zaterdag 14 april 2018

Anansi, de Trickster.

Klik hier voor mijn commentaar.

(Uit: Voorhoeve, Dikke Ikke en de rest, Het verjaardagsfeest, pag 18-21.)


Het verjaardagsfeest.

Tekenaar onbekend, uit Dikke Ikke en de rest.

Anansi zou gauw jarig worden en hij wilde een feest geven voor al zijn vrienden: Haas, Hert, Hond, Olifant, Tijger, Vos, te veel om op te noemen. Er was maar één dier waar hij echt een hekel aan had, en dat was Schildpad. Je weet wel, dat dier dat altijd zo ernstig en wijs doet en zo doodbedaard loopt, alsof het nooit haast heeft. Daarom besloot Anansi een grote maaltijd te geven op de top van de berg. De bedaarde Schildpad zou dan wel te laat komen, als al het eten op was.

Maar Schildpad is dan misschien niet één van de vlugsten, hij is wèl één van de slimsten. Hij was heel vroeg in de morgen op pad gegaan, nog voor de zon opkwam, en net toen de andere dieren aan tafel zouden gaan, kwam ook Schildpad Anansi feliciteren met zijn verjaardag.
“Hartelijk bedankt” zei Anansi “ik ben blij dat je er bent, want we wilden juist beginnen, en ik maakte me al ongerust. Dus als jullie nu allemaal je handen wilt wassen, dan kunnen we beginnen te eten.” De dieren keken elkaar verbaasd aan. Handen wassen? Wat was dat nou voor onzin? Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Zeker weer wat nieuws van Anansi. “Hoe doe je dat, Anansi?” wilden ze weten. “Jullie willen me toch niet wijsmaken dat jullie gewend zijn om met ongewassen handen aan tafel te gaan? Dat heeft mijn lieve moeder zaliger me wel anders geleerd. Ik hoor het haar nog zo zeggen: altijd eerst handjes wassen voor je aan tafel gaat. Er stroomt hier een riviertje onder aan de berg. Gaan jullie nu maar gauw, dan zal ik alvast de soep opdoen.”

Dat was een tegenvaller voor Schildpad die niet zo snel uit de voeten kan. Hij haastte zich wat hij kon, maar hij kwam toch pas boven toen de soep al op was. “Ga maar gauw zitten” zei Anansi. “Maar laat toch eerst even zien of je nu schone handen hebt.” Schildpad liet zijn handen zien. Op weg naar boven waren ze natuurlijk weer vuil geworden. Anansi was verontwaardigd. “Wil je nu echt met zulke vieze handen gaan eten? Kijk, er zit modder aan en je hebt ook nog zwarte nagels. Maar ik zal je nog één kans geven. Ga ze nu maar gauw wassen, dan zal ik een extra lekker stukje voor je bewaren.”

Schildpad begreep dat hij nooit met schone handen aan tafel zou kunnen komen, en dat Anansi dit alleen had bedacht om hem te plagen. Hij keerde mismoedig terug. Tijdens de lange tocht naar huis had hij tijd te over om te bedenken hoe hij zich op Anansi zou kunnen wreken.

Nu wilde het geval dat Schildpad juist de volgende week jarig zou worden. Hij nodigde alle dieren uit op een groot diner op de bodem van de zee. Anansi is zo licht dat hij over het water kan lopen, zoals je vast weleens gezien hebt. Hij kan dus nooit naar de bodem van de zee komen.
Maar Anansi is niet voor één gat te vangen. Op zolder had hij nog een oude overjas van zijn vader liggen. Die trok hij aan en de zakken stopte hij vol met zware keien. Zo kwam hij toch nog op het feest van Schildpad. Hij gunde zich haast de tijd niet om Schildpad te feliciteren. Hij ging direct aan tafel zitten en had de lepel al in de hand om er vlug bij te zijn. Schildpad wist even niet hoe hij het had. Het was Anansi dus toch gelukt! Toen iedereen aan tafel zat, zei hij: “Ik heb altijd geleerd van mijn moeder dat je je jas uit moet doen, voor je aan tafel gaat. Ik weet niet uit wat voor een familie jij komt, vriend Anansi, maar mij bederft het de eetlust als ik je zo aan tafel zie zitten in je overjas. Wees dus zo vriendelijk om je jas uit te trekken.”

Hoe Anansi ook tegensputterde, hij moest zijn overjas uittrekken. En daarmee vloog hij natuurlijk als een kurk naar de oppervlakte en zag al het lekkers aan zijn mond voorbij gaan.

dinsdag 3 april 2018

Een Paasverhaal van de Wayana-Indianen uit Suriname.

