vrijdag 19 juni 2020
woensdag 10 juni 2020
Rodenko Deel 2
Maroef in Al-Merika (Deel 2 van 10)
Paul Rodenko
Voor Inleiding, oorspronkelijke tekst en noten deze link volgen!
En toen Maroef weer zover was bijgekomen, dat hij zich, al was het onder de hevigste pijnen, althans enigszins kon voortslepen, sloeg hij niet de weg naar huis in – want voor geen goud zou hij Hajbaj nu onder ogen gekomen zijn --, maar strompelde naar de oever van de Nijl, waar hij zich in een vervallen huis verborg om daar eenzaam en van alles verstoken de genezing van zijn wonden af te wachten. En terwijl zijn wonden langzaam genazen, voltrok zich een grote verandering in hem (1) : want het is bekend, dat timide mensen, wanneer men ze tot het uiterste drijft, plotseling geheel en al kunnen omslaan. En zo gebeurde het, dat in de eenzaamheid van het vervallen huis, te midden van pijn en honger, in de arme muilenlapper Maroef een nieuw mens opstond; en deze nieuwe mens trad op de ochtend van de derde dag naar buiten, richtte de blik op de in het licht van de opkomende zon rozig glanzende Nijl en improviseerde de volgende versregels:
‘Vaarwel, o Hajjebaj, ik ga
naar het land Al-Merika,
waar de chocolade groeit
en de ware vrijheid bloeit:
‘k laat me niet meer op mijn kop
zitten en kies het ruime sop.’
naar het land Al-Merika,
waar de chocolade groeit
en de ware vrijheid bloeit:
‘k laat me niet meer op mijn kop
zitten en kies het ruime sop.’
Als poëzie was het niet vlekkeloos, maar de bedoeling was in
ieder geval duidelijk; en ondanks zijn uitputting liep hij met vaste tred, op
een eenvoudig marswijsje dat hij bij bovenstaande regels gecomponeerd had, naar
de oever van de Nijl, waar verscheidene schepen zeilree lagen. En omdat hij
door de maat van het liedje gedwongen was telkens aan het begin van de zesde
regel een klein huppelpasje te maken, hielden mannen van het schip, waarheen
hij zijn schreden richtte hem voor een vrolijke losbol die hen zeker onderweg
op een amusante manier zou bezighouden, en de kapitein nam hem dan ook
onmiddellijk als matroos in dienst. En zo zakten zij de Nijl af, tot zij de
havenstad Damiëtta bereikt hadden, en men kan niet zeggen
dat de bemanning teleurgesteld was in Maroef, want zo weinig als hij vroeger
placht te zeggen zo spraakzaam was hij nu plotseling geworden en de verhalen en
anekdoten waarin hij zelf steeds een heldenrol vervulde stroomden van zijn
lippen. In Damiëtta echter nam hij afscheid van zijn nieuwe vrienden en liet
zich als zeilmaker aanmonsteren op een schip dat, rijk beladen met velerlei
koopwaar, naar verre landen reisde.
Nu gebeurde het, nadat de reis verscheidene weken lang
voorspoedig verlopen was, dat er op zekere dag een hevige storm opstak en een
golf hoger dan de berg Kaf (2) het schip tot aan
de sterren oplichtte om het vervolgens in een peilloze diepte te storten waar
het in drie stukken uiteenbarstte en met man en muis verging. En ook Maroef zou
mee vergaan zijn, wanneer Allah hem niet juist toen hij op het punt stond te
verdrinken, een balk, een stuk van de versplinterde mast had toegezonden (3) , waaraan hij zich kon vastgrijpen. En hij wist
zich met zijn laatste krachten op de balk te hijsen en toen hij weer enigszins
was bijgekomen begon hij schrijlings op de balk gezeten, met zijn voeten als
roeispanen het water te bewerken; en zo, zich met moeite in evenwicht houdend
en voortdurend op de rand van de dood zwevend, heen en weer geslingerd door de
golven, bereikte hij na een dag en een nacht de kust van een land waar zich een
stad verhief met paleizen zo hoog, dat zij met hun daken tegen de wolken leken
te krabben (4).
Uitgeput als hij was strekte Maroef zich meteen languit op
het strand uit, waar hij weldra in een diepe, aan bewusteloosheid grenzende
slaap viel. En toen hij eindelijk ontwaakte was het eerste wat hij zag een rijk
geklede man die over hem heen gebogen stond en hem aandachtig opnam; en achter
hem stonden, met gekruiste armen, twee negerslaven. En toen de man zag dat hij
wakker was, riep hij opgelucht uit: “Allah, zij geloofd! Wees welkom,
vreemdeling (5), in deze stad.” En zonder het
antwoord van Maroef af te wachten, vervolgde hij haastig: “Vertel me gauw wat
voor landsman je bent. Naar de snit van wat je nog aan kleren rest te oordelen,
moet je uit Egypte komen.” “Goed geraden, meneer,” zei Maroef. “Ik kom uit
Kaïro.” “Kaïro!” riep de ander verheugd. “En mag ik ook vragen uit welke
straat?” “Uit de Kleine Toetmesdwarsstraat (6), als u dat wat zegt,” zei Maroef. “Uit de
Kleine Toetmesdwarsstraat!” herhaalde de man met van emotie trillende lippen.
“Of me dat wat zegt….Ken je daar een zekere Achmed?” “Sjeik Achmed, de
drogist?” vroeg Maroef. “Jawel, die bedoel ik, “ zei de ander. “En of ik die
ken,” zei Maroef, “hij is mijn buurman.” “Dus hij leeft nog?” vroeg de ander.
“Hij maakt het best,” zei Maroef. “Geloofd zij Allah!” zei de ander. “En zijn
zoons? Hoeveel zoons heeft hij nu?” “Nog altijd drie,” antwoordde Maroef.
“Moestafa, de oudste, is schoolmeester en zo geleerd dat hij de Koran van
achteren naar voren op kan zeggen (7). Mohammed
is net als zijn vader drogist geworden, en de jongste Ali…ach, dat was mijn
boezemvriendje, en als kinderen hebben we heel wat streken samen uitgehaald.
Maar Allah weet wat er van hem geworden is! Op een dag heeft hij zich vergrepen
aan een Koptenjongetje (8), dat direct huilend
naar zijn ouders liep, en uit vrees voor wraak van de Kopten heeft Ali toen de
vlucht genomen, en hoewel dat nu al twintig jaar geleden is, heeft nog steeds
niemand iets van hem gehoord.”
Toen hij deze woorden vernam, werden de ogen van de ander
vochtig en hij mompelde: “O, jeugdherinneringen! O, zoete pijn die mij
doorpriemt!” “Hoezo?” vroeg Maroef. “Bent u dat Koptenjongetje?” “Welnee!
Herken je me niet? Ik ben je boezemvriendje Ali, en jij kunt niemand anders dan
Maroef zijn!” riep de ander uit, en terwijl tranen van vreugde over zijn wangen
stroomden sloeg hij zijn armen om de hals van Maroef en drukte hem ontroerd aan
zijn borst.
