donderdag 22 april 2021

 Wie spreekt, moet het doen! (Algerije, 2013)

Vage gedachtes (1) hielden Djha die ochtend in beslag. Uitgestrekt op het hoog wollen kleed op zijn ligbank, genoot hij van zoete dromen. Zijn vrouw, druk in de weer met duizend en een huiselijke bezigheden, zoals zij altijd maar weer zei, zag deze luilakkerij met ongenoegen aan. Zij riep hem toe:

“Djha! Ga eens het kalf in de stal vastzetten!”


Djha wendde zijn blik af en zonder ook maar even in beweging te komen om te doen wat zijn vrouw hem had gevraagd te doen, mompelde hij:
“Verdompt nog aan toe, ik kom niet van mijn plaats, nog met geen tien trekpaarden.”

Ik ben bezig koekjes te maken voor de buurvrouw die pas is bevallen. Jij denkt de hele dag te kunnen verdromen? Ga dat kalf vastzetten!”
“Het kalf vastzetten of niet, dat is de kwestie!? Wie van ons twee zal het kalf vastzetten? Dat is de vraag,” verklaarde Djha dromerig voor zich heen  starend, als een filosoof totaal onthecht (2) van alle wereldse beslommeringen.

Je kunt je voorstellen dat Djha een onweersbui voelde aankomen. Ongetwijfeld lag hij op zijn manier iets uit te broeden om te schuilen voor het onweer losbarstte. Hoe het ook zij, om van het gezeur van zijn vrouw af te zijn, stelde hij zijn vrouw voor:

“Muisje, luister eens! Wie van ons als eerste praat, moet het kalf vastzetten. Afgesproken? Dit gaat nu in!”

Mart-Djha was een koppige vrouw, maar zij nam toch de uitdaging aan, terwijl ze in de keuken in de weer was. Ze hield de mond. Ze had tenslotte alle tijd om te kletsen bij de buurvrouw! Opeens was er een bedelaar vóór de deur:


“In de naam van God, een aalmoes, alstublieft! Ik zie dat u goeie mensen bent. Geef me alstublieft een stuk brood te eten!”
Ook al is het geven van een aalmoes een heilige plicht, toch hielden Djha en zijn vrouw de mond. Ze gaven hem geen antwoord. Moe gejammerd ging de bedelaar het huis in. Hij was versteld een echtpaar te zien dat geen woord uitbracht, toen ze hem in de gaten kregen. Zou een djinn (een demon) hen met stomheid hebben geslagen? (3) Bedremmeld pakte hij vlug het stuk brood dat mart-Djha hem aanreikte, terwijl ze haar mond stijf dicht hield met de kaken op elkaar.
“Dank u wel! Dat God u belone met het honderdvoudige,” zei de bedelaar en ging er vlug vandoor.

Toen de koekjes eenmaal klaar waren, bracht mart-Djha ze naar de buurvrouw.
Daar zette ze zich in de kring van buurvrouwen, die op bezoek kwamen, en kletste zo veel ze maar kon. Ze raakte helemaal dronken van zichzelf te horen praten. Djha ondertussen was niet van zijn plaats gekomen, toen er ineens brand uitbrak in zijn huis. Was mart-Djha vergeten het fornuis uit te doen? De rook alarmeerde de buren, die allen samen tegelijkertijd schreeuwden:

“Brand! Brand! Het huis van Djha staat in brand!” (4)

Mart-Djha sprong overeind, toen ze het alarmerende geschreeuw buiten hoorde. Ongerust haastte ze zich naar huis, duwde de deur open en gilde door de wolk rook heen:
“Djha! M’n allerliefste man, waar zit je? Geef me antwoord? Ben je ongedeerd?”
Djha, duidelijk in goede gezondheid, stond langzaam van de ligbank op en zei triomfantelijk:
“Jij hebt als eerste gepraat! Er zit niks anders op dan dat jij het kalf gaat vastzetten.”

dinsdag 13 april 2021

 Een beetje lui. (Turkse variant, 19e eeuw!)

