donderdag 24 mei 2018

Uit: Libro de Buen Amor

Hier spreekt hij over de zonde van de begerigheid.

Klik hier voor mijn commentaar
en de oorspronkelijke tekst
.





217   Steeds voer je de doodzonden 
         met je mee: Je doet de 
         misleide mensen hevig 
         begeren en zich tot alles 
         verstouten, de geboden 
         die door God ingesteld
         werden, doe je hen
         overtreden.

218   De begeerte is de wortel van alle zonden: zij is je oudste 
         dochter, eerzucht bestuurt je huis: zij voert je banier en heerst 
         in je woning, zij maakt de wereld kapot en ondermijnt het recht.
219   De trots en de toorn, voor wie geen ruimte groot genoeg is,
de hebzucht en de wellust die lichter vlam vatten dan dor gras,
de vraatzucht, de nijd en de luiheid (1), die besmettelijk zijn als lepra,
komen uit de begerigheid voort, zij is er de wortel van en
         de stam.
220   In jou, valse verrader, hebben ze zich genesteld:
         met zoete woorden, met bedrieglijk voorkomen,
         beloven en bezweren verliefde mensen veel,
         en om te vervullen wat ze beloven, begeren ze het ergste.
221   Zij begeren dat wat ze zelf niet verdienden,

         om de beloften na te komen, die ze in hun liefde gedaan hebben:
         velen hebben uit die begerigheid andermans goed (2) gestolen,
waardoor ze zich naar lichaam en ziel ten gronde richtten (3)
222   Om hun dieverijen stierven ze een plotselinge dood,
voortgesleurd en gehangen op wrede (4) wijze.
In alles ben je een schelm en een snode bedrieger (!):
wie met jouw begerigheid behept is die wordt door de zonde misleid.
223   Door de begerigheid liet je Troje verwoesten,
door de appel met opschrift dat nooit geschreven had mogen worden,
toen Paris die aan Venus (5) gaf om van haar te verkrijgen
dat ze hem Helena bracht die hij begeerde te dienen (6)
224   Door die boze begerigheid van jou kwamen ook die van Egypte om (7),
hun lichaam vernielden zij, hun ziel lieten ze ten gronde gaan.
Allen die in jou geloofd hebben trokken en trekken de toorn van God  tot zich:
van het vele dat ze begeerden, kregen zij maar een klein deel.
225   Door de begerigheid verliest de mens het goed dat hij heeft,
         hij streeft ernaar veel meer te hebben dan hem toekomt:
hij krijgt niet wat hij begeert en behoudt niet wat hij heeft:
wat de hond overkwam dat gebeurt ook met hem.

Exempel van de hond die een stuk vlees in zijn bek had. (8)

226   Een roofgierige hond liep door een rivier,
         hij stak over met een stuk vlees in z’n bek.
         Door het spiegelbeeld in het water leek het hem of er twee 
         waren.
         Hij begeerde het op te slokken, maar toen viel dat wat hij 
         droeg in ‘t water.
227   Door het bedriegelijke spiegelbeeld en door zijn ijdel (9)
         verloor de hond het vlees dat hij had,
hij kreeg niet wat hij begeerde (10) zijn begeren (11) bracht hem geen profijt,
hij probeerde erbij te krijgen en verloor wat hij in zijn bezit had.
228   Dag aan dag overkomt dit de begerige,
         hij probeert door jou erbij te winnen en verliest zijn kapitaal.
         Uit deze boze wortel spruit alle kwaad:
         de kwade begerigheid is doodzonde.
229   Het meeste en het beste, dat wat het hoogst geschat wordt,
         wanneer de mens dat veilig en wel verworven heeft,
         dan moet hij dat nooit in de steek laten voor ijdel pogen:
         wie opgeeft wat hij bezit, doet een heel slechte ruil.

woensdag 16 mei 2018

Uit: Libro de Buen Amor


Hier spreekt hij (Spaans: fabla) van de zonde van de Hoogmoed.

Klik hier voor mijn commentaar en de oorspronkelijke tekst.


Vol hoogmoed gaat gij (hoogmoed) over tot de brutaalste dingen en,
omdat je nergens voor terugdeinst, denk je dat je wel zult slagen.
Je denkt: ‘waarvan zal ik de juwelen voor mijn vriendin kopen?’
Dan gaat ge stelen en roven, maar dat zal je nog verdriet bezorgen.
Door je hoogmoed kom je tot slechte dingen;

aan reizigers de kostbaarheden ontroven,
geweld doen aan getrouwde vrouwen,
aan maagden en ongehuwden, aan weduwen en religieusen.

