maandag 20 maart 2017

De opiniepeilers.


Iemand die een beetje bekend is met statistiek, weet dat er altijd een betrouwbaarheidsmarge is, waarbinnen de kans dat iets gebeurt, wordt vastgesteld. Bij de laatste opiniepeilingen hield Maurice de Hond bij het berekenen van het aantal zetels dat de VVD zou halen bij de Tweede Kamerverkiezingen altijd een marge aan van bijv. 24-28 zetels. Nooit hoger. Uiteindelijk won de VVD met 33 zetels! De betrouwbaarheidsmarge waar De Hond vanuit had moeten gaan, was niet 10% maar wel 20%, twee keer zo hoog als men had gedaan. In de euforie over de uitslag viel de geweldige misslag in het uiteindelijke resultaat niet op. In feite was de miskleun even groot als die van de Brexit of die van de verkiezing van Trump tot president. Maar deze keer kwam het ons goed uit, dus wie maalde erom. Ik dus, omdat het hier gaat om bijgeloof in dezelfde trant als voorkomt in de volgende grap, uit de klassieke oudheid (Book of Noodles):


Op een dag was een nogal precieze man een boekje kwijt. Hij zocht er tevergeefs dagen naar. Op een dag liep hij toevallig wat sla te eten, en toen, toen hij een hoek omging, zag hij daar zijn boek zomaar op de grond liggen. Even later kwam hij zijn vriend tegen. Die klaagde erover dat hij zijn riem kwijt was waardoor hem zijn broek steeds afzakte. Daarop zei onze precieze man: “Maak je geen zorgen. Koop wat sla, eet ervan bij een hoek van de kamer, kijk om de hoek, ga nog een stapje verder, en je zult zien, daar ligt je riem!” Probleem opgelost.

Hoe groot moet je de betrouwbaarheidsmarge nemen, dat is de vraag. Want misschien ligt daar om die hoek inderdaad de riem waarnaar zijn vriend op zoek is. Maar er bestaat een nog grotere kans dat dat niet het geval is. En soms kloppen de feiten waar je vanuit gaat gewoon niet:


In het plaatsje Gotham, dichtbij Londen, leefde een kieskeurige en precieze man. Op een dag zag hij in een boom een zwerm mussen zitten. Hij sloop naar de boom toe, spreidde zijn jas uit onder de boom, en begon uit alle macht aan de boom te schudden.  Hij wachtte tot de mussen uit de boom zouden vallen op zijn jas, zodat hij ze vlug in zijn jas kon opvangen als rijp fruit. Maar waarom gebeurde dat dan niet!? Nog afgezien van wat er wél in de jas viel, ernaast viel of gewoon de lucht invloog.

of deze:

In het Indiase verhalenboek “Katha Manjari” staat het volgende verhaaltje. Op een dag klom een stevige boef in een cacaoboom in een tuin om noten te stelen. De tuinman hoorde een geluid, en terwijl hij in de richting van het geluid rende, schreeuwde hij:  “Wat moet dat daar, eruit…” De dief klom haastig uit de boom. De tuinman vroeg hem: “Waarom zat je in die boom?” Waarop de boef antwoordde: “Mijn beste vriend, ik klom in de boom op zoek naar gras voor mijn kalf” De tuinman moest daarom hard lachen: “Hahaha, boven in een cacaoboom is toch geen gras?” “ Nee, dat niet,” zei de dief “maar dat wist ik niet. Daarom ben ik maar naar beneden geklommen.”


De grap werd gebruikt als afweer tegen allerlei kwaads dat men elkaar wilde aandoen. Dat kwam voort uit angst, precies dezelfde angst waarmee wij de miskleun met betrekking tot de opiniepeilingen van de Tweede Kamerverkiezingen goed praten. We willen geloven in het getal als het ons uitkomt. Een geloof dat de Klassieke Oudheid had in de voortekenen die men opmaakte uit de vlucht van de vogels (Celsus, Origen, weerlegging van de christenen, pag 88 ev). Het geloof in mensen die vogels en hun gedrag duidden, was een axioma, waaraan je niet mocht tornen. De betrouwbaarheidsmarges lagen bij voorbaat vast!


maandag 13 maart 2017

Identiteit

Een kieskeurig man, een kale man en een kapper maken een reis in elkaars gezelschap. Ze komen overeen dat ze ’s nachts om beurten de wacht zullen houden. De kapper was de eerste die de wacht zou houden. Hij leunde tegen de kieskeurige man aan om wakker te blijven. En plotseling viel hem op dat z’n haar slordig zat en dat dat de kieskeurig man wel niet zou aanstaan. Daarop schoor hij de man kaal. Toen de kieskeurige man aan de beurt was om wacht te houden maakte hij hem wakker. Zoals gewoonlijk streek de kieskeurige man met zijn hand over zijn hoofd om zijn haren te fatsoeneren. Toen hij bemerkte dat hij kaal was, schreeuwde hij: “Wat heb je gedaan, kapper? Je hebt de kale man wakker gemaakt in plaats van mij!” 


Grappen van deze categorie hebben merkwaardig genoeg met recht te maken. Meer van zulke grappen zijn in Humor en zijn Schaduw te vinden op de website Grappen van Vroeger. Je kunt je blijkbaar op je rechten laten voorstaan door de manier waarop je eruit ziet, door de manier waarop je je presenteert.


Een boer en een zwarte man deelden samen een bed in een herberg. Een stel grappenmakers maakten ’s nachts het gezicht van de boer zwart. Toen hij -- waarom hij had gevraagd -- de volgende ochtend vroeg gewekt werd om de reis voort te zetten, zag hij in de spiegel dat zijn gezicht zwart was, en hij riep woedend uit: “Verdorie nog aan toe, die stomme nachtwachter heeft de verkeerde man wakker gemaakt!”


Grappen waarin de identiteit van de hoofdpersoon aan twijfel onderhevig is, hebben niet zozeer met ras, als wel met bedgenoten,bewoners van naburige dorpen, streken, en landen te maken. Precies zoals wij grappen maken over onze Belgische buren. Dit principe bestaat wereldwijd. Maar bij een aantal streken en plaatsen komt daar iets extra’s om de hoek kijken. We hebben dat al gezien met het Turkse Akshehir, in Syrië was dat Homs, in Engeland was dat Gotham, en in noord Afrika was dat de Berberstam Beni Jenna(zonen van het paradijs?). In het Klassieke Griekenland was het Boeotië en in het klassieke Italië Atella en Cumae. In tegenstelling tot wat je zou verwachten werden de bewoners van deze plaatsen niet Onnozel genoemd, maar juist Wijs. De oudste humor heeft dan ook altijd in zijn essentie een kern van wijsheid. En ook is het vaak de plaats waar een bijzondere heilige werd vereerd.