Deus ex Machina
Lang geleden leefden de Indianen nog allemaal blij en gelukkig in de hemel. Op een keer schoot een Indiaanse jager een vogel dood met zijn pijl en boog. Toen hij naar de plaats rende waar de vogel was neergekomen, vond hij een groot gat. Nieuwsgierig gluurde de Indiaan over de rand. Tot zijn stomme verbazing zag hij diep beneden zich de aarde met daarop allerlei dieren.

De jager maakte een lang touw en liet zich naar beneden zakken. Op aarde schoot hij een hert en braadde het vlees. Het smaakte bijzonder lekker. Daarom nam hij een stuk vlees mee terug naar de hemel en liet de Indianen daarvan proeven.

Iedereen wilde nu een kijkje gaan nemen op de aarde. De één na de ander liet zich langs het touw zakken. Toen was een geweldig dikke vrouw aan de beurt. Ze was echter zo zwaar en rond, dat ze niet door het gat kon. Ze kwam muurvast te zitten. Hoe de Indianen ook trokken en sjorden, ze kregen de vrouw niet uit het gat.

Zo kon niemand er meer door. De Indianen die nog in de hemel waren konden niet naar de aarde. De Indianen die al op de aarde waren konden nooit meer terug naar de hemel.

Wie meer wil weten over de Surinaamse Indianen, zal zijn best moeten doen: veel is er over hen niet bekend. Behalve de website met een link onder Wayana-Indianen, is er nog de website over hun taal. Ook hier weer volop activiteiten van Missieposten, met alle goede en slechte gevolgen van dien. Ik weet niet meer, hoe ik aan dit verhaal ben gekomen. Misschien kan iemand mij helpen?

maandag 26 maart 2018

4. De Trickster van de Nez Perce.

Klik hier voor de originele tekst.



Prairiewolf schept de Mens.


Eens, lang geleden voordat er mensen op aarde leefden, kwam er een monster uit het noorden afdalen naar de aarde. Het was een geweldig groot monster, en het at alles op waar zijn oog opviel. Hij at kleine dieren zoals  hertjes, eekhoorntjes (chipmonks), wasbeertjes en muizen, maar ook grote dieren. Hij at damherten. elanden en zelfs bergleeuwen.

Prairiewolf ging op zoek naar zijn vrienden, maar hij kon er geen meer vinden. Dat maakte hem heel erg kwaad. Hij besloot dat het tijd werd om het monster een halt toe te roepen.

Prairiewolf stak de Snake River over, en bond zich vast aan de hoogste piek van de Wallowa Mountains. Daarop daagde hij het monster uit door het van de andere kant van de rivier toe te roepen. “Pak me dan, als je kan…Kom me dan opeten, als je kunt!” Daarop baande het monster zich een weg naar de overkant, liep met grote brede schreden de bergen in. Hij probeerde door zo hard mogelijk de lucht in te ademen Prairiewolf van de bergtop op te zuigen, maar dat lukte helemaal niet. Prairiewolf had zich een touw gemaakt dat ijzersterk was en bestand tegen de rukwind die het monster maakte om hem van de bergtop af te krijgen.

Dat boezemde het monster ontzag en angst voor Prairiewolf in. Hij besloot vrienden met hem te worden en hij nodigde Prairiewolf uit om een tijdje bij hem te logeren. Op een dag vertelde Prairiewolf het monster dat hij graag eens weer alle dieren wilde terugzien, die het monster had opgegeten en nu in de buik van het monster zaten. Het monster stemde ermee in dat Prairiewolf de buik van het monster mocht bezoeken.

Toen hij binnen was, zag Prairiewolf zijn vrienden weer, en ze zaten allemaal veilig in de buik van het monster. Hij zei ze dat ze zich erop moesten voorbereiden te ontsnappen. En hij ging aan het werk. Met de vuur-starter maakte hij een immens groot vuur in de buik van het monster. Toen pakte hij zijn mes en doorboorde daarmee het hart van het monster. Het monster ging glorieus ten onder en stierf en alle dieren konden ontsnappen. Prairiewolf was de laatste die het zinkende schip verliet.

Prairiewolf zei dat hij ter herinnering aan deze gebeurtenis, een nieuw dier zou scheppen, een mens. Prairiewolf sneed het monster in stukken en gooide de stukken in de vier windrichtingen. Waar een stuk neerkwam op de grond, sommige in het noorden, sommige in het zuiden, andere in het oosten en weer andere in het westen,  in de dalen, in de bergkloven en langs de rivieren, overal werd een stam geboren. Zo ontstonden alle stammen.