En ook Maroef liet zich niet onbetuigd en nadat zij hun
blijdschap op elkaars schouder hadden uitgeweend, grepen zij elkaar bij de
handen en begonnen een wilde rondedans uit te voeren, een dans die steeds
uitbundiger en steeds joliger werd – totdat Maroef plotseling als een plank
tegen de grond sloeg en onbeweeglijk bleef liggen. Toen Ali echter verschrikt
over hem heen boog en naar zijn hart voelde of het nog klopte, sloeg hij alweer
de ogen op, glimlachte flauwtjes en zei: “Neem me niet kwalijk, ik ben na al
die toestanden een beetje uitgeput….”
“Ach, wat dom van me,” zei Ali, en hij hielp Maroef
voorzichtig overeind, plaatste hem op zijn muildier en voerde hem naar zijn huis,
een prachtig paleis (9) van niet minder dan
tweeëndertig verdiepingen. En in het midden van het paleis bevond zich een
schacht die van de vloer rot helemaal aan het dak reikte. En op de bodem van de
schacht stond een gerieflijke ebbenhouten draagstoel, in gelegd met ivoor en
paarlemoer en bekleed met kostbare stoffen en kussens; en aan weerszijden van
de schacht hingen zover het oog kon reiken twee touwladders omlaag van
stevig-gevlochten gouddraad. Ali verzocht zijn gast in de draagstoelplaats te
nemen, en nauwelijks hadden zij plaatsgenomen, of er verschenen twee negers (10) van kolossale gestalte, sterk als buffels, die
zich aan weerskanten van de draagstoel opstelden, met hun gezicht naar de muur,
de draagstokken met een soort tuig om hun middel bevestigden, en vervolgens
bliksemsnel langs de beide touwladders omhoog begonnen te klauteren, de
draagstoel met de beide inzittenden met zich meevoerend! En hun bewegingen
waren zo nauwkeurig op elkaar afgestemd, dat er nauwelijks een schommeling te
bespeuren viel en de inzittenden een glas water in de hand hadden kunnen houden
zonder er een druppel van te morsen! En voor de verbaasde Maroef zijn mond had
kunnen openen om zijn verbazing te uiten waren zij al op de tweeëndertigste
verdieping aangeland. De negers hielden precies gelijk stil en Ali boog zich
uit de draagstoel en drukte op een knopje dat zich in de wand bevond en
onmiddellijk opende zich een deur (11) die
toegang gaf tot een groot en weelderig ingericht vertrek waarvan de vloer op
precies dezelfde hoogte lag als die van de draagstoel, zodat zij zonder meer
van de draagstoel in de kamer konden stappen.
“Ja,” lachte Ali, toen hij Maroefs verbouwereerde gezicht
zag, “we zijn hier nogal sterk in dat soort snufjes, daar zal je aan moeten
wennen. We noemen dit een hefstoel. Maar daar praten we straks wel over, laten
we eerst eens zorgen dat je weer op krachten komt.” En hij liet een magnifieke
maaltijd aanrichten, met de uitgelezenste spijzen en dranken, en toen Maroef
verzadigd was en zijn ogen begonnen dicht te vallen, opende hij de deur naar de
schacht, floot driemaal op zijn vingers en even later verschenen de twee negers
met hun hefstoel, die hen weer even gerieflijk naar de negentiende verdieping
deden afdalen, waar zich de logeerkamer bevond en waar Ali Maroef, na hem een
goede nachtrust gewenst te hebben, alleen liet.
De volgende dag, toen Maroef uit een lange en verkwikkende
slaap ontwaakte, stond zijn vriend Ali glimlachend voor hem en vroeg: “Goed
geslapen? Ik zal je nu eerst naar het hammambad (12) brengen,
en wanneer je je dan weer helemaal fit en uitgerust voelt, moeten we eindelijk
eens met elkaar praten, want we zullen elkaar veel te vertellen hebben.” En hij nam Maroef bij de hand en deed hem in de hefstoel
plaatsnemen die hen in een oogwenk naar de dertigste verdieping bracht, waar
zich het hammambad bevond. En Maroef, die altijd in de bitterste armoede
geleefd had, wist niet meer of hij waakte of droomde, toen hij een weidse zaal
voor zich zag, dier geheel uit blank marmer bestond en waarvan de zoldering
rustte op porfieren zuilen; en in het midden bevond zich een bassin van blauw
porselein, gevuld met rozenwater, en rond het bassin lagen vele kostbare
tapijten en zachte kussens. Het opmerkelijkste echter was de wandversiering (13) : deze bestond uit vele lieflijke
verrassend schaars geklede jonkvrouwen die in de meest verleidelijke en
lascieve houdingen door middel van aan haar arm- en enkelbanden bevestigde
gouden pinnen tegen de muren geklonken waren, en die, zodra zij Maroef zagen,
allen tegelijk begonnen te lonken en te glimlachen en met haar heupen te
wiegen, hetgeen gepaard ging met een melodieus getinkel van haar gouden
armbanden tegen het marmer. En Maroef, de ex-muilenlapper, die allang geen
andere vrouw gezien had dan zijn eigen weinig appetijtelijke Hajbaj, werd bij
dit schouwspel beurtelings koud en warm, en zijn ogen begonnen te knipperen en
te tranen als bij iemand die in een te fel licht kijkt.
“Pin-opslavinnen,” zei Ali, toen hij de verbazing en
verlegenheid van Maroef zag. “Daar pleegt men hier de wanden mee te versieren.
Het is decoratief en het geeft een mooie reliëfwerking, en bovenal is het
realistisch en men is hier van mening, dat de kunst niet realistisch genoeg kan
zijn en zich zo nauw mogelijk bij de werkelijkheid moet aansluiten. (14) Het is een nuchter volk hier en in de kunst
viert de zogenaamde hardgekookte school hoogtij, die ervan uitgaat dat de enige
taak van de kunst is om zonder omwegen de naakte feiten van het leven te
onthullen. Hoe naakter hoe beter.”
“Ach, kijk hem eens blozen!” giechelde een van de opgepinde
slavinnen. “Kom gerust dichterbij, honingmannetje, mijn naakte feiten bijten
niet.” “Kom hier bij mij, zonnige
jongen,” koerde een tweede, “als ik mijn reliëf laat werken, verbleken haar
naakste feiten tot grauwe theorie!” “Luister niet naar haar, zoet hart,” viel
een derde in. “Als je op onthullingen uit bent, moet je bij mij zijn: wat ik te
onthullen heb, is zo naakt, dat een kikke er kippenvel bij krijgt!”
“Let er maar niet op,” zei Ali, “dat is juist de reden
waarom we ze oppinnen. Sinds men de seksepil (15) heeft uitgevonden zijn ze niet meer ten houden en
als we ze vrij lieten rondlopen, zouden ze in een oogwenk onze hele
maatschappij ontwricht hebben.”
