vrijdag 11 februari 2022
De Honden
vrijdag 21 januari 2022
Op het eind van het jaar maak ik altijd een overzicht om na te gaan welk verhaal het meest is gelezen en welke verhalen het minder hebben gedaan. Dit jaar heb ik een lijst samengesteld van de verschenen verhalen. Je kunt op de titel klikken om naar het betreffende verhaal te gaan om het eventueel te herlezen of omdat het je was ontgaan. Verder staat er een score in de lijst vermeld.
Uit de hier bijgevoegde lijst van verhalen van afgelopen
jaar valt op te maken dat het verhaal van de Baljuw (nr. 4 in de lijst: uit de Canterbury Tales van Chaucer
het meest gelezen verhaal is. Het één na laatste verhaal uit de serie Cicero
(nr. 29 in de lijst) is het minst gelezen. Nu ligt de
verklaring minder voor de hand dan je zou kunnen denken. Het Cicero verhaal
staat nog maar kort op mijn blog, terwijl het Verhaal van de Baljuw er al een
jaar opstaat. De kans dat het laatste verhaal vaker gelezen kon worden dan het verhaal
van Cicero is dus veel groter. Vandaar de hogere score. En het wordt nog
bizarder, als je de telling van Google ernaast legt: in deze lijst komt het
Verhaal van de Baljuw niet voor bij de eerste 18 genoteerde verhalen. Dat wil
zeggen dat de hoogste score voor alle verhalen boven de 139 hits ligt. Wat dit
jaar op Één staat, komt niet bij de eerste 18 voor in de lijst met alle
verhalen.
Maar dit jaar staat de Baljuw bovenaan, gevolgd door een
ander verhaal uit de Canterbury Tales: het verhaal van de Non (nr. 23 in de
lijst) En aangezien dit verhaal er veel later op is gekomen, kun je nu al
concluderen dat dit verhaal uiteindelijk populairder zal zijn dan dat van de
Baljuw. Deze constatering kan op een dieperliggend probleem wijzen, dat ik een
beetje heb uitgewerkt in een achtergrondartikel dat je hier kunt vinden door te klikken.
Er waren dit jaar vier series: de Canterbury Tales, de Koppigheidsserie,
De vrouw van Djeha-serie en de Cicero-serie. Over de eerste en de laatste serie
heb ik al iets verteld en daar laat ik het ook bij. De Koppigheidsserie werd
meer gelezen dan De vrouw van Djeha-serie. Dat is opvallend, omdat de
Koppigheidsserie bestaat uit een serie van dezelfde verhalen die steeds anders
worden verteld en misschien iets verklappen over het land waar het wordt
verteld. Dit is verder uitgewerkt in De vergelijking (nr. 17 in de lijst). De vrouw van Djeha-serie bestond uit
steeds andere verhalen. Deze serie zal in het komende jaar een vervolg krijgen
in het bespreken van de verhalen uit de Decamerone. Want nog steeds dienen de
Ontdekkingen in het vertellen van deze verhalen zich aan.
Toekomst.
In het komende jaar zal ik minder tijd besteden aan het
Klassieke Humor blog. Dat houdt in dat verhalen die vorig jaar al aan de beurt
hadden moeten komen, die van Aristofanes en Arabische grappen uit de literatuur
van het Institut Arabe, voorlopig van de baan zijn. Over een volledig nieuwe
serie Plautus, zullen we het dan ook
maar helemaal niet hebben. Dat wil niet zeggen dat ze niet uiteindelijk op mijn
blog komen te saan. Ik ga door tot ik 365 keer een blog heb gepubliceerd, omdat dat de basis moet worden voor een jaarkalender, waarin op elke dag een andere grap
komt te staan.
Het komende jaar komt in het teken te staan van mijn
familiegeschiedenis. En als alles loopt zoals ik hoop dat het gaat lopen zullen
de afzonderlijke levensverhalen verschijnen op mijn andere website alle gepubliceerd in overleg met de familie.
Ik stel het vertrouwen dat men in mij stelt erg op prijs.
zondag 16 januari 2022
Laatste hoofdstuk Clodius en Cicero.
Voor commentaar en oorspronkelijk Griekse tekst, klik hier.
En ze zeggen
dat de volksvertegenwoordiging nog nooit eenstemmiger gestemd heeft dan toen.
Ook de senaat, in wedijver met de volksvertegenwoordiging, schreef aan alle
steden die Cicero te hulp waren geschoten tijdens zijn ballingschap,
dankbrieven. En vaardigde het besluit uit dat zijn huis (op de Palatijn) en zijn
villa’s op het platteland, die Clodius had laten verwoesten, zouden worden
herbouwd op kosten van de staat.
In de
zestiende maand van zijn ballingschap kwam Cicero terug naar huis. En de
vreugde van de steden en het verlangen de man te ontmoeten was zo groot dat,
wat Cicero er later over zei, daarbij in het niet valt. Hij zei namelijk dat
Italië hem op de schouders had genomen en hem naar Rome had gedragen. Maar het
was niet Italië, maar heel Italië. Want zelfs Crassus, die voor zijn
ballingschap altijd zijn grote tegenstander was geweest, was nu bereid om hem
te ontmoeten en zich met hem te verzoenen. Van de zoon van Crassus, Publius, wordt gezegd dat hij een vurig
aanhanger van Cicero was.
Toen er nog
maar weinig tijd verstreken was en Cicero ertoe de kans kreeg, omdat Clodius zich
niet in de stad ophield, ging hij met groot gevolg naar de Capitolijn en scheurde
daar de plakkaten van de muur met de verslagen, waarin tribunen hun bestuur
verantwoordden. Toen Clodius hem hiervoor aanklaagde, zei hij dat de verslagen
onwettig waren. Cicero betoogde dat het onwettig was dat Clodius uit de rangen
van de patriciërs was overgegaan naar de volksvertegenwoordiging (van
plebejers). Daarom was ook zijn bestuur illegaal. Alleen Cato was hierover
verontwaardigd en sprak zich tegen Cicero uit.
Cato
benadrukte dat hij het ook niet eens was met Clodius, --hij was zelfs heel erg
ontevreden over de gang van zaken—maar hij vond dat het voor de senaat een
vreemde en ongehoord agressieve maatregel was om zoveel besluiten en
handelingen in een keer ongeldig te verklaren. Onder deze verslagen bevonden
zich de notulen die betrekking hadden op zijn eigen bestuur op Cyprus en te
Byzantium. Dit alles had verzet, dat nu aan de dag trad, ten gevolge tussen hem
en Cicero, maar dit verzet werd getemperd door hun vriendelijke gedrag over en
weer.
Later werd Clodius vermoord door Milo. En toen Milo werd
vervolgd voor moord, werd Cicero zijn advocaat. De senaat was bang dat het
proces tegen Milo aanleiding zou zijn voor onrust in de stad. Milo was een man
met een bedenkelijke reputatie omdat hij snel zijn zelfbeheersing verloor. Zij
vertrouwden het algehele toezicht over dit proces en nog andere rechtszaken toe
aan Pompeius, die voor veiligheid in de stad en op de gerechtshoven diende te
zorgen.(x)
Harris, 815: Quintus ligt voor Dood.
