woensdag 12 juli 2017
maandag 10 juli 2017
Acedia (Luiheid).
(Klik hier voor de originele teksten)
Ze kwamen bij zijn zevende dochter, die eveneens blij is ze terug te zien. Ze aten, dronken en kondigden aan de volgende dag te vertrekken. Hun dochter begon meteen eten voor onderweg te maken. Nadat zij het deeg had gekneed, stak ze de oven aan, en deed ze het deeg in de oven om het te bakken. Daarna ging ze weg om zich van andere bezigheden te kwijten. Haar vader profiteerde van haar afwezigheid door het nauwelijks gebakken brood uit de oven te halen en verstopte het onder de jellaba, die hij had uitgedaan en als een hoopje op de grond lag. Toen de dochter dacht dat het brood wel klaar zou zijn, kwam ze om het uit de oven te halen, maar zij trof de oven leeg aan. Ze zette het op een schreeuwen, omdat ze niet snapte wie haar van haar brood had beroofd. De buren kwamen toegelopen en vroegen: “Wat is er gebeurd?” --“Ik begrijp niet wie me deze belediging tussen mij en mijn ouders heeft geflikt. Ik heb hun brood gebakken voor onderweg en iemand heeft het uit mijn oven gehaald!” Zij zochten overal; toevallig trapte iemand van hen op de jellaba van de vader op de grond; dat voelde een beetje week aan, hij schudde de jellaba heen en weer en het brood rolde er onderuit. “Daar zul je hebben wat jullie zoeken, maar dat is nog geen brood, dat is nog maar deeg!” Toen ze de jellaba van de vader herkenden, schuifelden de buren voetje voor voetje naar buiten om er vanaf te zijn. De dochter was woedend en overlaadde de vader met verwijten. De ouwe hoorde niets: “Geef me mijn geweer! Wij vertrekken! Waarlijk, geen van jullie is mijn dochter!”
Commentaar.
Dit is het laatste bezoek. Waarom gaat dit over luiheid? De dochter doet veel werk: het kneden van brood is een inspannend karwei. De ouders doen niets. Hierdoor vinden ze dat de dochter niet hard genoeg opschiet met het bakken van het brood, en miskennen daarmee de natuurlijke voorwaarden om brood te kunnen bakken. Hun Luiheid projecteren ze op anderen, in dit geval op hun zevende dochter.
Belangrijker is de associatie van het woord voor Luiheid, in het Latijn “Acedia”, met het woord voor “zuurdesem” (Latijn: acidus). Zuurdesem doet brood op een natuurlijke wijze rijzen. In joodse kring wordt de Pesach gevierd met ongedesemde broden, dat wil zeggen net als matses niet gerezen broden. Voor het vieren van de Pesach, waarbij de uittocht uit Egypte wordt herdacht, doe je geen zuurdesem in je brood. Met platbrood kun je beter reizen en het is vlugger klaar. Allemaal zaken die van belang zijn wil je overhaast vluchten voor een verschrikkelijke Egyptische farao. Alweer blijkt een joodse achtergrond van dit verhaal doorslaggevend voor begrip ervan. Nu kun je de vraag opwerpen: is het wel de bedoeling dat men zolang moet wachten tot het brood voor onderweg afgebakken is? De vader vindt van niet, de dochter van wel. Luiheid komt hier tevoorschijn in een onverwachte gedaante.
Ook de demon geassocieerd met de zevende doodzonde heeft onverwachte
trekken. Belfagor, de demon die verleidt tot uitvindingen die je lui maken,
werd door Macchiavelli opgevoerd in een een verhaal, waarin Belfagor
naar de hel terugvlucht uit angst voor hooghartige en veeleisende vrouwen. Maar
de naam Belfagor heeft ook te maken met het Rooms-katholieke Vagevuur.
Belfagor was een Moabitische godheid die door de joden geridiculiseerd
werd. Alweer! De vertaling van de naam levert op: Heer (baäl) van de opening
(fagor = gat, kloof, gat om houtskool te branden), waarbij de naam dus direct in
verband is te brengen met het louterende
vuur van het Vagevuur. Bij mij thuis was
het nog gewoonte om, als een kind iets fout had gedaan, op het brandende vuur
in een kachel of haard te wijzen met de woorden: wil je echt daarin terecht komen?
Dat is heet en doet pijn, heel erg veel pijn.
