zaterdag 28 oktober 2023

 De Molenaer van Bredero (op ’n rijtje).

Commentaar is te vinden onder de linken op de voorgaande blogs:

Deel 1 en het commentaar en de oorspronkelijke tekst.
Deel 2 en het commentaar en de oorspronkelijke tekst.
Deel 3 en het commentaar en de oorspronkelijke tekst
Deel 4 en het commentaar en de oorspronkelijke tekst  

Wat eraan vooraf ging.


Een vrouw, Trijntje Jans, brengt een bezoek aan de stad Amsterdam, maar komt net te laat om binnen de poorten te worden toegelaten. Zij wil niet de nacht in de openlucht doorbrengen, omdat dat te gevaarlijk is. Zo komt ze terecht bij de Molenaar Piet en zijn vrouw, Aaltje. Na wat heen en weer gepraat, kan ze blijven slapen. Maar de molenaar – en molenaars hebben in die dagen de naam losbandig te zijn – is er meteen op uit eens lekker met haar van bil te gaan.
 

Deel 1: Hoe pakt Piet het aan? Is dat verschillend van nu?

Piet: Maar die meid waar je het net over had, is die een beetje mooi?
Trijntje Jans:  Ze kan ermee door…
Piet : Ben jij niet bang dat jouw man ermee naar bed gaat? Of heeft hij geen zin in een verzetje, als jij niet thuis bent?
Trijntje Jans: Jij denkt slim te zijn, hè Piet?! Nu heb ik pas door dat jij een doortrapte deugniet bent.
Piet : Vrouwtje, hoe kom je daarbij? Denk je dat zulke dingen niet gebeuren?
Trijntje Jans: Zou jij alleen maar om seks met mij te hebben je huwelijk te grabbel willen gooien?


Piet: Wat zullen we nou hebben? Ik heb schijt aan al die moraalridders, als ik eens lekker kan vrijen.
Trijntje Jans:  Beste man, weet je wel hoelang het duurt, voordat een zondig wipje niet meer aan je knaagt? Een getrouwd man zou zelfs aan zoiets niet mogen denken! Met wie kun je meer plezier hebben dan met je eigen vrouw?
Piet: Weet je dan niet dat onze natuur altijd weer op zoek is naar iets anders, fris en fruitig? Dat je van steeds hetzelfde moe en chagrijnig wordt? Verandering van spijs, zeggen ze, doet eten!
Trijntje Jans: Oude kost is goede kost! Die lekkere hapjes die gaan je opbreken. Wie kwaad doet, kwaad ontmoet. Het duurt niet lang of de straf zal over je komen.


Piet: Klets. Een gestolen kusje smaakt beter dan een gewoon zoentje. Heeft de lucht
er last van dat vogelvleugeltjes het doorklieven? Heeft de zee er last van dat er een zeilscheepje overheen vaart? En welke last heeft de aarde ervan dat er velen op rondlopen?
Trijntje Jans: Dat zijn van die dingen die je in ’t algemeen kunt zeggen en waar je naar leeft als het redelijk is. Hoe dan ook mijn man ziet liever dat ik mij kuis gedraag. En hij houdt het bij zijn geliefde huisvrouw.
Piet: Dat doe ik ook! Maar als ik ergens een mooi meisje tegenkom, dan probeer ik het met haar aan te leggen  en met haar een beetje te dollen. Mijn vrouw heeft daar geen bezwaar tegen dat ik eens een ander boterhammetje aflik. Ze is daar echt niet kwaad om op mij: wij blijven even goede vrienden.
Trijntje Jans: Hoor die jongen eens liegen en dat nog wel tegen zijn eigen vader!
Piet: Ik liegen?  
 
