voor te komen.  De Franse schrijver uit de 17-e eeuw La Fontaine, die zegt zich op Aesopus te baseren, heeft het weer onder de aandacht van een groot lezerspubliek gebracht.  De Arabische versie wijkt teveel van de versie van La Fontaine af om te veronderstellen dat de Arabische versie een vertaling is uit het Frans. Ik denk dat de Arabische versie een eigen authentieke bron heeft. Aan de Franse versie lijkt eerder een Latijnse dan een Griekse bron ten grondslag te liggen, omdat er enige Latijnse woordjes in voorkomen. (Maar veel wil dit niet zeggen). Ook lijkt erin een verwijzing naar Nasreddin of Jeha voor te komen, omdat er sprake is van een “Nicolas au rebours”  (vertaling: Nicolas achterstevoren) op een ezel, zoals Nasreddin en Jeha graag worden
afgebeeld. Nu we pas het sinterklaasfeest hebben gevierd, krijg ik zelf de neiging te beweren dat Nicolas, Nasreddin en Jeha blijkbaar enige overeenkomsten hebben. (Maar ook dat wil maar heel weinig zeggen).  Maar als je het plaatje hiernaast dat de Franse versie vergezelt, bekijkt, krijg je toch echt de indruk, dat het verhaal in het Midden Oosten of het Marokkaanse Westen wordt gesitueerd.

In de Marokkaanse versie hadden we al geconcludeerd dat de ezel waarschijnlijk de vertaling is voor (schilders-)ezel of bureau van het woord voor ezel in het Spaans “burro (mnl) en burra (vrl)” dat teruggaat op het hettitisch. Duidelijk is in ieder geval dat het verhaal gaat over een verschil van mening over na te leven regels. In mijn vertaling uit het Engels, valt de ezel in de rivier. Op een eerder blog heb ik uitgelegd, dat dit waarschijnlijk een straf is door een machtig man uitgesproken over “misdadig” gedrag. In dit geval is het de straf van een tolerant vorst, want hij laat hem ongeboeid in de rivier werpen. 


In de Franse versie wordt het advies gegeven dat je niet naar anderen moet luisteren, maar zelf je mening moet bepalen, wil je niet gek worden. In de Marokkaanse versie worden de vader en zoon die de ezel tussen zich in dragen, in een gekkenhuis opgesloten, omdat men denkt dat ze door een demon worden bezeten.  In de Engelse versie, de meest milde variant, raken ze alleen maar hun ezel kwijt. Alle versies blijven dicht bij de oorspronkelijke strekking. Alleen de conclusie lijkt zich aan te passen aan de aard van het volk, waaraan het wordt voorgelegd. Nog steeds geldt dat een van de meest merkwaardige kenmerken van het Aesopus verhaal is dat het zijn vorm en functie in veel opzichten door de eeuwen heen en in heel verschillende wereldstreken heeft behouden.



maandag 11 december 2017

Blind!

Klik hier voor de originele tekst.



“In een openlucht zwembad:
een straatzangeres, ze is blind,
springt in het water, onbezorgd als een kind.”
(Eigen vertaling uit het Engels: Japanese Humor, Dr. R.H. Blyth, 1957, Toppan printing Co, Tokyo)


De toelichting, die de heer Blyth hierbij geeft, was voor mij reden om deze grap op te nemen in de Aesopus-reeks. Hij zegt namelijk dat de grap hem aan Aesopus doet denken. Ik heb overal gezocht, maar geen overeenkomstig Aesopus verhaal gevonden. Wel appelleert de grap aan het verre Griekse verleden, en aan grappen van Nasreddin en Tijl Uilenspiegel. De grap met Tijl in de hoofdrol zal ik hieronder dan ook vertellen. Maar eerst een mogelijke Aesopus versie hiervan:


De oppergod heeft ons twee zakken toevertrouwd
een rugzak is met eigen fouten volgestouwd,
die van een ander worden op de borst gesjouwd.


Zo komt het dat we blind zijn voor een eigen fout
en dat een ander om zijn fout wordt afgesnauwd.


