woensdag 10 juni 2020
maandag 1 juni 2020
Rodenko
De Negenhonderd Negentigste Nacht:
Maroef in Al-Merika. (Deel 1 van 10)
Paul Rodenko (1), De gestolen minnaar en andere vrijmoedige liefdesverhalen uit 1001 nacht (2), 1958 (!).
In Kaïro woonde eens een arme muilenlapper, schoenmaker (3), die Ma’roef (4) heette, en die een vriendelijk, zachtmoedig en sympathiek karakter had; als verreweg de meeste muilenlappers –misschien ligt het echter niet zozeer aan hun karakter maar is het eenvoudig een beroepsziekte – zat hij dan ook danig onder de pantoffel (5). Maar wie, ook al was hij geen muilenlapper, zou in zijn geval niet onder de pantoffel gezeten hebben? Want de vrouw die Allah – Zijn naam zij evengoed geprezen – hem had toebedeeld, was een afschrikwekkende feeks en een furie die in heel Kaïro, ja, in heel Egypte haar weerga niet had, en dat wil wat zeggen. Zij heette Hajbaj (6) en droeg haar naam met ere[1]: ze maakte hem op alle manieren het leven zuur, vervolgde hem dag en nacht met haar gescheld en getier, had op al wat hij deed een grauw of een sneer, en wat hij ook zei het gaf hem geen zier, ze was zo venijnig als een lammergier en erger dan een verscheurend dier en maakte een spektakel voor vier[2], want haar man te kwellen was haar enige plezier. En de ongelukkige toch al bedeesd van nature, werd steeds bedeesder, durfde ten slotte nauwelijks de mond open te doen en schrompelde bij zijn pogingen om zich zo klein en onopvallend mogelijk te maken zozeer ineen, dat de mensen op straat regelmatig over hem struikelden, omdat ze hem eenvoudig niet zagen.
Hij was zoals gezegd arm; hij verdiende maar net genoeg om
in beider levensonderhoud te voorzien, of liever gezegd in het levensonderhoud
van zijn vrouw, want hijzelf moest zich tevreden stellen met de schamele
restjes die zij voor hem overliet. En wanneer hij, zoals niet zelden gebeurde,
een slechte dag had gehad en ’s avonds zonder enige verdienste was
thuisgekomen, brak er een hel los die met geen pen te beschrijven is –want de
inkt zelf zou opdrogen van schrik. Laat het voldoende zijn te vermelden dat
zijn beproeving in zulke gevallen tot het ochtendgloren duurde en dat hij blij
mocht zijn, dat hij er zonder blauw oog of bloedneus van afkwam.
En alsof dat nog niet genoeg was, viel zijn vrouw hem bovendien geregeld met allerlei grillen en kuren lastig waar hij, arm als hij was, toch niet aan kon voldoen, zodat zij weer aanleiding had om met verdubbelde ijver tegen hem tekeer te gaan. Zo gebeurde het op een ochtend dat zij, toen hij op het punt stond naar zijn winkel te vertrekken, tegen hem zei: “Oh ja, wat ik nog wilde zeggen: breng vanavond een mokkataart (7) voor me mee. Ik heb ineens zo’n trek in mokkataart, ik móet vanavond mokkataart eten!” “Uh….tja,” zei Ma’roef voor wie een mokkataart een ongehoorde luxe was, “als Allah wil dat ik vandaag genoeg verdien….” “Wat Allah wil, moet Hij weten, “ viel Hajbaj hem in de rede, “maar ik wil vanavond een mokkataart. Begrepen?” “Ja, vrouwtje,” zei Ma’roef. “Maar….” “Niks te maren,” zei Hajbaj. “Jij brengt vanavond een mokkataart mee, anders …..” En haar ogen begonnen zo dreigend te fonkelen dat Ma’roef al bij voorbaat ineen kromp. “En nu, marsj naar je werk,” vervolgde zij, “in de tijd dat je hier staat te treuzelen en te maren had je al lang twee mokkataarten kunnen verdienen. Deruit, lummel!”
En de arme Ma’roef begaf zich naar zijn winkeltje en wachtte
bevend van ellende af wat de dag hem zou brengen; en zie: de dag bracht hem
niet alleen niets, maar zelfs helemáál niets! Niet alleen genoeg om desnoods
geen mokkataart maar althans een mokkapunt te kopen, maar zelfs niet genoeg om
brood voor het avondeten te kopen! En toen het sluitingsuur genaderd was en
zich geen enkele klant had vertoond, stond hij zuchtend op, sloot met trillende
vingers zijn winkeltje en sloeg schoorvoetend de weg naar huis in.
Nu leidde zijn weg toevallig langs de winkel van een
banketbakker die hij kende en wiens muilen (sloffen) hij weleens gelapt had; en
toen deze Ma’roef zo triest voorbij zag komen, doodsbleek en terwijl het
angstzweet op zijn voorhoofd parelde, riep hij hem aan en vroeg: “Hé Ma’roef,
wat is er met jou aan de hand? Heb je er een tweede vrouw bijgenomen? Kerel, je
ziet er uit als een geestverschijning! Kom binnen, rust even uit en vertel me
wat voor ongeluk je is overkomen.” En Ma’roef kwam naderbij en sprak, terwijl de tranen hem uit
de ogen liepen: “Ach, het is me een toestand! Het noodlot achtervolgt me en er
is geen redding dan bij Allah de Barmhartige!” En toen de banketbakker aan
bleef dringen, vertelde hij ten slotte alles wat hem bedrukte.
Hierop begon de banketbakker, die een goedhartig man was, te
lachen en zei: “Maar kerel, is dat alles? Laat het dan maar aan mij over: ik
zal je een mokkataart meegeven waar ze haar vingers bij af zal likken; wanneer
de zaken beter gaan, kun je me die wel terugbetalen. Dat wil zeggen, een
mokkataart heb ik op het ogenblik niet in voorraad maar ik zal je iets veel
beters geven, een echte chocoladetaart. Je weet toch wat chocolade is? Dat komt
uit het verre Al-Merika (8) , dat nieuwe land
dat ze aan de andere kant van de grote zee ontdekt hebben – een kostbare
lekkernij, die alleen nog maar door vorsten en koningen genuttigd wordt. Deze taart
hier werd besteld door de favoriete van de sultan zelf, maar ze heeft hem juist
vandaag weer afbesteld, omdat de sultan zei dat ze te dik werd; neem jij hem
dus mee en moge hij je huiselijke vrede verzekeren.”