Trijntje Jans: Ik denk dat je op mijn man lijkt: ik denk dat die mij ook regelmatig
bedriegt, ik voel het aan mijn water. Want als het al eens een keer in de maand gebeurt, dan mag ik van geluk spreken. En met mij doet hij het dan ook nog op z’n Lubberts. Hij roept je “hallo!” en doet dan verder niks. Ik denk dat het jouw vrouw ook niets doet, als je met een ander meisje gemeenschap hebt. Wat je teveel hebt aan aandrift, dat mag je voor mijn part naar het bejaardenhuis brengen. Het stelt niets voor.
Piet: Tjongejonge! Dat ik bij God toch eens zo’n meisje als jou te pakken zou kunnen krijgen. Ik zou me te pletter zoenen tot ik erbij neer zou vallen. Ik zou er nooit genoeg van krijgen. Mijn god ik word hier zo opgewonden van. Ik hou het niet meer! Het varken moet naar de beer!
Trijntje Jans: Ga dan toch naar je vrouw toe!
Piet: Die wordt me een beetje te vet (vollijvig). Maar meteen toen ik jou zag, was ik stapelverliefd. Mijn lijf deed mij pijn en ik stond te beven als een rietje. En tegelijk sta ik stijf van de drift als een fel rood gekamde haan.
Trijntje Jans: Schaam je, Piet! Hoe kun je zo praten. Wie kwaad doet, gaat naar de hel.
Piet: Kan me niks schelen, als ik maar eens naar hartenlust met je mocht vrijen.
Trijntje Jans: Laten we het erop houden, dat als jij mijn man zou zijn, dan zou ik je laten castreren, zoals ze doen bij ossen en kapoenen. Dan zou je niet zo krols zijn als een kater en overal de kust onveilig maken.
Piet: In godsnaam, castreer me niet, dan ga ik nog liever niet naar de hoeren. Maar alle gekheid op een stokje, Trijn Jans, kom laat me toch eens begaan. Dat begrijp je toch wel: wat is het probleem hier? Dat we eens lekker vrijen? Daarvan zal je man niets merken.
Trijntje Jans: Beste man, wat zeg je me nou? Het is al erg zat dat je mij houdt voor een hoer.
Piet: Wie waagt, die wint. Je mocht mij anders eens houden voor een ijsheilige boer.
Trijntje Jans: Loop naar de hoeren, slimme Piet! Mijn eer is mijn waardevolste bezit.
Piet: Kom, laat mij jou eens lekker pakken. Gun je zelf dat pleziertje !
Trijntje Jans: Maar wat ben jij een raar hitsig mannetje. Ik weet niet, ik zou bijna… God heeft voor ons geleden, en laat Hij me nu in mijn leed met Zijn raad en daad bijstaan!? Schei uit: zo dadelijk komt je vrouw. En als ze jou op heterdaad betrapt, dan zou het weleens verkeerd met je kunnen aflopen. Dan gaat ze mij het huis uitjagen en de deur voor mijn neus dichtgooien. Waar moet ik dan nog heen? Langs de weg bivakkeren? Onder de blote hemel slapen?
Piet: Nee, mijn lief schaapje, daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik hoef maar een keertje. Is dat nu teveel gevraagd?
Trijntje Jans: Alles goed en wel, hoe denk je het klaar te kunnen spelen? Want hier kan het niet.
Piet: Niet? Natuurlijk wel! Ik weet wel raad: als we zo dadelijk hebben gegeten, zal ik tegen mijn vrouw zeggen dat ze kan gaan slapen. Ik zal nog even naar de molen gaan om ’s nachts nog wat graan te malen. Ik steek een kaars aan en als die is opgebrand, kom ik een borreltje met je drinken. Ga voor de deur van je slaapkamer zitten, Trijn Jans, en als je mij hoort hoesten en kuchen, dan weet je dat Piet eraan komt. Sta zonder geluid te maken op en doe de deur van de slaapkamer zachtjes open. Je zult niet tekort komen, denk ik.
Trijn Jans: Hoe moet ik me hieruit redden? Wat moet ik doen? Ik ben helemaal uit het lood geslagen.

Wat eraan vooraf ging.


Trijn Jans brengt de vrouw van Piet, Aaltje,  ervan op de hoogte dat Piet het voor elkaar heeft gekregen, dat hij met haar die nacht zal komen vrijen.

Aaltje: Maar waarom?
Trijn Jans: Uit dartele wellust gaan de jonge jongens er nu eenmaal op uit om een vrouw te vinden om mee te trouwen. Hoe het ook zij, zusje, hij heeft er bij mij zolang op aangedrongen, dat ik uiteindelijk ingestemd heb. Wij hebben het volgende bedacht om jou te bedotten. Hij zal bij mij op bezoek komen als er één kaars is opgebrand. Maar nu gaan we het zo doen: kom eens vlug hier, dan ga ik je kleden zoals ik ben aangekleed. Trek mijn mantel aan en ga hier achter je slaapkamerraam zitten op dit krukje. Als hij dan zo graag wil, dan zal hij niet in de gaten hebben, met wie hij in bed ligt. En zo wordt hitsigheid gekoeld, zonder dat hij zondigt. Ik heb ermee ingestemd, omdat ik bang was dat hij kwaad op mij zou worden. Ik hou teveel van mijn man om die te bedriegen. Om jou van dienst te zijn heb ik het spelletje meegepeeld. Jij hebt weleens recht op een lekker potje vrijen, net hoe je het maar hebben wilt! En als hij klaar is, mijn god,  dan zou ik hem eens flink de mantel uitvegen.