Om dergelijke wandaden gebiedt de wet hen ter dood te brengen,
ze sterven een harde dood en jij kunt ze er niet van verlossen,
de duivel krijgt hen in zijn macht door jouw groot bedrog,
het helse vuur ontbrandt waar jij je entree doet.
Door jouw grote hoogmoed heb je velen ten val gebracht,
ten eerste vele engelen, onder wie Lucifer (Demon van Superbia!)
die door hun barre hoogmoed en doordat ze ontevreden waren
met hun zetels in de hemel, ten val kwamen.
Ofschoon zij van nature goed waren,
kwamen ze door hun grote hoogmoed ten val:
hoevelen er door de hoogmoed dit lot ondergingen,
dat zou je op geen duizend bladen welgeteld kunnen beschrijven.

Alle veldslagen en gevechten, alle onrecht, ongeregeldheden
en lelijke twisten, die vinden door jouw hoogmoed plaats,
Liefde, geloof dat maar: waar jij je maar vertoont,
daar is alle slechtheid van de wereld te vinden.

Een zeer hoogmoedig en onbeheerst mens,
die de vreze Gods niet heeft en geen recht in acht neemt (Spaans:" ..nin cata aguisado..": "niet proeft van de stoofpot": verg. De Vogels, Aristofanes!),
vindt eerder de dood dan een ander (Nl vertaler Geers: “die nederiger en ellendiger is” waarschijnlijk voor het ritme, maar wel erg lelijk en onbegrijpelijk? Mijn vertaling:) die zich onderdaniger en inschikkelijker toont,

het gaat hem zoals de ezel en het strijdros.


Exempel van het ros en de ezel.


Een strijdros (el cavallo faziente) zou een tweegevecht uit moeten vechten
omdat zijn dappere meester ’n dame ( la dueña: kan hier een vrouw, maar ook een merrie zijn; Spaanse tekst ambigue) had verkracht,
met ’n harnas goed bewapend voelt hij zich heel dapper
en ver voor ‘m uit ging ’n ezel, ongehoord bevracht (doliente).

Met z’n handen en zijn voeten en zijn prachtig bit deed toen het trotse ros zo’n luid rumoer ontstaan,


dat d’andere dieren ’t vreesden als een donderslag;
van angst stond de ezel stil, het kwam hem duur te staan.
Die ezel had het lang niet makk’lijk met zijn vracht,
hij liep heel zwaar en langzaam, hinderd’ ook het paard:
en midden op een helling wierp het paard hem neer
en zei: “Jij domme kinkel (Don villana nesçio), zoek een breder vaart (carrera- ons woord carrière; Spaans voor “weg, pad”, centraal begrip in de  aanschouwelijke liefde).
Hij (het paard) sprong snel in de kampplaats rond, wel op zijn hoede,
hij streefde naar de zege, leed de nederlaag,
een ridderlans werd hem diep in het lijfgestoten,
de ingewanden kwamen ‘r uit, hij viel heel laag (estaba muy perdido).
Sinds deze kampstrijd was hij al zijn waarde kwijt,
hij werd gebruikt voor ’t ploegen of om hout te halen,
nu eens bij ’t waterscheprad (noria, een Arabisch leenwoord), dan weer in de molen:
de trotsaard moet voor ’t liefdesavontuur betalen.
Zijn nek was afgeschaafd van ’t zware juk te dragen,
zijn ogen hol en bloed’rig rood als die van duiven (pies de perdizes: patrijspoten),
en van ’t herhaald gebed ontvleesd aan beide knieën,
zijn neus gezwollen van het diep voorover buigen;
zijn schonken steken uit, zijn flanken zinken in,
zijn ruggegraat is scherp, zijn oren hangen.

Zo zag h’m de domme ezel, driewerf klonk zijn lach,
hij zei: ‘Mijn trotse vriend, waar zijn je hog’re drangen?
Waar zijn je prachtig bit en je vergulde zadel?
Waar is je trots gebleven, waar je opschepperij?
Je leven zal voortaan nietswaardig, smadelijk zijn:
je hoogmoed mag vergoeden al die pesterij (mala postilla= je ellende).
Mogen zij allen, trots’en zeer hoogmoed’ge lieden
hierin een voorbeeld vinden en goede leer:
dat kracht en jeugd en eer, gezondheid, dapperheid
niet durend zijn, en na de jeugd niet keren meer.