Ma’roef bedankte de goede banketbakker met tranen in de ogen
en wilde hem zelfs de hand kussen, maar deze wilde daar niet van weten en trok
zijn hand haastig terug; en hij vervolgde: “Die taart is dus voor je vrouw,
maar zelf moet je vanavond toch ook eten: hier dat is voor jou, “ -- en hij drukte hem een knappend, geurig
brood in de hand en een stuk romige kaas, gewikkeld in een vijgenblad. En
Ma’roef, die van zijn leven nog niet zoveel had bezeten, wist niet meer hoe hij
de banketbakker moest bedanken en begaf zich ten slotte naar huis met een
gevoel of hij droomde.
En toen hij thuiskwam, beladen met de heerlijke
chocoladetaart, het geurende broodje en de romige kaas, kwam zijn vrouw Hajbaj
hem tegemoet en riep met haar schelle stem: “Wel, waar is de mokkataart?”
“Allah is edelmoedig, “ zei Ma’roef, “hier is de taart.” En hij stalde verheugd
zijn schatten op tafel uit. “Zo, is daar de taart?” zei Hajbaj. “Ja, vrouwtje,
dat is de taart,” zei Ma’roef. “Zo,” zei Hajbaj. “Ja, zoals je ziet,” zei
Ma’roef. “Ik zie niets!” krijste Hajbaj plotseling. “Vlegel! Bedrieger!
Ellendeling! Nagel aan mijn doodkist! Heb ik je niet gezegd een mokkataart voor
me mee te brengen? Je wilt toch zeker niet beweren, dat dit een mokkataart is,
hè?” “Uh…uh…uh,” zei Ma’roef geschrokken. “Nee, ik bedoel, vrouwtje…dit is nog veel
beter, ik bedoel…dit is een echte chocoladetaart…..Chocolade is een nieuw soort
toestand uit Al-Merika en …..” (9) “Al-Merika!
Wat heb ik daarmee te maken? Ik draag je op, een mokkataart voor me mee te
brengen en waar kom jij, sukkel die je bent mee thuis? Met een cocaco… een
chococacoladetaart! Je verslikt je alleen in het woord al, laat staan in het
spul zelf! Maar daar is het je natuurlijk om te doen, je wilt dat ik erin stik,
hè? Lafaard, geniepige moordenaar! Uit Al-Merika, welja! Dacht je, dat ik geen
kranten las? Dacht je dat ik niet wist dat ze daar elke dag kinderen neppen en
onschuldige meisjes oppinnen? Maar jij vindt dat natuurlijk allemaal prachtig,
hè? Bruut, wellusteling! Ze kunnen daar niet eens een fatsoenlijke buikdans
dansen, maar alleen maar rokken rollen! Echt wat voor jou, snoeperd,
meisjespinner, rokkenroller, kindernepper, beul! Alsjeblieft, hier heb je die
obscene taart van jou, ik moet hem niet!”
En terwijl de arme Ma’roef, die zo’n uitbarsting allerminst
verwacht had, er volkomen beteuterd bij stond te kijken, pakte zij de taart op
en smakte hem midden in zijn gezicht. (10)
“Ziezo,” vervolgde zij, “en ga nu onmiddellijk een mokkataart halen. Marsj, de
deur uit!” En toen hij niet vlug genoeg reageerde, omdat hij te verbouwereerd
was en bovendien niet zien kon, daar zijn ogen vol chocolade en slagroom zaten,
gaf ze hem zo’n stomp in zijn maag dat hij er bijna van dubbel sloeg, en
vervolgens een kaakslag die zo hard aankwam, dat een tand uit zijn mond sprong
en het bloed hem langs zijn kin en baard stroomde.
Zoveel onrechtvaardigheid kon zelfs Ma’roefs timide geest
niet verkroppen, en onwillekeurig maakte hij een gebaar, half van afweer, half
van protest, waardoor hij haar een lichte tik tegen haar hoofd gaf. Dit
onnozele gebaar van zelfverweer echter bracht haar totaal buiten zichzelf en
razend van woede stortte zij zich op hem, greep met beide handen zijn baard
vast en brulde luidkeels: “Help,help! Buren, help, hij vermoordt me! Help!”
En de buren kwamen op haar gegil aanlopen en vroegen: “Wie
vermoordt wie?” “Hij mij natuurlijk!” riep Hajbaj. “De moordenaar! De
vrouwenbeul! De rokkenroller! De pinner van onschuldige meisjes!” “Wat voor
onschuldige meisjes,” vroegen de buren, terwijl ze met grote moeite Ma’roefs
baard uit de greep van de furie bevrijdden. “Ik natuurlijk!” snauwde Hajbaj.
“O,” zeiden de buren, die haar van langer dan vandaag kenden en die trouwens
maar de toestand hoefden te zien waarin Ma’roef verkeerde om te begrijpen hoe
de vork in de steel zat. En zij vervolgden: “is dat een manier om je arme man
te behandelen? Je moest je schamen! Een man met zo’n goed en zacht karakter, en
je behandelt hem erger dan een straathond. Vrouwen zoals jij er een bent
moesten ze opsluiten na ze eerst honderdstokslagen gegeven te hebben!” En na
haar aldus de les gelezen en uitgefoeterd te hebben, gingen ze hun weegs.
Zodra zij echter vertrokken waren, ging Hajbaj dreigend voor
haar man staan, die gedurende deze hele scène stil in een hoekje was blijven
zitten, en siste hem met een van haat gloeiende stem toe: “Zo, mooi is dat! De
buren tegen me ophitsen, hè? Wacht maar, mannetje, dat zal je duur te staan
komen! En ze ging in een andere hoek van de kamer zitten, vanwaar ze hem met de
ogen van tijgerin bleef aankijken, terwijl ze ondertussen op de vreselijkste
wraakplannen broedde.