Toen hij hiermee klaar was, zei de Vos, de beste vriend van Prairiewolf, dat er nog geen stam bestond op de plaats waar ze stonden. Prairiewolf zei hem dat het hem speet, maar hij had geen stukken monster meer tot zijn beschikking. Toen kreeg hij een idee. Hij waste het bloed van het monster van zijn handen en sproeide druppels bloed op de grond.

Prairiewolf zei: Hier, op deze grond, komen de Nez Perce  te leven. Zij zullen niet erg talrijk zijn, maar sterk en zuiver.” En zó kwamen de eerste mensen op aarde.

vrijdag 23 maart 2018

3. De Trickster van de Kwakiutl.

Klik hier voor commentaar en de originele tekst.
(Deze keer echt de moeite waard!)


(Picture by Edward S. Curtis - This image came from The North American Indian by Edward S. Curtis. These images were published between 1907 and 1930. According to the U.S. Library of Congress, they are in the public domain in the United States., Public Domain.)


Zoals bij herhaling gezegd: geen van deze verhaaltjes zijn vrouw-vriendelijk. Toch heb ik dit verhaaltje op mijn blog gezet, omdat de aanstoot gevende passage verduidelijkt hoe dit verhaal moet worden gelezen. Ik vraag dan ook dit keer uitdrukkelijk om het commentaar dat de tekst vergezelt telkens erop na te slaan. Dit zal vergemakkelijkt worden door linken naar het commentaar en een nummer voor de desbetreffende uitleg bij die bepaalde passage in de tekst.




Altijd- aan- de- kust- Verblijvend. (= naam)


Prairiewolf peddelde met zijn kano langs de kust, toen hij vanaf het strand werd geroepen. “Prairiewolf, waar ga je naartoe?” ”Ik ga trouwen met de dochter van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend.” “Alleen een gek mens zou zoiets doen!” Daar werd Prairiewolf boos om en hij peddelde naar de kust. Hij veranderde alle mensen in vogels en vervolgens veranderde hij de vlucht vogels in een kudde herten. “Jullie zullen herten zijn die voorzien in de behoeftes van de mensen,” zei hij en ging weg (1).Daarop voer hij langs een ander groepje mensen op het strand. “Prairiewolf, waar gaat de reis heen?” Hij vertelde het hun. “Je moet op je tellen passen. De botten van hen die die vrouw hebben willen trouwen, liggen hoog opgestapeld.” Prairiewolf waardeerde hun bezorgdheid. Hij kwam aan land en zorgde voor mosselen (2) en zalm in de wateren. Daarom worden die dingen (3!) daar nog steeds geoogst.