(verg. slot van het commentaar op de  Berberse versie van Superbia. )  

woensdag 9 mei 2018

Uit: Libro de Buen Amor.


Het Boek van de goede Liefde (El libro de buen amor) wordt beschouwd als een van de meesterwerken van de Spaanse poëzie. Het is deels het biografische verslag van de aartspriester van Hita, Juan Ruiz.  De vroegste
versie is uit 1330. De schrijver herschreef het en voegde aanvullingen toe in 1343.

In een overzichtelijk rijtje treffen we hier weer de Zeven Doodzonden aan, waarover we het verleden jaar naar aanleiding van een vondst in de Marokkaanse Hoge Atlas, hebben gehad. 

De zeven doodzonden worden in de Katholieke Catechismus uit 1955 genoemd in artikel 389. Ze worden dan “ondeugden” genoemd, waaruit blijkt hoezeer de doodzonden van de voorgrond zijn verdreven naar de achtergrond. In de hele Catechismus worden ze alleen in dit artikel genoemd: Welke zijn de voornaamste ondeugden?  De voornaamste ondeugden zijn deze zeven: hovaardigheid (Superbia), gierigheid (Avaritia), onkuisheid( Luxuria), nijd (Invidia), gulzigheid (Gula), gramschap (Ira) en traagheid (Acedia). Geen verdere uitleg! Merk op dat de zeven doodzonden nog steeds in dezelfde volgorde worden opgesomd. Wellust (Luxuria) dat in het Hoge Atlas verhaal nog op seksuele orgiën sloeg, heeft nu als betekenis het uiterst milde “onkuisheid” meegekregen.  (O tempora, o mores!). Voor de rest hebben de benamingen allemaal iets oubolligs; ze passen niet helemaal meer in deze tijd. Maar het zijn wel heel erg mooie woorden: hovaardigheid, gierigheid, onkuisheid, nijd, gulzigheid gramschap, en traagheid (wat dat laatste ook mag betekenen).

Ik noem de woorden oubollig. Blijkbaar heeft er van ouds her altijd een kern van humor in deze zeven doodzonden gescholen. Waar komt die vandaan? We beginnen ons onderzoekje weer bij de eerste Doodzonde: Superbia (=Spaans Vanidat=ijdelheid): 

Hoe alle dingen van de wereld ijdelheid zijn behalve God te beminnen.

105   Zoals Salamo zegt en zeker spreekt naar waarheid
dat alle dingen dezer wereld ijdel zijn,
vergank’lijk alle, en verdwijnend met de tijden,
is, buiten liefde tot god, er niets dan ijdelheid.
106   En toen ‘k mijn vrouwe zag veranderd en vervreemd,
zei ik: ‘Beminnen waar men niet lust, is’n strop
en ongeroepen antwoord geven is zotternij.’
Omdat ze mij niet wilde, gaf ‘k de zaak maar op.
107   God weet dat ‘k deze dame en anderen die ik zag
         steeds wou verplichten en haar steeds ten dienste stond.
         Als ik ze niet mocht dienen, viel ik ze toch niet hard,
         omdat ‘k een eerbare vrouw altijd te prijzen vond.
108   Ik zou een grote boer, een lompe kinkel zijn,
         als ik over ’n edele dame ooit iets gemeens zou fluist’ren,
         immers een mooie hoofse en vrolijke vrouw
             is van de hele wereld ’n vreugd’ en grote luister.
109   Als God gemeend had bij het scheppen van de mens
         dat vrouwen ontuig zijn, Hij had haar niet gesteld
         de man tot gezellin, noch had ze uit hem gevormd:
         zij zou zo schoon niet zijn, had hij ze als kwaad geteld.
110   Als niet de man de vrouw zo hevig had bemind,
         dan zou de liefde niet zo veel gevangenen tellen.
         Hoe vroom de mens ook zij, mij is er geen bekend
         die niet gezelschap zoekt, als hij ’t alleen moet stellen.
111   Er is een spreuk die zegt, en die ‘k u hier wil noemen,
         dat ’n eenzaam vogeltje noch goed zingt noch goed klaagt,
         dat ’n mast niet altijd kan bestaan zonder zijn zeilen
         en ’n koolplant steeds water van het scheprad vraagt.
112   En daar ‘k alleen en zonder gezelschap was,
         verlangde ik steeds te hebben wat een ander wel bezat,
         en sloeg ik ’t oog op een medezondares, om wie
         ik leed en die een ander zonder moeite had.
113   En daar ik niet rechtsreeks met haar kon spreken,
         zond ‘k als afgezant, dat ‘k toch bij haar belandde,
         een van mijn makkers. Wat heeft die me fijn genomen:
         hij at het boutje op en liet mij watertanden.
114   Van diep verdriet maakt’ ik dit vers van felle spot.
         De dame die ’t mocht horen, zij niet boos op mij:
         ik zou een stumper, dommer dan een ezel zijn,
         als ik, zo fel gehoond, niet dichtte ’n spotternij.