Dit is de laatste van de zeven doodzondes en het is duidelijk dat hierna een afweging plaats vindt waar je na overlijden terecht zult komen: de hel, de hemel of het vagevuur. Deze driedeling heeft het christendom overgenomen van de Romeinen die Pluto lieten beoordelen waar de overledenen terecht kwamen. Pluto was de god van de goud- en zilver mijnen (Grieks ploutos=rijkdom). En bij uitbreiding ook van de kolenmijnen. De mijnen waren net als ovens de toegang tot de onderwereld. Pluto heeft dan ook met Belfaghor overeenkomstig dat hij toegang heeft via een “gat” tot de onderwereld.
Ook al is dit laatste doodzonde, het verhaal van het bezoek aan de zeven dochters is nog niet afgelopen! Zie volgend blog.
zondag 9 juli 2017
Ira (woede).
(Klik hier voor de originele teksten)
Gevolgd door zijn vrouw, ging hij er vandoor naar zijn zesde dochter, die het heel leuk vond –zij ook – om hem te zien. Hij at, dronk, en op het uur van slapen gaan overhandigde ze hem een houweel. “Pappa “, zei ze, “ga bij onze kruiken met boter en honing slapen en zorg ervoor dat dieven er niet mee vandoor gaan.” Hij ging slapen; midden in de nacht werd hij wakker van de de schaduwen die de maan wierp over de kruiken. Hij dacht dat het dieven waren, stond op, pakte de houweel, en zette zich aan het aframmelen van de kruiken, in de veronderstelling dat hij de dieven te pakken had, en ze zó allemaal versloeg. ’s Ochtends kwam zijn dochter hem opzoeken: Pappa, voel je je lekker, vanochtend?” zei ze tegen hem. “Je vader heeft de hele nacht strijd geleverd met dieven, en jij vraagt hem of het hem goed gaat!” Zij keek in de richting van de kruiken en bemerkte de ramp. Zij keerde zich naar hem toe en schreeuwde, boos (irritée): “Vader, wat heb je ons aangedaan!” Hij begreep haar niet, hij was buiten zinnen. “Geef me mijn geweer,” zei hij haar, “ik ga naar mijn andere dochter, die echt mijn dochter is, jij, jij bent mijn dochter niet!”
Commentaar:
Deze scène zou zo kunnen voorkomen in de Don Quichot. De scène doet direct denken aan het gevecht van Don Quichot met de windmolens (Vertaler: Van Dam, pag 65; Van de Pol, pag 77). Daarbij wordt een windmolen vergeleken met een Griekse oergod “Briareos”. Deze reus heeft 100 armen en vijftig hoofden, een beeld dat zo weggelopen zou kunnen zijn uit het hindoeïsme (of boeddhisme). Ook doet de scène denken aan de allereerste Spaanse schelmenroman, waarvan de schrijver onbekend wenste te blijven: Het leven van Lazarillo de Tormes. De schrijver wilde onbekend blijven, omdat dit geschrift zijn leven in gevaar bracht.
In dit en in het vorige verhaal komt in het Frans het woordje “irritée” voor, wat ik voor een verwijzing naar de zesde doodzonde Ira houd. De verklaring hiervoor lijkt te komen van de met deze doodzondes – Gula en Ira – geassocieerde demonen: Beëlzebub en Satan. In het Nieuwe Testament zijn Beëlzebub en Satan synoniemen van elkaar. Ze kunnen met elkaar verwisseld worden. Het lijkt er dus op dat het voorkomen van het woordje “irritée” in beide verhalen en niet in één verhaal het gevolg is van verwisseling van demonen, of dat de naam van de ene demon domineerde over de andere, met andere woorden de naam Satan was en werd algemeen bekend, maar die van Beëlzebub steeds minder en lijkt wel uit een verder verleden te komen. Beëlzebub komt wel als Beël (=Baäl) voor in de Koran, niet als Beëlzebub. Beëlzebubs naam is typisch joods-christelijk, met de nadruk op joods. Beëlzebub was namelijk een naam om de godheid van een naburig volk te bespotten. Het brengen van de beide hoofdzondes onder de naam van één demon, Satan, volgt de godsdienstgeschiedenis, waarin in het noorden van Afrika een tijdlang veel joden en christenen woonden. Veel wijst niet meer op hun aanwezigheid in Marokko, maar in deze verhaaltjes treffen we nog minieme verwijzingen naar dit verleden aan.
De doodzondes zijn niet duidelijk van elkaar onderscheiden. In alle verhaaltjes komt ook wel iets van een of meerdere andere doodzondes om de hoek kijken. Dat lijkt al heel erg het geval op het einde van al deze bezoeken, waarbij de vader woedend de deur uitloopt bij zijn dochters. Dus eigenlijk zou je ze alle zeven onder één noemer bij elkaar kunnen vegen: Ira, woede. Dat is in een zekere zin ook het geval!