Even later riepen weer anderen hem met dezelfde vraag, waar hij wel naar op weg was. Hij vertelde het hun. Het opperhoofd zei hem: “Wees voorzichtig, Prairiewolf. Al mijn jongeren zijn daarnaartoe gegaan om haar te trouwen en niemand is ooit teruggekomen. Prairiewolf ging aan wal en weer zorgde hij in deze wateren voor mosselen in overvloed. En hij gaf de mensen geroosterde zalm te eten. Bij een plek aangekomen met de naam Koperen Bodem (4) ging Prairiewolf opnieuw aan land. Hij liep door de bossen naar een dorp waar hij een oude vrouw ontmoette die klaverwortelen (5) stoomde . De vrouw was blind, maar zij rook (6) hem meteen. “Prairiewolf! Wat kom je hier doen?” vroeg ze hem. Hij bukte zich en pakte een handje vol klaverwortelen om ze op te eten. “Wat doe je me nu? Wie pakt er van mijn klaverwortelen?” “Kun je dat dan niet zien?” De vrouw zei dat ze blind was. Prairiewolf nam wat gom (7), kauwde erop en spuugde midden in de ogen van de vrouw (8). “Kun je nu zien?” “Ja, nu kan ik zelfs goed zien!” Prairiewolf zei haar waar hij naar op weg was. Zij zei hem voorzichtig te zijn en gaf hem wat te eten voor onder weg. Prairiewolf vervolgde zijn weg tot hij bij een vrouw kwam die een kano aan het maken was. Hij liep naar haar toe, en kneep het kindje op haar rug in de voet. Het kind begon daarop te huilen en de vrouw zei: “Raak mijn kind niet aan. Hij heeft nog nooit gehuild.” Daarop ging ze verder met haar werk aan de kano. Ze holde al beitelend de kano uit, maar de beitel schoot uit en maakte een gat in de bodem. “Kijk nou eens wat je gedaan hebt. Ben je soms blind?” vroeg Prairiewolf haar(9). “Ja, dat ben ik,” antwoordde de vrouw. Prairiewolf kauwde op wat gom en spuugde het in haar ogen. En zij kon weer zien. “Waar ga je naartoe?” vroeg de vrouw. “Ik ga trouwen met de dochter van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend.” “Je moet voorzichtig met haar zijn. Zij heeft tanden in haar vagina (10). Daarmee heeft ze alle jonge mannen die met haar wilden trouwen gedood. Neem deze stenen beitel. Als je met haar slaapt, stop je dat in haar en haar tanden zullen afbreken.” De vrouw masseerde de rug van Prairiewolf met de steen en gaf hem maskers van een winterkoninkje, een hert, de berggeit en de grijze beer ( grizzlybeer). Prairiewolf zette een masker op dat hem ouder (11) deed lijken en ging het grondgebied van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend binnen (12). Daar ging hij bij een rivier zitten. Hij had daar nog niet lang gezeten, toen de dochter van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend met haar vriendinnen daar ook kwam. Zij heette Dood-brengende-Vrouw (zie namenlijst van Kwakiutl!). Toen ze hem zag, zei ze: ”Ooh, ooh (13) dat zou een goede slaaf (14) voor ons zijn.” Ze namen hem mee naar hun kamp. Die nacht vroeg Dood-brengende-Vrouw Prairiewolf om met haar te slapen. Prairiewolf hoorde het knarsen van de tanden dat tussen haar benen onder haar kleren vandaan kwam. Toen hij bij haar in bed stapte hoorde hij het geluid dat ratelslangen (15) maken. Hij duwde de stenen beitel in haar en draaide hem een slag om, waarop alle tanden in haar vagina afbraken. Hij zei dat hij Prairiewolf was en dat hij gekomen was om met haar, Dood-brengende-Vrouw, te trouwen. Toen sliepen ze met elkaar.


De volgende dag gingen ze naar het huis van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend. ’s Nachts hoorde Altijd- aan- de- kust- Verblijvend lachen dat kwam uit de kamer van zijn dochter. Hij stond op en ging haar kamer binnen. “Met wie lig je daar te lachen?” “Dat is mijn echtgenoot. Verwelkom hem.” Altijd- aan- de- kust- Verblijvend groette Prairiewolf en ging terug naar zijn eigen kamer. De volgende ochtend kloofde Altijd- aan- de- kust- Verblijvend wat cederhout, verwijderde de bast en maakte een strik (16)  om beesten te vangen. Toen ging hij de slaapkamer van zijn dochter in en zei: “Schoonzoon, ik wil dat jij door de deur naar het donkere midden van het huis springt. Prairiewolf zette het hertenmasker (17) op, sprong door deur naar het midden van het huis (18) en raakte verstrikt in de val die Altijd- aan- de- kust- Verblijvend voor hem had opgezet. Hij stierf. “Net goed, “ zei de oude man,” zo maar mijn huis komen binnenvallen en me voor schut zetten. Dit zal hem leren.” Maar Prairiewolf zette zijn masker af en ging terug naar de slaapkamer van zijn echtgenote. Die nacht hoorde de oude man weer het gelach van zijn dochter. De volgende ochtend zette hij een andere val op voor Prairiewolf. Dit keer zei hij hem ook door de deur te springen naar het midden van het huis. Prairiewolf zette het masker op van de berggeit, viel in de val en stierf ter plekke. Toen de oude man naar buiten ging, zette Prairiewolf zijn masker af en ging naar zijn vrouw.


Die nacht hoorde Altijd- aan- de- kust- Verblijvend het geluid van mensen die seks hebben en hij riep luid: “Wie is daar bij je, mijn dochter?” “Dat is mijn echtgenoot,” antwoordde ze hem. De volgende ochtend zette hij weer een val uit voor zijn schoonzoon en beviel hij hem opnieuw door de deur naar het midden van het huis te springen, waar de val stond in het schemerduister. Dit keer zette Prairiewolf het masker op van de grizzly beer. Hij liep naar het midden van het huis, verpulverde de val (19) en ging zitten eten.