Maar Ma’roef, die allang spijt had van zijn onvoorzichtig
gebaar, wilde zijn best doen om het weer goed te maken; en hij raapte de resten
van de chocoladetaart van de vloer op, legde ze netjes op een schoteltje en
hield ze schuchter zijn vrouw voor, terwijl hij zei: “Uh…..vrouwtje-lief, zou
je toch niet wat van ….uh…deze toestand proberen? Morgen breng ik als Allah het
wil een mokkataart mee.”
Maar zij stootte hem met haar voet terug en schreeuwde:
“Loop naar de hel met die rommel van je! Honderd stokslagen, hè? Wacht maar tot
ik met je afreken!”
Toen de ongelukkige schoenmaker zag dat zijn laatste
verzoeningspoging faalde, besloot hij de taart dan maar zelf op te eten want
hij besefte plotseling, dat hij de hele dag nog niets gegeten had. Hij zette
zich dus neer met de resten van de taart voor zich en begon er met smaak van te
eten; en de taart streelde zijn gehemelte als een hoeria in het paradijs de
ogen van de uitverkorene. Vervolgens viel hij op het geurige brood en de romige
kaas aan en bleef net zolang eten, tot er geen kruimeltje meer over was. En
Hajbaj volgde elk van zijn bewegingen met kwaadaardige gloeiende ogen en zei
bij elke hap die hij nam: “Moge je tong verdorren” of “Ik hoop dat je erin
stikt” of “Ik hoop dat je er buikkramp ervan krijgt” en meer van dergelijke
vriendelijke tafelwensen. Maar Ma’roef, die werkelijk honger had, at gestaag
door, hetgeen zijn lieve vrouw ten slotte zo furieus maakte dat ze woedend
opsprong, hem alles wat ze onder haar bereik vond naar zijn hoofd slingerde en
zich vloekend en tierend naar bed begaf; en zelfs in haar slaap nog bleef zij
tot de ochtend toe de verschrikkelijkste verwensingen uitbraken.
De volgende ochtend stond Ma’roef vroeg op, kleedde zich aan
en begaf zich naar zijn winkeltje, hopend dat het lot hem deze dag gunstig
gezind zou zijn. Maar in plaats dat er een klant verscheen, verschenen er na
een paar uur twee politieagenten (11) die hem op
bevel van de kadi arresteerden, zijn handen op zijn rug bonden en hem door de
straten van de soek naar de rechtbank sleepten. En tot zijn stomme verbazing
trof hij voor de kadi zijn vrouw Hajbaj aan, die haar linkerarm in verband
droeg, een groot verband om haar hoofd had en in haar rechterhand een gebroken
tand hield.
Zodra de kadi de dodelijk verschrikte Ma’roef zag, donderde
hij hem toe: “Kom hier, ontaarde bruut! Schaam je je niet om je arme vrouwtje
zo toe te takelen en op zo’n beestachtige manier haar arm te breken en de
tanden uit haar mond te slaan? En Ma’roef, die maar een wens had: dat de aarde
zich voor hem zou openen en hem verzwelgen (12) ,
boog het hoofd en zweeg. Want hoewel hij gemakkelijk de buren als getuigen had
kunnen halen, woog zijn verlangen om de vrede te bewaren en zijn eer én die van
zijn vrouw te redden het zwaarst. En de kadi, die in zijn zwijgen het bewijs
van zijn schuld zag, beval de gerechtsdienaren hem honderd stokslagen op de
voetzolen te geven; en dezen voerden het vonnis ter plaatse uit voor de ogen
van Hajbaj die zich innerlijk stond te verkneuteren van plezier (13).
donderdag 21 mei 2020
Thales (slot): De wisselbeker (offerschaal)
Gedeeltelijk eigen vertaling, met fragmenten overgenomen van dr. Rein Ferweda en dr Jan Eykman (1). Bij goed lezen staat hier een fantastisch grappig verhaal.
Er is een
algemeen bekend verhaal over een Drievoetige Offerschaal die door vissers werd
gevonden en door de inwoners van Milete aan alle Wijze Mannen achtereenvolgens
werd toegezonden. Dat gaat als volgt:
[28] Nadat
bepaalde Ionische jongeren de visvangst van vissers van Milete hadden gekocht,
ontstond er een meningsverschil over de Drievoetige Offerschaal (2), die als bijvangst was opgevist. Uiteindelijk kwam
de zaak terecht
bij het orakel van Delphi, en die deed aldus uitspraak:
“Van wie de Drievoetige Offerschaal is?
Apollo zegt er dit van:
Van ieder die het wijste is.”
Apollo zegt er dit van:
Van ieder die het wijste is.”
Daarop gaven
ze de Offerschaal aan Thales. Maar hij gaf het weer aan iemand anders enzovoort
tot de Offerschaal aan Solon werd gegeven, die het naar Delphi
terugstuurde met de kanttekening dat de godheid de wijste van allen was.
Callimachus
vertelt hetzelfde verhaal in zijn Jamben
anders. Deze versie nam hij over van Meandrius van Milete (3). Hij zegt dat Bathycles uit Arcadië bij zijn
overlijden een schaal naliet met de plechtige opdracht dat de schaal “zou
worden gegeven aan hem die door zijn wijsheid het meeste goed had gedaan”.
Daarom werd het aan Thales gegeven, en daarna ging het van hand tot hand onder
de (zeven) Wijzen en kwam uiteindelijk weer terug bij Thales. Toen stuurde hij het
naar Apollo te Didyma met de volgende opdracht volgens Callimachus:
“Ik,
Thales, geef aan de heerser Neleus, dit wat mij tweekeer te beurt is
gevallen.”
Maar de inscriptie
op de voet van de Offerschaal luidt:
“Thales
van Milete, zoon van Examyos (verder weinig over bekend) geeft dit als
wijgeschenk aan Apollo te Delphi, na hem tweekeer van de Grieken te hebben
gewonnen.”
De schaal
werd van plaats naar plaats gebracht door de zoon van Bathycles, die Thyrion heette, volgens
Eleusis (onbekend) in zijn werk Over Achilles, wat ook Alexoon
(onbekend), de Myndiër vertelt in zijn negende boek van de Legenden.
Maar Eudoxus van Cnidos en Euanthes van Milete zijn het er
over eens dat er een man was, bevriend met koning Croesus, die van hem een
gouden offerschaal kreeg om die aan de wijste onder de Grieken te schenken.