De dochter staat niet alleen voor één van de doodzondes, maar ook telkens voor een andere Ighrem (=stad). Zo’n stad kun je zien als het centrale ontmoetingspunt voor een streek. Daar was de graansilo, waar men zijn graanopbrengst kon verkopen, daar vond de wekelijkse markt plaats. Op zo’n markt troffen zich voornamelijk stamgenoten, die dezelfde taal spraken, met handelaren van andere stammen. Iedere dochter staat dan ook telkens voor een andere stam, en iedere stam heeft een andere doodzonde waarmee de buren die stam karakteriseren, en over elkaar kwaad spraken. In het bezoek aan de zeven dochters legt onze verarmde hoofdman, de vader, de onenigheid en opstandigheid onderling en tegenover het centrale gezag bloot. Het verhaaltje verraadt de politiek van de Fransen om de verschillende stammen tegen elkaar uit te spelen; maar ook de houding van de Fransen tegenover het Marokkaanse centrale gezag waar ze geen respect voor hadden. Eigenlijk voelden de Fransen zich niet zozeer beschermers van Marokko, maar de baas van Marokko. In deze verhalen speelt dwars door het oude authentieke verhaal heen de actualiteit van het protectoraat. Een geweldige prestatie voor een verhalenverteller. Kom daar nu nog maar eens om.
maandag 3 juli 2017
Gula (vraatzucht).
(Klik hier voor de originele teksten)
Zo kwam hij aan bij zijn vijfde dochter. Zijn schoonzoon was Mekkaganger (hajj). Zij gingen de trap op naar de bovenverdieping met de ontvangstzaal waar men hen onthaalde op brood en een gekookte bonenschotel (misschien een gerecht met de naam “lisan attyar”, “vogeltongetjes”?). Hij deed er zich tegoed aan, hij at zich helemaal vol, daarna ging hij naast zijn schoonzoon slapen. Te middernacht kreeg hij buikpijn en wilde naar buiten gaan. Hij wist zich geen raad, omdat hij moest overgeven (of diarree had?). Hij pakte de pantoffels van de Mekkaganger en vulde ze, hij nam de tulband van zijn schoonzoon en vulde hem tot de rand toe. Hij ging de trap af en ontdeed zich daar van de rest. Daarop ging hij weer naar boven en sliep weer in. Toen de ochtend (aurora) gloorde, kwam zijn dochter water brengen voor haar man om zich te wassen voor het gebed. Zij liep de trap op, stapte in iets, gleed uit, viel van de trap en stootte haar hoofd pijnlijk. De Mekkaganger hoorde haar vallen, stond van zijn bed op, deed de pantoffels aan en stond tot zijn enkels in het drab. Hij zette zijn tulband op en het spul droop hem over zijn gezicht tot zijn kin aan toe. Zijn dochter werd erg kwaad (irritée), en schreeuwde hem toe: “Pappa, wat doe je nu! Wat een schande! Het was beter geweest dat je niet was gekomen!” (Jezus over Judas in de bijbel: "Het ware beter geweest dat de mens nooit was geboren!") Daar snapte hij niets van en antwoordde: “Geef me mijn geweer: ik ga hier weg. En wat jou betreft, jij bent mijn dochter niet!”
Commentaar
Er is geen thema dat filmmakers en schrijvers zo heeft geïnspireerd als de zeven doodzondes. De Louteringsberg (verg. Thomas Mann, De toverberg) in De Goddelijke Komedie van Dante is de plaats waar de mens geconfronteerd wordt met alle zeven doodzonden. Maar het onderwerp “vraatzucht”, de vijfde doodzonde, trekt vooral de aandacht: 1.La grande bouffe; 2. Die siebenTodsünden van Bertholt Brecht en Kurt Weil (lied 5: Bezoek aan Philadelphia als danseres); 3. De detective Se7ven, met Brad Pitt en Morgan Freeman in de hoofdrol. In alle hier genoemde producties speelt de vraatzucht een prominente rol, en blijft het beeld eraan nog jaren in je hoofd hangen. Dit is in ons verhaal ook het geval, omdat je je gaat afvragen of dit nog wel een grappig verhaal is. De verklaring hiervoor is dat het een serieus centraal thema is van het christendom. Alleen door samen te delen en veelvraten uit te sluiten kon de eerste christengemeenschap overleven. Symbolisch hiervoor staat nog steeds het hoogtepunt in de katholieke mis: de consecratie. In het katholieke Onze Vader heet het nog altijd: “En geef ons heden ons dagelijkse brood…” Met andere woorden: neem genoegen met het deel dat je is toebedeeld, en kijk niet naar wat er op het bordje van de ander ligt. Een marxist zou zeggen dat in het Romeinse Rijk de armen en slaven (Spartacus) in opstand kwamen, omdat ze geen leven meer hadden onder het veel godendom, een veelkoppige veelvraat. Daarop vond men een manier om zich zó te organiseren dat de winst bij de christengemeente terecht kwam. En niet bij de Romeinse “kapitalist” die er toch niets meedeed.