“Tjonge, wat is dat voor een pil?” vroeg Maroef. “Nou, een
seksepil!” zei Ali. “Ze nemen zo’n pil in en dan wordt alles wat rond aan ze
hoort te zijn nog eens extra rond, en alles wat bij een vrouw uitsteekt, steekt
nog eens extra uit, en ze krijgen een soort zwiebel over zich, een soort
kolkende manier van lopen….” “Kolkend….?” vroeg Maroef. “Net een draaikolk, “
zei Ali, “die al wat mannelijk is naar zich toe zuigt. En ze krijgen het van
die seksepil zo warm, dat ze het alleen in de meest schaarse kledij kunnen
uithouden, hetgeen het zuigingseffect natuurlijk nog vergroot, terwijl ze
bovendien met haar kleren ook alle vrouwelijke schroom schijnen af te werpen.
Enfin om kort te gaan, ze begonnen langzamerhand een publiek gevaar van de
eerste orde te vormen, tot iemand op het idee kwam om ze, zolang je ze niet
nodig hebt, maar gewoon op te pinnen. Op die manier slaan we twee vliegen in
één klap: ze zijn uit de weg en we hebben een mooie wandversiering.” “Was het
niet eenvoudiger geweest, het gebruik van seksepillen te verbieden?” vroeg
Maroef. “Welnee,” zei Ali, “dit is toch een veel elegantere oplossing? Maar
kom, we zullen er een paar voor je lospinnen.”
maandag 1 juni 2020
Rodenko
De Negenhonderd Negentigste Nacht:
Maroef in Al-Merika. (Deel 1 van 10)
Paul Rodenko (1), De gestolen minnaar en andere vrijmoedige liefdesverhalen uit 1001 nacht (2), 1958 (!).
In Kaïro woonde eens een arme muilenlapper, schoenmaker (3), die Ma’roef (4) heette, en die een vriendelijk, zachtmoedig en sympathiek karakter had; als verreweg de meeste muilenlappers –misschien ligt het echter niet zozeer aan hun karakter maar is het eenvoudig een beroepsziekte – zat hij dan ook danig onder de pantoffel (5). Maar wie, ook al was hij geen muilenlapper, zou in zijn geval niet onder de pantoffel gezeten hebben? Want de vrouw die Allah – Zijn naam zij evengoed geprezen – hem had toebedeeld, was een afschrikwekkende feeks en een furie die in heel Kaïro, ja, in heel Egypte haar weerga niet had, en dat wil wat zeggen. Zij heette Hajbaj (6) en droeg haar naam met ere[1]: ze maakte hem op alle manieren het leven zuur, vervolgde hem dag en nacht met haar gescheld en getier, had op al wat hij deed een grauw of een sneer, en wat hij ook zei het gaf hem geen zier, ze was zo venijnig als een lammergier en erger dan een verscheurend dier en maakte een spektakel voor vier[2], want haar man te kwellen was haar enige plezier. En de ongelukkige toch al bedeesd van nature, werd steeds bedeesder, durfde ten slotte nauwelijks de mond open te doen en schrompelde bij zijn pogingen om zich zo klein en onopvallend mogelijk te maken zozeer ineen, dat de mensen op straat regelmatig over hem struikelden, omdat ze hem eenvoudig niet zagen.
Hij was zoals gezegd arm; hij verdiende maar net genoeg om
in beider levensonderhoud te voorzien, of liever gezegd in het levensonderhoud
van zijn vrouw, want hijzelf moest zich tevreden stellen met de schamele
restjes die zij voor hem overliet. En wanneer hij, zoals niet zelden gebeurde,
een slechte dag had gehad en ’s avonds zonder enige verdienste was
thuisgekomen, brak er een hel los die met geen pen te beschrijven is –want de
inkt zelf zou opdrogen van schrik. Laat het voldoende zijn te vermelden dat
zijn beproeving in zulke gevallen tot het ochtendgloren duurde en dat hij blij
mocht zijn, dat hij er zonder blauw oog of bloedneus van afkwam.
En alsof dat nog niet genoeg was, viel zijn vrouw hem bovendien geregeld met allerlei grillen en kuren lastig waar hij, arm als hij was, toch niet aan kon voldoen, zodat zij weer aanleiding had om met verdubbelde ijver tegen hem tekeer te gaan. Zo gebeurde het op een ochtend dat zij, toen hij op het punt stond naar zijn winkel te vertrekken, tegen hem zei: “Oh ja, wat ik nog wilde zeggen: breng vanavond een mokkataart (7) voor me mee. Ik heb ineens zo’n trek in mokkataart, ik móet vanavond mokkataart eten!” “Uh….tja,” zei Ma’roef voor wie een mokkataart een ongehoorde luxe was, “als Allah wil dat ik vandaag genoeg verdien….” “Wat Allah wil, moet Hij weten, “ viel Hajbaj hem in de rede, “maar ik wil vanavond een mokkataart. Begrepen?” “Ja, vrouwtje,” zei Ma’roef. “Maar….” “Niks te maren,” zei Hajbaj. “Jij brengt vanavond een mokkataart mee, anders …..” En haar ogen begonnen zo dreigend te fonkelen dat Ma’roef al bij voorbaat ineen kromp. “En nu, marsj naar je werk,” vervolgde zij, “in de tijd dat je hier staat te treuzelen en te maren had je al lang twee mokkataarten kunnen verdienen. Deruit, lummel!”
En de arme Ma’roef begaf zich naar zijn winkeltje en wachtte
bevend van ellende af wat de dag hem zou brengen; en zie: de dag bracht hem
niet alleen niets, maar zelfs helemáál niets! Niet alleen genoeg om desnoods
geen mokkataart maar althans een mokkapunt te kopen, maar zelfs niet genoeg om
brood voor het avondeten te kopen! En toen het sluitingsuur genaderd was en
zich geen enkele klant had vertoond, stond hij zuchtend op, sloot met trillende
vingers zijn winkeltje en sloeg schoorvoetend de weg naar huis in.
Nu leidde zijn weg toevallig langs de winkel van een
banketbakker die hij kende en wiens muilen (sloffen) hij weleens gelapt had; en
toen deze Ma’roef zo triest voorbij zag komen, doodsbleek en terwijl het
angstzweet op zijn voorhoofd parelde, riep hij hem aan en vroeg: “Hé Ma’roef,
wat is er met jou aan de hand? Heb je er een tweede vrouw bijgenomen? Kerel, je
ziet er uit als een geestverschijning! Kom binnen, rust even uit en vertel me
wat voor ongeluk je is overkomen.” En Ma’roef kwam naderbij en sprak, terwijl de tranen hem uit
de ogen liepen: “Ach, het is me een toestand! Het noodlot achtervolgt me en er
is geen redding dan bij Allah de Barmhartige!” En toen de banketbakker aan
bleef dringen, vertelde hij ten slotte alles wat hem bedrukte.