Ze zeggen dat de Hodja op een gegeven moment een kalf bezat. De ene dag gaf zijn vrouw het kalf water en eten; de andere dag was het de beurt van de Hodja (een geestelijk voorganger): ieder om de beurt.
Op een dag, toen het de beurt van de vrouw van de Hodja was om het kalf te voederen, was er tegelijkertijd een bruiloft (1) precies tegenover waar zij woonden. De buren hadden haar uitgenodigd te komen.
“Hoe gaan we dit doen?” zei ze tegen haar man.


“We gaan,” antwoordde die, “een overeenkomst met elkaar aan. Wie van ons beiden als eerst iets zegt, zal het kalf te eten en drinken geven.” (2)
“Akkoord,” antwoordde de vrouw.


Na dit met elkaar afgesproken te hebben, ging de hodja naar huis, en zijn vrouw ging naar de bruiloft bij de buren.

Nu was het geval dat er op die dag een groep Zigeuners (3) neerstreek in de omgeving, net buiten het dorp. De vrouwen verspreidden zich in de straten van het dorp, naar alle kanten kijkend op zoek naar buit. Eén van hen ging toevallig het huis van de hodja binnen. Daar heerste een absolute stilte. Aangekomen in de vrouwenvertrekken (harem) zag ze de hodja daar zitten, die met geen woord liet blijken dat hij haar aanwezigheid had opgemerkt. Ze sloop door het huis, en pakte alles naar haar gading en vulde daarmee haar plunjezak.

De hodja hield zich nog steeds van de stomme (4). Zij aarzelde niet lang pakte hem zijn kalotje (keppeltje?) en tulband (5) van het hoofd en nog steeds zei hij niets!
“Als ik iets zeg,” zei hij bij zichzelf, “moet ik het kalf te drinken en eten geven.” Hij nam dan ook geen enkele notie van het doen en laten van de zigeunerin die daarvan gebruik maakte door ervandoor te gaan en te ontsnappen.


In het huis van de het pas getrouwde stel werd net de maaltijd geserveerd (6)

De vrouw van de hodja nam in een schotel wat te eten voor de hodja mee. Toen zij haar huis binnenkwam, merkte ze meteen dat het huis helemaal was leeg geroofd, zelfs was van het hoofd van haar man het kalotje en de tulband gestolen. En zij verbrak dan ook het stilzwijgen en zei:
“Hodja, wat is hier toch gebeurd?  Waar zijn al onze spullen gebleven?”
“Jij bent de eerste die wat zegt,” riep Nasreddin (7), de hodja, haar opgewonden toe. Jij moet dan ook vandaag het kalf te drinken en eten geven!”

donderdag 8 april 2021

 Een klein woordje vooraf.

Dit is het eerste verhaal in een serie van zeven verhalen over Koppigheid. De oude verhalen zijn varianten van elkaar, maar alle zijn verteld in een ander land. De bedoeling is na te gaan of de te constateren verschillen tussen de verhalen iets vertellen over de landsaard van het land waarin het verhaal wordt verteld.


Achtereenvolgens komen aan de beurt: Iran (Perzië), het eerste verhaal, daarna Turkije (2), Algerije(3), Marokko(4), Egypte(5), en tenslotte een verhaal uit de Canterburry Tales(6) van Geoffrey Chaucer. Ineens blijkt er een bekend kader te bestaan, waarin je al deze verhalen kunt plaatsen. Dit laatste verhaal is een mooi bruggetje naar de samenvatting van vier andere schitterende verhalen uit de Canterburry Tales.