Deze visie is de basis van dit verhaaltje. Want wat gebeurt er precies. Een arme vader en moeder komen in de villa van hun schoonzoon die op zijn wenken wordt bediend door hun dochter. De vader propt zich vol, maar omdat hij al in geen dagen goed heeft gegeten, verdraagt hij het voedsel niet en moet overgeven. De schoonzoon en de dochter komen er zo gezien niet best vanaf. Het lijkt zelfs alsof het verhaal de spot drijft met de zelfingenomen Mekkaganger. Is dit kritiek van Berbers op de bovenliggende rijkere Arabische elite? Of praat hier een verteller een Franse onderzoeker naar de mond, omdat hij denkt dat die onderzoeker wel graag wil horen dat het ook in islamitische kringen niet altijd koek en ei is? Het antwoord op deze vragen moet ik u schuldig blijven.
De enige conclusie die ik wel kan trekken, is dat godsdienst in al deze zeven verhaaltjes die op doodzondes betrekking hebben, een belangrijke, maar onduidelijke rol speelt. Waarschijnlijk is aan het oorspronkelijke verhaal van joodse of christelijke zijde onder islamitische invloed geschaafd. In de Franse protectoraat-periode (1912-1956) kwam deze laag opsmuk onder druk te staan, en kwam de oorspronkelijke tekst weer hier en daar tevoorschijn. De naam van de doodzonde “Gula” bleef in Marokko in sprookjes bestaan als de aanduiding voor een menseneter, een veelvraat (groula=غولة). Groela is ook het woord voor “bonenschotel” (Frans: bouillie) in het Arabisch; voor zover ik het kan beoordelen is het woord in het Berbers verschillend. In dit verhaal over de vijfde doodzonde, "de vraatzucht", is het de bonenschotel die door het samenvallen in het Arabisch van het woord voor veelvraat en bonenschotel, symbool staat voor Gula.
dinsdag 27 juni 2017
Invidia (afgunst).
Hij vertrok met zijn vrouw naar hun andere dochter. Ook zij ontving hen geestdriftig. Voor het avondeten gaf ze hun brood met dadels. Hij zei haar: “M’n dochtertje, hoe kom je aan deze voortreffelijke dadels?” “Helemaal uit de Sahara, pappa!” , antwoordde ze. Na het eten zei hij haar: “Geef me mijn deken (“tellis” geheten, eigenlijk een deken, een mat voor op een kameel!), ik ga in de kamer hier beneden slapen.” Zij gaf hem een deken, en hij ging naar beneden, gevolgd door zijn vrouw naar de benedenverdieping, waar een vrouwtjes-kameel op stal stond. Hij zei tegen zijn vrouw: ”Maak me vast op de rug van de kamelin, ik ga dadels halen.” Maar het is donker, hoe wil je dan de weg vinden” “Je kunt me niet tegenhouden; ik wil meteen vertrekken.” Zij bond hem vast op de rug van de vrouwtjes-kameel en sloeg het beest op de kont om haar te doen opstaan. De kamelin stond op, maar het plafond was laag, de man stootte zijn hoofd tegen de balken van het plafond, het bloed kleurde zijn baard rood, hij schreeuwde het uit van pijn: “Laat die kameel (mannetje!) zakken!” Zij liet de kameel knielen. Op zijn schreeuwen kwamen zijn dochter en schoonzoon toegelopen; zij zagen hem helemaal onder het bloed. “Wat moet dit voorstellen”, schreeuwde hem zijn dochter toe. “Door jouw toedoen zijn we het mikpunt van spot van onze buren” Daar wilde hij niet van horen: “Geef me mijn geweer,” zei hij, ”ik ga naar mijn andere dochter; en wat jou betreft, jij bent geen echte dochter van mij!”
Gaat dit verhaal wel over jaloezie?