maandag 30 april 2018

Hoe het allemaal begon.

Ik heb nu al bij twee familiebijeenkomsten meewarige blikken opgemerkt, toen ik een Wereldtentoonstelling in Enschede ter sprake wilde brengen. Een Wereldtentoonstelling in Enschede? Dat bestaat niet. En na een kort moment van nadenken wordt er vlug op een ander onderwerp overgestapt.

Zoiets kan ik niet uitstaan. Ik maak uit de reactie op dat men mij van een soort dementie verdenkt of in ieder geval dat ik dit verzin. Volgens mijn omgeving verzin ik graag dingen, en dat zal ook wel waar zijn, gedeeltelijk. Toch geeft de reactie ook blijk van iets anders: de moeite die men deed om zich in de ander te verplaatsen is evenredig aan het verstrijken van de tijd afgenomen. Ik verzin namelijk heel vaak niet zozeer iets, maar geef gebeurtenissen een naam, die ik er ooit eens als kind aan heb gegeven. Een van mijn hobby’s was het in en uit elkaar halen van oude buistelevisies. Alle onderdelen gaf ik een eigen naam, omdat ik nooit een opleiding tot televisiemonteur heb genoten. De namen leken technisch zoals “weerstand” of “condensator”, maar ik weet tot op de dag van vandaag niet of het ook ergens opsloeg. Het eindigde met een steekvlam en een kleine ontploffing, waarbij de afstand tussen mij en televisie toevallig zo groot was dat er niets gebeurde dat mij fataal is komen te staan. Daarna gingen de oude tv’s de deur uit en ik heb er nooit meer naar omgekeken.

Met de Wereldtentoonstelling is iets vergelijkbaars aan de hand. Het gaat om een herdenking van een brand die 100 jaar tevoren Enschede had getroffen. Bij die herdenking was er een grote tentoonstelling Manifestatie 3 x A  in 1962. Het was mijn laatste jaar als misdienaar, nog net dertien jaar oud, en mijn intrede op het seminarie in Limburg. De pastoor had de gewoonte om op het eind van het jaar voor de misdienaars een uitstapje te organiseren. In 1962 was dat een uitstapje naar de Manifestatie 3x A. Het 3x A stond voor de industriële Activiteit, de agrarische Activiteit en de kennis Activiteit. Enschede werd op de wereldkaart gezet, omdat het er met de Enschedese economie beroerd voorstond, sinds het aangekondigde vertrek van de textielbaronnen uit de stad. Een hele wand van de Manifestatie was gewijd aan de toestand in de wereld met de bedoeling dat Enschede zich daaraan kon spiegelen. Ik stond veel langer dan de andere misdienaars demonstratief stil voor een grote klok aan de kennis-wand, die aangaf dat er in 1962 elke seconde 7 kinderen werden geboren, terwijl er elke seconde 5 mensen stierven. Elke seconde nam de wereldbevolking toe met 2 mensen. Dat lijkt weinig, maar als je het narekent dan zal de omvang van de wereldbevolking al na vijftig jaar zo groot zijn dat er een omvangrijke hongersnood dreigt. Ik zag dit met verbijstering aan, en vroeg de pastoor: “Dit kan nooit goed aflopen!? Wat moeten we doen om de wereld te redden?” Pas veel later kwam ik te weet dat veel 12-14 jarigen met dit soort zwaarwegende vragen rondlopen. Toen ik de foto’s die er gemaakt zijn van de Manifestatie zag, leek het wel alsof ik opnieuw op de “Wereldtentoonstelling” was terecht gekomen.