Hierop begon de banketbakker, die een goedhartig man was, te
lachen en zei: “Maar kerel, is dat alles? Laat het dan maar aan mij over: ik
zal je een mokkataart meegeven waar ze haar vingers bij af zal likken; wanneer
de zaken beter gaan, kun je me die wel terugbetalen. Dat wil zeggen, een
mokkataart heb ik op het ogenblik niet in voorraad maar ik zal je iets veel
beters geven, een echte chocoladetaart. Je weet toch wat chocolade is? Dat komt
uit het verre Al-Merika (8) , dat nieuwe land
dat ze aan de andere kant van de grote zee ontdekt hebben – een kostbare
lekkernij, die alleen nog maar door vorsten en koningen genuttigd wordt. Deze taart
hier werd besteld door de favoriete van de sultan zelf, maar ze heeft hem juist
vandaag weer afbesteld, omdat de sultan zei dat ze te dik werd; neem jij hem
dus mee en moge hij je huiselijke vrede verzekeren.”
Ma’roef bedankte de goede banketbakker met tranen in de ogen
en wilde hem zelfs de hand kussen, maar deze wilde daar niet van weten en trok
zijn hand haastig terug; en hij vervolgde: “Die taart is dus voor je vrouw,
maar zelf moet je vanavond toch ook eten: hier dat is voor jou, “ -- en hij drukte hem een knappend, geurig
brood in de hand en een stuk romige kaas, gewikkeld in een vijgenblad. En
Ma’roef, die van zijn leven nog niet zoveel had bezeten, wist niet meer hoe hij
de banketbakker moest bedanken en begaf zich ten slotte naar huis met een
gevoel of hij droomde.
En toen hij thuiskwam, beladen met de heerlijke
chocoladetaart, het geurende broodje en de romige kaas, kwam zijn vrouw Hajbaj
hem tegemoet en riep met haar schelle stem: “Wel, waar is de mokkataart?”
“Allah is edelmoedig, “ zei Ma’roef, “hier is de taart.” En hij stalde verheugd
zijn schatten op tafel uit. “Zo, is daar de taart?” zei Hajbaj. “Ja, vrouwtje,
dat is de taart,” zei Ma’roef. “Zo,” zei Hajbaj. “Ja, zoals je ziet,” zei
Ma’roef. “Ik zie niets!” krijste Hajbaj plotseling. “Vlegel! Bedrieger!
Ellendeling! Nagel aan mijn doodkist! Heb ik je niet gezegd een mokkataart voor
me mee te brengen? Je wilt toch zeker niet beweren, dat dit een mokkataart is,
hè?” “Uh…uh…uh,” zei Ma’roef geschrokken. “Nee, ik bedoel, vrouwtje…dit is nog veel
beter, ik bedoel…dit is een echte chocoladetaart…..Chocolade is een nieuw soort
toestand uit Al-Merika en …..” (9) “Al-Merika!
Wat heb ik daarmee te maken? Ik draag je op, een mokkataart voor me mee te
brengen en waar kom jij, sukkel die je bent mee thuis? Met een cocaco… een
chococacoladetaart! Je verslikt je alleen in het woord al, laat staan in het
spul zelf! Maar daar is het je natuurlijk om te doen, je wilt dat ik erin stik,
hè? Lafaard, geniepige moordenaar! Uit Al-Merika, welja! Dacht je, dat ik geen
kranten las? Dacht je dat ik niet wist dat ze daar elke dag kinderen neppen en
onschuldige meisjes oppinnen? Maar jij vindt dat natuurlijk allemaal prachtig,
hè? Bruut, wellusteling! Ze kunnen daar niet eens een fatsoenlijke buikdans
dansen, maar alleen maar rokken rollen! Echt wat voor jou, snoeperd,
meisjespinner, rokkenroller, kindernepper, beul! Alsjeblieft, hier heb je die
obscene taart van jou, ik moet hem niet!”
En terwijl de arme Ma’roef, die zo’n uitbarsting allerminst
verwacht had, er volkomen beteuterd bij stond te kijken, pakte zij de taart op
en smakte hem midden in zijn gezicht. (10)
“Ziezo,” vervolgde zij, “en ga nu onmiddellijk een mokkataart halen. Marsj, de
deur uit!” En toen hij niet vlug genoeg reageerde, omdat hij te verbouwereerd
was en bovendien niet zien kon, daar zijn ogen vol chocolade en slagroom zaten,
gaf ze hem zo’n stomp in zijn maag dat hij er bijna van dubbel sloeg, en
vervolgens een kaakslag die zo hard aankwam, dat een tand uit zijn mond sprong
en het bloed hem langs zijn kin en baard stroomde.
Zoveel onrechtvaardigheid kon zelfs Ma’roefs timide geest
niet verkroppen, en onwillekeurig maakte hij een gebaar, half van afweer, half
van protest, waardoor hij haar een lichte tik tegen haar hoofd gaf. Dit
onnozele gebaar van zelfverweer echter bracht haar totaal buiten zichzelf en
razend van woede stortte zij zich op hem, greep met beide handen zijn baard
vast en brulde luidkeels: “Help,help! Buren, help, hij vermoordt me! Help!”
En de buren kwamen op haar gegil aanlopen en vroegen: “Wie
vermoordt wie?” “Hij mij natuurlijk!” riep Hajbaj. “De moordenaar! De
vrouwenbeul! De rokkenroller! De pinner van onschuldige meisjes!” “Wat voor
onschuldige meisjes,” vroegen de buren, terwijl ze met grote moeite Ma’roefs
baard uit de greep van de furie bevrijdden. “Ik natuurlijk!” snauwde Hajbaj.
“O,” zeiden de buren, die haar van langer dan vandaag kenden en die trouwens
maar de toestand hoefden te zien waarin Ma’roef verkeerde om te begrijpen hoe
de vork in de steel zat. En zij vervolgden: “is dat een manier om je arme man
te behandelen? Je moest je schamen! Een man met zo’n goed en zacht karakter, en
je behandelt hem erger dan een straathond. Vrouwen zoals jij er een bent
moesten ze opsluiten na ze eerst honderdstokslagen gegeven te hebben!” En na
haar aldus de les gelezen en uitgefoeterd te hebben, gingen ze hun weegs.
Zodra zij echter vertrokken waren, ging Hajbaj dreigend voor
haar man staan, die gedurende deze hele scène stil in een hoekje was blijven
zitten, en siste hem met een van haat gloeiende stem toe: “Zo, mooi is dat! De
buren tegen me ophitsen, hè? Wacht maar, mannetje, dat zal je duur te staan
komen! En ze ging in een andere hoek van de kamer zitten, vanwaar ze hem met de
ogen van tijgerin bleef aankijken, terwijl ze ondertussen op de vreselijkste
wraakplannen broedde.