Stel, ik zou niet weten waarover dit verhaaltje gaat. Zou ik dan na afloop spontaan roepen: “Maar dat gaat over jaloezie!” Eerlijk gezegd denk ik van niet. Maar als je erover nadenkt, zou je er verder nog aan kunnen toevoegen, dat de man het niet lijden kan dat die dochter over zulke lekkere dadels beschikt: hij wil ze ook. Daarom wil hij een vrouwtjes kameel (ongetwijfeld dubbelzinnig) beklimmen om ze in de Sahara te gaan halen. Maar deze domme man stoot daarbij, omdat hij niet goed uitkijkt –misschien is hij scheel – zijn hoofd tot bloedens toe aan de lage zoldering met grote zware hoekige balken in de stal waar de kameel staat. Je zou bij dat “scheel kijken” aan het Boze Oog kunnen denken: invidia betekent letterlijk “niet zien”, “scheel kijken”, “loensen”. En het afweren van het Boze Oog met het handje van Fatima om zich te weren tegen het kwaad, de jaloezie, zou dan het onderwerp van dit verhaal zijn. Dat is het ook, maar er is meer!
In tegenstelling tot de vorige verhalen, is dit verhaal echt geënt op de Arabische, islamitische wereld. We hebben al kennis gemaakt met het Boze Oog; voor meer informatie kunt u op de website hierover terecht. Verder gaan we kennis maken met: dadels, de Sahara, een vrouwtjes (kamelin) en een mannetjes kameel. Allemaal zaken waar de westerling niet zo erg veel vanaf weet. Wij hebben zelfs niet één woord voor een vrouwtjes kameel.
Ik zal ze een voor een bespreken, om te besluiten met de demon van Invidia: een ons allen bekend mythisch beest, de Leviathan. De Leviathan is bij ons bekend door de geweldige roman van de Amerikaanse schrijver Herman Melville over de jacht op Moby Dick, een witte walvis van Bijbelse afmetingen, die daardoor doet denken aan de Leviathan. In de Koran speelt de Leviathan onder andere een indirecte rol als naam van Soera 10, Jonas (Yunes). Later wordt Jonas in de Koran ook Zunnun genoemd en is dan in gezelschap van een vis. Hij wordt door de vis verslonden en weer uitgeworpen in Soera 37, 140-146.
Dadels
Eigenlijk moet je eens met een groepje Marokkaanse mannen vóór de Ramadan naar de markt zijn geweest om dadels te kopen, om iets te begrijpen van de afgunst van de man op zijn dochters overheerlijke dadels. Men doet er op markt soms uren over om te beslissen, welke soort de beste is. Er blijkt een kennis op dit gebied aanwezig te zijn waarvan je stil wordt. Dadels kunnen dus heel goed een reden tot jaloezie zijn. Maar in zulke hevige mate?
Sahara
Het woordje “sahara” heeft in het Arabisch dezelfde medeklinkers als het woord voor magie, betovering. De actie van de man om dadels in de Sahara te gaan halen, wordt hem dan ook ingegeven door een demon, een geest die er met zijn geestelijke vermogens vandoor gaat. Deze djinn (=demon) heet volgens de Duitse theoloog Peter Binsfeld sinds 1589: Leviathan, de demon van Invidia. (Niet te verwarren met de personificatie door de Romeinen van Invidia.)
Leviathan!
Nu is de Leviathan een vreemd beest. Er bestonden er in den beginne twee van, een mannelijke en een vrouwelijke. Omdat het een monster is, en God de voortplanting van de monsters wilde voorkomen, werd het vrouwtje vernietigd en bleef het mannetje leven.
Kameel en kamelin.
De kamelin die in ons verhaal in een kameel verandert, heeft te maken met het Leviathan verhaal, denk ik. Net als in het Leviathan verhaal is er in het begin een mannetjes én een vrouwtjes kameel, maar besluit het verhaal met maar één sekse, het mannelijke. De kameel heeft ook met het geloof in de Islam te maken dat bij de geboorte overleden kinderen op de rug van een kameel (een nomadische kameel) meegenomen worden naar het paradijs om daar tot het einde der tijden onder bescherming van Fatima Zahara, de dochter van de profeet Mohammed, te verblijven. Nu zijn dadels (uit de Sahara) niet alleen goed voor een voorspoedige bevalling, zij staan ook bekend als de vrucht waarmee op het einde van een Ramadandag de vasten wordt gebroken. Dit breken van de vasten wordt in dit verhaaltje dus direct geassocieerd met de geboorte van een kind. En met het eventuele overlijden van kinderen direct bij de geboorte! En dat gebeurde en gebeurt nog steeds heel erg vaak. Genoeg reden om met het handje van Fatima het Boze Oog af te weren.