Deze man gaf de offerschaal aan Thales, en die gaf hem weer aan anderen om
ten
slotte te belanden bij Chilon. Chilon legde de vraag
“Wie is
er een wijzer man dan ik”
Het antwoord van de godheid met
betrekking tot Myson gaat als volgt:
De wijste
man dat is….”Myson van Chen op Oeta, die in wijsheid je overtreft”,
en dit antwoord kreeg Anacharsis (en niet Chilon).
Daimachus,
de volgeling van Plato, en Cleachus beweren dat de offerschaal door Croesus
naar Pittacus werd gestuurd en daarna zou de offerschaal te beginnen bij hem de ronde gaan
doen onder de Wijze Mannen.
Het verhaal
verteld door Andron (6) in zijn werk over De Drievoetige Offerschaal zegt dat de mensen van Argos een Drievoetige Offerschaal uitloofden als een moralistische prijs voor
de wijste onder de Grieken. Aristodemus, de Spartaan, kreeg de prijs toegekend,
maar die trok zich terug ten gunste van Chilon. Aristodemus wordt ook door
Alcaeus in deze zin genoemd. En wel om de reden dat Aristodemus op z’n
Spartaans zonder bijgedachten zei: “Welvaart maakt de man; en armoede is
waardeloos”.
Er zijn er
die zeggen dat een vrachtboot door Periander naar Trasybulos, de tiran van Milete (7), was gestuurd. Dat schip leed schipbreuk in de wateren
van Kos. Later vonden een stel vissers de
Drievoetige Offerschaal. Phanodicus, daarentegen, verklaart dat de Drievoet in
Atheense wateren is gevonden en naar Athene was gebracht. Er werd een
vergadering bijeengeroepen en daarbij werd besloten hem naar Bias te sturen……
En er is nog
een andere versie van hetzelfde verhaal. De Driepotige Offerschaal zou het werk
zijn van de goddelijke smid Hephaistos, die het bij zijn huwelijk aan
Pelops (of bij zijn opstanding uit de
dood?) cadeau gaf. Vandaar ging het naar Menelaos. Toen Paris Helena schaakte, nam hij ook de Drievoetige Offerschaal met zich mee. Zij
gooide hem bij Kos in zee, omdat, zei ze,
het wedijver in de hand zou werken. Toen, na verloop van tijd, hebben enige
mensen van Lebedus die voor de visvangst waren
uitgevaren, zich van de Drievoet meester gemaakt. Toen de vissers over het
bezit ervan ruzie kregen, brachten ze het naar Kos, en toen zij er toen nog
niet uitkwamen, brachten ze het probleem onder de aandacht van Milete, de
moederstad. Maar ze toonden geen respect
voor de afgezanten van Milete. Daarom trok Milete ten strijde tegen Kos. Er
vielen vele slachtoffers aan beide zijden. Toen verklaarde een orakel dat de
Drievoet aan de wijste mens moest worden gegeven. En van beide zijden was men
het erover eens dat dat Thales was. Daarop ging het rond onder de Wijzen, en
Thales besloot uiteindelijk het aan Apollo van Didyma te wijden.
Het orakel
dat de bewoners van Kos kregen ging als volgt:
“Niet
eerder zult gij, Meropen en Ioniërs, staken uw twisten,
eer gij een gouden Drievoet, die door Hephaistos in zee is gegooid,
de stad uit hebt gezet. Pas als de Drievoet in het huis van een man komt,
die voor wijs doorgaat in het verleden, in het heden en in de toekomst,
dan pas zult gij ophouden ruzie maken.”
eer gij een gouden Drievoet, die door Hephaistos in zee is gegooid,
de stad uit hebt gezet. Pas als de Drievoet in het huis van een man komt,
die voor wijs doorgaat in het verleden, in het heden en in de toekomst,
dan pas zult gij ophouden ruzie maken.”
donderdag 14 mei 2020
Thales (deel 4), de politicus.
Thales maakte deel uit van een groep bestuurders die bekend staat onder de naam “De zeven wijzen” van Ionisch Klein Azië. Van Vier van de Zeven
zijn de namen met zekerheid bekend: de wetgever van Athene, Solon, de generaal Pittacus, de wijsgeer Thales en de dictator Bias van Priëne. Bij deze laatste wil ik even stilstaan om een grap, die ik in 1980 in Marokko
te horen kreeg, voor het voetlicht te brengen. Deze Bias doet namelijk wat Jeha
in deze grap doet: hij gaat een individueel duel aan met iemand van de vijand
om de strijdbijl te begraven van de met elkaar ruziënde stammen.
Callimachus erkent Thales als de ontdekker van de Kleine Beer.
In een gedicht van hem staat over Thales te lezen:
Thales maakte deel uit van een groep bestuurders die bekend staat onder de naam “De zeven wijzen” van Ionisch Klein Azië. Van Vier van de Zeven
zijn de namen met zekerheid bekend: de wetgever van Athene, Solon, de generaal Pittacus, de wijsgeer Thales en de dictator Bias van Priëne. Bij deze laatste wil ik even stilstaan om een grap, die ik in 1980 in Marokko
te horen kreeg, voor het voetlicht te brengen. Deze Bias doet namelijk wat Jeha
in deze grap doet: hij gaat een individueel duel aan met iemand van de vijand
om de strijdbijl te begraven van de met elkaar ruziënde stammen.
De grap is van een jongen van rond de 18 jaar, die een schriftje
met Arabische teksten hanteerde om daaruit grappen te vertellen. Het schriftje heb
ik nergens kunnen terugvinden: het zou een persoonlijk geschreven
grappenverzameling kunnen zijn. De jongen maakte deel uit van een groepje
ambitieuze, puberale jongeren, die door hun familie naar de stad Tétouan waren gestuurd. De grap heeft alle kenmerken
waaruit blijkt dat hij authentiek en oud is: de redeneerwijze, en de manier
waarop er een eind aan de grap wordt gemaakt zoals die alleen maar voorkomt bij
professionele vertellers. Uit de vertaling valt op te maken, dat de grap
oorspronkelijk in het Arabisch (niet Tamazight/Berbers) werd verteld. De grap heeft wat weg van een
verhaal uit de Duizend en Een Nacht.