Als aanvulling op bovenstaande grappen, er eentje uit een Perzische grappenverzameling. 

Een arme worstelaar, die zijn hele leven in bossen had doorgebracht, besloot zijn geluk elders te gaan zoeken. Hij ging naar de grote stad en toen hij dichterbij kwam en al die massa’s mensen zag die langs de wegen zich voortbewogen richting stad, bedacht hij: “Ik zal niet in staat zijn mezelf nog in die massa mensen te herkennen. Ik moet iets hebben om mij van ze te onderscheiden. Om die reden bond hij een pompoen aan zijn rechterbeen en hiermee voorzien ging hij de stad in. Een puber die de onnozele vent in de gaten kreeg, knoopte vriendschapsbanden met hem aan. En hij verleidde hem ertoe om ‘s nachts bij hem thuis te overnachten. Toen de onnozele man lag te slapen, verwijderde de puber de pompoen van het been en maakte het vast aan dat van zichzelf en ging weer slapen. ’s Ochtends toen de arme onnozele man wakker werd en de pompoen aan het been van zijn metgezel zag, riep hij hem: “Hé, word wakker, want ik ben in de war. Wie ben ik en wie ben jij. Als ik mezelf ben, waarom zit er dan een pompoen aan jouw been? En als jij jezelf bent, waarom zit er dan geen pompoen aan mijn been?”


The book of Noodles.

Dit boek is een geweldige verzameling oude grappen. De grappen zijn zo oud als  Hierokles (430 nChr), zoals de Engelsen zeggen.  Oorspronkelijk werden de grappen aan deze Hierokles toegeschreven.  Maar dat is heel erg onwaarschijnlijk. De grappen zijn wel oud! Volgens de inleiding in The Noodles (=kronkels) zouden de meeste grappen terug kunnen gaan op grappen van de Egyptenaren en India, zo’n 1000 jaar vóór Christus! In Engeland duiken ze vooral op in een verzameling grappen die de naam Joe Miller draagt, hoewel deze acteur niets met het verzamelen ervan te maken heeft. Joe Miller was een bekende acteur, en zijn naam werd gebruikt om de grappenverzameling in de markt te zetten. In Engeland was het Hibernia (Ierland) dat men vaak op de korrel nam. Vooral de Ierse stier moest het ontgelden in die mate dat grappen ook wel Hibernian Bulls werden genoemd. Om met de metafoor van het briesen, tieren en aanstormen van de stier de verhouding tussen Ierland en Engeland aan te geven. Overigens is er ook een Ierse Rugby club met de naam Hibernian Bulls!


Hierokles moet je niet verwarren met de Griekse held Herakles!  In Humor en zijn Schaduw staat Herakles model voor grappen die over fatsoen gaan. De grappen over identiteit gaan daar vaak niet over, ze gaan over iets dat verder weg ligt van fatsoen, namelijk onveiligheid. Het gevoel van onveiligheid moet je niet verwarren met een gevoel voor wat fatsoenlijk is. In het ene geval is er de Sterke Man Herakles, die zelf uitmaakt wat goed is voor zijn omgeving; in het andere geval van de identiteitsgrappen is er de omgeving die zich meester maakt van de Onnozele onschuldige met een nog niet gevormde identiteit. Kortom, de omgekeerde ervaring.


maandag 6 maart 2017

Vertaalde grappen  uit: Decourdemanche, Sottisier de Nasr-eddin- Hodja, bouffon de Tamarlan, 1878, chez Gay et Doucé.

(p23) De maan uit de put.


Nasreddin ging eens ’s nachts water halen uit zijn put. Hij keek naar onderen en zag daar de maan schitteren in het water. Er kwam  over hem iets gehaast. Hij liep hals over kop naar huis om een stevig stuk touw met een haak eraan te halen. Dat liet hij in de put vallen. De haak bleef steken achter een dikke steen. Nasreddin trok tevergeefs uit alle macht,…. toen deed hij een tweede poging…en dat maakte een eind aan alles. Hij viel op zijn rug en keek omhoog, zag de maan oplichten voor hem, en hij riep uit: “Ere zij God. Mijn rug doet pijn en terecht. Het zij zo. Ik heb de maan uit de put omhoog kunnen trekken en hem weer op z’n plaats teruggezet.”


Dit onschuldige verhaal kan op zoveel manieren uitgelegd worden dat we uitkomen op de uitleg van religieuze teksten, namelijk in hoeverre God in iemand leeft of er buiten staat. Daar wil ik later nog wel bij stilstaan, nu niet. Wat Nasreddin doet is, wat astronomen en en astrologen vroeger deden bij gebrek aan een goede sterrenkijker. Zij bepaalden de positie van sterren en hemellichamen in de weerspiegeling van een wateroppervlak, in dit geval het water in een put. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men de aarde zag als een platte schijf met de mens of dier in het midden.

(p28) Een verrukkeljke uitleg bij de spreiding van mensen over de aarde.


Op een dag zei iemand tegen Nasreddin: “Waarom verblijven van alle mensen op aarde er sommigen op die ene plek en anderen op een andere plaats in plaats van allemaal bij elkaar op één en dezelfde plek te wonen?”

“Hoe komt het dat je dat niet begrijpt!”, zei Nasreddin met overslaande stem. “Als alle mensen zich op een punt op aarde zouden verzamelen, dan zou de kant waar zij zich zouden bevinden, zo zwaar worden dat ze de aarde naar een kant zouden doen overhellen en… hij zou omkieperen!”


(p59) Les in kosmografie. 