Eerst
hoorden we van Atticus dat de nieuwe tribunen waren ingezworen. Acht waren
medestanders van Cicero en maar twee uitgesproken vijanden – maar twee waren
voldoende om een veto uit te spreken over iedere wet die zijn ballingschap zou
herroepen. Toen hoorden we van Quintus, Cicero’s broer, dat Milo als tribuun ,
Clodius had laten vervolgen voor gewelddadigheid en intimidatie, en dat Clodius
daarop zijn boeven Milo’s huis had laten aanvallen. Op nieuwjaarsdag ging de
ambtstermijn van de nieuwe consuls in. Een van hen, Lentulus Spinther, was al een overtuigd medestander
van Cicero. De andere, Metullus Nepos, was lange tijd als vijand
beschouwd. Maar iemand moet hem overtuigd hebben, want tijdens het
openingsdebat van de nieuwe senaat verklaarde Nepos dat hij, hoewel hij het
persoonlijk nog steeds niet op Cicero had, geen bezwaar zou maken als hij terug
werd geroepen. Twee dagen later legde de senaat het volk een motie voor de
herroeping van Cicero’s ballingschap voor, opgesteld door Pompeius.
Vanaf dat moment was het mogelijk te geloven dat Cicero’s verbanning spoedig ten einde zou zijn, en ik begon discrete voorbereidingen te treffen voor ons vertrek naar Italië. Maar Clodius was een uiterst vindingrijke en rancuneuze vijand. Op de avond voor de volksvergadering bezetten hij en zijn medestanders het forum, het comitium, de rostra – het volledig wetgevende hart van de republiek—en toen Cicero’s vrienden en medestanders arriveerden om te stemmen, vielen ze hen genadeloos aan.
Twee tribunen, Fabricius (onvindbaar) en Cispius, werden belaagd en hun assistenten werden vermoord en in de Tiber gesmeten. Toen Quintus de rostra probeerde op te klimmen werd hij weggesleept en zodanig gemolesteerd dat hij enkel wist te overleven door te doen of hij dood was. Milo reageerde door, voor het eerst, een stel van zijn eigen gladiatoren erop uit te sturen. Spoedig was het centrum van Rome een slagveld, en dagenlang werd er gevochten. Maar al kreeg Clodius voor het eerst een stevige afstraffing, hij werd niet volledig verdreven, en hij had nog steeds twee tribunen die een veto konden uitspreken, De wet om Cicero naar huis te halen moest worden verworpen.Harris
817
Spinther
diende dus een motie in waarin de gehele burgerij van de republiek
bijeengeroepen werd in het hoogste orgaan, het kiescollege van honderddrieënnegentig
centuriën, om eens en voor altijd het lot van Cicero te bepalen. De motie werd
door de senaat met vierhonderddertien stemmen tegen één aangenomen; die ene was
Clodius. Verder werd bepaald dat de stemming rond Cicero’s terugkeer gelijktijdig
met de zomerverkiezingen moest plaatsvinden, wanneer de centuriën al verzameld
zouden zijn op het Marsveld.
Harris,
841: Waarom heeft Cicero
recht om zijn huis op de Palatijn te herbouwen? Omdat er een heilig beeld op de
plaats van de villa staat, zou Cicero er niet meer mogen gaan wonen. Cicero
toont aan dat het beeld helemaal niet heilig is.
De schrijn
(het heilige beeld van Libertas, de Vrijheid) kon niet als ingewijd worden
beschouwd, aangezien Clodius wettelijk geen tribuun was geweest toen hij dit
schonk. “Uw overgang van patriciër naar plebejer (zie: vorig blog) is niet door dit college (van
pontifices/priesters) besloten, was in strijd met alle pontificale regels, en
moet als nietig worden beschouwd; en als die overgang niet wettig is, dan geldt
dat voor uw gehele tribunaat.” Dat was gevaarlijk terrein: iedereen wist dat
Caesar Clodius’ plebejerschap had
geregeld. Ik zag dat Crassus vooroverleunde, aandachtig luisterend. Cicero
voelde dit gevaar aan, herinnerde zich misschien de kwestie met Caesar, en
maakte een wending: “Zeg ik daarmee dat al Caesars wetten illegaal waren?
Allerminst: geen ervan schaadt mijn belangen nog, behalve dan die wetten die
met vijandige bedoelingen tegen mijn persoon gericht zijn.”
Maar de ware
slag bracht hij toe toen hij de vuige origine onthulde van het standbeeld dat
Clodius had laten oprichten. Ik had de arbeiders weten te traceren die dat hadden uitgevoerd
en van hen gehoord dat het beeld een donatie van Clodius’ broer Appius was
geweest, die het uit Tanagra in Boeotië had weggesleept, waar het de
graftombe van een bekende courtisane had opgesierd.
Harris,
844.
De volgende
dag las Spinther het oordeel van de pontifices aan de senaat voor: tenzij
Clodius geschreven bewijs kon overleggen waaruit bleek dat hij de schrijn
volgens de instructies van het Romeinse volk had ingewijd ‘kan het perceel
zonder heiligschennis te plegen opnieuw aan Cicero worden toegekend’.
Harris,
796. Cato is het er
niet mee eens om de periode Clodius voor een onwettige regeerperiode te houden,
omdat hij zelf in die tijd belangrijk werk voor de regering heeft verricht.
We hoorden
bijvoorbeeld over een nieuwe wet die de annexatie van het welvarende Cyprus
verordende, zodat de rijkdommen ‘het Romeinse volk ten goede konden komen’ –dat
wil zeggen, zodat ze het gratis aan iedere burger verstrekte graan konden
bekostigen, iets wat Clodius had ingesteld. Marcus Porcius Cato (junior) werd
met het uitvoeren van de diefstal belast. Onnodig te zeggen dat die wet werd
aangenomen, want geen kiezer weigert ooit een belasting voor een ander, zeker
niet als hij er zelf profijt van heeft. Cato weigerde eerst te gaan. Maar
Clodius dreigde hem te vervolgen als hij weigerde de wet te gehoorzamen.
Aangezien Cato de grondwet boven alles stelde, had hij geen andere keus dan te
gehoorzamen. Hij zeilde naar Cyprus samen met zijn jonge neef Marcus Junius
Brutus, en met zijn vertrek verloor Cicero zijn meest uitgesproken medestander
in Rome.
Harris,
878.
En toen, aan
de vooravond van het debat, keerde Marcus Porcius Cato na twee jaar afwezigheid in Cyprus
terug naar Rome. Hij kwam aan in grootse stijl; met een vloot van schepen vol
schatten voer hij vanaf Ostia de Tiber op, vergezeld van zijn neef Brutus, een
jongeman van wie veel verwacht werd. De hele senaat en alle magistraten en
priesters, net als het grootste deel van de bevolking waren uitgelopen om Cato
te verwelkomen.
Harris, 906.
Het aantal medestanders van Cicero groeit. Maar ook de tegenstand houdt
stand: Clodius gedraagt zich steeds gewelddadiger en het lijkt erop dat hij
opnieuw aan de macht zou kunnen komen. Voor de tweede keer komt Milo Cicero te
hulp. Milo had hem ook al uit zijn ballingschap bevrijd.