Dit is naar mijn idee de meest overeenkomstige versie van Aesopus met de Japanse “senryü” (een bepaalde versvorm). De Aesopus versie  lijkt op het Japanse gedicht, maar is tegelijk ook heel anders. De Japanse versie is het omgekeerde van de Aesopus-versie. Wij zien volgens het vers van Aesopus, in de Latijnse vertaling van Phaedrus, alleen de fouten van anderen en van ons zelf niet. In de Japanse versie ziet het meisje haar eigen beperking niet, die de anderen met veel plezier wél zien.  Het blinde meisje in het zwembad denkt dat de andere mensen ook blind zijn en daarom ook haar naaktheid niet kunnen zien.  Een oosterse positieve grap ten opzichte van een negatieve westerse moraliteit.


Net als de katholieke kerk allerlei heiligenverhalen en de lijdensweg van Christus in de vorm van een soort stripverhaal illustreerden, deden de Japanners dat ook met allerlei anekdotes. Onderstaande afbeelding is naar mijn idee een tekening naar aanleiding van een Tijl Uilenspiegel verhaal:

Het verhaal van “de twaalf Blinden.”

’t Is soms heel raar in de wereld. Je komt zoo voor die gekke dingen te staan waarvan je je
zelf afvraagt, waak ik nu of droom ik? En dan zie je toch met je eigen ogen dat je niet droomt,  maar waakt terwijl je toch aan je zelf twijfelt. Hebt u dat nog nooit mee gemaakt?
Ik wel. Moet U hooren.

Ik zat dan op een mooien dag voor een herberg wat uit te rusten toen er langs mij heen
twaalf blinden wandelden. Hoe komen die daar? en hoe komen ze precies langs den
zelfden weg? Ik ben het nooit te weten gekomen. Men vertelde mij, dat zij een rijk man waren wezen begraven. Best mogelijk, maar als je nou toch steken-blind bent, dan kom
je toch maar zoo van zelf niet op het kerkhof.

De meeste menschen komen wel van zelf op het kerkhof maar die twaalf blinden moesten
toch een geleider hebben. Hoe 't zat -- ik zeg nogmaals—ik weet het niet.
Ze hadden geen geleider en ze liepen allemaal denzelfden weg. Wat moet je daar nu van
zeggen? Niet gelooven? Maar saprestie : ik zag het toch met mijn eigen ogen. 't Was doodeenvoudig: 't was zoo. U gelooft het dus nu ook?

Goed, dan zal ik verder vertellen van die twaalf blinden. Toen ik die menschen daar zag loopen, kreeg ik groot medelijden met hen. Ik ging naar ze toe.
— Beste menschen, zei ik. Zijn jullie moe van de reis?
— Heel moe, heerschap, antwoordden zij.
— En hebben jullie dorst?
— Veel dorst, heerschap.
— En honger?
— Geweldigen honger.
— Nou kijk eens hier, ik ben graaf van Gevelsteen tot Stoepie-op.
De menschen bogen diep en namen hun hoed af.
— Hou je gedekt, zei ik, anders vat je kou. Hier zijn twaalf gulden, ga nu maar in 't
café allemaal wat gebruiken.
— Dank je wel, heerschap, zeiden ze tegelijk en ze stapten naar het café.

Ieder dacht dat zijn buurman die twaalf gulden ontvangen had; ik schijn dat echter vergeten te hebben te geven; hoe het zij — (het verhaal is wonderlijk) -- toen ze allen flink ge-
dronken en gegeten hadden, keken ze elkaar aan op hun manier en vroegen: Betaal nou. Ieder
vroeg dat aan den ander en geen van de twaalf had de twaalf gulden ontvangen. Er ontstond een geweldig spektakel. De eene blinde vertrouwde den andere niet.
— Jij hebt ze gekregen, riep de oudste.
— Neen jij, riep zijn buurman.
— 1k? vroeg deze. Ik dacht dat hij ze kreeg die naast me stond. De waard begon er danig
over op te spelen. Maar daar lieten de blinden het niet bij zitten. Ze begonnen er op los te slaan en zonder te zien waar ze sloegen, gaven ze elkaar en den waard leelijke opstoppers die nogal aan kwamen!  