Maar Ma’roef, die allang spijt had van zijn onvoorzichtig
gebaar, wilde zijn best doen om het weer goed te maken; en hij raapte de resten
van de chocoladetaart van de vloer op, legde ze netjes op een schoteltje en
hield ze schuchter zijn vrouw voor, terwijl hij zei: “Uh…..vrouwtje-lief, zou
je toch niet wat van ….uh…deze toestand proberen? Morgen breng ik als Allah het
wil een mokkataart mee.”
Maar zij stootte hem met haar voet terug en schreeuwde:
“Loop naar de hel met die rommel van je! Honderd stokslagen, hè? Wacht maar tot
ik met je afreken!”
Toen de ongelukkige schoenmaker zag dat zijn laatste
verzoeningspoging faalde, besloot hij de taart dan maar zelf op te eten want
hij besefte plotseling, dat hij de hele dag nog niets gegeten had. Hij zette
zich dus neer met de resten van de taart voor zich en begon er met smaak van te
eten; en de taart streelde zijn gehemelte als een hoeria in het paradijs de
ogen van de uitverkorene. Vervolgens viel hij op het geurige brood en de romige
kaas aan en bleef net zolang eten, tot er geen kruimeltje meer over was. En
Hajbaj volgde elk van zijn bewegingen met kwaadaardige gloeiende ogen en zei
bij elke hap die hij nam: “Moge je tong verdorren” of “Ik hoop dat je erin
stikt” of “Ik hoop dat je er buikkramp ervan krijgt” en meer van dergelijke
vriendelijke tafelwensen. Maar Ma’roef, die werkelijk honger had, at gestaag
door, hetgeen zijn lieve vrouw ten slotte zo furieus maakte dat ze woedend
opsprong, hem alles wat ze onder haar bereik vond naar zijn hoofd slingerde en
zich vloekend en tierend naar bed begaf; en zelfs in haar slaap nog bleef zij
tot de ochtend toe de verschrikkelijkste verwensingen uitbraken.
De volgende ochtend stond Ma’roef vroeg op, kleedde zich aan
en begaf zich naar zijn winkeltje, hopend dat het lot hem deze dag gunstig
gezind zou zijn. Maar in plaats dat er een klant verscheen, verschenen er na
een paar uur twee politieagenten (11) die hem op
bevel van de kadi arresteerden, zijn handen op zijn rug bonden en hem door de
straten van de soek naar de rechtbank sleepten. En tot zijn stomme verbazing
trof hij voor de kadi zijn vrouw Hajbaj aan, die haar linkerarm in verband
droeg, een groot verband om haar hoofd had en in haar rechterhand een gebroken
tand hield.
Zodra de kadi de dodelijk verschrikte Ma’roef zag, donderde
hij hem toe: “Kom hier, ontaarde bruut! Schaam je je niet om je arme vrouwtje
zo toe te takelen en op zo’n beestachtige manier haar arm te breken en de
tanden uit haar mond te slaan? En Ma’roef, die maar een wens had: dat de aarde
zich voor hem zou openen en hem verzwelgen (12) ,
boog het hoofd en zweeg. Want hoewel hij gemakkelijk de buren als getuigen had
kunnen halen, woog zijn verlangen om de vrede te bewaren en zijn eer én die van
zijn vrouw te redden het zwaarst. En de kadi, die in zijn zwijgen het bewijs
van zijn schuld zag, beval de gerechtsdienaren hem honderd stokslagen op de
voetzolen te geven; en dezen voerden het vonnis ter plaatse uit voor de ogen
van Hajbaj die zich innerlijk stond te verkneuteren van plezier (13).
donderdag 21 mei 2020
Thales (slot): De wisselbeker (offerschaal)
Gedeeltelijk eigen vertaling, met fragmenten overgenomen van dr. Rein Ferweda en dr Jan Eykman (1). Bij goed lezen staat hier een fantastisch grappig verhaal.
Er is een
algemeen bekend verhaal over een Drievoetige Offerschaal die door vissers werd
gevonden en door de inwoners van Milete aan alle Wijze Mannen achtereenvolgens
werd toegezonden. Dat gaat als volgt:
[28] Nadat
bepaalde Ionische jongeren de visvangst van vissers van Milete hadden gekocht,
ontstond er een meningsverschil over de Drievoetige Offerschaal (2), die als bijvangst was opgevist. Uiteindelijk kwam
de zaak terecht
bij het orakel van Delphi, en die deed aldus uitspraak:
“Van wie de Drievoetige Offerschaal is?
Apollo zegt er dit van:
Van ieder die het wijste is.”
Apollo zegt er dit van:
Van ieder die het wijste is.”
Daarop gaven
ze de Offerschaal aan Thales. Maar hij gaf het weer aan iemand anders enzovoort
tot de Offerschaal aan Solon werd gegeven, die het naar Delphi
terugstuurde met de kanttekening dat de godheid de wijste van allen was.
Callimachus
vertelt hetzelfde verhaal in zijn Jamben
anders. Deze versie nam hij over van Meandrius van Milete (3). Hij zegt dat Bathycles uit Arcadië bij zijn
overlijden een schaal naliet met de plechtige opdracht dat de schaal “zou
worden gegeven aan hem die door zijn wijsheid het meeste goed had gedaan”.
Daarom werd het aan Thales gegeven, en daarna ging het van hand tot hand onder
de (zeven) Wijzen en kwam uiteindelijk weer terug bij Thales. Toen stuurde hij het
naar Apollo te Didyma met de volgende opdracht volgens Callimachus:
“Ik,
Thales, geef aan de heerser Neleus, dit wat mij tweekeer te beurt is
gevallen.”
Maar de inscriptie
op de voet van de Offerschaal luidt:
“Thales
van Milete, zoon van Examyos (verder weinig over bekend) geeft dit als
wijgeschenk aan Apollo te Delphi, na hem tweekeer van de Grieken te hebben
gewonnen.”
De schaal
werd van plaats naar plaats gebracht door de zoon van Bathycles, die Thyrion heette, volgens
Eleusis (onbekend) in zijn werk Over Achilles, wat ook Alexoon
(onbekend), de Myndiër vertelt in zijn negende boek van de Legenden.
Maar Eudoxus van Cnidos en Euanthes van Milete zijn het er
over eens dat er een man was, bevriend met koning Croesus, die van hem een
gouden offerschaal kreeg om die aan de wijste onder de Grieken te schenken.
Deze man gaf de offerschaal aan Thales, en die gaf hem weer aan anderen om
ten
slotte te belanden bij Chilon. Chilon legde de vraag
“Wie is
er een wijzer man dan ik”
Het antwoord van de godheid met
betrekking tot Myson gaat als volgt:
De wijste
man dat is….”Myson van Chen op Oeta, die in wijsheid je overtreft”,
en dit antwoord kreeg Anacharsis (en niet Chilon).
Daimachus,
de volgeling van Plato, en Cleachus beweren dat de offerschaal door Croesus
naar Pittacus werd gestuurd en daarna zou de offerschaal te beginnen bij hem de ronde gaan
doen onder de Wijze Mannen.