Op een dag zegt de koning tegen de inwoners van de stad,
dat er oorlog is. En alle mannen en jonge mannen tussen de twintig en dertig
jaar moeten zich oefenen om de oorlog in te gaan. Ook Jeha trekt met hen ten
strijde. Als ze goed genoeg geoefend zijn, en als ze op het punt staan naar het
oorlogsgebied te vertrekken, vraagt Jeha: “Kan ik twee kippen en twee stukken
vlees meekrijgen?” Men haalt twee kippen en twee stukken vlees, en ze
vertrekken. Op een gegeven moment in de strijd, besluit men dat iedere partij
steeds één iemand tegen iemand anders van de tegenpartij zal laten vechten. Het
land dat de meeste overlevenden heeft na afloop van alle duels heeft de strijd
gewonnen. Als er tien dagen verstreken zijn, is het de beurt aan Jeha. Jeha en
zijn tegenstander zijn beiden heel bedroefd. Elk wil van de ander winnen, maar
daarvoor is nodig dat één van beide de ander doodt (klik ter vergelijking). Jeha roept: “Stop, stop! Stijg van je
paard af!” (lees ook)
Ze stijgen beiden af. Daarop zegt Jeha: “Ga zitten.” Ze gaan beiden zitten. Dan
zegt hij: “Is mijn vader geld aan jouw vader verschuldigd? Zijn we daarover
niet tot een goede schikking gekomen?" Z’n tegenstander antwoordt: “Nee.”
Daarop vervolgt Jeha: “Heeft mijn vader land, en wij hebben dat niet goed onder
elkaar verdeeld?” “Nee,” antwoordt de ander daarop. Jeha zegt dan: “Waarom wil
je me dan doden? En ik jou? Vooruit wij leggen onze karabijn erbij neer, en we
gaan ervandoor.” Ook de andere man neemt zijn geweer van z’n schouder en legt
hem neer. Jeha zegt daarop: “Jij neemt een kip en een stuk vlees, en ik neem
ook mijn aandeel (woordspel in het Arabisch: hak/haqq).” Zij eten allebei een
kip en een stuk vlees. De anderen zien dat Jeha met zijn tegenstander zit te
eten. Ze zijn daar heel erg blij over. Ze staken de strijd, omdat vanaf dat
moment de twee landen weer vrienden zijn. Door Jeha zijn ze weer bevriend met
elkaar, en ze maken geen ruzie meer onderling. En zo eindigt dit verhaal van
Jeha.
In dit verhaaltje staat beschreven hoe het in de tijd van
Thales er soms op het strijdtoneel aan toe ging. Tenminste als Bias aanwezig
was, en als het verhaal over hem klopt.
De Zeven Wijzen (waarschijnlijk waren het er meer) vormden het Panionium, een Raad die boven de partijen stond. Het was een reizend gezelschap op zoek naar een vaste plek om zich te beraden. In een verslag van de Duitse universiteit te Bochum naar de uiteindelijke vestigingsplaats staat te lezen, hoe hierover zich nog in 2004 nieuwe vondsten hebben voorgedaan. In het begin gingen ze naar Athene, naar Milete (natuurlijk), naar Korinthe, naar Delphi, naar Egypte, en ook naar het eiland Samos (plaatje detail Herakleion op Samos). Op Samos kunnen we nog de resten zien van een altaar waarop de raadsleden offerden alvorens in vergadering te gaan.
Het lijkt mij (Diogenes Laërtes) hier de juiste plaats om wat informatie van algemene aard over de Zeven Wijzen in te voegen. Over hen weten we het volgende. Damon van Cyrene, die de geschiedenis van De Filosofen heeft geschreven, geeft op alle wijzen af, maar in het bijzonder op de Zeven Wijzen. Anaximenes merkte op dat ze zich allen bezighielden met de poëzie. En Dicaearchus zegt dat ze noch wijzen noch filosofen waren, maar vooral slimme mannen met een scherp oog voor wetgeving. Archetimus van Syracuse beschrijft hun bijeenkomst aan het hof van Cypselus. Bij die gelegenheid zegt hij zelf aanwezig te zijn geweest. Maar Ephorus zegt dat die bijeenkomst bij Croesus heeft plaats gevonden zonder Thales. Er zijn er die ze bijeen laten komen op het Pan-Ionisch festival, in Korinthe en Delphi. Hun uitlatingen worden uiteenlopend weergegeven en worden nu eens aan de een dan weer aan de ander toegeschreven. (2)
De Raad adviseerde de Ionische stammen die voortdurend met
elkaar in de clinch lagen. De stammen vormden een federatie, en de Raad zou een
allereerste Raad van Europa kunnen worden genoemd.
Het was de verdienste van Thales om uitstekende adviezen
in politieke aangelegenheden te hebben gegeven. Zó zou hij de onderhandelingen
tussen Milete en Croesus hebben gefrustreerd toen Croesus de stad voorwaarden
voor een bondgenootschap voorstelde. Dat kwam goed uit toen Cyrus II Croesus
overwon, want daarom spaarde Cyrus II Milete van de ondergang. (3)
Het gezelschap hield zich ook met poëzie bezig. Bij Thales
tref je een combinatie aan. Hij was de belangrijkste figuur van het overleg. In
het gedicht hieronder staat aangegeven waarom de Feniciërs (en zijn afkomst was
Fenicisch!) op zee goed richting konden houden en betere zeevaarders waren dan
de Grieken:
Callimachus erkent Thales als de ontdekker van de Kleine Beer.
In een gedicht van hem staat over Thales te lezen:
Wie als eerste
beschreef de baan der sterren,
die kleine sterretjes die we de Beer noemen,
waarop Feniciërs hun zeilen afstemmen? (4)
Uit dit gedicht valt op te maken dat de Feniciërs op de Poolster voeren in tegenstelling tot alle andere volkeren, die bijvoorbeeld zowel Venus als de Grote Beer als oriëntatiepunt hadden om richting te houden. Duidelijk is dat die veel meer moeite hadden koers te houden dan de Feniciërs, omdat de Poolster inderdaad het Noorden aangeeft, en de andere sterren voortdurend van plaats aan het firmament veranderen. Thales kan ook uit zijn eigen interesse in de seizoenen (1) tot de conclusie zijn gekomen dat er maar een ster was die stil stond aan de hemel: de Poolster. Maar verrassend aan deze vondst is, dat Thales dacht in ruimtes: bollen, sferen, en blokken. Anders zou hij nooit tot de juiste berekeningen van de stand van de sterren hebben kunnen komen!