Ook de waard kreeg klappen. Maar te dicht bij het buffet werd de waard bang voor al het glaswerk en riep. 
— Wacht! weest stil. Daar is de graaf die je het geld gegeven heeft. Hij zal zeggen wie hij het geld ter hand stelde. Dat was een oplossing!
— Ja, ja, riep de blinden. En die ons heeft bedrogen, slaan we dood.
— Ja, dat is goed! riepen al de blinden.
— Heer Graaf, sprak de waard, zie, deze menschen zeggen dat gij ze twaalf gulden hebt
gegeven om te verteren en nu heeft geen van hen het geld ontvangen. De een zegt dat de
ander het heeft, en de ander beweert dat hij niets kreeg maar dat de één het ontving.
Aan wie van hen hebt gij het geld gegeven?

— Edele waard, gij zijt wijs als Salomo, doch ik doe wel en zie niet om. Ik weet niet aan wie ik dat geld ter hand stelde. Want de rechterhand mag niet weten wat de linker doet.
— Edele Graaf, zei de waard, het is heel edel van U zoo wel te doen maar op het oogenblik toch wel een beetje lastig. Zij willen mij niet betalen en ze hebben alles stuk geslagen. Zij zijn nu twintig gulden aan mij schuldig. Wat moet ik doen?
— Edele waard, wees zoo edel als ik en schenk het hen kwijt.
— Om den blikslager niet. Ik zet ze in de gevangenis.
— De arme stakkers. Zoudt gij dat wel doen?
— Zult gij voor hen betalen heer Graaf?
— Ik? Mijn beste man, hoe gaarne ik het zou doen, al mijn weldadigheid heeft mij op dit oogenblik met een leege zak gelaten. ik gaf al mijn munt al weg en heb geen stuiver voor mij zelf behouden. Doch, ik ben de Graaf en ik zal wel iemand vinden in het dorp die borg voor mij wil staan.
— Dus.... zei de waard verheugd. Gij zult alles betalen?
— Laat de blinden maar gaan.
— Met uw welnemen, zei de edele waard, maar weg is weg, en ik wou wel graag eerst wat meer zekerheid hebben. In uw woord heer Graaf heb ik vol vertrouwen, doch in uw leege zak niet zoo zeer.
— Gij hebt gelijk, waard. De menschen zijn slecht. Ik zal het u niet kwalijk nemen. Weet je wat: stel je vertrouwen in den pastoor?
— In den pastoor? Wie zou in deze geen vertrouwen stellen, heer Graaf.
— Goed, dan zal hij borg voor mij staan.

De Graaf ging tot de blinden. ,,Brave lieden, zeide hij, weest niet meer twistende onder elkander. Alles zal geregeld worden. Dan kunt gij binnen weinige ogenblikken uw weg vervolgen. Er is groot onrecht door een uwer geschied. Het is heel slecht dat één uwer het geld, te uwer beschikking gesteld, niet afdragen wil. Doch, daarover zal de straf wel komen. Ik zal er mij niet druk over maken.”

Dit verhaal komt ook voor met als hoofdpersoon Nasreddin, zoals gezegd in het navertellen van zijn legende. Deze teksten hebben ongetwijfeld een heel erg sociale inslag, maar achter de tekst verbergt zich in feite het Oedipus verhaal. Het Oedipus verhaal -- het door Freud uitgebuite en uitgebate verhaal -- vertelt in feite wat Aesopus al in zijn vers over de twee zakken vertelde. Je ziet de mankementen van de ander, maar de jouwe niet. In freudiaanse individualistische termen: we kennen bewuste (zichtbaar op de borst) en onbewuste (onzichtbaar op de rug) zielenroerselen. In een Engelse versie van het Aesopus verhaal heten de zakken “wallets” . Dit suggereert onomstotelijk dat waarvoor men blind is, vaak de rijkdom van de ander is. In het Tijl Uilenspiegel verhaal wordt daarmee een loopje genomen. Dit krijgt natuurlijk geleidelijk aan de naam van de vierde hoofdzonde: Invidia. En net als in de vierde hoofdzonde blindheid (in-vidia) een grote rol speelt, doet het dat in het Aesopus verhaal en in de Japanse “senryü”. Niet alleen het sensuele karakter vinden we in het Japanse vers terug, omdat de straatzangeres denkt dat de anderen haar naaktheid niet zien, maar ook de hebberigheid. Want ook in Japan, zetten zangers een hoedje op het trottoir om er geld in te mogen ontvangen.

dinsdag 5 december 2017


                       قالها ألسبع: بني أدم كوله يابس لا تفزكه


         (qoelha s:ba-a: bnie adm koeloe jèbs la tfzkoe) : Zei de leeuw: mensen moet je droog eten, niet nat.