Men vertelt dat er drie monniken  op een dag bij sultan Ala-ddin kwamen. “Wij gaan”, zeiden ze, “drie vragen stellen aan u, moslims — als u erin slaagt de oplossing te geven, bekeren wij ons tot uw geloof.” De keizer (padishah) verzamelde alle wijzen en geleerden, en gaf ze bevel om de vragen van de drie monniken te beantwoorden. Maar dat konden ze niet.“Als er ééntje is die hierop een antwoord kan geven, dan is dat Nasreddin, “zeiden ze tegen de keizer. De keizer stuurde er een bode op uit om hem uit te nodigen aan het hof te komen. Nasreddin besteeg zijn ezel en kwam aan op het hof van de keizer.“Vraag maar wat je wilt vragen,” zei Nasreddin tegen de monniken.“Waar is het middelpunt van de aarde,” vroeg de eerste van hen.“Over die vraag heb ik mijn gedachten laten gaan,” antwoordde Nasreddin. “Dat middelpunt bevindt zich tussen de vier poten van mijn ezel, die daar staat.”“Welk bewijs heb je daarvoor?” antwoordde de monnik. “Als je me niet gelooft”, zei Nasreddin, “pak dan een stuk touw en meet het op.”“Wat is het aantal sterren aan de hemel?” vroeg hem daarop een andere monnik. “Dat is gelijk aan het aantal haren dat mijn ezel bedekt,”antwoordde Nasreddin. “En welke verklaring geeft u hiervoor,” ging de monnik door met zijn ondervraging. “Als je me niet gelooft,” zei Nasreddin daarop,”ga het controleren en tel ze. De ezel staat daar!” De derde monnik stapte naar voren en vroeg: “Hoeveel haren telt mijn baard?”  “Dat zijn er net zoveel als er aan de staart van mijn ezel zitten!”zei Nasreddin. “Waarom?” kaatste de monnik terug. “Als je me niet gelooft,” antwoordde Nasreddin, “verifieer het antwoord maar. Telkens trek je één haar uit je baard en één uit de staart van mijn ezel. En je zult zien: ik heb gelijk!" Nu waren de monniken overtuigd van Nasreddins gelijk en zij bekeerden zich tot de Islam.


Wie was Jean-Adolphe Decourdemanche (1844-1915)?


Uitgever Leroux
Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar het antwoord was moeilijk te vinden. Hij is in het derde arrondissement te Parijs in 1844 geboren. Na een korte studie Arabisch komt hij in de Turkse wereld terecht. Hij vertaalt de Nasreddin grappen, omdat  hij denkt dat men zó de Turken beter leert kennen. Om de een of andere reden beseft hij niet dat de oorsprong van deze grappen helemaal niet Turks is, maar meer met de Romeinse overheersing van Klein Azië heeft te maken. Daarnaast hebben de grappen veel te maken met het feit dat Akşehir, de geboorteplaats van Nasreddin, op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes ligt: de zijderoute en de zeevaart van de Middellandse Zee.  Dat de verhaaltjes iets met Turkije te maken hebben komt voort uit het ombuigen van deze grappen naar de Turkse en islamitische smaak, omdat uit niets meer mocht blijken dat er joodse, christelijke, en zelfs boeddhistische sporen in zijn te vinden. De Turkse ombuiging laat een Turkije zien van armoede, overheersing, en verlangen aan deze werkelijkheid te ontsnappen. Het is kortom het Turkije tijdens het verblijf van Decourdemanche in Turkije, onder het sultanaat en nog voor de revolutie van Atatürk.

Dat Decordemanche het, voor zover ik weet, niet over de financiële kant van de geboortestreek van Nasreddin heeft, is vreemd. Hij is namelijk voor het tijdschrift “Le Globe”  de financieel redacteur. Het meest indrukwekkende boek van zijn hand gaat dan ook over munten, en waarde van munten en maten in de Oudheid.  Zijn uitgeverij Leroux was mede-eigenaar van de krant Le Globe. Decourdemanche was waarschijnlijk teveel wetenschapper om direct een verband tussen geld en Nasreddin te leggen. Maar zoals ik de week tevoren heb gezegd, is het ook geen peulenschil om achter deze waarheid te komen. En dat kan ook een reden zijn.

Zoals gezegd  was Decourdemanche journalist en vertaler. Dit vertalen heeft tot verwarring geleid tussen zijn naam en die van Osman Bey, die zich ook Adrejevich Vladimir noemde! Deze Osman Bey schreef in het Turks een boekje over de toestand in de wereld van 1879 onder de titel: Luttes sur le Rhin et sur le Danube entre Latins,Germains et Slaves, par le major Osman-Bey. Onder de link is dit verbazingwekkende boekje in te zien. De vertaling is van de hand van Decourdemanche. Kort samengevat gaat het over de Franse angst  dat 3 rassen (Slaven, Latijnen en Germanen) als uitkomst van het Congres in Berlijn in 1878-1879 elkaar weer zullen gaan bestrijden. Omdat de koloniën oneerlijk verdeeld zijn zullen de Germanen als hun arena Europa kiezen. Langs kronkelpaden lijkt het boekje de Eerste en Tweede wereldoorlog te voorspellen.  De grappige verhaaltjes lijken een talent wakker te roepen om vanuit het ongerijmde juiste voorspellingen te doen, lijkt het wel. Beangstigend! De krant waartoe Decourdemanche behoorde, stond erom bekend dat men

“Als filosofie, het spiritualisme had; als geschiedenisopvatting, intelligente nieuwsgierigheid, onbevooroordeeld, en zelfs sympathiek tegenover vroegere tijden en eerdere stadia van menselijke samenlevingen; in de literatuur, een neus voor vernieuwing, van verandering, van vrijheid, zelfs met heel vreemde verschijningsvormen en in de meest grove samenstellingen.” 
 

maandag 27 februari 2017

Vertaling van Le cadi dépouillé uit: Decourdemanche, Sottisier dé

Nasr-eddin- Hodja, bouffon de Tamarlan, 1878, chez Gay et Doucé, pag 171-181.

Nasreddin Hodscha, Mehmet Ali Birant, tekeningen door Ödinçer Kiliç.
Uit onderstaand verhaal valt op te maken dat de Marokkaanse grap aan het begin van Humor van Vroeger met de oorspronkelijke titel Si Djeh'a et Ie Cadi, lijkt op het laatste deel van dit veel langere Turks verhaal.  Let op de noten achter sommige woorden (kleine letter!)

De uitgeklede cadi (= rechter).