De oude man dacht er nog steeds over, hoe hij hem kon vermoorden (20). Hij vroeg hem om met hem in een kano naar de overkant van een inham te varen, waar ze een andere kano zouden maken. Ze peddelden het water over en ging de bossen in. Daar velden ze een boom en begonnen ze de stam uit te hollen om er een kano van te maken (21). Ondertussen kauwde Prairiewolf op een stuk elzenhout. Ze waren zo gezamenlijk aan het werk, toen de hamer van Altijd- aan- de- kust- Verblijvend in een spleet viel. Hij vroeg Prairiewolf die kleiner dan hij was, om in de spleet te kruipen om de hamer te halen. Toen Prairiewolf erin klom, klopte de oude man de wiggen die de spleet open hielden er tussen uit. Prairiewolf spuugde het stuk elzenhout waarop hij had gekauwd uit en er ontstond een grote rode vlek op de plaats waar hij in de kano vast zat. De oude man dacht dat het bloed was en dat zijn schoonzoon dood was. “Hij krijgt wat hij verdient voor te denken dat hij zomaar kan komen aanwaaien en mijn dochter trouwen,” zei de oude man, en ging weg (22).


Prairiewolf zette het masker van het winterkoninkje op en vloog uit de spleet naar boven. Hij haalde Altijd- aan- de- kust- Verblijvend in. “Waarom laat je me alleen achter, vastgeklemd in de spleet van de boom, schoonvader? De spleet sloeg dicht en ik zat er bijna in gevangen.” “Ooh-ooh (23), wat ben ik blij je te zien. Ik heb me bijna dood gehuild, toen het gebeurde. Ik ben nu op weg naar huis om het mijn dochter te vertellen. Ik dacht dat je dood was. Ik ben blij dat je je los hebt weten wrikken. Ik dacht dat het niet mogelijk was.” Ze stapten beiden in de kano van de oude man en begonnen te peddelen naar huis. Prairiewolf kauwde op een stuk hout. Toen hij het zacht had gekauwd (24), kneedde hij het tot een orka (25) en gooide het in het water. “Jij zult de eerste orka zijn van alle komende orka’s na je,” zei hij. De orka kwam van onder uit het water omhoog en met een geweldige ruk greep hij Altijd- aan- de- kust- Verblijvend uit de kano.

Alleen kwam hij thuis bij Dood-brengende-Vrouw. Zij vroeg waar haar vader gebleven was en Prairiewolf zei, dat hij dat niet wist. Later kreeg de vrouw een zoon. Op een ochtend nam Prairiewolf de zoon met zich mee en ging hij weg.


woensdag 7 maart 2018

2. De Trickster van de Crow.

Klik hier voor commentaar en de originele tekst.

Hoe de prairiewolf de aarde schiep.


Lang geleden was er geen aarde. De prairiewolf dreef op de uitgestrekte wereldzee rond op een klein vlot (verg. vorig blog) , toen hij eenden tegenkwam (vergelijk opm. Aristofanes naar aanleiding van Aesopus, de kuifleeuwerik) . Behalve de prairiewolf waren er geen andere schepselen dan de eenden. “Mijn broeders,” zei hij, “hier is verder niemand in de buurt. Het is niet goed om zó alleen te zijn. Kunnen jullie niet voor wat aarde zorgen, zodat ik alles beter een plaats kan geven?” Hij wendde zich tot de roodkopeend, de tafeleend, die heel goed kan duiken. “Duik onder water en probeer van de bodem wat aarde naar de oppervlakte te brengen. Dat kunnen we gebruiken om ons leven in te richten.” De roodkop-eend dook. Hij bleef lang onder water, maar kwam boven zonder aarde.


De prairiewolf wendde zich daarop tot de gevlekte eend (pinto=gevlekte; het indianenpaard heet een pinto-paard, vandaar afgeleid: pinto-eend). “Ik heb me gewend tot die eend die eerder is geschapen dan jij, maar hij kwam zonder aarde weer terug. Nu wil ik jou hetzelfde vragen. De gevlekte eend kwam na lange tijd boven water en zei: “Mijn broer, ik heb het niet voor elkaar gekregen.” “Hoe is het mogelijk! Ik dacht toch echt dat jij mij een beetje aarde zou brengen.” Daarop vroeg de prairiewolf een kleinere blauw geveerde eend (?) om aarde op te duiken. “Als jij er niet in slaagt, hebben we geen land om op te leven.” Hij dook naar beneden, maar toen hij boven kwam, had hij geen aarde bij zich. Toen wist de prairiewolf niet meer wat hij moest doen.