Zijn (Milo’s)
lijfwachten zetten hun paard aan en omringden hem (Clodius). Onze stoet kwam
tot stilstand. Ik zag dat we dichtbij een herberg waren – een bizar toeval
wilde, dat het dezelfde was waar wij waren gestopt om onze paarden te halen in
de nacht dat Cicero uit Rome weg vluchtte. Milo sprong met getrokken zwaard
zijn rijtuig uit en liep langs de kant van de weg om te kijken wat er aan de
hand was. Overal in de stoet stegen mannen af. Clodius’ helpers hadden
inmiddels de speer uit zijn ribben getrokken en hielpen hem naar de herberg.
Hij was voldoende bij bewustzijn om half te kunnen lopen, ondersteund door zijn
metgezellen. Intussen waren groepjes mannen in tweegevechten gewikkeld langs de
weg en in de aangrenzende velden – wanhopige, woeste hakpartijen, soms te voet,
soms te paard -- in zo’n verward
strijdgewoel dat ik eerst Milo’s mannen niet kon onderscheiden van die van
Clodius. Maar langzaamaan merkte ik dat
die van ons, van Milo, aan de winnende hand waren, want wij waren driemaal
talrijker dan zij. Ik zag hoe verscheidene van Clodius’ mannen die de hoop op
de overwinning hadden opgegeven, hun handen in overgave omhoog staken of op hun
knieën vielen. Anderen gooiden gewoon hun wapens neer en renden of galoppeerden
weg. Niemand nam de moeite hen te achtervolgen.
Toen de strijd over was overzag Milo
met zijn handen in zijn zij het bloedbad en gebaarde toen naar Birria (een
enorme gladiator) en een paar anderen dat ze Clodius uit de herberg moesten
ophalen.
Ik steeg van mijn paard. Ik had geen
idee wat er nu zou gebeuren. Ik liep op Milo af. Net op dat moment kwam er een
kreet, of eerder een gil, vanuit de herberg en Clodius werd naar buiten
gedragen door vier gladiatoren die ieder een arm of been vasthielden. Milo
moest een rekensommetje maken: zou hij Clodius laten leven en de gevolgen
aanvaarden, of hem doden en de zaak afhandelen? Zij legden hem aan zijn voeten
neer op de weg. Milo pakte een speer van de man die naast hem stond, beproefde
de punt met de duim, zette hem midden op Clodius’ borst, greep de schacht vast
en ramde hem met volle kracht naar binnen. Er spoot bloed uit Clodius’ mond.
Daarna hakte iedereen om beurten in op het lichaam, maar ik kon het niet
opbrengen te blijven kijken.
Harris,
914.
“En als ik
word aangeklaagd,” antwoordde Milo sluw, “verdedig jij me dan?”
Ik had verwacht dat Cicero zou zeggen
dat dat onmogelijk was. Maar hij zuchtte alleen en streek met zijn hand door
zijn haar. “Luister naar me, Milo – luister goed. Toen ik in het diepste dal
van mijn leven zat zes jaar geleden in Thessalonica, was jij de enige die me hoop bood.
Daarom kun je er gerust op zijn dat ik me niet van je zal afwenden, wat er ook
gebeurt. Maar in vredesnaam, laat het ook niet zover komen.”
Het
onderzoek leidde tot het moordproces van Milo begin april en Cicero werd
verzocht zijn belofte om hem te verdedigen in te lossen. Dat was de enige keer
dat ik meemaakte dat hij zwaar leed onder de spanning. Pompeius had het
stadscentrum volgepakt met soldaten om de orde te handhaven, maar het effect
daarvan was geenszins geruststellend. Ze blokkeerden elke toegang tot het forum
en bewaakten de voornaamste openbare gebouwen.
Milo
wordt verbannen uit Rome en gaat naar Marseille, waar hij van een rustige oude
dag geniet.
vrijdag 24 december 2021
Verbannen. (verg. Rodenko)
Welnu, van de drie machtigste mannen was Crassus (zie ook: grappen) een openlijke vijand van Cicero, Pompeius wilde van twee walletje eten, en op Caesar kon Cicero voorlopig niet te rekenen, omdat hij op het punt stond naar Gallië te vertrekken. Cicero dacht bij Caesar in het gevlei te komen door aan te bieden hem op zijn veldtocht te vergezellen (hoewel Caesar nou niet bepaald zijn vriend was, eerder een voorwerp van wantrouwen vanwege de zaak Catilina) , maar toch vroeg Caesar Cicero om hem als vertegenwoordiger van de Romeinse staat (legaat) bij te staan.
Meteen toen
Clodius ervan de lucht kreeg dat Caesar hiermee wilde instemmen en bedacht dat
Cicero dan aan zijn macht als volkstribuun (1) zou weten te ontsnappen, deed hij het
voorkomen dat hij eropuit was om zich met Cicero te verzoenen. Hij schoof de
schuld, dat Cicero tegen hem had getuigd, vooral Terentia, de vrouw van Cicero, in de
schoenen. Steeds praatte hij over Cicero in de meest beminnelijke bewoordingen
en was altijd vol lof over hem. Hij deed het voorkomen dat hij geen
haatgevoelens of zelfs wrok jegens hem koesterde. Zijn klachten waren van milde
aard om hem vriendelijk te stemmen. Uiteindelijk wist hij Cicero’s angst zo te
temperen dat Cicero ervan afzag als vertegenwoordiger van de Romeinse staat in
het leger van Caesar dienst te nemen. En hij wijdde zich weer aan zaken van
publiek belang en bleef in Rome.
Maar dit
gedrag ergerde Caesar. Die moedigde daarop Clodius aan om Cicero te vervolgen.
Cicero had Pompeius helemaal van zich vervreemd. Clodius verklaarde ondertussen in het
openbaar waar iedereen bij was, dat hij vond dat het rechtens en wettelijk niet
in de haak was, dat men zonder een fatsoenlijk proces van hoor en wederhoor Lentulus,
Cethegus en hun medeplichtigen in de zaak Catilina terecht had gesteld, zoals
Cicero had gedaan. Want dit was de aanklacht die tegen Cicero werd ingebracht
en waartegen hij in verweer moest gaan. Toen het eenmaal zover was en Cicero
gevaar liep te worden vervolgd, trok hij rouwkleding (2)
aan en droeg hij zijn haar lang en onverzorgd, omdat hij deze mensen ter dood had
veroordeeld. En hij liep er zo in het publiek openlijk mee rond om hun om
vergiffenis te smeken.
Maar Clodius
zocht overal op straat de confrontatie, vergezeld door een bende vrijpostige en
onbeschofte gasten. Zij maakten hem zonder zich in te houden belachelijk over
zijn kledij. En vaak bekogelden ze hem met modder en stenen, waardoor hij aan
de mensen niet duidelijk kon maken, waarom hij vroeg.
Maar
aanvankelijk trokken ook de ridders (3) net als
Cicero rouwkleding aan om hem hun steun te betuigen. Wel 20 duizend jongeren
begeleidden hem als hij zich in het openbaar vertoonde, met onverzorgd haar en
steunden hem in zijn beroep op het volk om vergiffenis. En toen de senaat bij
elkaar kwam om te verordenen dat iedereen rouwkleding moest gaan dragen om aan
te geven dat een openbare ramp op handen was, gaf Clodius met wapengekletter
rond de vergaderzaal van de senaat zijn
ongenoegen met de gang van zaken te kennen. Veel senatoren stormden daarop naar
buiten om de rebellen een lesje te leren, gekleed en jammerend in rouw.