Op zekere dag had de Hodja zo helemaal niets meer om van te leven dat hij zelfs geen tarwe1 en gerst meer in huis had. Dus zette hij een grote draagmand op zijn ezel, deed een tamboerijn om de nek van zijn zoon en ging van deur tot deur om de stadsbewoners om een gift te vragen. Nauwelijks had hij ruchtbaarheid gegeven aan zijn situatie en zag men hoe hij erbij liep2, of iedereen, mannen en vrouwen, bracht de Hodja te eten, de een één schotel de ander wel twee schotels gerst of tarwe3. Hij deed het allemaal korrel voor korrel in de draagmand op zijn ezel. Ten slotte kwam hij bij een grote in twee helften doormidden gedeelde deur waarvan een helft van de deur op een kier open stond4. Zijn zoon liet de tamboerijn horen, maar niemand kwam aan de deur; hij duwde de ezel naar binnen en bemerkte dat er binnen een absolute stilte heerste. Hij zette vervolgens de ezel vast in de stal, pakte een ladder5, klom naar boven, gevolgd door zijn zoon en ging de vestibule (de gang) in, daarna de woonkamer, nog steeds zonder iets te horen.

Toen bereikte een geluid zijn oren; een vrouwenstem zei: de komst van de heer (effendi6) is nabij7. Dat wilde zeggen dat de vrouw des huizes een afspraakje had gemaakt voor een beleefdheidsbezoek met de Cadi van de stad. Zij was op dat moment in de badkamer. "We moeten vlug uit bad", zei ze op dat moment tegen haar slavinnen.

De Hodja hoorde dat. "Die zal ik eens een mooie poets bakken", zei hij in zichzelf. Hij zocht zich meteen een plek om zich te verbergen en zag precies tegenover zich een prachtige kamer, helemaal verguld met bladgoud. In het midden van de kamer stond een opgemaakt bed; zonder te aarzelen ging hij de kamer binnen, en trof daar een bijna lege grote linnenkast aan. Hij ging samen met zijn zoon op de dekens in de kast zitten.

Een moment later kwam de jonge dame uit de badkamer en, bij de arm
genomen door haar slavinnen, ging ze op de beste plaats in de kamer zitten; zó wachtte ze op de komst van de cadi. Weldra kwam de cadi; de slavinnen brachten hem bij hun meesteres, die opstond, een paar passen in zijn richting maakte, en hem in haar armen sloot en haar plaats aan hem aanbood. Het was een van de allerwarmste zomerdagen: mijnheer de cadi zweette uit alle poriën. Daarom deden de slavinnen hem zijn kleren uit, die ze in een kist8 legden. Alleen zijn onderbroek en -hemd had hij nog aan, en op zijn hoofd droeg hij alleen nog maar zo'n klein petje dat men onder de tulband draagt.

Aldus, helemaal op z'n gemak ging mijnheer op het bed van de dame zitten, die ook nogal schaars gekleed was. En zij kwam nogal dicht bij zijn Mijnheer te zitten. Even later namen ze een lichte maaltijd tot zich en dronken ze een paar glazen wijn. Geholpen door de warmte was de cadi al vlug onder invloed. Op dat moment gaf de jonge juffrouw een teken; men legde de cadi op bed en de slavinnen maakten zich uit de voeten: lieten hun meesteres en de cadi alleen achter. De Hodja hield zich nog steeds muisstil.

De vrouw voelde dat het geschikte moment was aangebroken: zij en de cadi wierpen zich in eikaars armen, begonnen te ravotten en kusjes uit te wisselen. De cadi maakte gebruik van de gelegenheid, ontblootte handig de dame en wierp de kleren terzijde. Dat gedaan was zij aan de beurt iets in te brengen. "Weet u mijnheer, op welke manier ik de liefde zou willen bedrijven?" "Ik heb geen idee, mijn liefje; ik ken geen andere manier dan op en neer." "Waarin ik zin heb", antwoordde de dame, "is een liefdesoffensief“ (battaille d'amour9).

"Ik geef de voorkeur", antwoordde de cadi, "aan gewoon op en neer." "Laten we mijn sleutelgat", zei daarop deze delicate mond, "het witte fort en uw sleutel de rooie prins10 noemen. Als ik me omdraai en mijn witte fort bloot geef, laat dan van uw kant de rode prins ten tonele verschijnen. Die gaat in de aanval op het witte fort, volgt rechttoe rechtaan zijn weg, en breekt de poort open, gaat er naar binnen als overwinnaar11"Ze gaan", zei de Hodja toen hij dit hoorde bij zichzelf, "oorlog voeren. Maar zij hebben geen tamboer die het startsein geeft voor de aanval. Als ze zover zijn, zal ik ze eens een flinke roffel laten horen."

Op het moment dat de juffrouw op haar rug gaat liggen, en de blanke top der duinen zich toont (la forteresse blanche se montre) aan mijnheer de cadi, kan deze zijn ongeduld niet bedwingen, grijpt de rooie prins en leidt hem in de aanval. Weldra is de poort geramd, waarop Nasreddin zijn zoon een teken geeft12. "Sla op de trommel", zei hij, want er bestaat geen goede aanval zonder dat men het teken voor de aanval geeft. Zijn zoon greep de trommelstokjes (baguettes13) en roffelt een stevig salvo, zoals hem is opgedragen. Op het moment dat dit lawaai losbreekt in de linnenkast, bespringt de schrik de cadi en zijn dame.

"Dat is geen goed teken", zeggen ze tegen elkaar. Hals over kop verlaten ze de kamer, steken de kamer van binnenkomst over en houden pas op met rennen als ze beneden zijn aanbeland. Ze kijken elkaar eens aan met stomheid geslagen en zonder te kunnen spreken, stom verbaasd als ze zijn.

De Hodja van zijn kant ziet in dit avontuur een gelegenheid om de oorlogsbuit binnen te halen. Hij komt uit de linnenkast, maakt de kist met kleren open en pakt het pak kleren van de cadi als ook zijn tulband, en dan, zonder aarzelen, daalt hij de ladder af, gaat de stal in waar de muilezel dichtbij zijn ezel staat vastgemaakt, doet de kleren in de draagmand op de rug van zijn ezel, zet zijn zoon op de ezel en gaat zelf op het muildier zitten, vertrekt uit het huis en komt thuis in goeden doen aan. Hier zet hij het muildier vast, zet de tulband van de cadi op, trekt ook zijn kleren aan, en gaat zitten, "Waar heb je", vraagt hem zijn vrouw, "deze spullen vandaan en die muilezel?" 'Ze horen mij toe", antwoordt de Hodja, "omdat ze als oorlogsbuit in mijn handen zijn gevallen."