Dit verhaal is inderdaad niet zomaar een verhaaltje waarin veel bloed vloeit als in een toneelstuk uit de Romantiek. We hebben hier niet alleen met een grappig verhaaltje te maken, maar ook zit er weer een veel diepere betekenis in verborgen, die helemaal niet grappig is. Heeft die diepere betekenis nog iets met Afgunst te maken? De betekenis van Invidia is breder: het gaat niet alleen om jaloezie, maar ook om woede. En hier is niet van woede in de gewone betekenis van het woord sprake, maar van Bijbelse woede: toorn. Waarover is de dochter dan zo vertoornd? Je zou kunnen denken, omdat haar een dood kind geboren is. Maar er is meer…….
Actueel?
Haar toorn vindt een klankbord in de waarschuwingen van de profeet Jonas die terecht kwam in de buik van de walvis, de Leviathan. Deze profeet werd naar Ninivé gestuurd, het huidige Mosul. De mensen in Ninivé deden alleen maar slechte dingen, en God wilde de stad vernietigen. Net als de vader in ons verhaal joegen bewoners van Ninivé alleen maar materiële welvaart en genot na, zij benijdden elkaar, gunden elkaar het licht niet in de ogen en vergaten de transcendente waarden van het leven. God pakte uiteindelijk niet Ninivé aan, omdat de mensen luisterden naar Jonas en zich beter gingen gedragen. Maar Jonas ging koppig door met waarschuwen. Toen pakte God Jonas aan, omdat hij niet van ophouden wist. Het leek wel alsof de waarschuwingen van de profeet Jonas voortkwamen uit jaloezie en niet gedaan werden in opdracht van God. Hij wilde te graag blijven, wie hij was. Hij leek wel jaloers op God. Zo kwam Jonas in de buik van de walvis terecht als straf voor jaloezie, op een plek met een lage zoldering vol ribben als zolderbalken. Uit die gevangenis werd hij herboren, toen de walvis hem met een zwiep op het strand uitbraakte.
Freud
Waarom gaat dit verhaaltje over Jonas en de walvis? Niet alleen vanwege een theoloog, die de vierde doodzonde associeerde met de Leviathan. Er is meer: in het Berbers wordt de deken die de man meekrijgt om beneden te slapen aangeduid met het woordje “tan-amâtt", en ieder Bijbelvast persoon herkent hierin de naam Amatta, de naam van de vader van Jonas. Voor mensen met een voorliefde voor de freudiaanse analyse: hier ligt een kans voor het grijpen! Ik ga hem niet helemaal uitleggen – want dan ben ik weer een paar pagina’s verder – maar ik kan je verzekeren dat “de man (=vader) boven op een kamelin (=moeder/dochter) op een dekentje (=opa) ” in dit geval een prachtig voorbeeld van een Oedipuscomplex oplevert op het moment dat de schoonzoon ten tonele komt in het verhaal. Impliciet zijn de onderlinge relaties aangegeven behalve die van de schoonzoon! En wie heeft het er dan nog over dat dit verhaal niets met jaloezie, woede, kortom "strijd" te maken heeft? Het verhaal zou dan als moraal hebben het taboe op incestueuze betrekkingen, een variatie op de vierde doodzonde Invidia. Verblindde ook Oedipus niet uiteindelijk zichzelf?
maandag 19 juni 2017
Luxuria (wellust)
(voor de originele versies, klik hier)
Hij ging op weg naar zijn andere dochter, gevolgd door zijn vrouw. Zij kwamen bij haar aan en werden ook door haar hartelijk ontvangen. Toen het moment was aangebroken waarop ze gingen slapen, zei zijn dochter tegen hem: “Pappa onze koe is ziek, ga dicht tegen haar aan liggen. Hier heb je een mes. Als je haar hoort trappelen, moet je haar de keel doorsnijden, voordat ze echt dood gaat (crepeert)!” Hij ging naast de koe liggen slapen, en werd midden in de nacht wakker van het lawaai dat de ezelin maakte omdat zij zich op haar rug rolde. Hij dacht dat het het trappelen van de koe was die op het punt stond dood te gaan. Hij stond op en sneed de keel van de ezelin door. Hij haalde de ingewanden en de lever eruit en roosterde de lever en deed zich eraan te goed. Het braadspit gooide hij van zich af en doorboorde daarmee de buik van een merrie, in de veronderstelling dat hij het in de wand van de stal prikte. Toen het dag werd kwam zijn dochter hem begroeten: “Pappa, heb je goed geslapen?” Hij antwoordde: “Je vader heeft niet kunnen slapen, omdat de lever die hij gegeten had, hem opspeelde.” Daarop liet zij haar blik rond gaan: zij constateerde dat de ezelin de keel was doorgesneden, dat de koe was dood gegaan en dat de buik van de merrie was doorboord. Zij werd boos en schreeuwde: “Vader, wat een schande in de ogen van de mensen!” “Geef me mijn geweer, en wat jij betreft: jij ben geen dochter van mij!”