Cicero moest
zich voor hulp tot Pompeius wenden, omdat de aanblik van al die rouwende mensen
Clodius’ gemoed niet kon vermurwen. Cicero moest kiezen tussen ballingschap of
een beroep doen op geweld en de degens tegen Clodius kruisen, die van geen
wijken wist. Maar Pompeius had opzettelijk de wijk genomen naar het platteland,
waar hij in de Albaanse heuvels een onderkomen had. Eerst stuurde Cicero Piso,
zijn schoonzoon, om met hem te onderhandelen. Daarna ging er zelf naartoe.
Pompeius zag
huizenhoog op tegen zijn komst, want hij schaamde zich door en door voor deze
man, die zich zó voor hem had ingespannen en een voor hem gunstige politieke
weg was ingeslagen alleen om hem tegemoet te komen. Maar nu hij getrouwd was
met de dochter van Caesar, kon hij Cicero’s verzoek niet weigeren tenzij door
hem te ontwijken en geen acht te slaan op het aan hem verschuldigde respect.
Daarom sloop Pompeius bij de komst van Cicero uit zijn huis langs een andere
weg als waarlangs Cicero binnenkwam en ontliep zo het onderhoud. Zo door hem
verraden en aan zijn lot overgelaten, wendde Cicero zich om hulp tot de andere consuls,
Gabinius en Piso.
Gabinius was Cicero altijd al vijandig gezind, maar de andere consul, Piso, trad
hem vriendelijker tegemoet en gaf het advies om afstand te nemen en zich niet
te laten provoceren door de heftige aanvallen van Clodius op zijn persoon. Na
verloop van tijd zou de razernij van Clodius bedaren en kon Cicero nogmaals zijn
land redden van de opruiende en ellendige rampspoed waarin de republiek dankzij
Clodius terecht was gekomen (4).
Toen hij dit
advies kreeg als antwoord, riep Cicero de raad in van zijn vrienden: Lucullus drong erop aan in de stad te
blijven, omdat hij dacht dat Cicero wel de ellende zou doorstaan en er als een
overwinnaar uit te voorschijn zou komen. Maar alle anderen raadden hem aan in
ballingschap te gaan, in de overtuiging dat het volk spoedig naar hem zou
terugverlangen, als het de gekte en dwaasheid van Clodius zat was.
Cicero besloot in ballingschap te gaan. Hij nam het standbeeld van Minerva dat lang bij hem in huis had gestaan en waarvoor hij groot ontzag koesterde, en verplaatste het naar het Capitool. Hij gaf het als wijgeschenk weg met het opschrift: “Voor Minerva, Beschermster van Rome”. Middernacht sloop hij zo de stad uit vergezeld van een select groepje vrienden. Te voet ging hij op weg via Lucania naar Sicilië, omdat hij daar hoopte onderdak te vinden.
Maar zo vlug
als bekend werd dat hij was gevlucht, liet Clodius het volk – de plebejers; zie ook: opstand van het volk) -- meteen stemmen om hem voorgoed
uit Italië te verbannen. Hij vaardigde een edict uit waarin stond dat iedereen
hem vuur en water moest weigeren, en dat niemand hem onderdak mocht verlenen
binnen een straal van 500 mijl (de Romeinse mijl was ongeveer 1,5 kilometer) van Italië. Nu was het zo dat de meeste mensen niet het
minste geringste acht daarop sloegen uit respect voor Cicero. Zij begeleidden
hem op zijn tocht naar Sicilië met alle tekenen van vriendschap.
Maar te
Hipponium (5), een stad in Lucania, die heden ten
dage Vibo heet, wilde Vibius hem niet ontvangen, ook al had hij veel profijt
gehad van zijn vriendschap met Cicero, in het bijzonder omdat Cicero hem Hoofd
van de engineers had gemaakt. Wél bood hij zijn landhuis aan voor onderdak als
alternatief. En ook Caius Vergilius, de praetor (6) van
Sicilië, die op heel erg goede voet stond met Cicero, schreef hem, uit Sicilië
weg te blijven.
Door deze
behandeling ontmoedigd, ging Cicero naar Brindisi om zich te laten inschepen voor
Dyrrhachium (7). Hij wilde op een stevige wind
mee oversteken naar de tegenoverliggende kust, maar door tegenwind werd hij
juist gedwongen de volgende dag terug te keren. Daarop probeerde hij het nog
een keer en die keer lukte de overtocht. Verder wordt er verteld dat toen hij
Dyrrhachium binnenliep en aan land wilde gaan, er zich een aardbeving voordeed die
vergezeld ging van een tsunami, een geweldige torenhoge samentrekking van de
zee. De waarzeggers maakten hieruit op dat zijn ballingschap niet lang zou
duren, omdat zij hierin tekenen van verandering zagen.
Ook al
bezochten veel mensen hem met de beste bedoelingen en wedijverden de Griekse
steden onder elkaar om hem als vluchteling te ontvangen (8) door afvaardigingen naar Cicero te sturen, toch bracht hij
ondanks dit alles het grootste deel van de dag door neerslachtig en gebukt
onder groot verdriet. Hij staarde in de richting van Italië als een ontroostbare
minnaar, die zijn geliefde heeft verloren. Zijn stemming was zo dat hij begon
te piepen om elke kleinigheid. Dan weer was hij tegen iedereen door en door
gemeen. Dit alles kwam door het ongelukkige lot dat hem getroffen had. Hij
voelde zich meer vernederd dan je zou verwachten van iemand die altijd alles zo
luchtig had opgenomen (9).
En toch
vroeg hij vaak zijn vrienden hem niet een redenaar (10) te noemen. Hij had ervoor gekozen om
de filosofie tot zijn vak te maken en hij beschouwde de kunst van de
redevoering (het debat) een middel om de noodzakelijke stappen te zetten in een
politieke carrière. De publieke opinie is in staat om redelijke verbanden weg
te spoelen als kleur die verbleekt uit de ziel van de mens. De kracht van
bekend veronderstelde associaties maakt, dat we het gevoel hebben dat diegenen
die zich in het politieke leven ophouden, zich met vulgaire zaken afgeven. Alleen
als iemand zich heel erg ervoor hoedde wanneer hij zich bemoeide met de
buitenwereld en er zich strikt aanhield zich alleen met de zaak zelf (11) in te
laten, kon een politicus voorkomen door de politiek besmet te raken.
Clodius,
ondertussen, na Cicero uit Rome te hebben verdreven, stak zijn villa’s in de
fik, verbrandde tot op de grond zijn huis. Op de plaats van zijn woning op de
Palatijn bouwde hij een Tempel voor de Vrijheid
(12). De rest van zijn eigendommen bood
hij te koop aan en maakte daar dagelijks reclame voor, maar niemand wilde wat
dan ook kopen. De patriciërs (dus de mensen die Cicero altijd had verdedigd)
vonden dit geweldig! Het volk, vooral de brutalen en provocateurs onder hen, liet
zich meesleuren in de opinie van de patriciërs. Clodius nam het op tegen
Pompeius door de politieke regelingen ongeldig te verklaren die Pompeius
voordelig had weten af te sluiten met betrekking tot de afloop van zijn
veldtocht in Klein Azië.
Deze smaad leidde ertoe dat Pompeius van kamp verwisselde.