Bij Herodotus
valt ook nog te lezen dat er Lydiërs (?) uit Klein Azië vertrokken richting
Sardinië, wat de springplank is naar het vaste land van Italië, waar ze later
Rome stichtten. De suggestie is dat die uittocht na de val van Croesus zou
hebben kunnen plaatsvinden. Thales kun je hiermee plaatsen aan het begin van de
Europese politieke geschiedenis. Arnaud (pag. 283) denkt dat zij aan de basis
staan van het individualisme. Hun eigengereidheid keerde zich tegen elke vorm
van dictatuur, hoewel zij zelf vaak dictators waren of ervan afhankelijk.
donderdag 7 mei 2020
Thales, deel 3: putten.
Laten we het eens over putten hebben, je weet wel die dingen
waar vroeger water uit werd getakeld in een emmer. Of waarin mensen
tegenwoordig zitten in een depressie. Bij de Turkse schrijver Pamuk verdwijnen er regelmatig lijken in een
put. Er zijn mensen die alleen al bij het horen van het woord "put" een gezicht
van afgrijzen trekken. Dat is helemaal niet zo gek, als je weet waar die put
zoal mee te maken heeft gehad.
Het volgende verhaaltje is niet het oudste grappige verhaal
over een put, maar het vertelt ons iets onverwachts over de oorsprong van deze
grappen uit de Klassieken.
Opschepperij buiten schooltijd (1).Op een dag viel de zoon van de Hodja in een put. Meteen
ging men het nieuws brengen aan de vader. De Hodja rende hals over kop
naar de rand van de put en schreeuwde van bovenaf: “Zoon, ben je
daar beneden?” “Vadertje, “antwoordde daarop de zoon uit de
diepte, “haal alsjeblieft hulp, om mij eruit te halen!” “Het is
niet nodig hulp te halen, “antwoordde daarop de Hodja, “Ik ga gewoon thuis een
touw halen om je eruit te trekken.”
Zonder uitleg is de grap niet helemaal te volgen. Je moet
namelijk weten dat het hier om het onderwijs in het Arabisch gaat, waardoor de
opmerking van de Hodja begrepen kan worden. “Help, help!” is namelijk in het Arabisch “Roep hulp, Roep
hulp” (واغوثاه) alsof je altijd mensen
en niet middelen nodig hebt om je te redden. De Hodja wil alleen maar een stuk
touw halen om zijn zoon uit de put te halen en vindt het onnodig ook nog mensen
te hulp te roepen. De aanduiding “vadertje”, een verkleinwoord, wijst erop dat
er misschien ook nog iets anders aan de hand is, nl. dat het gewicht van de
vader niet opweegt tegen dat van de zoon. Toch zegt vadertje, dat hij alleen
maar touw gaat halen en niets anders. Het tekent de vader – zoon verhouding,
vanuit de hemel daalt een touw(-ladder) om uit de diepten op te klimmen.
Het vertelt iets over het Turkse Islam onderwijs in het Arabisch
waar de zoon zó trots op is dat hij het beheerst, dat hij er niet alle finesses
van kent. Hij wil hiermee indruk maken zelfs als hij in doodsnood is, op zijn
vader. Hij maakt een fout en zijn vader corrigeert hem. Deze fout van de zoon
zou er ook op kunnen wijzen dat de oorspronkelijke versie van het verhaal
Arabisch is of uit een taal verwant aan het Arabisch (Hebreeuws of Fenicisch)
komt. En als we zo diep in het verleden duiken, stuiten we op een speciale
betekenis van put, die ook misschien het een en ander vertelt over de
afstamming van Thales.
Twee duizend jaar voor Christus hadden de Babyloniërs
allerlei voorschriften ten aanzien van niet gewenste kinderen (Arnaud,
287) . Deze regel laat zich als
volgt samenvatten: “(Baby’s, die ontsnapt waren aan) de bek van de hond of uit
een put” moesten geadopteerd worden. Zij genoten bijzondere bescherming,
omdat zij wisten te overleven in omstandigheden waarin je eigenlijk de dood
moest vinden. Deze kinderen hadden geen recht op een erfenis, maar wel op
speciale begeleiding, waardoor zij vaak hun talenten ten volle konden
ontwikkelen. En ik denk dat Thales zo’n kind was met een Fenicische afstamming,
volgens Herodotus, wat door latere Griekse geschiedschrijvers natuurlijk werd
tegengesproken. Feniciërs net als Romeinen legden vaak ongewenste kinderen te vondeling.
En Thales overleefde dat. Zo kwam hij in een Grieks gezin (dat van de tiran
Trasyboulos?)
dat hem met veel zorg opvoedde.
Meestal wordt het verhaal van de put verteld (2), als Thales al op oudere leeftijd is (Plato,
Theaetetus: 173e) :
Socrates:Laten we Thales als voorbeeld nemen, ….. Toen hij de
sterren aan het bestuderen was, keek hij omhoog en viel in een put. Een keurig
gevat Thracisch dienstmeisje maakte hem daarop belachelijk, zeggen ze. Hij
wilde zo graag de dingen in de hemel kennen, dat hij niet meer zag waar hij
liep.
Plato vertelt het alsof Thales zich laat afleiden of
verleiden door een jong meisje. Of is dat mijn interpretatie? Als Thales een
adoptief kind is geweest en over geen erfenis kon beschikken, had hij
waarschijnlijk zijn hele leven te weinig inkomen om te trouwen. Dit verklaart
veel over wat eerder verteld (blog)
werd over zijn redenen niet te willen trouwen. Misschien leidde het meisje hem
echt af van zijn werk? Maar Diogenes (vers 34)
zegt dat het om een oude vrouw ging (3):
[34] Er wordt verteld dat Thales eens , toen hij door een oude vrouw uit
zijn huis werd meegenomen om de sterren te observeren, in een kuil (put) is gevallen, en
dat zijn kreet om hulp door de oude vrouw als volgt beantwoord
werd: “Hoe kun je verwachten alles over de hemel aan de weet te komen,
Thales, als je niet eens kunt zien wat vlak voor je voeten ligt?”