Terwijl de Hodja volop genoot en er een zoete rust over hem kwam, waren de dame en de cadi, zoals we hebben gezegd, beneden14 helemaal van schrik buiten zichzelf en niet in staat om de kamer waar ze zaten te verlaten. "Er moet", zeiden ze tegen elkaar, "een demon in de kast zitten." Daarom durfden ze niet naar boven te gaan. De dame riep een slavin om beneden te komen; deze kwam ijlings toegesneld. "Ga naar boven", beval haar meesteres haar, "kijken wat er aan de hand is". De slavin, die ook helemaal van slag was, ging met duizenden voorzorgsmaatregelen stapje voor stapje langzaam de trap op, die naar de slaapkamer ging; zij keek behoedzaam door een kier van de kamerdeur naar binnen en zag niemand; zij ging naar de linnenkast en de kist, zonder ook maar iets te vinden, toen ging ze weer naar beneden.

"Er is niets daar boven", zei ze tegen de dame en de effendi, “geen demon en ook geen geest”. Die twee, nog steeds onder de indruk van duizenden angsten, gingen daarop naar boven en zetten zich daar bedrukt neer. "Dat was geen goed voorteken", zei uiteindelijk meneer de cadi, nog steeds bang; laten we ons tijdverdrijf uitstellen naar een ander moment. Laten ze me mijn kleren brengen, zonder verder uitstel, zodat ik me kan aankleden en hier weg kan gaan. De meesteres gaf bevel aan de slaven om de kleren van de effendi te brengen; meteen deed één van hen de kist open15, keek erin, en zag geen bundeltje kleren en ook geen tulband. Dat vertelde ze haar meesteres, die gaf het door aan de cadi. Dat zette de rechter aan het denken, maar zijn gedachten waren vertroebeld, en hij snapte niet hoe zoiets had kunnen gebeuren, want, en dat was zeker, hij was toch echt niet naakt van de rechtbank naar hier gekomen.

"Ah! Mijn liefje", jammerde hij, "dat wat er moest gebeuren, is gebeurd. Dat wat stond te gebeuren, heeft plaats gevonden!" Hij schreef meteen een notitie aan zijn beheerder op de rechtbank: "Geef voor mij een complete set kleren, van top tot teen, mee aan de drager van deze notitie", beval hij de beheerder. "Stuur iemand met deze notitie naar de rechtbank", zei de cadi tegen de dame, terwijl hij de notitie dichtvouwde en er een stempel opzette. De dame stuurde haar voedster erop uit. Deze ging meteen op pad naar de rechtbank en gaf de notitie aan de waarnemend cadi, de naïb-effendi. Deze nam kennis van de inhoud en maakte eruit op dat meneer de cadi wilde dat men hem ondergoed, een petje, een tulband en verder alles om zich te kleden stuurde. Hij riep de beheerder en lichtte hem in over de inhoud van de notitie. Conform de strekking van de notitie, vroeg de beheerder aan de haremvrouwen om een complete set kleren, en overhandigde dit pakket kleren aan de voedster. Deze boodschapster nam het aan, ging terug naar huis, en zette het pakket neer voor de cadi. Deze kleedde zich aan, deed zich zijn gordel om, kamde zijn haren, en op het punt te vertrekken, herinnerde hij zich zijn muildier. Hij beval dat men hem het beest voorgeleidde; een slavin rende naar de stal, maar trof daar het muildier niet aan.

"Effendi", schreeuwde ze, "het muildier is niet meer op zijn plaats."
De cadi verwonderde zich over dit nieuwe voorval, maar zonder te dralen, nam hij afscheid van de jonge dame, en ging naar de rechtbank, waar hij plaats nam op zijn zetel. Ondertussen overdacht hij alles wat er gedurende de dag was voorgevallen. Hij ging naar huis even later, en toen de nacht was gevallen, ging hij slapen. De volgende dag bij het krieken van de dag vertrok hij uit de haremvertrekken om zijn werk bij de rechtbank te gaan doen. Er kwamen wat vrienden langs om hem te vermaken; eenmaal alleen kwamen zijn avonturen hem weer voor de geest: hoe meer hij erover nadacht, hoe meer hij zich erover verwonderde.

Ondertussen kleedde de Hodja Nasreddin effendi zich in de kleren van de cadi, zette zijn tulband op en trok zijn mantel aan. Zó uitgedost16 klom hij op het muildier van de cadi en begaf hij zich naar de rechtbank17. De bedienden18 van de cadi lieten niet na hem goed op te nemen en op te merken dat hij helemaal in de kleren van hun meester was gekleed, en op zijn muilezel zat. Zij gingen meteen de cadi waarschuwen. "Meneer", zeiden ze hem, "Nasreddin effendi  is net aangekomen: hij is het die u heeft bestolen. Kijk maar naar de kleren waarin hij loopt, en het muildier dat hij berijdt."

"Let op je woorden", antwoordde de rechter. "Je moet er niet te licht over denken iemand vals te beschuldigen”. Ondertussen was de Hodja afgestapt, had hij het muildier aan de trapleuning vastgemaakt, liep hij de trappen op naar waar de cadi zich ophield en begroette hem. "Ook u, gegroet", antwoordde de cadi. De rechter verhief zich uit beleefdheid voor de Hodja, liet hem plaats nemen naast zich, bood hem een kop uitstekende koffie aan, en overlaadde hem met allerlei eerbewijzen als klap op de vuurpijl. Vervolgens liet de cadi de ongewenste nieuwsgierigen verwijderen, en richtte hij het woord rechtstreeks tot de Hodja met een vraag. "Hoe bent u aan deze kleren gekomen, mijnheer Hodja",  zei hij tegen hem, "en waar hebt u dit muildier gevonden?" "Ik zweer bij God", antwoordde Nasreddin, "dat het gisteren oorlog was. De rooie prins deed een aanval op het witte fort. In de hitte van de strijd is er onder de strijdenden paniek uitgebroken. Ik heb de op het slachtveld achtergelaten oorlogsbuit  verzameld en meegenomen."

Toen de cadi dit hoorde, begreep hij vlug waarom het ging. Hij veranderde van houding tegenover de Hodja, en zei: "Omdat het jouw oorlogsbuit is, is het juist dat je hem mag houden. Misschien wil je nog wel iets meer, opdat als ze je vragen: heb je de kameel19 ook gezien? Jij als antwoord geeft: de kameel en zijn jong zijn opgegeten20, want ik heb noch de een noch de ander gezien?" "Als u er zó over denkt", ging de Hodja door, "geef me dan maar geld voor de kameel om ervan verzekerd te zijn dat ik zo goed mijn mond houd, dat geen woord mij over de lippen komt."