Commentaar:
Zoals in al deze verhaaltjes nooit de armoede bij naam wordt genoemd, zo geldt dat ook voor seks, en voor wellust. Uit de verklaring die ik heb gegeven met betrekking tot de Interpretatie van deze verhalen, blijkt dat symboliek een grote rol speelt. Dat is zeker het geval als het om seks gaat. Dat maakt het niet altijd even gemakkelijk om een verhaal te duiden. Een houvast is de vaste rangorde van de doodzonden. Dit is het derde verhaal in de serie van zeven ouderlijke bezoekjes aan hun dochters met als onderwerp “Wellust” dat in de lijst van doodzonden ook op de derde plaats komt. Het verhaal hierboven is het derde bezoek aan een dochter. Tot nu toe staan de verhalen in precies dezelfde volgorde als in de rangorde van de doodzonden. Waarom het derde bezoek gaat over "Luxuria"(wellust) zal ik hieronder verder uitleggen.
Onder boeren, ook in Nederland, was het gewoonte om ’s nachts bij een zieke koe te gaan slapen. Als zij overleed moesten inderdaad zo snel mogelijk de ingewanden en organen (met name de lever!) verwijderd worden om het vlees te redden. Als je de ingewanden erin liet zitten, dan “crepeerde” de koe, d.w.z. de ontstoken lichaamsdelen tasten dan ook de rest van de koe aan. Wat erger is: de boel kon openbarsten (creperen). En in tijden van hongersnood moet je kostte wat kost alles wat er te eten valt zien te redden. Dit realistische element in het verhaal maakt de interpretatie lastig. Wat wijst er dan op de derde hoofdzonde "wellust" in dit verhaal?
Op het eind van de verhaaltjes komt in het Frans (niet in het Arabisch of Berbers) vaak een woord voor dat direct naar de doodzonde verwijst. Dat is in dit geval “éventrée” (door de onderbuik heen gestoken). Zoals ik al eerder heb gezegd in de bespreking van een Bar Hebraeus grap hadden in grappen de preutse Romeinen als het over seks ging het niet over “neuken”, maar over de (onder-) buik (venter) doorsteken. De verwijzing is dan wel niet een directe verwijzing naar "Luxuria", maar wel indirect een eerste hint waarover het verhaaltje gaat. In twee andere verhaaltjes die ik nog ga bespreken, duikt opeens het woordje “irritée” op dat direct verwijst naar Ira, de zesde doodzonde. Kortom, er lijken in de Franse teksten verwijzingen te zitten, die in de Arabische en Berberse teksten ontbreken. De verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat het verhaal uit de tijd is dat er in Noord-Afrika christenen en joden woonden, die gebruikmaakten van het Latijn. Want het Latijn en het Frans hebben wel taalovereenkomsten, en het Latijn heeft geen taalovereenkomsten met het Arabisch en Berbers. De Franse vertaling is in dit geval uit het Berbers. Met andere woorden, door de Franse vertaling komt de oorspronkelijke Latijnse tekst weer tevoorschijn: "venter" en "ira". Tja!?
Daarnaast is in dit verhaaltje van belang dat het om allemaal vrouwelijke dieren gaat: ezelin, koe en merrie. Deze dieren kunnen “de vrouw” aanduiden. Ik heb al gezegd dat je in deze teksten geen vrouwvriendelijkheid moet zoeken! In het volgende nog niet vertelde verhaaltje verandert een kamelin ineens van geslacht en wordt kameel, een betekenisvolle verandering. Het geslacht van een dier is in deze verhalen dus belangrijk. We komen dan tot de freudiaanse interpretatie van dit verhaal, dat het hier niet om de strijd tegen het dier, maar om de "strijd" met de dieren gaat: geslachtsgemeenschap. Zoals naar aanleiding van een Nasreddin grap is gesteld, was een van de gebruikelijke voorstellingen door de Romeinen van seks hebben een oorlogstafereel (noot 9). Daarnaast wordt natuurlijk ook al gesuggereerd door de opdracht dicht tegen de koe aan te gaan liggen slapen, dat het om seks gaat. De tekst laat zich niet uit over welke relatie de man heeft met wie hij seks heeft. De Wellust blijkt uit het tomeloze gedrag van de man. Het gaat niet zomaar om seks maar om een orgie. Het blijft mij verrassen hoe vaak een freudiaanse analyse van deze verhaaltjes, inzicht geeft in de betekenis ervan.