Het verhaal
verteld door Andron (6) in zijn werk over De Drievoetige Offerschaal zegt dat de mensen van Argos een Drievoetige Offerschaal uitloofden als een moralistische prijs voor
de wijste onder de Grieken. Aristodemus, de Spartaan, kreeg de prijs toegekend,
maar die trok zich terug ten gunste van Chilon. Aristodemus wordt ook door
Alcaeus in deze zin genoemd. En wel om de reden dat Aristodemus op z’n
Spartaans zonder bijgedachten zei: “Welvaart maakt de man; en armoede is
waardeloos”.
Er zijn er
die zeggen dat een vrachtboot door Periander naar Trasybulos, de tiran van Milete (7), was gestuurd. Dat schip leed schipbreuk in de wateren
van Kos. Later vonden een stel vissers de
Drievoetige Offerschaal. Phanodicus, daarentegen, verklaart dat de Drievoet in
Atheense wateren is gevonden en naar Athene was gebracht. Er werd een
vergadering bijeengeroepen en daarbij werd besloten hem naar Bias te sturen……
En er is nog
een andere versie van hetzelfde verhaal. De Driepotige Offerschaal zou het werk
zijn van de goddelijke smid Hephaistos, die het bij zijn huwelijk aan
Pelops (of bij zijn opstanding uit de
dood?) cadeau gaf. Vandaar ging het naar Menelaos. Toen Paris Helena schaakte, nam hij ook de Drievoetige Offerschaal met zich mee. Zij
gooide hem bij Kos in zee, omdat, zei ze,
het wedijver in de hand zou werken. Toen, na verloop van tijd, hebben enige
mensen van Lebedus die voor de visvangst waren
uitgevaren, zich van de Drievoet meester gemaakt. Toen de vissers over het
bezit ervan ruzie kregen, brachten ze het naar Kos, en toen zij er toen nog
niet uitkwamen, brachten ze het probleem onder de aandacht van Milete, de
moederstad. Maar ze toonden geen respect
voor de afgezanten van Milete. Daarom trok Milete ten strijde tegen Kos. Er
vielen vele slachtoffers aan beide zijden. Toen verklaarde een orakel dat de
Drievoet aan de wijste mens moest worden gegeven. En van beide zijden was men
het erover eens dat dat Thales was. Daarop ging het rond onder de Wijzen, en
Thales besloot uiteindelijk het aan Apollo van Didyma te wijden.
Het orakel
dat de bewoners van Kos kregen ging als volgt:
“Niet
eerder zult gij, Meropen en Ioniërs, staken uw twisten,
eer gij een gouden Drievoet, die door Hephaistos in zee is gegooid,
de stad uit hebt gezet. Pas als de Drievoet in het huis van een man komt,
die voor wijs doorgaat in het verleden, in het heden en in de toekomst,
dan pas zult gij ophouden ruzie maken.”
eer gij een gouden Drievoet, die door Hephaistos in zee is gegooid,
de stad uit hebt gezet. Pas als de Drievoet in het huis van een man komt,
die voor wijs doorgaat in het verleden, in het heden en in de toekomst,
dan pas zult gij ophouden ruzie maken.”
donderdag 14 mei 2020
Thales (deel 4), de politicus.
Thales maakte deel uit van een groep bestuurders die bekend staat onder de naam “De zeven wijzen” van Ionisch Klein Azië. Van Vier van de Zeven
zijn de namen met zekerheid bekend: de wetgever van Athene, Solon, de generaal Pittacus, de wijsgeer Thales en de dictator Bias van Priëne. Bij deze laatste wil ik even stilstaan om een grap, die ik in 1980 in Marokko
te horen kreeg, voor het voetlicht te brengen. Deze Bias doet namelijk wat Jeha
in deze grap doet: hij gaat een individueel duel aan met iemand van de vijand
om de strijdbijl te begraven van de met elkaar ruziënde stammen.
Callimachus erkent Thales als de ontdekker van de Kleine Beer.
In een gedicht van hem staat over Thales te lezen:
Thales maakte deel uit van een groep bestuurders die bekend staat onder de naam “De zeven wijzen” van Ionisch Klein Azië. Van Vier van de Zeven
zijn de namen met zekerheid bekend: de wetgever van Athene, Solon, de generaal Pittacus, de wijsgeer Thales en de dictator Bias van Priëne. Bij deze laatste wil ik even stilstaan om een grap, die ik in 1980 in Marokko
te horen kreeg, voor het voetlicht te brengen. Deze Bias doet namelijk wat Jeha
in deze grap doet: hij gaat een individueel duel aan met iemand van de vijand
om de strijdbijl te begraven van de met elkaar ruziënde stammen.
De grap is van een jongen van rond de 18 jaar, die een schriftje
met Arabische teksten hanteerde om daaruit grappen te vertellen. Het schriftje heb
ik nergens kunnen terugvinden: het zou een persoonlijk geschreven
grappenverzameling kunnen zijn. De jongen maakte deel uit van een groepje
ambitieuze, puberale jongeren, die door hun familie naar de stad Tétouan waren gestuurd. De grap heeft alle kenmerken
waaruit blijkt dat hij authentiek en oud is: de redeneerwijze, en de manier
waarop er een eind aan de grap wordt gemaakt zoals die alleen maar voorkomt bij
professionele vertellers. Uit de vertaling valt op te maken, dat de grap
oorspronkelijk in het Arabisch (niet Tamazight/Berbers) werd verteld. De grap heeft wat weg van een
verhaal uit de Duizend en Een Nacht.
Op een dag zegt de koning tegen de inwoners van de stad,
dat er oorlog is. En alle mannen en jonge mannen tussen de twintig en dertig
jaar moeten zich oefenen om de oorlog in te gaan. Ook Jeha trekt met hen ten
strijde. Als ze goed genoeg geoefend zijn, en als ze op het punt staan naar het
oorlogsgebied te vertrekken, vraagt Jeha: “Kan ik twee kippen en twee stukken
vlees meekrijgen?” Men haalt twee kippen en twee stukken vlees, en ze
vertrekken. Op een gegeven moment in de strijd, besluit men dat iedere partij
steeds één iemand tegen iemand anders van de tegenpartij zal laten vechten. Het
land dat de meeste overlevenden heeft na afloop van alle duels heeft de strijd
gewonnen. Als er tien dagen verstreken zijn, is het de beurt aan Jeha. Jeha en
zijn tegenstander zijn beiden heel bedroefd. Elk wil van de ander winnen, maar
daarvoor is nodig dat één van beide de ander doodt (klik ter vergelijking). Jeha roept: “Stop, stop! Stijg van je
paard af!” (lees ook)
Ze stijgen beiden af. Daarop zegt Jeha: “Ga zitten.” Ze gaan beiden zitten. Dan
zegt hij: “Is mijn vader geld aan jouw vader verschuldigd? Zijn we daarover
niet tot een goede schikking gekomen?" Z’n tegenstander antwoordt: “Nee.”
