Flaubert, Salammbô (3).
Is dit nog grappig?
Klik hier voor de originele tekst.
Wie student en puber was in de zeventiger jaren, zoals ik,
weet dat ellende vaak aanleiding was om er een grap over te maken. Je had
bijvoorbeeld, en ik denk dat menigeen zich daarover nu schaamt, de
Vietnam-grappen, waarin martelingen als absurd werden voorgesteld. Helaas,
bleek later dat de werkelijkheid de “humor” aan alle kanten inhaalde. In die
tijd kon ik mij dat echt niet voorstellen. Ik had toen nog meer vertrouwen in
de toekomst.
Dezelfde ambivalentie als voor de Vietnam-grappen voel ik
voor de teksten van Flaubert. Ergens kan ik mij voorstellen dat hij bepaalde
scènes grappig bedoeld heeft. Dit geloof ik des te meer nu ik ontdekt heb dat
van bepaalde scènes Klassieke Grappen de basis-ingrediënten zijn. In het stuk
van de vorige week waren dat de molenstenen. In de volgende scène is dat een verdraaide
voorstelling van een grap van Nasreddin en Timoer Lenk (grap volgt). Bovendien
verwijst hij met de namen van bepaalde figuren naar de kluchten van Plautus. De
reden voor het gebruiken van deze Klassieke Grappen zou gelegen kunnen zijn in
de afkeer van Flaubert van dictatoriale overheersing, wat in beide grappen
(molenstenen en Timoer Lenk) centraal staat. Bij Flaubert ging het dan niet zozeer om een dictatuur als
wel om de geweldige druk die uitging van de burgerlijke moraal, de gedragsvoorschriften
en de afwijzing die van deze burgermaatschappij kon uitgaan. Flaubert was de
stad ontvlucht om deze redenen. Dat kan ik meevoelen. Maar dan komt er een
Maar….maar Waar wringt de schoen?
Laten we de scène van vandaag er eens bij halen:
Het
kleine aantal geboren kinderen verbaasde hem:
--“Ieder
jaar, Giddenem, zijn er kinderen geboren in elke gezin. Jij zorgt ervoor dat ’s
nachts de deuren van de hutten open zijn, zodat ze in alle vrijheid het met
elkaar kunnen doen. Waarom zijn er dan
zo weinig kinderen?” Hij wachtte het antwoord niet af.
Daarop
moesten de dieven, de luiaards en de opstandelingen aantreden. Hij deelde
straffen uit, vol verwijten aan het adres van Giddenem; en Giddenem, als een
stier, liet zijn hoofd, waarop twee grote wenkbrauwen zich kruisten, diep in het
stof zakken.
--“Kijk,
Oog van Baal”, zei Giddenem en wees daarbij op een flinke Libiër, “dat is er
eentje die we erop betrapt hebben dat hij zich al een touw om de hals had
gedaan om zich te verhangen.”
--“Oh,
wil je sterven?” zei daarop de Opperste magistraat van Carthago (suffeet),
Hamilcar, neerbuigend.
En
de slaaf antwoordde hem onverschrokken:
--“Ja!”
Waarop
Hamilcar zonder zich te bekommeren om het financieel verlies of om het
verkeerde voorbeeld, tegen zijn knechten zei:
--“Neem
hem maar mee.”
Misschien
had hij een offer aan de goden in gedachten? Was het een kwaad om erger te
voorkomen?
Giddenem
had ervoor gezorgd de kreupelen achter de anderen te verstoppen. Maar Hamilcar
merkte ze op.
--“Wie
heeft je je arm afgesneden?”
--“De
soldaten hebben dat gedaan, Oog van Baal.”
Vervolgens,
richtte hij zich tot een Samniet die als een gewonde
reiger rondhinkte:
--“En
jij wie heeft jou dat aangedaan?”
Dat
had de chef (Giddenem) gedaan, door hem met een ijzeren staaf het been te
breken.
Deze
imbeciele wreedheid maakte de Opperste magistraat, Hamilcar, laaiend. Hij rukte
de gebedskrans met agaten kralen uit zijn handen en schreeuwde:
--“Vervloekt
is de hond die zijn eigen kudde verwondt! De slaven, een geschenk van Tanit, verminken! Schande! Oh, jij ruïneert je baas! Dat je stikt in je eigen drek.
En dan zijn er ook nog een heel stel niet! Waar zijn die? Heb je die door de
soldaten laten afmaken?”