In aflevering Zeven komt de uitkomst van de vergelijking te staan, waarbij ik gebruik maak van de methode  die staat beschreven in de analyse van de verhalen waarin De Deur centraal staat. De bedoeling is minder te benadrukken dat deze verhalen een structurele opbouw hebben, die zich op een bepaalde manier verhoudt tot de symboliek. Ik veronderstel deze kennis en vergelijk de verhalen zonder steeds weer de achterliggende redenen aan te geven. Ik ken de uitkomst van de vergelijking nog niet. Dit in tegenstelling tot veel conclusies van “wetenschappelijk” werk op basis van statistische analyses, waarvan de uitkomst al wel vast staat. De uitkomst kan teleurstellend zijn, maar kan ook onvermoede inzichten opleveren. Ik hoop op het laatste.



 
Wie het eerst spreekt… (De Perzische variant)

In een dorpje in Iran –het heette Khâbdshân—woonde een hadji, iemand die de pelgrimstocht naar, in en om Mekka had gemaakt. Op zekere dag ging hij zijn huis binnen en zag dat zijn vrouw druk bezig was met haar naaiwerk. “Vrouw,” zei hij, “ga buiten de schapen eens water geven.”  “Heb jij geen ogen in je hoofd?” vroeg zijn vrouw. “Zie je dan niet dat ik hier zit te naaien?” De man werd driftig. Hij
had een stok in zijn hand. Die gooide hij zijn vrouw naar het hoofd. Zij pakte op haar beurt een schop die anders gebruikt werd om sneeuw te ruimen en gooide die naar de man. En ze zei: ”Luister nu eens goed, man, ga rustig zitten en wie van ons tweeën het eerst iets zegt moet buiten de schapen water geven.” En ze gingen beiden zitten. Maar de vrouw begon het zwijgen al gauw te vervelen en dacht stiekem: “Ik ga maar eens naar mijn buurvrouw hiernaast, samen kunnen we allicht wat babbelen en zo de tijd doorkomen. Als ik dan terugkom, kan ik mijn man misschien wel zo ver krijgen dat hij iets zegt”. Ze deed haar sluier om en liep langs haar man heen in de hoop dat hij haar zou vragen waar ze heen ging. Maar hij zei niets en zij ging bij haar buurvrouw op bezoek.


Ook de man kreeg er weldra genoeg van zo alleen binnen te zitten. Hij stond op en posteerde zich in de deuropening. Er kwam iemand voorbij en die zei goedendag. Hij antwoordde met een knik omdat hij bang was dat zijn vrouw hem iets zou horen zeggen. Even later kwam er weer iemand langs en die zei ook goedendag. De man beantwoordde de groet met fluisterende stem, want zijn vrouw kon immers wel achter de deur of boven op het platte dak staan luisteren.


Even later kwam er een barbier (kapper)  aan. Hij bleef staan en overhandigde de hadji een spiegel. De hadji bekeek zich zelf in de spiegel en gaf hem terug. De barbier vatte zijn stilzwijgen op als toestemming en bond een servet om de hals van de hadji . De hadji dacht bij zichzelf: “Als ik het servet nu afdoe en zeg dat ik mijn hoofd niet wil laten kaal scheren, hoort mijn vrouw dat natuurlijk en komt ze hierheen en zegt dat ik buiten de schapen water moet geven. Nee, laat ik maar liever mijn mond houden.” En dus schoor de barbier zijn hoofd kaal, pakte vervolgens een schaar en knipte de baard van de hadji. Nu stonden er een eindje verder, op de hoek van de straat, twee mannen. Ze begonnen ruzie te maken. De artiest met de schaar wilde met alle geweld zien hoe de scheldpartij afliep en terwijl hij helemaal door het tafereel in beslag werd genomen, knipte hij door. Toen hij zijn aandacht ten slotte weer aan de hadji wijdde, zag hij dat er van de ene kant van diens baard alleen nog maar een paar stoppels over waren. Hij besefte heel goed dat hij die met de beste wil van de wereld niet meer lang zou kunnen krijgen en knipte dus ook de andere helft er maar af. Daarna bekeek hij de hadji maar eens goed. De man zag er vreselijk uit, maar zei nog steeds niets. Wat moest de barbier beginnen? Hij bette de armtierige restjes baard met water en schoor hem toen helemaal af. Daarna pakte hij een stukje houtskool, sleep er op de stenen bank een punt aan, zette drie schoonheidsstippen op het gezicht van de hadji en overhandigde hem toen de spiegel. De hadji keek erin en moest bekennen dat de 