De fuut nam daarop het woord: “Mijn oudere broeder, je had mij als eerste voor de anderen moeten vragen om naar aarde te duiken. Zij staan boven mij, maar zijn zonder mij hulpeloos verloren.” Dit keer dook hij naar beneden, en bleef lang weg. Toen hij weer opdook, vroeg de prairiewolf hem: “Is het jou op de een of andere manier wel gelukt?” “Ik heb een beetje aarde meegebracht, kijk.” Hij had een beetje modder tussen zijn zwemvliezen. De prairiewolf sprak: “Voor iedere onderneming geldt dat er altijd vier pogingen ondernomen moeten worden. Jij bent geslaagd.” Daarop pakte hij de modder en zei: “Ik zal hiervan de aarde maken. En jij zult in vijvers en beken leven. En je zult je vermenigvuldigen, daar waar je nesten bouwt. Nu ga ik over tot het scheppen van de aarde.”

De prairiewolf nam de modder in zijn handen en hij keerde zich naar het oosten. “Ik zal de aarde zo groot maken, dat er genoeg ruimte is voor iedereen.” Op z’n reis vanuit het oosten, spreidde hij de modder om zich heen en er ontstond aarde. (Het rees als het ware uit de zee omhoog.) Zó reisde hij verder en verder lange tijd naar het westen. Toen hij aan het einde van zijn reis was, zei hij: “Nu er aarde is, moeten er ook dingen (!) op zijn.”

Zij hoorden in de verte een wolf huilen. “Daar is er al eentje aan het huilen,” sprak de prairiewolf. Hij wees naar de zon, die op het punt stond onder te gaan, en zei: “Luister, er is daarginds nog een andere.” Dat was ook een prairiewolf. “De prairiewolf is tot leven gekomen op eigen kracht, “ zei de prairiewolf. “ Maar dat is geweldig!” 

Daarop gingen ze met z’n allen een wandeling maken. In de vlakte (de Crow zijn de indianen van de vlakte=plains) zagen ze wat schitterende objecten. Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze dat het medicinale stenen waren. “ Dit deel van de aarde,” zei de prairiewolf, terwijl hij een steen opraapte in de vorm van een bizon, “dit is het oudste deel van de aarde. Overal zullen er zulke stenen te vinden zijn. Het zijn wezens op zich.” Toen ze een stuk verderop waren gegaan, zagen ze een figuur staan dicht bij een heuvel. Laten we hem eens van dichtbij bekijken.” Toen ze er dicht genoeg bij waren, veranderde de sterrenfiguur in een plant (hennep?). Het was een tabaksplant. Er waren geen andere planten op dat moment op aarde. De tabaksplant was de eerste plant. De prairiewolf zei: “Van nu af aan kunnen alle mensen over deze plant beschikken. Plant het in de lente en verbouw het. De sterren uit de hemel zijn naar hier beneden afgedaald in de vorm van een plant. Zij zullen voor de mensen zorgen. En de mens moet voor deze planten zorgen. Zij zullen ervan kunnen leven. Ze kunnen het bij hun dansfestijnen gebruiken. Als je het in de lente plant, moet je zingen:

“Vriend Vrouw Aarde, waar zal ik je uitzetten in je grond?”


Toen merkte de prairiewolf op dat er geen gras was. “Dat is niet goed,” zei hij en hij schiep gras. “Laten we een paar bergen maken, heuvels en bomen.” (De Crow wonen in de buurt van de Black Hills, South Dakota). En hij schiep alles. Hij zag dat er geen vis was in de beken, daarom plaatste hij vissen in het water. Zó was hij het begin van alles.

dinsdag 27 februari 2018

1. De Trickster van de Winnebago (of klik Ho-Chunk voor een betere site over de Winnebago).

Klik hier voor commentaar en de originele tekst.


Op vredespad.


Na een poosje staken zij een moeras over waarin graspollen rond dreven. Daar hield hij stil en riep (opnieuw) uit.  “Ik ga op oorlogspad, ik! Ik kan vechten, en daarom ga ik op oorlogspad. Ik kan me gemakkelijk voortbewegen. Maar jij, oorlogs-plunjezak, jij kunt dat niet, jij kunt niks dat van belang is. Alleen door jou op mijn rug mee te dragen kun jij vooruitkomen. Jij kunt niet zelf vooruitkomen, en je kunt ook niets in beweging brengen. Hoe kun jij dan op oorlogspad gaan? Jij bent gewoon een lastpak, dat is alles.” Zo was hij aan het schreeuwen. En hij pakte z’n plunjezak en stampte hem de grond in. Een aantal mensen dat met hem op oorlogspad was, zag wat er gebeurde, schudde het hoofd en ging naar huis terug.