In het Grieks
wordt er een verschil gemaakt tussen de sterrenhemel en het heelal (de hemel)
van de goden. Hier wordt de nadruk gelegd op de legendarische verstrooidheid
van de professor, die niet met beide benen op de grond staat en met zijn hoofd
in hogere sferen verkeert. Dat doet Thales volgens Socrates (Plato) ook, maar
waarom het dan hebben over een jong Thracisch wicht,
waarvan in het klassieke Griekenland het idee bestond dat zij muziek en liefde
om financiële redenen aanboden? De wetenschappelijke blik van Thales staat in
een bepaalde traditie. De vragen (4) die
wetenschappers zich stelden werden ook toen al een beetje onrealistisch
gevonden (Diogenes: 36):
Hij zei dat er geen
verschil bestaat tussen leven en dood. “Waarom zoek je de dood dan
niet?” zei iemand. “Omdat het toch geen verschil maakt, “ antwoordde
hij. Op de vraag wat er eerder is geweest de dag of de nacht,
antwoordde hij: “De nacht is één dag ouder”.
En ook deze
antwoorden hebben de eeuwen getrotseerd (5):
Ze hielden ervan Nasr Eddin lastig te vallen met
vervelende en ronduit onmogelijke vragen om te beantwoorden te stellen. Op een
dag vroeg men hem: "Nasr Eddin, jij bent zo goed thuis in wetenschappelijke
raadsels, zeg ons eens: wat is het nuttigst, de zon of de maan?"
"Ongetwijfeld, de maan! Zij verlicht ons als het donker is, terwijl die
stomme zon licht geeft als het al licht is!"
En weer bestaat er een Arabische variatie op de Turkse Nasreddin
versie. Was de oorsprong van de grappen inderdaad Fenicisch, Arabisch of
Hebreeuws? En zou deze gemeenschappelijke oorsprong geen reden zijn ook nu de gemeenschappelijke
oorsprong van deze talen te eerbiedigen?
Zon of maan (6) Vrienden van Jeha vroegen hem: “Zeg ons wie heeft het
grootste nut: de zon of de maan?” Jeha dacht er eventjes over na en zei toen: “Aangezien
de zon ’s ochtends opkomt en zich ’s nachts niet laat zien, en de maan ’s
nachts opstaat en dan de hele wereld verlicht en schijnt alsof het dag
is …concludeer ik daaruit dat de maan belangrijker (ouder? قديم) is dan de zon.”
Er staat “belangrijker”, maar dit woord associeert in het
Arabisch zo vlug met “ouder” dat je bijna direct denkt aan het antwoord van
Thales. Opvallend is ook de deductieve manier van redeneren. Die is uit de
Turkse versie verdwenen.
woensdag 29 april 2020
Thales van Milete (deel 2): de econoom.
Eigen
vertaling van Politica, 1259a:
Ik
(Aristoteles) en Apollodorus van Lemnos hebben geschreven over zowel land-
als tuinbouw, en vergelijkbare andere onderwerpen. Op die manier kunnen door
iedereen die hierin belang stelt deze onderwerpen worden bestudeerd. Daarnaast
zou er een overzicht moeten worden gemaakt van de her en der verspreide
verslagen over de manieren waarop bepaalde personen economisch succes hebben kunnen boeken. Al
deze manieren zijn dienstbaar aan hen die zich op het vergroten van welvaart
toeleggen.
Een voorbeeld hiervan is Thales van Milete die een businessplan om zich welvaart te verwerven opstelde, dat echt van universele toepassing is, hoewel het meestal op conto van zijn filosofie wordt weggezet. Ze zeggen dat Thales leefde in armoede, omdat filosofie een nutteloze bezigheid was volgens zijn tijdgenoten, die hem hierom uitlachten. Maar zijn kennis van astronomie kwam hem te hulp: hij was er achter gekomen dat je al ’s winters kon weten of er in de daarop volgende zomer een grote olijvenoogst zou zijn. Hij wist een klein beetje geld bij elkaar te krijgen en huurde alle olijfpersen af in Milete en Chios tegen een heel erg lage prijs, omdat niemand op dat moment in de winter erin geïnteresseerd was. Maar toen het oogstseizoen aanbrak, wilde iedereen ineens tegelijkertijd over een olijfpers beschikken. Omdat er zoveel vraag naar was, kon hij de olijfpersen
Een voorbeeld hiervan is Thales van Milete die een businessplan om zich welvaart te verwerven opstelde, dat echt van universele toepassing is, hoewel het meestal op conto van zijn filosofie wordt weggezet. Ze zeggen dat Thales leefde in armoede, omdat filosofie een nutteloze bezigheid was volgens zijn tijdgenoten, die hem hierom uitlachten. Maar zijn kennis van astronomie kwam hem te hulp: hij was er achter gekomen dat je al ’s winters kon weten of er in de daarop volgende zomer een grote olijvenoogst zou zijn. Hij wist een klein beetje geld bij elkaar te krijgen en huurde alle olijfpersen af in Milete en Chios tegen een heel erg lage prijs, omdat niemand op dat moment in de winter erin geïnteresseerd was. Maar toen het oogstseizoen aanbrak, wilde iedereen ineens tegelijkertijd over een olijfpers beschikken. Omdat er zoveel vraag naar was, kon hij de olijfpersen
tegen elke
prijs verhuren die hij maar wilde, en wist hij flink winst te maken. Zó bewees
hij dat als filosofen dat wilden ze gemakkelijk rijk konden worden, maar dat
trok hen niet. Ze zeggen dat daarna de filosofie van Thales als
zoetje broodjes over de toonbank is gegaan.