Hoe komt zo’n leeuw aan zo’n uitspraak? Hij had op een dag de ervaring opgedaan dat een mens hem vroeg zich eerst te mogen wassen, voordat hij opgegeten zou worden. De leeuw stond hem dat toe, waarop de mens in de rivier sprong en wist te ontsnappen. Ten minste dat is de uitleg (p. 250) bij dit spreekwoord die we in het boek Les proverbes Marocains door Bouchta El Attar (1992) aantreffen. Een mooie uitleg, vind ik persoonlijk, maar toch blijft het gedrag van de leeuw een beetje onbegrijpelijk. Voordat je iets kookt, was je de ingrediënten van je maal. En ook de leeuw, bang dat hij een ziekte zou oplopen, vindt het een goed idee om zijn maaltijd eerst te wassen, voordat hij eraan begint. Maar zijn maaltijd heeft handen en voeten, en weet zich in veiligheid te brengen. Er is dan ook geen leeuw die een mens ooit zal toestaan om eerst een bad te nemen alvorens hem te verslinden.


Dit eigenaardige trekje van dit spreekwoord blijft knagen: het klopt niet! Je bent dan ook algauw geneigd om een andere uitleg te accepteren. Je kunt zeggen “de leeuw”, dat is een code voor “de koning” in vroegere tijden toen koningschap en de functie van rechter nog niet gescheiden waren, maar een functie door één persoon uitgevoerd. Eén van de gebruikelijk straffen was dat men misdadigers in de rivier gooide. Rechtspraak vond aan de poorten van een stad plaats, en de stad was meestal aan een rivier gelegen. Nu waren er blijkbaar twee manieren  waarop je te water kon worden gelaten: geboeid, en je verdronk subiet, maar ook ongeboeid. En deze leeuw twijfelt blijkbaar of hij zijn misdadigers ongeboeid in de rivier zal gooien of niet. Deze “leeuw” twijfelt tussen hard of lankmoedig optreden.


De verhaaltjes van Aesopus zijn onnoemelijk vaak bewerkt. Meestal werden er versjes, een soort sinterklaasversjes, van gemaakt. Dat komt omdat een van de bewerkers van de Aesopus-verhalen, Phaedrus, ze in het Latijn vertaalde met een jambische versvoet, en daarbij niet schuwde om een groot aantal regels op elkaar te laten rijmen (wat in het Latijn niet moeilijk is). En dat levert bij elkaar een soort sinterklaas-gedicht op. Bij Aesopus zelf is dit nog niet het geval. Net zoals Phaedrus de moraal eraan toevoegde, maakte hij er ook goed lopende versjes van. Phaedrus zag de opvoedkundige waarde van de verhaaltjes. 


Het is dan ook niet verwonderlijk dat psychologen zich erdoor voelen aangesproken. In  de afgelopen tijd is dat gebeurt door een psychiater die bij Freud om de hoek woonde: de heer Robert  L. Zimmler. Hij was een gezien psychiater, totdat bleek dat hij alles had verzonnen, ook zijn titel en opleiding. Hij was geen psychiater, en alles wat hij had verdiend met zijn goed lopende praktijk moest hij inleveren. Hij had een dochter en die herinnerde zich dat haar vader een bewerkte versie had gemaakt van Aesopus-verhalen en deze gebruikte in zijn therapie. Deze bewerkte verhaaltjes lagen bij een Amerikaanse uitgeverij die weigerde het werk van een oplichter uit te geven. Maar toen de oplichter stierf en de dochter alleen en berooid achterbleef, herzag hij zijn mening en gaf de verhalen uit om de dochter in de gelegenheid te stellen te gaan studeren. En het werd een eclatant succes! Dit boek begint met het volgende verhaal (2), dat veel gelijkenis heeft met het verhaal dat vorig jaar op 5 december  op dit blog stond (welk Aesopus verhaal hieraan ten grondslag ligt, is mij niet helemaal duidelijk—het zou om Fabel 19, “de leeuw en het zwijn” kunnen gaan):