barbier zich grondig van zijn taak had gekweten. Maar hij dacht alleen: “Ook al beweeg ik hemel en aarde, mijn baard komt er niet door terug en als ik tegen deze baardscheerder spreek, steekt mijn vrouw vast en zeker meteen ergens haar neus om de hoek en zegt dat ik buiten de schapen water moet geven. Dan liever gezwegen!” En hij gaf de barbier de spiegel terug. “Geef me nu mijn loon voor het werk dat ik heb verricht,” zei de barbier. Maar de hadji antwoordde niet. “Hij is zeker stom,” dacht de barbier, “dan moest ik maar eens naar binnen gaan en tegen zijn vrouw zeggen dat ik haar man geschoren heb en mijn geld moet hebben.” Zo gezegd, zo gedaan. Hij stapte over de drempel en riep: “Hela, is er iemand thuis?” Maar niemand antwoordde. Toen ging hij het vertrek binnen en keek rond. Aan een spijker  hingen sieraden van goud en zilver ter waarde van 500 tômân. “Het is maar het beste,” dacht hij, “dat ik dat spul in mijn zak steek.” Hij pakte de sieraden, wikkelde ze in zijn servet en ging weer naar buiten. De hadji dacht dat hij wat brandhout of iets dergelijks had meegenomen en zei niets uit angst dat zijn vrouw zich verstopt had en tevoorschijn zou komen met de woorden: “Jij hebt het eerst gesproken, jij gaat nu de schapen water geven.”


Nauwelijks was de barbier om de hoek verdwenen of zijn vrouw kwam terug en zag binnen in de kamer een vrouwspersoon in mannenkleren zitten. Verwonderd kwam ze dichterbij en bekeek het mens eens goed. Daar zat haar man zonder baard en met schoonheidsstippen op zijn wangen! De vrouw barstte in lachen uit en zei: “Maar man, wie heeft je in godsnaam zo toegetakeld?” Haar man sprong overeind, lachte en danste en klapte in zijn handen. “Jij hebt het eerst iets gezegd,” zei hij, “wees nu zo vriendelijk om de schapen water te geven.”

woensdag 31 maart 2021

Een rivier-vrouw (minder letterlijk: Getrouwd voor de Wet --Ar. Oued)



Volhardend in het principe vrijgezel te willen blijven, maakte Djha er een spelletje van om zijn omgeving, die niets doorhad en er alleen maar aan dacht hem aan een vrouw te helpen, voor de gek te houden. De cadi (rechter), de imam (priester), de buren, vrienden en familie, allen bemoeiden zich er tegen aan. Het stond onomstotelijk vast dat Djha moest trouwen! Onophoudelijk herinnerde men hem eraan:
“Djha! Het is godgeklaagd, als je vrijgezel zou blijven.”


Geconfronteerd met zoveel hardnekkigheid, kondigde Djha geheimzinnig aan, terwijl hij zich vastklampte aan zijn laatste strohalm –maar dat valt natuurlijk in zijn geval altijd te betwijfelen:
“Ik wacht!”
“Maar waar wacht je dan wel op? De tijd dringt!”
“Ik wacht, tot uit het water van de rivier zich een vrouw aandient.” (1)