Ik, Aristoteles,
wil beweren dat zijn businessplan om zich een monopolie te verzekeren als de
tijd daarvoor rijp is, een universeel economisch principe is. Zelfs nemen
sommige staten ertoe hun toevlucht, als zij om geld verlegen zitten: zij
creëren een monopolie van verhandelbare goederen. Er was op Sicilië een man die een som gelds waarover
hij kon beschikken, gebruikte om al het ijzer uit de ijzermijnen op te kopen,
en als dan later de ijzerhandelaren uit de handelscentra kwamen om ijzer te
kopen, konden ze niet om hem heen. Hoewel hij de prijs niet heel erg verhoogde,
maakte hij een winst van 100 talenten (volgens het commentaar was de
waarde van een talent ongeveer 240 Engelse ponden in 1944; Jan Maarten Bremer en Ton Kessels 2013: een talent is zesduizend maal het
dagloon (één drachme) van een Atheense werkman) op zijn aankoopprijs van 50
talenten. Toen Dionysus (tiran van 405-367 vChr op Sicilië) hiervan hoorde,
beval hij de man, zijn geld te pakken en op staande voet uit zijn Syracuse te verdwijnen, omdat hij iets bedacht had om winst te maken op een manier die schadelijk was voor de handel van de tiran zelf. Toch is dit precies dezelfde
aanpak als de ontdekking van Thales, omdat beide mannen op dezelfde manier erin
slaagden een monopolie te verwerven. Kennis van dit soort zaken is ook
dienstbaar aan staatslieden, want veel staten hebben belang bij financiële hulp
en manieren om inkomsten te verwerven zoals hier beschreven, nog meer dan voor
huishoudens. Daarom besteden sommige staatslieden al hun tijd uitsluitend aan
financiën.
maandag 20 april 2020
Thales van Milete (deel 1).
Thales stond naar de hemel te kijken. In de strak blauwe lucht dreven drie
meeuwen en heel langzaamaan werd er een hap uit de zon genomen. Precies zoals hij
had voorspeld, hoe op 28 mei 585 voor Chr. een eclips van de zon met een corona eruit zou zien: een steeds verder toenemende dreigende duisternis. De juistheid van de
voorspelling bracht de Babylonische legers in verwarring en er ontstond
bereidheid om de stad Milete een grotere onafhankelijkheid toe te
kennen dan de steden in zijn omgeving. Thales zou zelfs het idee geleverd
hebben aan Cyrus II om de rivier om Babylon heen zó te verleggen dat de
Perzische troepen Babylon gemakkelijker konden innemen .
Even lijkt het alsof hij met de meeuwen mee zweeft naar de zon. En vanaf de verduisterde zon aan de hemel lijken stralen met hem als zwevend snijpunt een 3D driehoek op de grond te vormen. Hij stond of liever gezegd lag in de schijnwerpers. In het midden van de driehoek net als veel later in een tekening van Leonardo da Vinci zag hij zijn eigen persoon liggen als aan de grond vastgenageld. De blik van een roofvogel die neerdaalt op zijn prooi. De schrik slaat hem in de benen en hij valt. Mensen vinden hem in zwijm voor zich uit mompelend als een waarzegger. Vanaf dat moment berekende hij de hoeken van zijn parallellogrammen, omtrekdriehoeken, trapezia, sferen en blokken met de kracht van zijn verbeelding (2)!
Het belang van Thales van Milete is nauwelijks te
overschatten. Dat geldt voor de Europese geschiedenis in het algemeen en voor
mijn grappenverzameling in het bijzonder. Wij kennen Thales hoofdzakelijk als
de grote wiskundige die aan de basis staat van onze goniometrie (meetkunde).
Zijn vondsten in de meetkunde zijn rechtstreeks terug te vinden in de manier
waarop ik de Humorale Theorie heb gereconstrueerd. Vreemd is dat wij ons daarbij altijd een statisch beeld
voor ogen roepen: Thales zelf zag dat er altijd en overal beweging was. Dat
benadrukte hij door het element water als scheppingskern te kiezen.
Wie beseft er dat achter zijn visie de discussie over het creationisme schuil
gaat 2500 jaar geleden!? Thales beschouwde geladen elementen de bouwstenen voor
het ontstaan van de wereld, in tegenstelling tot alle filosofen voor hem, die
zwaar leunden op de mythologie en de goden. Door “water” als het oerelement,
waaruit alles was ontstaan te nemen, bereikte hij dat godsdienst en mythologie
zaken werden, waarover de wetenschap (filosofie) geen uitspraken kon doen. Zijn
wijze van redeneren, kennen wij tot op de dag van vandaag als deductie (Arnaud:290):
Als inductie al de manier was om tot ontdekkingen te komen, Thales beargumenteerde zijn stellingen langs deductieve weg. Weliswaar bleef zijn manier van werken impliciet: toch was zijn wijze van denken er niet minder volslagen nieuw om. Noch hij noch zijn Zesde-eeuwse tijdgenoten leverden kritiek op al bestaande kennis.
Maar het begin van het leveren van kritiek op elkaar,
waarbij deductie de manier van redeneren werd, was Thales. Je zou denken dat
moet terug te vinden zijn in de manier waarop erover hem werd geschreven. Niets
is minder waar. Diogenes Laërtius in Leven en leer van beroemde filosiofen, 800 jaar later geschreven en vertaald
door Rein Ferweda en Jan Eykman (Ambo, Baarn, 1989), vertelt over Thales het
volgende grappige verhaal (pag. 18) :
Hij zelf zegt, volgens
Heraclitus, dat hij altijd ongehuwd en
teruggetrokken geleefd heeft (1). Sommige
schrijvers zeggen dat hij gehuwd is geweest en een zoon Cybisthus had; anderen
zeggen dat hij ongehuwd is gebleven en de zoon van zijn zuster heeft
geadopteerd en dat hij, toen hem gevraagd werd waarom hij geen eigen kinderen
verwekt had, geantwoord zou hebben: “Omdat ik zo van kinderen hou.” Het verhaal
gaat, dat hij, toen zijn moeder probeerde hem tot een huwelijk te dwingen,
geantwoord zou hebben dat het daar nog te vroeg voor was, en toen ze later in
zijn leven nogmaals aandrong, dat het er te laat voor was.
Als je dit leest begrijp je niet hoe er over zo’n helder man
zoveel tegenstrijdige informatie in omloop is. Het is een voorbeeld van
inductie die geen uitweg kent en nooit zal kennen via deductie. Wetenschap kent
zijn grenzen, waarzeggerij niet. Maar daarmee is alles wel begonnen!
Abonneren op:
Posts (Atom)