Hierop gaf meneer de cadi evenzeer tot genoegdoening van de Hodja als voor zijn eigen rust, hem 20 goudstukken, door hem nogmaals op het hart te drukken vooral niets te laten merken aan de buitenwereld. "Hoe zou men ervan kunnen horen spreken?" zei de Hodja. "Alles blijft onder ons, vooral als u me voor het kamelenjong het muildier in de plaats wilt geven. Dat is alles wat ik u nog vraag..." "Natuurlijk", zei daarop de cadi, en hij gaf in die geest bevelen aan zijn bedienden. Dezen kwamen de Hodja het muildier brengen, en droegen het aan hem over. Daarop nam de Hodja afscheid van de cadi, zette zich in het zadel van het muildier en reed erop weg naar huis.

Vanaf die tijd bleef hij altijd deze kleren dragen, de mantel en de tulband van de rechter achterstevoren gezeten op diens muildier. Voor zover wij weten heeft hij het geheim aan niemand verklapt19..





maandag 20 februari 2017

Uit: Decourdemanche, Sottisier de Nasr-eddin-Hodja, Bouffon de Tamerlan, 1878.

Het rekenwonder.

Wie met lege handen komt te staan, maakt het verschil. (pag. 35)


nze buurman had zijn ganzen aan Nasreddin toevertrouwd om buiten te laten grazen: een ervan raakte hij kwijt. Aan het einde van de maand ging Nasreddin zijn loon halen. Onze buurman vroeg hem: “Wat is er met een van de ganzen gebeurd?  Wat is er van haar geworden?” Nasreddin zette zich aan het tellen van de door elkaar heen lopende gakkende ganzen en zei tenslotte: “Maar het zijn er toch tien!” Daarop telde onze buurman ze nog eens na en telde er maar negen. Er ontstond een groot meningsverschil tussen beiden. Tenslotte schreeuwde Nasreddin: “Er is maar een manier om dit op te lossen. Wij vragen tien personen om ter plekke ieder een gans te pakken….En als iedereen er eentje heeft, dan is er maar een conclusie mogelijk: er zijn er tien en geen negen!” Zo gezegd, zo gedaan: iedereen pakte een gans en een van hen had er geen. Deze nu wendde zich tot Nasreddin: “Kijk, er is er niet eentje over voor mij. Wat zullen we daar aan doen?” “M’n beste vriend,” antwoordde Nasreddin, “je had er eentje moeten pakken toen ze er nog waren.”



Een rekenfout (pag 208)


asreddin had 8 ezels. Op een ervan ging hij zitten. Hij reed voorop en de ezels volgden hem gehoorzaam. Eenmaal goed op weg draaide hij zich om om ze te tellen. Je weet maar nooit. En tot zijn grote verbazing telde hij er nog maar zeven, want hij vergat de ezel mee te tellen waarop hij zat. Hij stapte af en telde ze nogmaals: het waren er acht. Hij was helemaal van de kaart door wat hij meemaakte. Een voorbijganger zag dat en vroeg hem wat eraan de hand was. En helemaal verbijsterd schreeuwde hij: “Zonet telde ik er zeven en nu zijn het er weer acht. Ik ben toch niet gek!?” De voorbijganger vroeg hem heel bedaard: “Heb je die waarop je zat ook meegeteld de eerste keer toen je telde?” “Hoe had je in vredesnaam gedacht dat ik kon tellen wat er achter mij zat? Door op de ezel te zitten, natuurlijk! Nou?”


De fout die Nasreddin hier maakt, onthult dat er op een oosterse manier wordt geteld. Zoals in een oude manier van tellen op een telraam als je tot tien telt, je een één op de staaf voor de tientallen apart zet, deed Nasreddin alsof hij al tot tien ganzen had geteld en telde hij vóór hij begon te tellen 1, omdat het er tien waren, en begon daarna pas de aanwezige ganzen te tellen. Het moment waarop je op de andere staaf een 1 aanschuift is van doorslaggevend belang voor de juiste uitkomst. Een vergelijkbaar enigszins pikant rekenprobleem kwamen we tegen in Deel 2 van Humor en zijn Schaduw bij het tellen van de aubergines, waarbij Jeha de vinger van de minnaar aanziet voor een aubergine.
Het probleem ontstaat in een zekere zin, doordat we bij het tellen tien vingers tot onze beschikking hebben en we moeten doen alsof de tiende vinger de eerste vinger + niets is. Als je erover nadenkt, begin je te begrijpen wat een geweldige uitvinding de nul was. In deze grappen worden het oosterse en westerse rekensysteem met elkaar geconfronteerd. Misschien word je geleerd hoe op een ontmoetingspunt van beide systemen, je van het verschil in rekenmethodes slim misbruik kon maken.

Uit de verhaaltjes kun je de ouderdom van de verhalen opmaken. Ze komen uit de tijd dat de streek van Nasreddin het ontmoetingspunt was van twee handelsroutes: de ene uit het Verre Oosten, de zijderoute, en de andere over zee vanuit het westen.  De Gans met zijn opvallende formaties in de lucht als een wijdbeense Hera (=Iuno), waaruit sterren geboren worden, heeft zich misschien ook opgehouden bij een heiligdom in Klein Azië. Zou er ooit in deze streek een heiligdom, gewijd aan de jaloerse godin Iuno (=Hera) en bewaakt door ganzen, hebben gestaan? Hera wordt ook met de pauw geassocieerd. De pauw, een mooie, trotse en sierlijke vogel zal in grappen af en toe van rol verwisseld zijn met de gans, een minder sierlijke, maar trotse en domme vogel. Volgens de Griekse komedie schrijver Aristophanes noemde Zeus zijn echtgenote bij tijd en wijle Zην, wat een verbastering is van χην, gans. En natuurlijk waren er in Roem, niet het Rome in Italie, maar het Rome van Turkije, de ganzen bekend om hun waakzaamheid. Ze hadden tenslotte het Italiaanse Rome beschermd tegen de invallen van de Galliërs (390 vChr). Net als het Turkse Rome beschermd moest worden tegen diezelfde invallers een eeuw later (280 vChr). In Rome richtte men daartoe op het Capitool een tempel voor Iuno (=Hera) op met de naam Iuno moneta. Het begin van ons kapitalisme!