De meeste toehoorders vonden deze uitspraak een van de vele grappen die hij gewoon was te vertellen. Maar onder hen bevond zich een vrijgezellin, die toevallig voorbij kwam. Dat was de dienstmeid van de cadi (rechter). Een ouder meisje al dat lichamelijk zo onaantrekkelijk was dat niemand haar wilde hebben (2). En door haar hoofd schoot een ideetje:
“Dit is een mooie gelegenheid die zich hier aandient.” Een poosje later zette zij zich aan het uitvoeren van haar plan. Vooruit lopend op de herders die hun kuddes op de oevers van de rivier lieten grazen, zocht ze een plek uit, waar ze zonder gevaar in het water zou kunnen springen. Terwijl zij kalmpjes op de stroom van de rivier zich liet meedrijven, schreeuwde ze:
“Help! Help me! Ik verdrink, ik kan niet zwemmen!”
Daarop, greep ze een oleandertak die omhoog stak uit het water in de rivierbedding (3), trok zich omhoog uit het water, en liet zich vallen op de rivieroever. De herders die dachten dat ze verdronken was, alarmeerden de dorpelingen en al vlug verzamelde zich om haar heen een grote menigte mensen. 


Eindelijk opende ze haar ogen en begon ze te klagen, steeds weer hetzelfde liedje voor iedereen die het maar horen wilde:
“Dankzij God heeft het water van de rivier mij op de rivieroevers geworpen. Godzijdank, de rivier (oued/wet) heeft mij aangespoeld op zijn oevers….”
En er waren er die zich de woorden van Djha herinnerden: “Ik wacht, tot uit het water van de rivier zich een vrouw aandient.” Op de riviergolven was deze vrouw aangespoeld, waarop men zo lang had gewacht. Zonder dralen transporteerde men “het slachtoffer” naar het dorp en bracht het goede nieuws over aan Djha:
“De rivier (de wet) heeft je de vrouw gebracht die je verwachtte! En wat belangrijker is, zij is nog beschikbaar op de huwelijksmarkt!” (2) En niemand had het verwacht, maar de onvoorspelbare Djha, die in staat was tussen de regendruppels door zich aan een ongunstige situatie te onttrekken, ging akkoord met het huwelijk.
En zo kwam het, dat een doorgewinterde oude vrijster de nu befaamde Mart-Djha werd (vert. uit het Arabisch: de vrouw van Djha).


Laat je zien aan wie je maar wilt, maar niet aan mij!

Vroeger was het gewoon, dat je trouwde met elkaar, zonder dat je elkaar kende en had gezien van tevoren.
Zo kwam het dat men misbruik maakte van het goede vertrouwen van Nasreddin Hodja. In de loop van de bemiddeling (2) ten gunste van een vrouw waarvan men hoog opgaf over haar schoonheid en verdiensten.


Op de dag van het huwelijk werd de Hodja schokkend verrast, toen hij erachter kwam dat zij nog lelijker was dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Hij stond tegenover een verschrikkelijke heks, ze loenste, was mank, kortom verachtelijk. Maar gedane zaken namen geen keer. Hij zei niets: hij schikte zich in zijn lot. De volgende dag vroeg zijn vrouw hem:
“Hodja, ik ken niemand van jouw familie. Aan wie kan ik me tonen en aan wie niet?”
Daarop antwoordde Nasreddin Hodja:
“Als je je maar niet aan mij laat zien, mag je je aan iedereen, wie je maar wilt, tonen!”

dinsdag 23 maart 2021

De ideale vrouw.



Men zegt dat Djha, die eeuwige grappenmaker, zich niet tot vrouwen aangetrokken voelde. Vrijheidlievend en erop belust de spot met alles en iedereen te mogen drijven, leefde hij een vreedzaam leventje als vrijgezel. Zijn omgeving vond dat maar zo zo, en daarom drong men er bij hem op aan om te trouwen:
“Djha! Wanneer ga je trouwen? Weet je dan niet dat God een afkeer heeft van vrijgezellen? Zo jong ben je tenslotte ook niet meer… Moeten we je aan een vrouw helpen? Je kunt ten allen tijde op ons rekenen om dat te doen.”