Hij verweet zichzelf dat hij Cicero zo in de steek had kunnen laten. Hij stelde
alles in het werk om de terugkeer van Cicero te bespoedigen. Ook zijn vrienden
streefden ernaar dat Cicero kon terugkeren. Maar door het verzet van Clodius
tegen de terugkeer, nam de senaat ondertussen geen beslissingen meer. Ook
onthield het zich van het behartigen van de publieke belangen, tenzij Cicero
werd toegestaan terug te keren. (x)
(Harris, 711)
Op het
podium aan de andere kant van de zaal, omringd door zijn lictoren, stond Caesar
in zijn gewaad van hoge priester, geflankeerd door Pompeius, die er dwaas
uitzag met zijn augurenmuts op en gekromde staf in zijn hand. Rondom
stonden ook diverse andere priesters, onder wie Crassus, die op Caesars verzoek
in het college was ingelijfd ter vervanging van Catulus. Dicht bij elkaar op de
houten banken als binnen een hek gedreven schapen, zat de curia, de dertig
bejaarde grijsaards die ieder aan het hoofd stonden van een stadstribus. Het plaatje werd afgemaakt door
Clodius met zijn goudgele krullen, neergeknield op het middenpad naast een
andere man. Bij het geluid van onze binnenkomst draaide iedereen zich om, en
nooit ben ik de grijns van triomf op het gezicht van Clodius vergeten toen hij
Cicero zag – een blik van bijna kinderlijke ondeugd, al maakte die snel plaats
voor een uitdrukking van paniek toen zijn zwager op hem af beende, met Cicero
in zijn kielzog.
“Wat is hier verdomme aan de hand?” riep Celer, de zwager van Clodius.
“Metellus Celer,” antwoordde Caesar met krachtige stem, “dit is een religieuze
plechtigheid. Onheilig haar niet!”
“Een religieuze plechtigheid! Met Rome’s hoofdontheiliger hier op zijn knieën,
de man die je eigen vrouw heeft geneukt!” Hij schopte naar Clodius, die van hem
wegvluchtte in de richting van Caesars voeten.
“En wie is deze figuur?” vroeg hij. Hij torende dreigend boven de andere
ineengedoken man uit.
“Laten we eens kijken wie zich bij de familie heeft aangesloten!’ Hij trok hem
bij zijn nekvel overeind en draaide hem een halve slag om hem aan ons te laten
zien, een rillende puisterige jongen van een jaar of twintig.
“Toon enig respect voor mijn aangenomen vader,” zei Clodius, die ondanks zijn
angst zijn lachen niet kon inhouden.
“Jij, verachtelijke…” Celer liet de jongeman los en richtte zijn aandacht weer
op Clodius. Hij bewoog zijn enorme vuist naar achteren om hem een dreun te
verkopen, maar Cicero pakte zijn arm vast.
“Nee, Celer, geef ze geen excuus om je te arresteren.”
“Wijze raad,” zei Caesar. Na een kort ogenblik liet Celer met tegenzin zijn
hand zakken.
“Dus jouw vader is jonger dan jij? Wat een klucht!” Clodius lachte zelfgenoegzaam.
“Hij is de beste die we zo vlug konden vinden.”
Ik heb geen
idee wat de tribusoudsten – die geen van allen onder de vijftig waren – van
deze vertoning moeten hebben gedacht. Velen waren oude vrienden van Cicero. We
hoorden later dat Caesars handlangers hen uit hun huis of van hun werk hadden
geplukt en voortgeduwd naar het Senaatsgebouw, waar hun min of meer bevolen was
de adoptie van Clodius goed te keuren.
“Zijn we hier klaar?” vroeg Pompeius. Hij zag er niet alleen belachelijk uit in
zijn augurenkledij, maar voelde zich overduidelijk ook zo.
“Ja, wij zijn klaar,” zei Caesar. Hij hield een hand op alsof hij zijn zegen
gaf bij de voltrekking van een huwelijk.
“Publius Clodius Pulcher, uit hoofde van mijn ambt als pontifex maximus
verklaar ik dat je nu de aangenomen zoon bent van Publius Fonteius, en dat je
in het staatsregister zult worden bijgeschreven als plebejer. Aangezien je
verandering van status meteen ingaat, mag je je als tribuun verkiesbaar
stellen, als je dat wilt.”
Clodius
wordt tot volkstribuun gekozen en keert zich tegen Cicero. Hij stelt een
juridische procedure tegen Cicero in gang. Caesar speelt op deze bedreiging in.
(Harris, pag 731):
“Hoor eens,
Cicero,” zei Caesar, “ als hij inderdaad een bedreiging gaat vormen, kun je
altijd bij mij aankloppen voor steun.” Van z’n stuk gebracht door Caesars
aanbod vroeg Cicero:
“Echt? Op wat voor manier dan?”
“Met dit verenigde commando zal ik veel op veldtocht zijn. Ik heb dan een
legaat (een vertegenwoordiger) nodig die belast is met het burgerbestuur in
Gallië. Jij zou ideaal zijn voor die post. Je hoeft er niet eens veel tijd door
te brengen, je kunt zo vaak naar Rome terugkeren als je wilt. Maar, als ik je
toevoeg aan mijn staf, ben je immuun voor rechtsvervolging. Denk er eens over
na. En als je me nu wilt excuseren.”
Met een beleefd hoofdknikje liep hij
weg om een tiental andere senatoren te woord te staan die luidruchtig om zijn
aandacht vroegen.
---
De
verkiezingen van dat jaar werden later dan anders gehouden, dankzij Bibulus’ herhaalde
aankondigingen dat de auspiciën ongunstig waren. Maar de kwade dag kon niet
eeuwig worden uitgesteld en in oktober verwezenlijkte Clodius zijn grote
ambitie en werd met een meerderheid van stemmen tot volkstribuun gekozen.
Cicero besloot zichzelf de kwelling niet aan te doen om naar het Marsveld te
gaan en de uitslag te vernemen. Dat was helemaal niet nodig, want we konden het
uitgelaten gebrul ook wel horen zonder dat we het huis verlieten. Op de tiende
dag van december werd Clodius beëdigd als tribuun.
pag. 736
Zoals ik had geraden waren het nieuwe wetsvoorstellen, twee om precies te zijn, die Clodius had uitgevaardigd. De ene ging over toewijzing van consulaire provincies voor het volgende jaar en bedeelde Calpurnius Piso met Macedonië en Aulus Gabinius met Syrië (als ik me goed herinner). Het
andere wetsvoorstel was erg kort, niet meer dan één regel: “Het wordt als een halsmisdaad beschouwd om water en vuur aan te bieden aan iedere persoon die Romeinse staatburgers zonder proces ter dood heeft laten brengen.” Ik keek er verdwaasd naar, zonder er aanvankelijk de betekenis van te begrijpen. Dat het tegen Cicero gericht was, had ik wel door. Maar hij werd niet genoemd. pag 743
De volgende
ochtend stond ik met Cicero’s huismeester te praten toen ik Cicero voor het
eerst in twee weken voorzichtig de trap zag afdalen. Mijn adem stokte in mijn
keel. Het was alsof ik een spook zag. Hij had zijn normale toga laten hangen en
droeg een oude zwarte tunica om te laten zien dat hij in rouw was. Zijn wangen
waren ingevallen, zijn haar piekte alle kanten op, zijn witte stoppelbaard gaf
hem het voorkomen van een oude zwerver.