Ik heb me samen met alle anderen nogal verkeken op de naam Nasreddin. Op het eerste gezicht lijkt de naam Nasreddin puur Arabisch: “nasr”- betekenis, “overtuigen, succes hebben in de strijd”; en “din”- betekenis “geloof”. Hoe bevooroordeeld kun je zijn, als je deze combinatie blindelings als juist ervaart. Dat “din” ook nog iets met “financiële schuld” van doen kan hebben, is niet in mij opgekomen. Tot mij opviel dat “nasr” precies dezelfde medeklinkercombinatie heeft als het woord in het Latijn voor gans, “aNSeR” (NaSR). Daarop sloot het achtervoegsel “din” in de betekenis van “financiële schuld” én “geloof” aan. De streek in Turkije waar het monument van Nasreddin staat, heette vroeger het Sultanaat Rome (Turks, Rüm), en je mag er dus vanuit gaan dat het Latijn een tijdlang de voertaal van de streek was. Het eerste deel van de naam Nasreddin, NASR, zou verband kunnen houden met de religieuze betekenis van de gans in het oude Rome. In de antieke oudheid zou die betekenis ook voor de Turkse streek waarin het Nasreddin monument staat, hebben kunnen opgaan. Een monument voor mensen die geen hiërarchie tot in hun diepste wezen wensen te (h)erkennen, en dat blijkt in hoe ze rekenen.

Meer hierover is te vinden in de Conclusie van Grappen van Vroeger over de rol van geloof in grappen! Ga naar onderen tot aan het hoofdstuk: 
3.2. Een geval apart: Nasreddin. 

maandag 13 februari 2017

De spiegel.
(Sublimes paroles et idioties de Nasr Eddinn Hodja,
Phébus libretto, Parijs, 2002, pag. 126)

Toen Nasreddin op een ochtend de deur uit ging, zag hij op de grond de stukken liggen van een kapot gevallen spiegel. Hij pakte een stuk van de grond op en keek erin. Hij zag een gezicht, dat hem niet beviel, vermoeide gelaatstrekken, een beetje rood aangelopen, en een stevige neus, geërfd van zijn vader Abdullah Effendi. In zijn woede gooide hij het stuk spiegel zo ver van zich af als hij maar kon: “Uit mijn ogen”, schreeuwde hij. “Nu begrijp ik waarom ze je kapot hebben gegooid!”


De spiegel van Timoer Lenk.
(Sublimes paroles et idioties de Nasr Eddinn Hodja, Phébus libretto, Parijs, 2002, pag. 71)

Timoer Lenk (een wrede tiran) was niet alleen mank, maar had  een bochel en was van een stuitende lelijkheid. Op een dag ging hij naar de kapper en beraadslaagde de stand van zaken in aanwezigheid van  Nasreddin en nog andere raadgevers. Toen de kapper met hem klaar was, reikte hij hem een spiegel aan, en nauwelijks had hij daarin een blik geworpen of hij barstte uit in huilen met lange snikkende uithalen als van een kind. Meteen volgde Nasreddin zijn voorbeeld en spetterden de tranen in het rond, ondertussen zuchtend en kreunend. Deze treurnis duurde wel een uur. Eindelijk wist Timoer Lenk zich te hernemen en droogde zijn tranen, maar Nasreddin bleef maar snikkend huilen. Daarop vroeg Timoer Lenk hem verbaasd: “Wat is er toch met jou aan de hand? De reden waarom ik huil is overduidelijk. Ik werd weer eens met de neus op de feiten gedrukt: ik ben echt lelijk! Geen ontkomen aan! Maar wat is de reden dat jij er zo erg aan toe bent?” “Respect! M’n beste vorst, u hebt maar even in de spiegel gekeken, en dat was genoeg voor een uurtje huilen. Maar ik, die u de hele dag zie, heb ik geen reden om een stuk langer te huilen?”


De komende vier weken staat er telkens een Nasreddin verhaaltje op het programma. Daarbij komen net als bij Hebreaus (zie blogs afgelopen 4 weken) telkens andere aspecten van Nasreddin aan de orde. Een vast aandachtspunt is de oorsprong van deze verhaaltjes. Hebreaus was een bestaand persoon, waarvan ik heel in het kort heb verteld, waar en wanneer hij leefde, en wat hij deed om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bij Nasreddin ligt dat anders. Ook al bestaat er een legende rond Nasreddin. Hij heeft nooit als persoon bestaan. De legende was een manier om politiek gevaarlijke opponenten belachelijk te maken en daarmee onschadelijk.

Waarom heeft hij nooit bestaan? Het antwoord is in eerste instantie eenvoudig. In de tweede grap komt hij voor in gezelschap van Timoer Lenk die leefde van 1336-1405 na Chr. Nasreddin zou volgens de legende geleefd hebben van 1209 na Chr (605 Islamitische kalender) tot 1284 na Chr (683 Islamitische kalender). De beiden kunnen elkaar dus nooit ontmoet hebben. Dit wil natuurlijk niet afdoende bewijzen dat Nasreddin geen bestaand persoon is geweest, maar er zit in ieder geval iets scheef in zijn levensgeschiedenis. Ook zegt het nog niets waarom bijna anderhalve eeuw later Nasreddin opduikt in verhalen rond Timoer Lenk. Vandaag wil ik alleen nog iets meer over de legende vertellen. In de weken hierna zullen ook kort de andere onderwerpen aan de orde komen. 

De schrijver die de legende van Nasreddin op zijn naam mag schrijven is Effendi Hassan, die te Sivri Hisar woonde. Volgens hem werd Nasreddin Hodja te Horto geboren. Zijn vader was de imam Abdullah. Als kind viel hij al op: toen hij 3 blinde bedelaars passeerde, schudde hij met zijn beurs zodat de muntstukjes rinkelden. De blinden dachten dat hij het geld voor hun voeten had geworpen, en buitelden over elkaar heen en begonnen met elkaar te vechten om het geld. Is dat nou wel echt een leuk kind, deze Nasreddin? Ik vertel het omdat het een belangrijke karaktertrek van hem verraadt: hij heeft heel veel met geld te maken. Waarom dat zo is, komt in de volgende blog aan de orde over zijn geschiedenis, die tot heel ver in het verleden teruggaat. Hij blijkt namelijk veel minder Turks te zijn dan menigeen denkt.