Daarop vervolgt Jeha: “Heeft mijn vader land, en wij hebben dat niet goed onder
elkaar verdeeld?” “Nee,” antwoordt de ander daarop. Jeha zegt dan: “Waarom wil
je me dan doden? En ik jou? Vooruit wij leggen onze karabijn erbij neer, en we
gaan ervandoor.” Ook de andere man neemt zijn geweer van z’n schouder en legt
hem neer. Jeha zegt daarop: “Jij neemt een kip en een stuk vlees, en ik neem
ook mijn aandeel (woordspel in het Arabisch: hak/haqq).” Zij eten allebei een
kip en een stuk vlees. De anderen zien dat Jeha met zijn tegenstander zit te
eten. Ze zijn daar heel erg blij over. Ze staken de strijd, omdat vanaf dat
moment de twee landen weer vrienden zijn. Door Jeha zijn ze weer bevriend met
elkaar, en ze maken geen ruzie meer onderling. En zo eindigt dit verhaal van
Jeha.
In dit verhaaltje staat beschreven hoe het in de tijd van
Thales er soms op het strijdtoneel aan toe ging. Tenminste als Bias aanwezig
was, en als het verhaal over hem klopt.
De Zeven Wijzen (waarschijnlijk waren het er meer) vormden het Panionium, een Raad die boven de partijen stond. Het was een reizend gezelschap op zoek naar een vaste plek om zich te beraden. In een verslag van de Duitse universiteit te Bochum naar de uiteindelijke vestigingsplaats staat te lezen, hoe hierover zich nog in 2004 nieuwe vondsten hebben voorgedaan. In het begin gingen ze naar Athene, naar Milete (natuurlijk), naar Korinthe, naar Delphi, naar Egypte, en ook naar het eiland Samos (plaatje detail Herakleion op Samos). Op Samos kunnen we nog de resten zien van een altaar waarop de raadsleden offerden alvorens in vergadering te gaan.
Het lijkt mij (Diogenes Laërtes) hier de juiste plaats om wat informatie van algemene aard over de Zeven Wijzen in te voegen. Over hen weten we het volgende. Damon van Cyrene, die de geschiedenis van De Filosofen heeft geschreven, geeft op alle wijzen af, maar in het bijzonder op de Zeven Wijzen. Anaximenes merkte op dat ze zich allen bezighielden met de poëzie. En Dicaearchus zegt dat ze noch wijzen noch filosofen waren, maar vooral slimme mannen met een scherp oog voor wetgeving. Archetimus van Syracuse beschrijft hun bijeenkomst aan het hof van Cypselus. Bij die gelegenheid zegt hij zelf aanwezig te zijn geweest. Maar Ephorus zegt dat die bijeenkomst bij Croesus heeft plaats gevonden zonder Thales. Er zijn er die ze bijeen laten komen op het Pan-Ionisch festival, in Korinthe en Delphi. Hun uitlatingen worden uiteenlopend weergegeven en worden nu eens aan de een dan weer aan de ander toegeschreven. (2)
De Raad adviseerde de Ionische stammen die voortdurend met
elkaar in de clinch lagen. De stammen vormden een federatie, en de Raad zou een
allereerste Raad van Europa kunnen worden genoemd.
Het was de verdienste van Thales om uitstekende adviezen
in politieke aangelegenheden te hebben gegeven. Zó zou hij de onderhandelingen
tussen Milete en Croesus hebben gefrustreerd toen Croesus de stad voorwaarden
voor een bondgenootschap voorstelde. Dat kwam goed uit toen Cyrus II Croesus
overwon, want daarom spaarde Cyrus II Milete van de ondergang. (3)
Het gezelschap hield zich ook met poëzie bezig. Bij Thales
tref je een combinatie aan. Hij was de belangrijkste figuur van het overleg. In
het gedicht hieronder staat aangegeven waarom de Feniciërs (en zijn afkomst was
Fenicisch!) op zee goed richting konden houden en betere zeevaarders waren dan
de Grieken:
Callimachus erkent Thales als de ontdekker van de Kleine Beer.
In een gedicht van hem staat over Thales te lezen:
Wie als eerste
beschreef de baan der sterren,
die kleine sterretjes die we de Beer noemen,
waarop Feniciërs hun zeilen afstemmen? (4)
Uit dit gedicht valt op te maken dat de Feniciërs op de Poolster voeren in tegenstelling tot alle andere volkeren, die bijvoorbeeld zowel Venus als de Grote Beer als oriëntatiepunt hadden om richting te houden. Duidelijk is dat die veel meer moeite hadden koers te houden dan de Feniciërs, omdat de Poolster inderdaad het Noorden aangeeft, en de andere sterren voortdurend van plaats aan het firmament veranderen. Thales kan ook uit zijn eigen interesse in de seizoenen (1) tot de conclusie zijn gekomen dat er maar een ster was die stil stond aan de hemel: de Poolster. Maar verrassend aan deze vondst is, dat Thales dacht in ruimtes: bollen, sferen, en blokken. Anders zou hij nooit tot de juiste berekeningen van de stand van de sterren hebben kunnen komen!
Bij Herodotus
valt ook nog te lezen dat er Lydiërs (?) uit Klein Azië vertrokken richting
Sardinië, wat de springplank is naar het vaste land van Italië, waar ze later
Rome stichtten. De suggestie is dat die uittocht na de val van Croesus zou
hebben kunnen plaatsvinden. Thales kun je hiermee plaatsen aan het begin van de
Europese politieke geschiedenis. Arnaud (pag. 283) denkt dat zij aan de basis
staan van het individualisme. Hun eigengereidheid keerde zich tegen elke vorm
van dictatuur, hoewel zij zelf vaak dictators waren of ervan afhankelijk.
donderdag 7 mei 2020
Thales, deel 3: putten.
Laten we het eens over putten hebben, je weet wel die dingen
waar vroeger water uit werd getakeld in een emmer. Of waarin mensen
tegenwoordig zitten in een depressie. Bij de Turkse schrijver Pamuk verdwijnen er regelmatig lijken in een
put. Er zijn mensen die alleen al bij het horen van het woord "put" een gezicht
van afgrijzen trekken. Dat is helemaal niet zo gek, als je weet waar die put
zoal mee te maken heeft gehad.
Het volgende verhaaltje is niet het oudste grappige verhaal
over een put, maar het vertelt ons iets onverwachts over de oorsprong van deze
grappen uit de Klassieken.
Opschepperij buiten schooltijd (1).Op een dag viel de zoon van de Hodja in een put. Meteen
ging men het nieuws brengen aan de vader. De Hodja rende hals over kop
naar de rand van de put en schreeuwde van bovenaf: “Zoon, ben je
daar beneden?” “Vadertje, “antwoordde daarop de zoon uit de
diepte, “haal alsjeblieft hulp, om mij eruit te halen!” “Het is
niet nodig hulp te halen, “antwoordde daarop de Hodja, “Ik ga gewoon thuis een
touw halen om je eruit te trekken.”