Het is duidelijk dat ik de Manifestatie 3x A de naam Wereldtentoonstelling heb gegeven. Onder de misdienaars was er namelijk enige wrevel over dat we erheen gingen. Door de naam een beetje op te pimpen dacht ik mijn kameraden over de drempel te kunnen halen. Vreemd is alleen dat ik dan bijna 55 jaar later als ik het op een familiebijeenkomst erover heb deze Manifestatie nog steeds de Wereldtentoonstelling noem. Waarschijnlijk had ik de naam opgepikt omdat 4 jaar eerder er in Brussel een Wereldtentoonstelling was met als publiekstrekker het Atomium. Omdat ik daar zo graag naartoe wilde, hield ik mij zelf en mijn mede-misdienaars voor de gek dat we eigenlijk daar waren geweest – ook naderhand. En deze leugen vertel ik dus nu nog steeds op familiebijeenkomsten. Het ligt dus niet alleen aan de kortere tijd die we nemen om ons in anderen te verplaatsen, maar ook aan mij.

Als troost dat ik niet naar de Wereldtentoonstelling kon – die was toch echt iets te ver weg – kreeg ik een boek van mijn oudste broer Jan: “reis met de zon”. (Je ziet dat ik echt een verwend lastig kereltje was!) Ik heb een poging gedaan om alle verhalen die erin voorkomen, uit het hoofd te leren. Dat lukte met sommige verhalen beter dan met andere. Het “Anansi verhaal” dat erin staat onder de titel “Hoe de spin aan zijn dunne middel komt”, was ook zo’n verhaal. Ik denk dat mijn fascinatie met de trickster-figuur teruggaat op de gebeurtenissen, die ik hierboven heb verhaald. Toen ik later de figuren die lijken op Anansi “ontmoette”, was dit een schok van herkenning. De herinnering aan “reis met de zon” en de reconstructie van alles wat ermee samenhangt, is pas van vandaag.


Uit: “reis met de zon”, verhalen uit zestig landen van de verenigde naties, red. Harold Courlander, ill. Jan Hartogh, Nederlandse bewerking van Margreet Bruijn, Cantecleer, Utrecht, 1955: pag.153-155):

[Liberia]

Hoe de spin aan zijn dunne middel komt. 


Lang, lang geleden, lagen er niet zo heel ver van elkaar, twee dorpen, Kemojav en Momojav. In beide dorpen nu, werd ieder jaar een groot feest gehouden, waarop de bewoners trots waren. Het feest in Kemojav werd in dezelfde tijd gegeven, als dat in Momojav. Van de mensen, die dicht bij deze dorpen woonden, gingen sommigen naar het feest in Kemojav en anderen naar dat in Momojav. En zo kwam het, dat beide dorpen na-ijverig op elkaar werden en steeds mooiere feesten gingen geven. En op de laatste dag mochten alle bezoekers steeds zoveel eten, als ze maar wilden.
Nu was Pakayana de spin een beroemde eter. Altijd was hij hongerig. Wanneer hij ook maar voedsel zag, at hij het op. Al was het ook midden in de nacht. En nooit at hij zoveel als op de jaarlijkse feesten in Kemojav en Momojav. Soms ging hij naar het ene dorp om te eten, en soms ook naar het andere. Maar al schrokte hij ook nog zoveel naar binnen, hongerig bleef hij toch.

Toen bedacht Pakayana dat hij alleen genoeg zou krijgen, wanneer hij op beide feesten ging eten. Maar al lagen de dorpen nu niet zo heel ver van elkaar, toch was het voor de spin een heel eind lopen. En hij wist nooit precies wanneer het eten begon.

“Ik zal er wat op vinden,” dacht de spin. Hij dacht net zo lang, tot hij er wat op gevonden had. Toen huurde hij twee mannen om hem te helpen en kocht een touw, dat net zo lang was als de weg tussen Kemojav en Momojav. Hij sneed het touw precies door midden en bond beide stukken om zijn middel. Het ene uiteinde gaf hij aan de ene man, en het andere uiteinde aan de andere man. Toen ging hij juist op de helft van de weg tussen Kemojav en Momojav staan en stuurde de mannen elk een kant uit. “Als ze in Momojav gaan eten, trek dan hard aan het touw,” zei hij tegen de ene man. En tegen de andere zei hij: “Als ze in Kemojav gaan eten, trek dan hard aan het touw.”