Opnieuw ging hij weer verder. Plotseling pakte hij zijn koker met pijlen en gooide hem weg, onder het roepen van: “Ook jij kunt niet ten strijde trekken. Alleen ik kan dat. Ik kan vechten, jij niet, en daarom trek ik ten strijde.” Nu hielden ook de laatste mensen die hem vergezelden het voor gezien. Zij zagen in dat hij een heel, heel slecht mens was.


Van die tijd af aan ging hij er in z’n eentje op uit. Hij kuierde op z’n dooie gemak verder, en riep alle voorwerpen aan met “Jongere Broeder” ; zó noemde hij ze als hij ze aansprak. Hij en alle voorwerpen in de wereld begrepen elkaar door en door, ze begrepen elkaars taal.

vrijdag 23 februari 2018

Josselin de Jong en de goddelijke Trickster (Jung 4).

Klik hier voor commentaar en originele teksten.


In het werk van Josselin de Jong komen we Jung niet tegen. Ik weet niet of ze elkaar kenden en of ze elkaar wilden kennen.  Josselin de Jong was geen echte netwerker. Hij vond dat het werk voor zich moest spreken. Internationaal wordt hij nog steeds geciteerd, maar in Nederland was het  van het begin af aan duidelijk dat hij niet de status van Huizinga zou krijgen (hoe omstreden die ook mag zijn).

Zijn grootste verdienste is zijn visie op hoe de geld-economie heeft kunnen ontstaan uit min of meer sacrale rituelen. Om handel te kunnen drijven had je de zegen van boven nodig. Want de handel zat vol “tricksters”, oplichters. Om het vertrouwen mogelijk te maken dat iemand tegen een handje vol geld zijn koe verkocht, moest er iets zijn waardoor je hem kon vertrouwen. Dat was de beeltenis op een munt, die in het Oosten goddelijke trekjes vertoont, net als Hermes, de Griekse god van handel en verkeer.  

Net als Herakles had ook Hermes mannelijke en vrouwelijke eigenschappen. De verwisseling van rol in een persoon maakte mogelijk dat hij mensen tot koop en verkoop verleidde.  Josselin de Jong dacht op grond van het tweeslachtige karakter van Hermes, dat het een oer-god moest zijn. Daaraan valt te twijfelen, maar zijn theorie is daarom niet minder interessant in een maatschappij waarin mensen in een handomdraai van rol verwisselen. Het idee dat Hermes een oer-god is zou je in het volgende fragment uit het Symposium van Plato, waar Aristofanes (!) aan het woord is kunnen afleiden:

Plato, Symposium, het verhaal van Aristofanes, (189d-190alfa), vertaling door Gerard Koolschijn: 

Ik zal nu een poging doen jullie over de macht van Eros (=eudaimonia) in te lichten, dan kunnen jullie voor de voorlichting van de anderen zorgen. Eerst moeten jullie iets leren over de menselijke natuur en wat daarmee is gebeurd. Onze natuur was vroeger namelijk niet hetzelfde als nu, maar heel anders. Om te beginnen waren er bij de mensen drie seksen, niet twee zoals nu, de mannelijke en de vrouwelijke. Er was nog een derde bij, een mengvorm van die twee, waarvan nu de naam nog over is, zelf is hij verdwenen. Een manwijf was toen namelijk niet alleen in naam maar ook in uiterlijk een eenheid, samengesteld uit beide, het mannelijke en het vrouwelijke. Nu bestaat het alleen nog maar als een scheldwoord.

Verder was van ieder mens de vorm helemaal rond, met rug en zijden in een cirkel. Vier armen had hij, en evenveel benen als armen, en op de cirkelvormige hals twee gezichten, in alle opzichten gelijk, en één schedel op die beide van elkaar afstaande gezichten, en vier oren, en twee schaamdelen en verder alles zoals je je op grond hiervan kunt voorstellen. Hij liep ook rechtop zoals nu, naar welke kant hij maar wilde, en wanneer hij begon te rennen, deed hij net als acrobaten die met hun benen omhoog ronddraaiend salto’s maken, waarbij ze zich dan met die acht ledematen van toen afzetten en in een cirkelbeweging snel vooruitschoten.

Je zou dit verhaal als volgt in de huidige tijd kunnen plaatsen:

Langs de weg.