Cicero roept
de hulp in van Pompeius (pag. 745):
“Het spijt
me heel erg,” zei Julia (de dochter van Caesar en de vrouw van Pompeius) “maar
mijn man is weggeroepen.” Ze bloosde en keek naar de deur. Ze was het duidelijk
niet gewend te liegen. Cicero’s gezicht betrok enigszins, maar toen herstelde
hij zich:
“Dat geeft niet,” zei hij “Ik wacht wel.”
Maar hij kon
wachten tot hij een ons zou wegen, Pompeius kwam niet tevoorschijn (pag. 747):
Toen het
nieuws van Pompeius’ verraad bekend werd leek het gedaan met Cicero, en ik
begon discreet te pakken in afwachting van een snel vertrek uit Rome. Dat wil
niet zeggen dat iedereen hem meed. Honderden mensen hulden zich in rouw om hun
solidariteit te tonen en met een krappe meerderheid stemde zelfs de senaat voor
om zich in het zwart te kleden als teken van medeleven.
Het mag niet
baten. Cicero slaat op de vlucht (pag. 758):
Het was een
maanloze nacht, en toen we de top van de treden bereikten zagen we onder ons
minstens tien fakkels langzaam de heuvel op komen. Iemand in de verte gaf een
vreemde vogelroep ten gehore, die werd beantwoord met eenzelfde kreet van een
plek dicht achter ons. Ik voelde hoe mijn hart begon te bonken.
“Ze zijn op weg,” zei Cicero zacht. “Hij laat er geen gras over groeien.” We
haastten ons over de treden omlaag en sloegen aan de voet van de Palatijn links
af een smalle steeg in. We bewogen ons dicht langs de muren en maakten
zorgvuldig een bocht langs geblindeerde winkels en slapende huizen tot we op de
hoofdstraat vlak bij de Porta Capena uitkwamen. De portier was omgekocht om de
voetgangersdeur te openen en stond ongeduldig te wachten terwijl wij
fluisterend afscheid namen van onze beschermers. Daarna stapte Cicero door de
smalle poort, op de voet gevolgd door mij en nog drie jonge slaven die zijn
bagage droegen.
We spraken of rustten niet tot we zeker twee uur hadden gelopen en ook de monumentale tombes langs de kant van de weg achter ons hadden gelaten die destijds beruchte schuilplaatsen waren voor dieven. Toen besloot Cicero dat het veilig was om even te stoppen. Hij ging op een mijlsteen zitten en keek terug in de richting van Rome. Een vage rode gloed, te vroeg voor het ochtendgloren, karmozijnrood in het midden en oplossend in roze strepen, kleurde de hemel en omlijnde de lage zwarte bulten van de heuvels van de stad. Het was ongelooflijk om te bedenken dat een brandend huis zo’n onmetelijk hemels effect kon creëren. Als ik niet beter had geweten, zou ik hebben gezegd dat het een voorteken was.
Harris, pag.
785
We
vertrokken uit de haven op een heldere, koude winterochtend vol verschroeiend
blauw. Zee en hemel, lichtblauw en donkerder, de lijn die ze scheidde
messcherp, de afstand naar Messina maar drie mijl. Het kostte ons minder dan
een uur. We kwamen zo dichtbij dat we Cicero’s medestanders naast elkaar op de
rotsen konden zien staan om hem welkom te heten. Maar tussen ons en de ingang
van de haven lag een oorlogsschip dat het rood en groen voerde van de
gouverneur van Sicilië, Gaius Vergilius, en toen we de vuurtoren naderden,
werd het anker opgehaald en voer het schip traag naar voren, om ons de pas af
te snijden. Vergilius stond aan de reling, omringd door zijn lictoren. Eerst
schrok hij zichtbaar van Cicero’s sjofele verschijning, toen riep hij een
groet, waar Cicero vriendelijk antwoord op gaf. Ze hadden vele jaren samen in
de senaat gezeten.
Vergilius
vroeg hem naar zijn bedoelingen. Cicero riep terug dat hij uiteraard van plan
was aan land te komen.
“Dat heb ik gehoord,” antwoordde Vergilius. “Helaas kan ik dat niet toestaan.”
“Waarom niet?”
“Vanwege de nieuwe wet van Clodius.”
“En wat mag die nieuwe wet dan wel zijn? Het zijn er zoveel, je raakt de tel
kwijt!” Vergilius gebaarde naar een staflid dat een document tevoorschijn
haalde en zich omlaag boog om het aan mij te overhandigen en daarna gaf ik het
aan Cicero. Nog altijd kan ik me herinneren hoe het door het briesje fladderde
in zijn handen, als een levend wezen; het was het enige geluid in de stilte.
Hij nam de tijd en toen hij uitgelezen was, gaf hij het zonder commentaar aan
mij.
Lex
Clodia in Ciceronem
Overwegende
dat M.T. Cicero Romeinse burgers zonder verhoor of vonnis ter dood heeft
gebracht en voor dat doel het gezag en de besluiten van de senaat heeft
vervalst, wordt hierbij verordend dat hem tot op vierhonderd mijlen van Rome
geen toegang tot vuur en water kan worden verschaft; dat niemand hem onderdak
kan bieden of ontvangen, op straffe des doods; dat zijn gehele have en goed
verbeurd worden verklaard; dat zijn huis in Rome zal worden gesloopt en dat op
de plaats ervan een schrijn voor Libertas zal worden ingewijd; en dat wie hem
tracht terug te halen door daad, woord, stemgedrag of op welke wijze dan ook,
als een vijand van de republiek zal worden behandeld, tenzij diegenen die
Cicero wederrechtelijk ter dood heeft veroordeeld eerst weer tot leven komen.
Cicero besluit
naar Macedonië te vluchten (Harris, pag. 792):
Op ongeveer
een mijl afstand ontdekte ik een muur van zwarte rotsen die uit de branding
stak. Ik nam aan dat we terug naar huis waren geblazen en dat dit de kust van
Italië moest zijn. Maar de kapitein lachte om mijn onwetendheid en zei dat het
Illyrië was, en dat dit de beroemde klippen waren die
de oeroude stad Dyrrachium (13) beschermden.
Maar ook
hier is Cicero niet zo welkom als door Plutarchus gesuggeerd. Zijn verblijf is
anoniem. (Harris, pag. 795):
Er werd een
bewaker bij de ingang geplaatst. Plancius had zijn bedienden verteld dat zijn
anonieme gast een oude vriend was, die aan heftige smart en melancholie leed.
Zoals alle goed leugens was deze ook gedeeltelijk waar. Cicero at amper, sprak
bijna niet en kwam ook bijna niet zijn kamer uit; soms was zijn gehuil door het
hele huis te horen. Hij ontving geen bezoekers, zelfs zijn broer Quintus niet,
die op weg naar Rome langs kwam, na het afronden van zijn termijn als
gouverneur van Azië: “Je zou je broer
niet herkennen als de man die je je herinnert,” zo smeekte hij, “hij
heeft niets meer van hem weg, hij lijkt enkel nog een ademend lijk.”
…….
Terentia
beschreef hoe de zwartgeblakerde muren van het familiehuis op de Palatijn waren
gesloopt, zodat daar Clodius’schrijn voor Libertas –hoe ironisch – kon worden
opgericht. De villa in Formiae was leeggeplunderd, ook op het landgoed in
Tusculum was ingebroken, en zelfs enkele van de bomen in de tuin waren door de
buren meegenomen. Dakloos had ze haar toevlucht gezocht bij haar zuster in het
Huis van de Vestaalse Maagden.