De mannen beloofden te doen, zoals hij hun gezegd had, en gingen vlug op stap. Pakayana ging rustig zitten wachten, op de dingen die komen zouden. Nu zou hij wel gauw weten in welk dorp het eerst het feestmaal werd begonnen. En daarheen zou hij dan lopen, zo vlug als zijn poten hem maar dragen konden. En als hij dan daar klaar was, zou hij naar het andere dorpje gaan om verder te eten. En zo zou hij dan, voor het eerst van zijn leven, genoeg krijgen.

De ene man ging dus met zijn touw naar Kemojav en de andere ging met zijn touw naar Momojav. En Pakayana zat halverwege te wachten en was erg tevreden over zichzelf. En terwijl hij daar zo wachtte, moest hij maar steeds denken aan de rijst, de geiten-boutjes, de vette ossen en de kippen, die voor het feestmaal klaar gemaakt zouden worden.

Zo ging er een poosje voorbij en nog een poosje. Pakayana wachtte en wachtte. En toen werd hij ongeduldig en boos, dat er nog steeds geen seintje kwam. Van de ene kant niet, en van de andere kant ook niet. Maar eindelijk gebeurde er dan toch iets. Het feestmaal in Momojav begon. En op precies dezelfde tijd begon ook het feestmaal in Kemojav. De twee mannen, die Pakayana gehuurd had, begonnen elk aan hun touw te trekken. Het waren heel sterke mannen, en ze trokken dan ook heel erg hard. Zó hard trokken ze, dat Pakayana de ene kant niet op kon, en de andere ook niet. Hij wipte maar wat op en neer, steeds op dezelfde plaats. De mannen waren even koppig als sterk. Ze trokken maar, en ze trokken maar. En de touwen om Pakayana’s middel werden strakker en strakker aangetrokken.

De mensen in Momojav en Kemojav aten een hele tijd. Maar eindelijk waren ze dan klaar. Toen pas hielden de mannen op met trekken. Ze liepen terug naar de plek waar ze Pakayana achter hadden gelaten en daar vonden ze hem op de grond liggen. Hij jammerde en kreunde en hapte naar adem. Ze maakten de touwen los. Maar waar die om zijn middel hadden gezeten, was Pakayana heel dun geworden. De ene helft van zijn lijf bobbelde boven zijn middel en de andere er onderuit.

En zo heeft Pakayana de spin dan dat dunne middel gekregen, en hij heeft het nog.


Als de mensen hem zien, moeten ze altijd denken aan de keer, dat Pakayana probeerde om op twee feesten tegelijk te eten. In Momojav en Kemojav.

dinsdag 24 april 2018

De Afrikaanse Anansi .


(Vergelijkbare Anansi verhalen zijn te vinden bij Ulla Schild/Christensen in verzamelingen Westafrikaanse sprookjes, Bruna, Utrecht, 1978.)

De spin Anansi was een geweldige blaaskaak die op een stuitende manier te koop liep met zijn knappe kop. Op een dag waagde deze verwaande kwast het zelfs te beweren dat hij meer verstand (1)  dan Woelbari (God) had. Woelbari was diep verontwaardigd. Hij liet Anansi roepen en beval hem “iets” te halen. Dat was alles wat hij zei, en Anansi moest zelf maar uitzoeken wat Woelbari bedoelde. Anansi pijnigde zijn hersens af en piekerde zich de godsganse dag suf. Die avond lachte Woelbari hem uit en zei: “je hoeft me alleen “iets” te brengen. Je loopt altijd overal rond te bazuinen dat je in niets voor mij onderdoet, dus bewijs dat nu maar eens!”