Djha antwoordde ironisch in de hoop zich te kunnen onttrekken aan al die opdringerige bemoeiallen, altijd hetzelfde:
“Ik ga trouwen als ik de ideale vrouw heb gevonden.”
Helemaal niet ontmoedigd kwamen de mensen er later weer met eenzelfde soort klacht op terug:
“Beste Djha, heb je je ideale vrouw nu nog niet gevonden?”
“Ik ben nog aan het zoeken,” bevestigde hij, ongeïnteresseerd.


Op een dag toen hij de markt overstak, achterstevoren gezeten (1) op zijn ezel, trok men hem weer aan zijn jasje:
“Djha, heb je dan nu wel je ideale vrouw gevonden?”
Tot iedereens verbazing antwoordde hij dit keer:
“Ja, ik heb ze gevonden!”
“De hemel zij geprezen! Gefeliciteerd (mabrouk)! En wie mag de gelukkige wel zijn? Dan gaan we de vader om haar hand vragen om je te trouwen!”
Daarop antwoordde Djha lacherig:
“Het is te laat, mijn vrienden!”(2)
“En waarom mag het dan wel te laat zijn?”
“Omdat zij haar ideale man al heeft gevonden.” 

donderdag 18 maart 2021

Dit zijn de gebeurtenissen, die aan het tweede verhaal van het blog van twee weken geleden, vooraf gingen waardoor vier louche individuen zich op Djha wilden wreken. Om de een of andere reden zijn het er nu drie en toen vier! Voor commentaar en de originele tekst kunt u  hier klikken.



Waar is de muis?

In die tijd was er weer eens hongersnood en Djha zat zich suf te piekeren om een oplossing voor zijn problemen te vinden. Hij moest een manier vinden om een beetje geld te verdienen. Precies genoeg om de winter door te komen, waarvan de komst niet lang meer op zich zou laten wachten. De winter die zijn niets ontziende koude witte mantel over alles heen legde. Op zulke momenten was zijn vrouw alert op zijn slimme invallen.


Eindelijk, op een ochtend, diende het idee zich aan. Djha schoot als een pijl uit de boog zijn huis uit. In een oogwenk was hij weer terug. In de palm van zijn hand hield hij twee mooie grijze muisjes. Vol vertrouwen sloeg zijn vrouw hem gade. Zij was nieuwsgierig te weten hoe deze twee schadelijke knaagdiertjes hen zouden helpen voldoende geld te verdienen om de winter door te komen. Zij overlaadde hem met haar vragen; maar hij hield het erbij haar een paar opdrachten te geven, zonder enige precieze uitleg.


“Je zult later wel mijn list begrijpen,” zei hij. “Voor het moment volstaat het dat je al onze laatste spaarcentjes aanspreekt om een lekkere, rijkeluismaaltijd met kip en olijven te bereiden voor gasten, van wie ik nu nog niet weet wie dat zullen zijn. Daarop gaf hij haar een van de twee muizen: “Hier, pak aan, en sluit hem op in een mooi gedecoreerd kistje (1). Als ik het zeg, breng je hem, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, mee voor onze gasten."
Mart-Djha had een levendige fantasie! Ze kon zich meteen van alles voorstellen bij wat haar man van plan was. Zoals het spreekwoord zegt: een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Zij zette zich vlug aan het uitvoeren van wat Djha van haar had gevraagd te doen. En Djha stopte de tweede muis in zijn broekzak en ging op zoek naar dieven. Hij struinde de straten van het dorp door, toen hij drie werkloze kooplieden zag die aan het dammen waren vóór hun naast elkaar gelegen winkeltjes in afwachting van een klant. Djha wreef zich tevreden in de handen:
“Drie dat is een goed voorteken!”