Maar op een
dag staat Milo, Cicero’s bevrijder, met een gladiator voor de deur (Harris, pag.
802)
“Goed dan,”
zei Milo, en toen vertelde hij ons wat hij Pompeius had voorgesteld: hij kon
hem honderd koppels goedgetrainde vechters ter beschikking stellen, om het
centrum van Rome te heroveren en zo een einde te maken aan Clodius’ macht over
de wetgeving. In ruil had hij om een zeker bedrag gevraagd, om de kosten te
dekken, en ook om Pompeius’ steun tijdens de tribuunverkiezingen: “Ik kon dit
niet gewoon als een burger doen, begrijpt u – dan zou ik vervolgd worden. Ik
zei hem dat ik de onschendbaarheid van het ambt nodig had."
vrijdag 3 december 2021
Het complot houdt
in dat Hortensius en Crassus uit wraak het erop aanleggen dat Cicero moet getuigen in de zaak tegen
Clodius, de rebel. Cicero heeft Hortensius
en Crassus met gefingeerde brieven waarin hij doet alsof Catilina en consorten de staat omver willen werpen, ertoe verleid op hun gezag en dat van Cicero Catilina te
arresteren, te berechten en uiteindelijk ter dood te brengen. Later, door de
getuigenis tegen Clodius, komt Cicero zelf in de problemen, doordat de jeugd
hem het leven zuur maakt. Uiteindelijk wordt hij zelfs verbannen (Deel 3). Hortensius,
Crassus en niet te vergeten Clodius hebben wraak op hem genomen.
Resultaat van een Complot.
Alvorens verder te gaan in mijn verhaal, wil ik in herinnering roepen dat Cicero eerst een vriend was van Clodius, de rebel. En in de zaak Catilina (1) had Clodius Cicero onschatbare diensten bewezen, in de samenwerking en beveiliging van zijn persoon. Maar toen Clodius op de klacht van heiligschennis, die tegen hem ingebracht werd, nadrukkelijk antwoordde dat hij zelfs niet in Rome was op het moment dat het voorval in het huis van Caesar gebeurde. En hij beweerde dat hij elders was ver van de plaats des onheils, getuigde Cicero tegen hem door te verklaren dat Clodius die dag bij hem thuis was geweest en hem over bepaalde zaken had geraadpleegd, en dat was waar.
Men dacht
echter dat Cicero deze verklaring niet afgaf om waarheidsvinding, maar dat het
een truc was van zijn vrouw, Terentia, om wraak te nemen op Clodia, de zuster
van Clodius, van wie zij dacht dat haar man een oogje op haar had. Want er was
vijandschap tussen haar en Clodius vanwege het doen en laten van zijn zuster
Clodia. Terentia dacht dat de mooie Clodia haar zinnen erop had gezet haar man
te verleiden om met hem te trouwen (2). Zij
bediende zich daarbij van een zekere Tullus (3).
Tullus was een medewerker en bijzondere vertrouweling van Cicero. En de
voortdurende bezoekjes en attenties van Cicero aan Clodia, die nu naaste buren
van elkaar waren, maakten Terentia jaloers en wantrouwig.
Zo komt het
dat omdat Terentia zo haar meedogenloze methodes had en zij grote invloed (4) op Cicero had, zij hem ertoe aanzette om zich in
te laten met de aanval op Clodius en het afleggen van zijn getuigenis tegen
hem. Immers, er waren veel mannen uit de hogere klasse die tegen hem getuigden
vanwege meineed, roekeloosheid, omkoping van de massa’s bij verkiezingen en
omgang met verderfelijke vrouwen. En Lucullus (5)
kwam op de proppen met slavinnen die getuigden dat Clodius verkeerde met zijn
jongste zuster, Clodia, toen zij met Lucullus getrouwd was.
Maar, de
publieke opinie keerde zich in die dagen tegen hen die manipuleerden en tegen Clodius
getuigden. De jury had de schrik te pakken en beveiligden zich. En toen ze
schuldig of onschuldig moesten stemmen op hun kleitablet was hun schrift
onleesbaar (7) gemaakt. Hoe het ook zit, degenen
die voor vrijspraak waren, waren in de meerderheid. Volgens sommigen was de
jury omgekocht.
Toen Catulus
met die uitslag werd geconfronteerd, merkte hij op: “Jullie hebben niet voor
niets veiligheidsmaatregelen genomen. Jullie waren bang dat iemand jullie het geld
afhandig zou maken.” En Cicero zei tegen Clodius, toen die schamper opmerkte
dat Cicero door zijn krediet heen was bij de jury, omdat er zoveel stemmen
tegen Cicero waren uitgebracht: “Daarin heb je geen gelijk, vijfentwintig
juryleden gaven me wél krediet door niet voor vrijspraak te stemmen. En de andere
dertig gaven jóu krediet, niet omdat ze je wilden vrij spreken, maar omdat jij
ze nog moet betalen.”
Toen Caesar
moest getuigen, legde hij geen getuigenis af ten laste van Clodius, en ontkende
dat zijn vrouw overspel had gepleegd, maar zei dat hij haar het huis had
uitgezet omdat de vrouw van Caesar (8) boven
elke blaam verheven diende te zijn, en dat niet alleen wat haar gedrag betreft,
maar dat ze zelfs verheven diende te staan boven elke vorm van roddel om haar
te schande te maken.
Clodius wist
zo op het nippertje aan het gevaar van veroordeling te ontkomen. En nadat hij
tot tribuun (9) was gekozen, begon hij meteen
Cicero aan te vallen door iedereen en alles tegen hem in het geweer te brengen
en onrust te stoken. Hij won de sympathie van het volk door het uitvaardigen
van het volk gunstige wetten (10) en door rijke
en grote provincies toe te wijzen aan de vertrekkende consuls (11) (Macedonië ging naar Piso en Gabinius kreeg
Syrië), door het opnieuw in het leven roepen van wijkcentra kon hij de arme
klasse (12) organiseren in een politieke
beweging. Arme slaven zorgden voor zijn veiligheid.(x)
In de rechtbank, Cicero: ‘Daar
de vermoede schanddaad onder het eigen dak van de hoogste priester is begaan,
kan hij (Caesar) ons wellicht de moeite besparen te wachten op de uitkomst van
een onderzoek en ons nu vertellen of er wel of niet een vergrijp is gepleegd.’
Caesars gezicht stond zo strak dat ik
zelfs vanaf mijn oude plekje buiten bij de deur – waarnaar ik had moeten
terugkeren nu Cicero geen consul meer was – een spier in zijn kaak zag
vertrekken toen hij opstond om antwoord te geven. ‘De riten van de Goede Godin zijn geen zaak voor
de hoogste priester (Caesar was pontifex maximus), aangezien hem niet eens is
toegestaan aanwezig te zijn bij de viering ervan.’ Hij ging weer zitten.
Cicero mat zich een verblufte blik
aan en verhief zich weer. ‘Maar had niet de eigen vrouw van de hoogste priester
de leiding over de ceremonie? Hij moet toch enige kennis hebben van wat er is
voorgevallen.’ Hij zeeg neer op zijn bank.
Caesar aarzelde heel even, stond op
en zei kalm: ‘Die vrouw is mijn echtgenote niet meer.’