Langs de weg, duim omhoog vragend om een lift. Vaak wist hij niet waarheen, en dan keek de chauffeur hem bevreemd aan. “Moet jij niet naar school?” “Ik heb een gesprek op de Kunstacademie, een toelatingsgesprek…en ik ken de weg naar de academie nog niet zo goed…..””Oh ja, juist ja. Ik moet ook die kant op, ik zal je er afzetten.” “Dank je wel!” De angst sloeg hem om het hart. Maar precies zoals hij al had gedacht. “Nou ja, hier scheiden onze wegen. Van hier is het nog maar een paar minuten lopen naar de Kunstacademie. Als je rechtdoor loopt, kom je er vanzelf.” Geen gebouw van de Kunstacademie in de verste verte te zien. Hij stapte opgelucht uit. Gooide z’n lange blonde haren meisjesachtig in de wind. Het zonnetje scheen, het was een prachtige dag. Waarom deed hij dit? Hij bedroog mensen, waarom? Verwachtte hij straf?

’s Avonds, het begon al te schemeren, smeekte hij God om hem niet in de steek te laten. Nergens een plek om te slapen, om hem heen overal vlakke groene weilanden waar de avondzon overheen scheerde, geholpen door een guur windje. Daardoor voelde het nog kouder aan dan het in feite was. Harder bidden zou wel niet helpen, want God had zich uit het platteland teruggetrokken. Hij was er opslag verdwenen. Maar wonder boven wonder --en hoe vaak was dit nu al niet voorgevallen, en toch ging hij er niet meer door geloven—kwam daar in de verte een omvangrijke, een beetje lompe auto aangereden op deze volstrekt eenzame weg, nog te ver weg van huis om ernaartoe te kunnen lopen in een nacht. Een auto van de breedte van de weg, kwam in een slakkengangetje zijn kant opgereden. Hij sprong opzij, toen de voordeur uitnodigend open klapte. De deur miste blijkbaar een veer die hem tegenhield om niet wagenwijd open te vallen. Hij stapte in en liet zich in de zitting naast de bestuurder wegzakken. Ook die vering had betere tijden gekend.

“Zullen we er nog ergens eentje nemen?” ”Ik heb geen geld!” “Maar ik wel! Je mag op mijn kosten net zoveel drinken als je wilt.” In het café het verhaal van de eenzame man, die zich buitengesloten voelt, misschien had hij het er ook naar gemaakt. “Jongen, “ zei hij, “onthoud goed, en ik weet zeker dat je je het nog een keer zult herinneren, als je later kinderen hebt. De moeder kiest altijd voor haar kinderen! Nooit voor haar man.” Daarop ontstond zoals gewoonlijk een filosofisch gesprek, waarbij de jongen de stelling innam, dat je het niet op kiezen moest laten aankomen. Eigenlijk, gezien het heersende existentialisme van de jaren zestig, een vreemd uitgangspunt van hem. Het ene pilsje na het andere werd op het ronde cafétafeltje gezet. Af en toe liet hij er eentje staan, maar tot zijn verwondering was het alweer leeg als de volgende ronde werd aangekondigd. De caféhouder die blijkbaar de chauffeur goed kende, kondigde de laatste ronde van die dag aan. Wij kregen er eentje gratis op kosten van de zaak. “Nou, dat moet je toch echt niet doen…die drink ik niet op…” En mijn chauffeur, een enorme grote man met handen als kolenschoppen, stond op, enigszins wankel liep hij naar de deur met de jongen in zijn kielzog en de jongen had echt de indruk dat zijn chauffeur beledigd was, toen hij achter het stuur van de auto stapte. Daar bleef hij even zitten. “Ik kan echt niet rijden! “ zei de jongen. ”Dat is ook niet nodig, “ zei hij, draaide de contactsleutel om en ronkend zette het gevaarte zich in beweging. Eenmaal op weg bleek de chauffeur een ervaren bestuurdershand te bezitten. Niet een keer raakten we van de weg, niet een keer raakten de banden de berm, rustig gleed de auto huiswaarts. In een klein dorp op het dorpsplein stopte hij plotseling. “Hier woon ik. Ik denk dat je niet ver van huis meer bent. Het was prettig kennis met je te hebben gemaakt. Misschien zien we elkaar nog terug.” De jongen stapte uit, hij moest nog 5 kilometer naar zijn ouderlijk huis lopen. Voordeel hiervan was, dat toen hij thuis kwam en in bed lag als een blok in slaap viel.

Een paar weken later ging hij naar een optreden van een muziekband. Hij ontmoette er een meisje met lange blonde haren, bij wie hij zich meteen thuis voelde. Ze dansten met elkaar en hij bracht haar thuis. De week daarop ging hij haar halen op het opgegeven adres. Hij belde aan, de deur ging open, en in de deuropening de bestuurder van de grote brede auto, in volle omvang. Hij bleek in de wegenbouw te zitten. De verhouding hield niet stand. De vader en ik konden goed met elkaar opschieten, maar haar moeder vond het maar niets.