De volgende dag verliet Anansi de hemel en ging op pad om “iets” (2) te zoeken. Opeens schoot hem een lumineus idee te binnen. Hij ging langs de
kant van de weg zitten, riep alle vogels bijeen, leende van elk een mooie veer en stuurde het gevederde volkje de lucht weer in. Met vaardige handen weefde hij een prachtig kleed van de veren, keerde terug naar de stad van Woelbari, tooide zich met de schitterende vederbos (3)  en ging in een boom vlak voor Woelbari’s huis  (4) zitten. Niet lang daarna kwam Woelbari naar buiten gedrenteld en zag daar de bont glanzende vogel zitten. Omdat hij hem nog nooit eerder gezien had en hem dus ook niet kende, riep hij zijn volk bijeen en vroeg hoe deze vogel heette, maar niemand wist het, zelfs de olifant niet, die verder toch iedereen in het bos kent. Toen opperde iemand dat Anansi wellicht uitkomst kon bieden, maar dat idee werd door Woelbari afgewimpeld met de mededeling dat hij hem op een boodschap had uitgestuurd.

Meteen wilde iedereen meteen weten wat voor boodschap dat dan wel was, en Woelbari lachte hartelijk en zei: “Anansi is een opsnijder. Ik hoorde hem laatst zeggen dat hij net zoveel verstand had als ik en daarom heb ik hem maar eens opgedragen “iets” voor mij te halen.” Nu wilden ze allemaal weten wat dat iets dan wel was, en Woelbari antwoordde dat Anansi dat van zijn leven niet zou raden, want dat het “iets” dat hij bedoelde niets minder was dan de zon, de maan en de duisternis (5).

De aanwezigen lachten zich krom dat Anansi nu ook eens in de pekel zat (6) en gingen opgewekt kwetterend uiteen. Maar Anansi had in zijn wonderschone vermomming precies gehoord wat er van hem verlangd werd. Zodra de kust vrij was klom hij uit de boom, wierp zijn verentooi af en ging op reis. Het werd een lange reis, en niemand weet precies waar hij heenging, maar waar hij ze vandaan haalde mag god weten, een feit was dat hij weeromkwam met de zon, de maan en de duisternis. Sommigen geloven dat de slang (7) ze hem gegeven heeft, maar anderen zijn daar nog niet zo zeker van. Hoe dan ook, hij vond ze, stopte ze in een zak en keerde terug naar Woelbari.

In de late namiddag bereikte hij de hofstede van zijn heer. Woelbari begroette hem en vroeg of Anansi iets voor hem had meegenomen (8)“Met uw welnemen,” antwoordde Anansi, en hij trok zijn zak (9) open en haalde de duisternis tevoorschijn. Eensklaps was het overal pikkedonker. Je kon geen hand voor ogen meer zien. Toen haalde hij de maan uit de zak en nu konden de mensen weer een klein beetje zien. Tenslotte haalde hij de zon tevoorschijn, en de mensen die met angstogen toekeken wat Anansi daar uit de zak toverde, kregen de zon pal in hun ogen en werden stekeblind. Anderen, die de uitpakkerij (10). slechts met terloopse blikken volgden, werden aan één oog blind, en er waren er die geluk hadden, en hun gezichtsvermogen bleef onaangetast. Zo kwam de blindheid op aarde. 

maandag 16 april 2018

Anansi en zijn watervriendin.

Klik hier voor mijn commentaar.

Anansi, de waterspin,  had een watervriendinnetje. Het was een watramama (watergeest). Zij maakte vaak lekkere hapjes voor de spin. Anansi deelde daarvan nooit iets met de andere dieren.


Op een keer werd Anansi uitgenodigd voor een groot eetfeest op de bodem van de rivier. Alle dieren van het bos waren uitgenodigd door de fee. De ene na de andere gast liet zich in het water plonzen en zakte naar de bodem.


Anansi was echter te licht en bleef drijven hoe hij ook spartelde en sprong. Een vriend gaf hem de raad: “Trek een oude jas aan en doe een steen in iedere zak.” Dat deed Anansi en snel daalde hij naar de bodem.



Haastig schoof hij aan tafel bij de wachtende gasten. Juist toen hij de eerste hap wilde nemen, riep de fee (watramama): “Anansi, wat zie jij er gek uit met die oude jas! Zo kun je toch niet aan tafel gaan op mijn feest. Doe uit die jas.” “Ik ben verkouden,” sputterde Anansi. Maar de fee stond erop, dat hij de jas zou uitdoen.

Anansi moest nu wel. Met een vaartje schoot de spin naar boven. En zo liep hij de maaltijd mis en aten de andere dieren hun buikje vol.

zaterdag 14 april 2018

Anansi, de Trickster.

Klik hier voor mijn commentaar.

(Uit: Voorhoeve, Dikke Ikke en de rest, Het verjaardagsfeest, pag 18-21.)