Er ging een opgewonden gefluister
door de zaal. Cicero kwam weer overeind. Nu klonk hij echt verbluft. ‘We mogen
er dus van uitgaan dat er inderdaad een schanddaad is gepleegd.’
‘Niet noodzakelijkerwijs,’ antwoordde
Caesar, en hij nam weer plaats.
Cicero ging staan. ‘Maar als er geen
schanddaad is gepleegd, waarom wil de hoogste priester dan van zijn vrouw
scheiden?’
‘Omdat de vrouw van de hoogste
priester boven alle verdenking moet staan.’
Harris
pag 617, later thuis bij Cicero:
Ik ben bang
dat mijn meester (Cicero) niet thuis is,’ zei ik (Tiro, de slaaf-stenograaf).
Clodius glimlach verbleekte even,
omdat hij uiteraard vermoedde dat ik loog. ‘Maar ik heb de hele gebeurtenis tot
een prachtig verhaal voor hem uitgewerkt. Hij moet het gewoon horen. Nee, dit
is belachelijk. Ik laat me niet wegsturen.’
Hij duwde zich langs mij heen en liep
de brede hal door en de bibliotheek in. Ik volgde hem handenwringend. Maar tot
zijn verrassing en de mijne was er niemand te bekennen. Er was een kleine deur
in de hoek aan de andere kant van het vertrek waar de slaven door in en uit
gingen, die toen we ernaar keken zachtjes dichtging. … ‘Nou,’ zei Clodius, en
hij klonk plotseling ongemakkelijk,’ zeg hem maar dat ik langs ben geweest.’
Harris,
pag. 628 e.v.
Te midden van al die opschudding was het mogelijk te geloven dat de kwestie rond de Goede
Godin vergeten zou worden. Er was nu meer dan een maand verstreken sinds het
vergrijp en Clodius had zich zorgvuldig op de achtergrond gehouden. De mensen
hadden het alweer over andere dingen. Maar een paar dagen na de terugkomst van
Pompeius overhandigde het college van priesters eindelijk een oordeel over de
gebeurtenis aan de senaat. Pupius, de leidende consul, was een vriend van
Clodius en wilde het schandaal graag in de doofpot stoppen. Niettemin was hij
gedwongen het verslag van de priesters voor te lezen, en hun mening loog er
niet om. Het gedrag van Clodius was een duidelijk geval van nefas (13) geweest – een
oneerbiedige daad, een zonde, een misdrijf tegen de godin, een gruwel.
pag. 637
Vanaf die
dag wees hij steeds als hij op het forum sprak naar Cicero’s nieuwe huis op de
Palatijn, hoog verheven boven de hoofden van de menigte, als een volmaakt
symbool voor dictatorschap. ‘Kijk hoe de tiran, die burgers zonder behoorlijk
proces heeft omgebracht, van zijn werk heeft geprofiteerd. Geen wonder dat hij
naar nieuw bloed smacht.’ (14) Cicero betaalde
met gelijke munt terug. De beledigingen werden steeds dodelijker. Soms stonden
Cicero en ik op het terras te kijken naar hoe de beginnende demagoog aan het
werk was, en hoewel we hem niet konden verstaan, daarvoor was de afstand te
groot, hoorden we wel het applaus van het publiek en herkenden we wat we zagen:
het monster dat Cicero dacht verslagen te hebben (Catilina), begon weer teken
van leven te vertonen.
pag. 645
Op de vierde
dag begon de verdediging met zijn pogingen Clodius uit het moeras van
vunzigheid te trekken. Het leek een hopeloze taak. want niemand ook Curio niet, twijfelde er serieus aan dat
zijn cliënt zich schuldig had gemaakt aan het vergrijp. Niettemin deed hij zijn
best. De kern van zijn betoog hield in dat het hele voorval een eenvoudige
kwestie van persoonsverwisseling was geweest. Het huis was in het halfdonker
gehuld, de vrouwen waren hysterisch, de indringer vermomd – hoe kon iemand er
zeker van zijn dat het om Clodius ging? Dit was geenszins een overtuigende
benadering. Maar aan het eind van de ochtend kwam Clodius’ advocaat met een
verrassende getuige. Ene C. Causinius Schola, een ogenschijnlijk respectabele
burger uit Interamna (15), een stad op een mijl
of negentig afstand van Rome, liep naar voren en verkondigde dat Clodius de
betreffende avond met hem in zijn huis had doorgebracht. Zelfs onder
kruisverhoor was hij niet aan het wankelen te brengen, en hoewel zijn stem er
slechts één was tegen tien aan de andere kant, waaronder het ijzersterke
getuigenis à charge van Caesars eigen moeder, had hij iets heel geloofwaardigs.
Cicero, die toekeek vanaf de banken
die bestemd waren voor de oud-senatoren, wenkte me. ‘Of die vent liegt of hij
is knettergek,’ fluisterde hij. ‘Op de dag dat de ceremonie van de Goede Godin
werd gehouden kwam Clodius toch bij mij langs? Ik herinner me nog dat ik ruzie
met Terentia had over zijn bezoek.’
Nu hij het zei, wist ik het ook
weer, en ik antwoordde dat hij gelijk had. ‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg
Hortensius, die zoals gewoonlijk naast Cicero zat en mee had proberen te
luisteren.
Cicero keerde zich tot hem. ‘Ik zei
net dat Clodius die dag bij mij thuis was, dus hoe kan hij in godsnaam al rond
het vallen van de avond in Interamna zijn aangekomen? Zijn alibi slaat nergens
op.’ De woorden rolden er spontaan uit – als hij had nagedacht over de
implicaties ervan zou hij een stuk voorzichtiger zijn geweest.
‘Dan moet je een verklaring
afleggen,’ antwoordde Hortensius onmiddellijk. 'Dit getuigenis (van Schola)
moet nietig worden verklaard.’
(Die dag
kwam ook Cicero’s vrouw op hetzelfde idee.) Terentia had de kleine Marcus op
schoot. Opeens zette ze hem neer en droeg hem naar binnen en gaf hem aan de
kindermeisjes. Ze draaide zich om en keek haar man aan en zei: ‘Je mag het dan
niet leuk vinden, maar je moet het wel doen – je moet een verklaring afleggen,
zo niet in het belang van de republiek, dan wel in je eigen belang.’
Cicero was
eraan gewend verklaringen af te leggen in de getuigenbank -- het afgelopen jaar al minstens tien keer
tegen de samenzweerders van Catilina. Maar hij had nog nooit een dergelijk
hanengevecht hoeven trotseren, en de stadspraetor moest de zitting onderbreken
tot de orde hersteld was. Clodius zat met gevouwen armen en een grimmige blik
naar Cicero te kijken.
‘…Ik
herinner het me nog zeer goed.’ Cicero draaide zich van zijn ondervrager naar
de jury toe. ‘Hij was bij mij thuis.’
‘Vijfentwintig
juryleden achten de beklaagde schuldig, en eenendertig achtten hem onschuldig.
De rechtbank spreekt derhalve Publius Clodius Pulcher vrij van de hem ten laste
gelegde aanklachten, …’
De laatste woorden van de praetor gingen verloren in een geloei van bijval. Het was of de aarde overhelde. Ik voelde mezelf wankelen en toen ik mijn ogen opendeed, knipperend in het felle licht, zag ik Clodius de juryleden langsgaan om ze een hand te geven.