Zonder uitleg is de grap niet helemaal te volgen. Je moet
namelijk weten dat het hier om het onderwijs in het Arabisch gaat, waardoor de
opmerking van de Hodja begrepen kan worden. “Help, help!” is namelijk in het Arabisch “Roep hulp, Roep
hulp” (واغوثاه) alsof je altijd mensen
en niet middelen nodig hebt om je te redden. De Hodja wil alleen maar een stuk
touw halen om zijn zoon uit de put te halen en vindt het onnodig ook nog mensen
te hulp te roepen. De aanduiding “vadertje”, een verkleinwoord, wijst erop dat
er misschien ook nog iets anders aan de hand is, nl. dat het gewicht van de
vader niet opweegt tegen dat van de zoon. Toch zegt vadertje, dat hij alleen
maar touw gaat halen en niets anders. Het tekent de vader – zoon verhouding,
vanuit de hemel daalt een touw(-ladder) om uit de diepten op te klimmen.
Het vertelt iets over het Turkse Islam onderwijs in het Arabisch
waar de zoon zó trots op is dat hij het beheerst, dat hij er niet alle finesses
van kent. Hij wil hiermee indruk maken zelfs als hij in doodsnood is, op zijn
vader. Hij maakt een fout en zijn vader corrigeert hem. Deze fout van de zoon
zou er ook op kunnen wijzen dat de oorspronkelijke versie van het verhaal
Arabisch is of uit een taal verwant aan het Arabisch (Hebreeuws of Fenicisch)
komt. En als we zo diep in het verleden duiken, stuiten we op een speciale
betekenis van put, die ook misschien het een en ander vertelt over de
afstamming van Thales.
Twee duizend jaar voor Christus hadden de Babyloniërs
allerlei voorschriften ten aanzien van niet gewenste kinderen (Arnaud,
287) . Deze regel laat zich als
volgt samenvatten: “(Baby’s, die ontsnapt waren aan) de bek van de hond of uit
een put” moesten geadopteerd worden. Zij genoten bijzondere bescherming,
omdat zij wisten te overleven in omstandigheden waarin je eigenlijk de dood
moest vinden. Deze kinderen hadden geen recht op een erfenis, maar wel op
speciale begeleiding, waardoor zij vaak hun talenten ten volle konden
ontwikkelen. En ik denk dat Thales zo’n kind was met een Fenicische afstamming,
volgens Herodotus, wat door latere Griekse geschiedschrijvers natuurlijk werd
tegengesproken. Feniciërs net als Romeinen legden vaak ongewenste kinderen te vondeling.
En Thales overleefde dat. Zo kwam hij in een Grieks gezin (dat van de tiran
Trasyboulos?)
dat hem met veel zorg opvoedde.
Meestal wordt het verhaal van de put verteld (2), als Thales al op oudere leeftijd is (Plato,
Theaetetus: 173e) :
Socrates:Laten we Thales als voorbeeld nemen, ….. Toen hij de
sterren aan het bestuderen was, keek hij omhoog en viel in een put. Een keurig
gevat Thracisch dienstmeisje maakte hem daarop belachelijk, zeggen ze. Hij
wilde zo graag de dingen in de hemel kennen, dat hij niet meer zag waar hij
liep.
Plato vertelt het alsof Thales zich laat afleiden of
verleiden door een jong meisje. Of is dat mijn interpretatie? Als Thales een
adoptief kind is geweest en over geen erfenis kon beschikken, had hij
waarschijnlijk zijn hele leven te weinig inkomen om te trouwen. Dit verklaart
veel over wat eerder verteld (blog)
werd over zijn redenen niet te willen trouwen. Misschien leidde het meisje hem
echt af van zijn werk? Maar Diogenes (vers 34)
zegt dat het om een oude vrouw ging (3):
[34] Er wordt verteld dat Thales eens , toen hij door een oude vrouw uit
zijn huis werd meegenomen om de sterren te observeren, in een kuil (put) is gevallen, en
dat zijn kreet om hulp door de oude vrouw als volgt beantwoord
werd: “Hoe kun je verwachten alles over de hemel aan de weet te komen,
Thales, als je niet eens kunt zien wat vlak voor je voeten ligt?”
In het Grieks
wordt er een verschil gemaakt tussen de sterrenhemel en het heelal (de hemel)
van de goden. Hier wordt de nadruk gelegd op de legendarische verstrooidheid
van de professor, die niet met beide benen op de grond staat en met zijn hoofd
in hogere sferen verkeert. Dat doet Thales volgens Socrates (Plato) ook, maar
waarom het dan hebben over een jong Thracisch wicht,
waarvan in het klassieke Griekenland het idee bestond dat zij muziek en liefde
om financiële redenen aanboden? De wetenschappelijke blik van Thales staat in
een bepaalde traditie. De vragen (4) die
wetenschappers zich stelden werden ook toen al een beetje onrealistisch
gevonden (Diogenes: 36):
Hij zei dat er geen
verschil bestaat tussen leven en dood. “Waarom zoek je de dood dan
niet?” zei iemand. “Omdat het toch geen verschil maakt, “ antwoordde
hij. Op de vraag wat er eerder is geweest de dag of de nacht,
antwoordde hij: “De nacht is één dag ouder”.
En ook deze
antwoorden hebben de eeuwen getrotseerd (5):
Ze hielden ervan Nasr Eddin lastig te vallen met
vervelende en ronduit onmogelijke vragen om te beantwoorden te stellen. Op een
dag vroeg men hem: "Nasr Eddin, jij bent zo goed thuis in wetenschappelijke
raadsels, zeg ons eens: wat is het nuttigst, de zon of de maan?"
"Ongetwijfeld, de maan! Zij verlicht ons als het donker is, terwijl die
stomme zon licht geeft als het al licht is!"
En weer bestaat er een Arabische variatie op de Turkse Nasreddin
versie. Was de oorsprong van de grappen inderdaad Fenicisch, Arabisch of
Hebreeuws? En zou deze gemeenschappelijke oorsprong geen reden zijn ook nu de gemeenschappelijke
oorsprong van deze talen te eerbiedigen?
Zon of maan (6) Vrienden van Jeha vroegen hem: “Zeg ons wie heeft het
grootste nut: de zon of de maan?” Jeha dacht er eventjes over na en zei toen: “Aangezien
de zon ’s ochtends opkomt en zich ’s nachts niet laat zien, en de maan ’s
nachts opstaat en dan de hele wereld verlicht en schijnt alsof het dag
is …concludeer ik daaruit dat de maan belangrijker (ouder? قديم) is dan de zon.”
Er staat “belangrijker”, maar dit woord associeert in het
Arabisch zo vlug met “ouder” dat je bijna direct denkt aan het antwoord van
Thales. Opvallend is ook de deductieve manier van redeneren. Die is uit de
Turkse versie verdwenen.
Abonneren op:
Posts (Atom)