Het verjaardagsfeest.

Tekenaar onbekend, uit Dikke Ikke en de rest.

Anansi zou gauw jarig worden en hij wilde een feest geven voor al zijn vrienden: Haas, Hert, Hond, Olifant, Tijger, Vos, te veel om op te noemen. Er was maar één dier waar hij echt een hekel aan had, en dat was Schildpad. Je weet wel, dat dier dat altijd zo ernstig en wijs doet en zo doodbedaard loopt, alsof het nooit haast heeft. Daarom besloot Anansi een grote maaltijd te geven op de top van de berg. De bedaarde Schildpad zou dan wel te laat komen, als al het eten op was.

Maar Schildpad is dan misschien niet één van de vlugsten, hij is wèl één van de slimsten. Hij was heel vroeg in de morgen op pad gegaan, nog voor de zon opkwam, en net toen de andere dieren aan tafel zouden gaan, kwam ook Schildpad Anansi feliciteren met zijn verjaardag.
“Hartelijk bedankt” zei Anansi “ik ben blij dat je er bent, want we wilden juist beginnen, en ik maakte me al ongerust. Dus als jullie nu allemaal je handen wilt wassen, dan kunnen we beginnen te eten.” De dieren keken elkaar verbaasd aan. Handen wassen? Wat was dat nou voor onzin? Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Zeker weer wat nieuws van Anansi. “Hoe doe je dat, Anansi?” wilden ze weten. “Jullie willen me toch niet wijsmaken dat jullie gewend zijn om met ongewassen handen aan tafel te gaan? Dat heeft mijn lieve moeder zaliger me wel anders geleerd. Ik hoor het haar nog zo zeggen: altijd eerst handjes wassen voor je aan tafel gaat. Er stroomt hier een riviertje onder aan de berg. Gaan jullie nu maar gauw, dan zal ik alvast de soep opdoen.”

Dat was een tegenvaller voor Schildpad die niet zo snel uit de voeten kan. Hij haastte zich wat hij kon, maar hij kwam toch pas boven toen de soep al op was. “Ga maar gauw zitten” zei Anansi. “Maar laat toch eerst even zien of je nu schone handen hebt.” Schildpad liet zijn handen zien. Op weg naar boven waren ze natuurlijk weer vuil geworden. Anansi was verontwaardigd. “Wil je nu echt met zulke vieze handen gaan eten? Kijk, er zit modder aan en je hebt ook nog zwarte nagels. Maar ik zal je nog één kans geven. Ga ze nu maar gauw wassen, dan zal ik een extra lekker stukje voor je bewaren.”

Schildpad begreep dat hij nooit met schone handen aan tafel zou kunnen komen, en dat Anansi dit alleen had bedacht om hem te plagen. Hij keerde mismoedig terug. Tijdens de lange tocht naar huis had hij tijd te over om te bedenken hoe hij zich op Anansi zou kunnen wreken.

Nu wilde het geval dat Schildpad juist de volgende week jarig zou worden. Hij nodigde alle dieren uit op een groot diner op de bodem van de zee. Anansi is zo licht dat hij over het water kan lopen, zoals je vast weleens gezien hebt. Hij kan dus nooit naar de bodem van de zee komen.
Maar Anansi is niet voor één gat te vangen. Op zolder had hij nog een oude overjas van zijn vader liggen. Die trok hij aan en de zakken stopte hij vol met zware keien. Zo kwam hij toch nog op het feest van Schildpad. Hij gunde zich haast de tijd niet om Schildpad te feliciteren. Hij ging direct aan tafel zitten en had de lepel al in de hand om er vlug bij te zijn. Schildpad wist even niet hoe hij het had. Het was Anansi dus toch gelukt! Toen iedereen aan tafel zat, zei hij: “Ik heb altijd geleerd van mijn moeder dat je je jas uit moet doen, voor je aan tafel gaat. Ik weet niet uit wat voor een familie jij komt, vriend Anansi, maar mij bederft het de eetlust als ik je zo aan tafel zie zitten in je overjas. Wees dus zo vriendelijk om je jas uit te trekken.”

Hoe Anansi ook tegensputterde, hij moest zijn overjas uittrekken. En daarmee vloog hij natuurlijk als een kurk naar de oppervlakte en zag al het lekkers aan zijn mond voorbij gaan.