Het varken en de leeuw. (klik hier voor de originele tekst)


Door een plotseling opkomende vloed die het bos onder water zette, bedreigd, wist een wild varken zich te redden door op een drijvende boomstam te klimmen. Tot z’n grote ontsteltenis deed een leeuw hetzelfde, ook met de bedoeling het vege lijf te redden. De leeuw klom op dezelfde boomstam als het varken! Omdat hij zich bewust was van het gevaar dat hij liep, zei het varken: “Mijn machtige vriend, het lot heeft bepaald dat we samen deze boomstam moeten delen. Ik zou u eerbiedig willen adviseren dat u uw eetlust een tijdje opzij zet voor verstandelijke overwegingen. Zoals je merkt is ons verblijf op de boomstam precair. Als we maar even ruzie maken, is de kans groot dat de boomstam omrolt en wij beiden op de rivierbodem verdrinken.”


“Ik ben onder de indruk van de wijsheid van je woorden,” antwoordde de leeuw. “Ik zal me onthouden van je op te eten, uit vrees voor onze gezamenlijke ondergang.” Ingenomen met het antwoord van de leeuw, antwoordde het zwijn: “Mooi, maar hou je ook aan ons wijs besluit als je eetlust de overhand krijgt.” En zo gebeurde het dat het wilde varken en de leeuw een hele nacht vredig op een boomstam doorbrachten. ’s Morgens zei de leeuw: “Ik had toch zo’n vreemde droom! Ik droomde dat ik op een leuk plein in een stad was. De mensen leken geen aandacht aan mij te schenken en ik kon vrijelijk mij bewegen. Toen zag ik mensen een synagoge binnengaan voor de viering van de Sabbat, en in een opwelling volgde ik hen. Ook al begreep ik niet wat er werd gezegd en kende ik hun gebeden niet, ik schiep genoegen in de plechtigheid.”


Het zwijn was tevreden maar gaf geen commentaar op de droom (ten slotte hij was geen psychiater). En hoewel de leeuw steeds hongeriger werd met het vorderen van de dag, hij onthield zich ervan het varkentje te wassen. De volgende ochtend zei de leeuw: “Dit is toch wel heel erg vreemd, echt te gek. Het lijkt wel of ik een vervolg op de droom van gisteren droomde vannacht. Weer was ik op hetzelfde plein in een stad. Maar bij deze gelegenheid hoorde ik mensen praten over een speciale vrijdagsdienst, ’s ochtends in de oude kathedraal. Dus ging ik daarnaartoe om de dienst bij te wonen. Ik genoot volop van de dienst, ook al moet ik toegeven dat ik geen woord van het Latijn begreep dat in de dienst werd gebezigd.”


Het zwijn lachte in zichzelf en bleef zwijgen. Maar de leeuw, die steeds hongeriger werd met het voortschrijden van de uren, raakte geïrriteerd over de aanwezigheid van het wilde varken op de boomstam. Die nacht gromde hij in z’n slaap bijna voortdurend. Toen de leeuw wakker werd zei hij tegen het varken: “Dit heb ik nog nooit eerder meegemaakt. De droom van de vorige nacht liep door in de droom van vannacht. Ik was in dezelfde stad, maar dit keer ging ik naar een kerk. Ik weet niet van welke gezindte, maar de dienst was in het Engels. Van deze dienst heb ik het meest van alle andere diensten genoten.”