Hij ging naar ze toe, en nam naast ze plaats. De mannen beantwoordden uit beleefdheid zijn groet en zetten hun spel voort, en deden vervolgens alsof hij er niet was. Djha die door iedereen werd gewantrouwd, bewaarde een paar tellen zijn geduld, alvorens te zeggen:
“Het etensuur breekt aan, mijn vrienden! Wat vindt u ervan bij mij te komen eten? Ik nodig u alle drie uit!”
“Wat?”
De mannen konden hun oren niet geloven: Djha nodigde hen alle drie uit, terwijl iedereen wist hoe hij als geen ander aan de grond zat. Zij waren bedacht op een list, daarom sloegen ze de uitnodiging af:
“Nee, dank je, Djha! Een copieuze maaltijd staat ons thuis te wachten.”
“Maar ook bij mij thuis staat u een copieuze maaltijd te wachten, met vlees….,” drong Djha aan.
“Hoe kom je aan de middelen dat je je dat kunt veroorloven?”
Daarop haalde Djha heel serieus de muis uit zijn broekzak, en mompelde hem een bevel in het oor. Dat deed hij hard genoeg om voor de drie kooplieden verstaanbaar te zijn.
“Magische muis! Loop snel naar huis en vraag mijn vrouw om een goede maaltijd te bereiden met kip en olijven voor mijn gasten. Wij zijn in z’n totaal met ons vieren.”
Toen hij dat eenmaal had ingesproken, zette hij de muis op de grond. Het kleine beestje, blij met de herwonnen vrijheid, ging er zo vlug het kon vandoor. De kooplieden ontploften bijna van het lachen en dachten: “Een muis die een bericht doorgeeft! Je denkt dat je alles al gezien en gehoord hebt, maar dan heb je buiten Djha gerekend.”
“Je kunt mooi lachen,” zei Djha, en deed alsof hij protesteerde! “Deze muis, die ik mij heb aangeschaft, -- ik zeg u niet hoe—is heel erg intelligent en hij zal doen wat ik hem net heb opgedragen te doen. U kunt het verifiëren.”


Nieuwsgierig accepteerden de kooplieden zijn uitnodiging, ervan overtuigd met een verwarde man te maken te hebben. Bij aankomst kwam hun een heerlijke etenslucht tegemoet. Djha vroeg luid aan zijn vrouw:
“Heeft de muis de boodschap overgebracht? Heb je een maaltijd met kip en olijven voor mij en mijn gasten klaar gemaakt?”
“Ja,” antwoordde zijn vrouw slim. “Ga zitten, de tafel is al gedekt, ik kom jullie bedienen.”
Toen de kooplieden de dampende maaltijd zagen, die hun werd voorgezet, konden ze hun ogen niet geloven. Na de maaltijd, riep Djha zijn vrouw:
“Hé! Breng me de muis om hem te bedanken.”
In het kistje zagen de mannen de muis, die Djha met een boodschap erop uit had gestuurd. Ze maakten met elkaar ruzie over wie hem zou kopen, maar Djha weigerde zonder meer:
“Wie denken jullie wel niet dat ik ben om deze schat te verkopen? Zijn jullie gek? Nooit zal ik mijn magische muis verkopen Met zo’n muis hoef ik mij geen zorgen meer te maken voor de komende winter, zelfs niet tot mijn levenseinde.”
De inleggen stegen en de kooplieden deden alles wat in hun vermogen lag om hem ervan te overtuigen de muis -- dat vieze  schadelijke knaagdier—toch maar te verkopen. Maar Djha hield vol. Zijn vrouw bleef alert en riep van achteruit de keuken:
“Gasten zijn heilig. En God beveelt ze aan om ze onder je hoede te nemen. Je kunt, mijn beste man, de gasten niet weg laten gaan, zonder aan hun wensen tegemoet te komen. Je kent toch de voorschriften ten aanzien van gasten!”
“Wat dom van mij, je hebt gelijk, vrouw. Dank je mij eraan te herinneren,” zei Djha zuchtend.
Hij ging met de verkoop van de muis akkoord tegen een exorbitant hoog bedrag, dat de drie mannen gezamenlijk bijeen legden om te betalen. 