Nasreddin zit als kind bij zijn vader in de klas. En als oplettende leerling weet hij te vertellen dat de maan veel belangrijker is dan de zon, omdat de maan bij nacht licht geeft! En wat gebeurt er met de maan als hij weg is? Dan wordt hij in stukjes geknipt om als sterretjes aan de hemel te staan! De sterretjes zijn net als in het eerste verhaal over de spiegel splinters van de maan. Waarom? Ook dat komt in de volgende blog. 

Nasreddin wordt zelf weer imam, net als zijn vader en bouwt zich een reputatie op van alwetende wijsgeer. Hij studeerde in Konya, een belangrijk meditatiecentrum voor soefi’s. Hij is ook veel meer wijsgeer dan je op het eerste gezicht zou denken. Je denkt met een idioot te maken te hebben. Maar we hebben hier met een idioot te maken in de klassieke zin van het woord: een zelfstandig denkend mens, die zich daardoor van de anderen weet te onderscheiden. De Nasreddin verhaaltjes worden door soefi’s gebruikt als meditatieteksten. De beroemdste Turkse soefi, Jallal udDin Rumi, heeft verschillende van deze grappen in zijn werk opgenomen. Ook die komen in een volgend blog aan de orde.

Hij trouwde met Khadija. Maar volgens een aantal andere grappen had hij niet één maar zelfs vier vrouwen. Van de andere drie vrouwen zijn de namen onbekend. Maar het was zo druk in zijn bed dat hij op een nacht uit zijn bed valt en opmerkt dat het zo niet langer kan gaan. Een van de echtgenotes of hij zelf zal opstappen. Met zijn echtgenotes had hij hetzelfde probleem als met Timoer Lenk wat betreft hun uiterlijk: “Overdag kun je hen niet zien omdat ze zo lelijk zijn, en ’s nachts kun je haar niet in huis houden omdat ze zo onrustig zijn….” Achter deze opmerking zit veel meer dan je zou denken. Volgend blog! Natuurlijk krijgt hij kinderen, en heeft hij moeite met de opvoeding. Nasreddin neemt zijn zoon op schoot. En het plast op hem. Hij zet het kind op de grond en híj plast op zijn beurt op het kind! Khadija ziet dat en roept: "Wat doe je, ben je nou helemaal gek geworden?" Waarop hij antwoordt: "Als iemand anders dan mijn zoon dat zou hebben gedaan, zou ik op hem gepoept hebben!”  Tja, is dat grappig? Wij vinden van niet, maar dat komt voornamelijk omdat deze grappen veel ouder zijn dan 1200 na Chr. Deze vieze grappen kenmerken de Romeinse en Griekse humor en ze zijn niet Turks. Zijn dochter geeft hij een stevige klap en hij draagt haar daarna op om een kruik met water te gaan vullen. Anderen die daarbij aanwezig zijn, zeggen: "Waarom sla je je dochter. Ze heeft toch niets misdaan?" Waarop hij antwoordt: "Is het niet beter te straffen om te voorkomen dat iemand iets fout doet? Ik weet zeker dat ze zo dadelijk de kruik laat vallen en dan is hij stuk, als ik haar niet tevoren klappen geef. Nu bestaat er nog een kans dat ze met de kruik heel thuis terug komt."

Volgens de legende stierf Nasreddin in 1284 na Chr. in Akshehir in Turkije. Nog steeds staat daar een grafmonument  ter zijner nagedachtenis. Overigens wil ik over de informatie die her en der op het internet over Nasreddin te vinden is, opmerken, dat veel ervan niet klopt. Dat is op zich niet erg, maar als iemand denkt “maar dat heb ik ergens anders toch heel anders gelezen”, dan wil ik hem vragen de tegenstrijdige antwoorden te controleren. En dan zul je zien dat je bij mij de juiste antwoorden vindt!



maandag 6 februari 2017


De laatste aflevering Hebreaus grappen. 

Een willekeurige greep met als thema: diefstal. In de  Oudheid was men heel erg op z’n hoede, op het paranoïde af. Geen bezit was dan ook een goed alternatief voor zich kortstondig wentelen in overvloed. Tussen deze extremen bevond zich de gewone man die bezorgd was rond te komen. En deze grappen zijn eigenlijk voor hem bedoeld om hem gerust te stellen dat hij het nog niet zo slecht getroffen heeft. 



Itemnummer DLXXXIII



Een of andere zot keek in een regenton, liep naar zijn moeder toe en zei: “Er zit een dief in de regenton!” En zijn moeder ging met hem mee naar de regenton, en keek erin en zag haar eigen gezicht weerspiegeld in het water naast dat van haar zoon. En ze zei tegen haar zoon, “Inderdaad er zit een dief in de regenton, en naast die vervloekte kerel staat ook nog een hoer. Blijf jij nu maar hier staan, zodat ze er niet uit kunnen komen om te ontsnappen, voordat ik de buren heb kunnen halen.”


Itemnummer CCCIII

Een dief ging ’s nachts naar de verblijfplaats van een of ander heremiet, en vond niets om te stelen. Daarop zei hij tot de heremiet: “Oh jij heremiet, waar heb je je spulletjes verstopt?” En de heremiet gaf als antwoord: "Ik heb ze in het huis hierboven verborgen” en doelde daarmee op de hemel.


Itemnummer CCCLVI: Over een boze man.
(Aderlaten was een manier om agressie te beteugelen)

Toen een zekere grappige dokter voorbij de deur van een Turks bad liep, zag hij een naakte man naar buiten komen, en hij zei tegen hem: “Waarom loop je naakt naar buiten, ga naar binnen anders dan loop je zo dadelijk nog een koudje op”. Daarop zei de man: “Ze hebben mijn kleren gestolen, en ik zit ze achter de vodden aan”, waarop de dokter zei: “Laat me jou eerst aderlaten, zodat je met meer overleg te werk gaat.” 


Itemnummer DLXXVI
De zoon van een of andere dwaze vrouw stierf – z’n naam was Lazarus! – en de priester ging hem begraven.  En toen hij het  volgende stuk uit de bijbel reciteerde dat begint aldus (Johannes, XI, 14): Lazarus is gestorven, en het verblijdt mij...” zei de oude vrouw hem daarop: “En waarom zou je je niet verblijden? Immers je hebt zijn kleren, en zijn bed, en alles dat hij bezat naar huis meegenomen.”


Itemnummer: DLXIV
Een of andere dwaas zei: “Mijn vader ging twee keer naar Jeruzalem, en daar is hij overleden en begraven, maar ik weet niet meer welke keer dat is geweest, bij zijn eerste of zijn laatste bezoek”.