Daarop raakte het varken in een depressie en zei: “Ik denk dat de tijd is aangebroken om uit elkaar te gaan. Vaarwel!” “Wacht,” schreeuwde de leeuw. “Ik heb woord gehouden en heb je niet opgegeten. Waarom zou je dan nu ineens de veiligheid van deze boomstam verlaten?” Het wilde varken antwoordde: “Heb alstublieft begrip voor mijn beslissing. Ik heb geen religieuze voorkeur of vooroordeel. Maar de Joden eten nooit varken en wat de katholieken betreft, zij eten geen vlees op vrijdag. Maar ik ben verontrust door uw voorkeur voor de laatste kerk, die je wel toestaat varken te eten, zoveel je maar wilt. Daarom lijkt het mij verstandiger om erop te gokken dat de stroom mij mee zal voeren in veiligheid, en die veiligheid is niet gegarandeerd bij uw toenemende eetlust.” Daarop nam het varken een duik vanaf de boomstam in de rivier, en de leeuw moest zich met zijn groeiende honger maar zelf redden.
Moraal: Hoe harder de matras, des te zachter de dromen.

Deze overlevingspsychologie vinden we ook terug in een door een John Nagelkerken, een Nederlander, op rijm gezet verhaal, alleen de uitkomst is minder bevredigend. De oorspronkelijke versie van Phaedrus is iets duidelijker dan deze op rijm gezette versie. Vandaar dat ik onder deze vertaling wat opmerkingen zal plaatsen (Phaedrus, Fabels, Athenaeum-Polak & van Gennep, Boek IV, verhaal 4,in het origineel 3) :


Het paard en de ever (-zwijn).
Een paard kwam altijd water drinken uit een poel.
Een ever had die vies gemaakt met zijn gewoel. 

Daar kwam dus ruzie van. De boze klepper vroeg

hulp aan een mens. Hij nam hem op zijn rug en droeg 

hem opgewekt terug. Maar toen die met zijn zwaard

de vijand had gedood, sprak hij tegen het paard: 

“Wat fijn dat ik met jouw verzoek heb ingestemd. 

Ik heb nu buit en weet dat jij zeer bruikbaar bent.” 

Daarop heeft hij het paard met toom en bit getemd. 

Dat sprak bedroefd: “Terwijl ik in mijn dwaasheid mij 

wou wreken voor iets kleins, ken ik nu slavernij.”

De fabel leert als iemand door heethoofdigheid 

nooit onrecht slikken kan, raakt hij zijn vrijheid kwijt.


Wat in dit vers een beetje verloren gaat, is de vertaling uit het Latijn van het woordje “solitus”, wat wij ervaren als een woord voor “eenling”, maar in het Latijn vooral “vrij, niet geboden aan iets” betekent. Het paard uit het begin van het vers wordt “solitus” genoemd. Als je dit al meteen in het begin had geweten, had je de afloop beter begrepen. Het gaat hier dus om “vrijheid” tegenover “onvrijheid”. Deze “onvrijheid” wordt in het Latijn “servitus” genoemd. Dit is een van de weinige verzen waaruit opgemaakt kan worden dat de Aesopus verhalen, codes voor slaven bevatten om zich beter te kunnen redden in dienst van hun heer. Omdat Aesopus zelf slaaf was geweest, kende hij de codes waarmee slaven communiceerden als zijn broekzak.


Tenslotte, in dit vers komt in het Latijn een woordspel voor waarbij het niet zozeer om een zwaard gaat, maar om een “werpspies”.  “Telis” komt van “telum” en betekent dus met “werpsiezen, speren” gooien. Maar “tela” met dezelfde datief meervoud, betekent “geweven kleed”. Dit woordspel kwamen we al eerder in het verhaal van de zeven doodzonden tegen, toen de vader naar de Sahara wilde vertrekken op de rug van een kameel en aan zijn dochter om een “tellis” vroeg. De verdubbeling van de medeklinker “l” is Arabisch, en je zou het bijna kunnen vertalen met “kleed dat door spiesen is geweven” : kleed op een weefgetouw geweven. Niet alleen blijkt hieruit dat ook deze vijfde doodzonde heel goed een Latijnse oorsprong zou kunnen hebben, zoals ik veronderstel, maar ook dat hier taalkundige procedés (verdubbeling maakt causatief) aan het werk zijn, waarover ik tot nu toe niemand heb horen spreken.