Al de volgende dag verzamelden de kooplieden bewonderaars om zich heen en nodigden hen uit voor de maaltijd bij hen thuis. Ten aanschouwen van de hele stomverbaasde gemeenschap bevalen ze de muis een boodschap met een vastgesteld menu naar huis te brengen. Die muis ging er natuurlijk meteen vandoor, de natuur in.
Toen het uur van eten aanbrak begaven de vernederde kooplieden van knuppels voorzien zich luidruchtig naar het huis van Djha. Ze klopten hard op de deur:
“Kom naar buiten, oplichter! Jouw muis is een doodgewone muis. Geef ons ons geld terug!”
“Wat zullen we nou hebben?” zei Djha verbaasd. “Heb je hem wel een boodschap toevertrouwd?”
“Ja, maar ze is nooit bij ons thuis aangekomen.”
“Wacht eens even! Hebben jullie eraan gedacht hem een adres mee te geven?”
“Nee!”
“En dan zijn jullie nog steeds verbaasd dat hij is verdwaald? De muis heeft niets fout gedaan, maar jullie! En hij begon te klagen en jammeren en huilen en janken: Ah! Ik wist dat ik geen afstand had moeten doen van de muis. Had die vrouw van mij er zich maar niet mee bemoeid! Dan was de muis nu nog altijd van mij! Ah! Wat een ellende om zo’n schat aan stommelingen toe te vertrouwen….”
Bedrukt gingen de kooplieden naar huis en Djha en zijn vrouw kwamen de winter door zonder zorgen.


Iedereen kan constateren dat dit verhaal frappante overeenkomsten heeft met het verhaal uit Indonesië over Djonaha, in de Inleiding van mijn website Grappen van Vroeger (verhaal 7) .

dinsdag 9 maart 2021

 Klik hier voor de oorspronkelijke Arabisch en Franse tekst.

Waar is de kat?


Op een keer kocht Jeha 3 pond vlees.  Hij had voor zijn vrouw al lange tijd geen vlees meer mee naar huis gebracht. En zijn vrouw nam, toen Jeha weg was,  de gelegenheid te baat om al het vlees op te eten. Zij was bang dat hij haar zou berispen bij zijn terugkomst en er geen vlees was. Zij zat verlegen om een list, tot ze de kat in de gaten kreeg. Toen Jeha aanklopte, pakte ze vlug de kat van de grond en begon haar meteen te slaan bij de binnenkomst van Jeha. Hij vroeg zijn vrouw waarom zij de kat sloeg. Daarop verklaarde ze dat de kat al het vlees had opgegeten. Vlug nam Jeha de kat te pakken, zette het beest op een weegschaal, en toen bleek dat het gewicht van de kat precies 3 pond was. Daarop schreeuwde Jeha: “Vrouw lief, hier is het vlees, maar waar is nu de kat?”

De kat heeft al het vlees gegeten.

Op een dag bracht Djha een kilo vlees mee naar huis. Zijn vrouw ging aan de slag in de keuken achter het fornuis, en zoals altijd, begon ze onder het kruiden van het vlees ervan te proeven. Zij proefde zo goed dat er weldra niets meer van de kilo vlees over was. Toen het uur van eten was aangebroken,  zette ze, in het nauw gedreven, Djha de overgebleven groente van de maaltijd voor. Die was hierover erg verbaasd:

“Vrouw, ben je het vlees soms vergeten?”
“Nee!”
“Waarom zet je die dan ook niet op tafel?”
“Het spijt me heel erg, maar de kat heeft alles opgegeten.”
“De hele kilo?”
“Ja, hij heeft alles verslonden.”
Djha sprong op, liep de kamer uit, pakte de kat in z’n nekvel en zette ze op de weegschaal in de schuur. De kat woog precies een kilo.
Mart-Djha kwam aangelopen, bij het horen van het woedende miauwen van de kat. Djha schreeuwde, terwijl hij naar de weegschaal wees:
“Vrouw! Leg me dit eens uit! Als deze kilo die je hier ziet, de kat is, waar is dan het vlees gebleven? En als deze kilo het vlees is, waar is dan de kat?”