Tot nu toe heb ik nog niet gezegd dat in 1589 de Duitse theoloog Peter Binsfeld elke doodzonde met een demon heeft geassocieerd. Hoe hij dat gedaan heeft is mij niet duidelijk. Het kan zijn dat hij bestaande associaties heeft gesystematiseerd. In dat geval zouden de demonen ook al in de Romeinse tijd ermee in verband zijn gebracht, maar dat is niet zeker. Met Superbia werd Lucifer (de gevallen engel) in verband gebracht; met Avaritia Mammon (broodnijd). En met Luxuria werd de joodse demon Asmodeus geassocieerd. Hiervan hebben wij de uitdrukking overhouden “naar de ratsmodee” ("Naar de bliksem gaan") gaan. En dat is nou precies wat er in dit verhaaltje gebeurt.
Alles bij elkaar lijkt me dit voldoende reden om te veronderstellen dat het onderwerp van het derde bezoek van de man aan zijn dochters gaat over Luxuria.
maandag 12 juni 2017
Avaritia (hebzucht)
Gevolgd door zijn vrouw, gaat hij op weg naar zijn andere dochter, de tweede. Zij toonde zich erg verheugd hen te zien, ze zette de ezelin vast, nam het geweer van haar vader aan en zette het weg. Toen het tijd was voor het avondeten, zette zij hun brood en boerenboter voor. Haar vader vroeg haar: “Mijn dochter, waar heb je deze boter vandaan?” “Uit de karnton, pappa!” Naast hem bevond zich een tonnetje; hij dacht dat daar de boter uitkwam, hij deed het licht uit en stak z’n hand in het tonnetje. Maar toen het licht weer aan was, zag hij dat zijn hand helemaal zwart was van teer; hij verstopte zijn hand onder zijn jellaba, en ging door met eten met z’n linker hand. “Vader, waarom eet je met je linker hand?” vroeg zijn dochter hem?” “Laat maar, mijn dochter, t’is voor de grap.” Maar zijn dochter raadde wat er aan de hand was, en ook zij overlaadde hem met verwijten. Hij ging slapen, en bij het krieken van de dag, zei hij haar: “Geef me mijn geweer terug; wat jou betreft, jij bent niet een echte dochter van mij!”
![]() |
| Door E. W. Kemble(1861-1933) |
De uitleg bij dit verhaal is eenvoudig en lijkt bijna voor zich te spreken. Uit hebzucht wil de man meer boter dan hij op kan. Daarbij maakt hij zich te schande. Pek (teer en veren) was een straf voor inhalige burgers. Deze straf werd uitgevoerd door de burgers van de stad, niet door rechters (eigenrichting). Tenminste, dat is in deze versie het geval. Misschien werd het ook wel meer in het algemeen in zo’n geval als strafmaat toegepast. Het gaat in dit geval om eigenrichting, waarbij het niet om gewone inwoners gaat die door rechters veroordeeld konden worden. Maar om de rechters zelf, de regenten van een stad, die vonden dat ze boven de wet waren geplaatst. Die regenten konden door volksgerichten tot de orde worden geroepen en de stad uitgezet. Dat wil zeggen dat ook deze man, niet zomaar een man is, maar ooit eens iets in de melk te brokkelen heeft gehad. Het oordeel van de dochter, is het oordeel van alle inwoners. Uit het eerste verhaal van deze serie (superbia) bleek dat duidelijker.
Toch zit er nog een ander randje aan het verhaal. Het gaat namelijk niet om zomaar hebberigheid. Om welke reden wordt nergens duidelijk gemaakt, maar de ouders zijn arm. In feite maken ze deze tocht, omdat de dochters allen min of meer in goeden doen zijn, terwijl de ouders dat zeker niet zijn. Daar komt bij dat de man eerzuchtig is, en zich voor zijn armoede schaamt. Mogelijk heeft een of andere ramp ze getroffen en zijn de ouders daarom tot armoede vervallen. Nog geen eeuw geleden waren er heel vaak hongersnoden en ging men migreren op zoek naar werk om te kunnen overleven. Nu lijkt dit verschijnsel zich globaal aan te dienen. In zo’n geval kun je je afvragen, of er wel sprake is van hebberigheid van de kant van de vader? Misschien kun je je zelfs afvragen, of de dochters niet iets te verwijten valt, omdat zij het zo ver hebben laten komen? Shame on you!?
Abonneren op:
Posts (Atom)