Aaltje
: Denk eens goed na: neem je niet een te groot risico? Dit flikt hij mij dus ook steeds, Trijn Jans! Vooruit doe met mij zoals je hebt gezegd. Ga jij maar in mijn bed slapen. Wees maar niet bang, ik zal de rest stilletjes afhandelen. Ik ga de vreemde vogel in zijn eigen netten vangen.
Trijn verkleedt Aaltje.
Trijn Jans: Kijk eens aan, Aaltje Melis! Bekijk je zelf eens goed, mij dunkt dat je een heel andere vrouw bent nu.
Aaltje: Lieve help, wat ben ik knap! Een echte schoonheid! Mensenkinderen, wat heb ik een zin om die wilde man in mijn strikken te vangen!
Trijntje Jans: Doe de deur open als je hoort hoesten en zuchten. Nou, welterusten!
Aaltje: Droom lekker, Trijn Jans, slaap zacht! Nou ga ik hier bij het raam zitten met een brandend kaarsje. Hola! Ik blaas de kaars uit. En wacht stilletje zonder te klagen op de heilige weldaad.

Wat er staat te gebeuren:


Piet de echtgenoot van Aaltje, stopt zijn eigen knecht bij zijn vrouw in bed, zonder dat hij dat weet.
Piet komt op.
Piet: Goddegod, wat is dat een afzien! Soms dan steigert het paard al voor je er goed en wel op zit, mijn god nog toe. Ik heb me een paal zo recht opstaand en scherp geslepen dat je er een paard aan vast zou kunnen zetten. Zo moet je ze besluipen, die verrekte stadskatten. Ze zijn wat ze zijn: wij molenaars weten wel, hoe we die katten moeten aanpakken. Ik heb daar net in de schuur drie rauwe eieren leeg geslurpt, da’s goed voor de potentie. Dat zal wel genoeg zijn. Je slaapt toch niet Trijn Jans? Doe open!! Suusss, doe stilletjes open, dat de deur niet piept. Suss, suuss, maak mijn vrouw niet wakker. Prachtig, ik hou nog veel meer van je, nu je dit zo handig en rustig aanpakt.
Piet verlaat het toneel en gaat de slaapkamer in van Trijn Jans, waar zijn eigen vrouw Aaltje post heeft gevat in de plaats van Trijn Jans.
Even later komt hij tevreden het toneel weer op.
Piet: Wij mogen dan nog zoveel van onze boerinnen houden, ze halen het niet bij de stadsen. Die overtreffen ze bij verre. Nou, ik ga maar weer eens naar de molen. Ho, wie hebben we daar? Joosje mijn knecht? Slaap je?

Joost:
Nee ik ben klaar wakker. Niet iedereen die snurkt, ligt te slapen. Goddomme, baas, je zit me op te geilen. Zou ik dan eindelijk eens met de neus in de boter vallen? Wat zou ik d’r knuffelen (snobbelen), strelen en kroelen (woelen), mijn god. Ik kan niet wachten.
Piet: Zo, heb je er zin in? Ik geef je toestemming, ik ben een ruimdenkend man. Wil jij eens in mijn plaats gaan? Nou, wil je dat? Hup, ga d’r op af, voor ik het doe!
Joost gaat de kamer van Trijn Jans binnen, waar eigenlijk de vrouw van Piet, Aaltje, zit. Piet blijft alleen achter op het toneel.
Piet: Ik zou graag dat je me zoent, zei de meid. Als je het niet doet, ben ik boos op je. Ik weet niet, hoe het komt dat ik zo blij ben.


Wat eraan vooraf ging.



Trijn Jans  brengt een bezoek aan de stad Amsterdam. Maar de poorten gaan dicht voor het donker worden van de nacht, vlak voordat zij aankomt. Zij kan dus niet in de stad slapen. Daarom stapt ze naar een molen en vraagt de molenaar en zijn vrouw of zij bij hen mag overnachten. Dat mag, maar de molenaar, Slimme Piet , ziet zijn kans schoon om een nacht van plezier met deze bijzonder mooie vrouw, Trijn Jans, door te brengen, zonder medeweten van zijn vrouw, Aaltje Melis. Trijntje stemt in na aandringen van Piet. Trijn verklapt Piets plan aan zijn vrouw en stelt voor dat Aaltje de plaats van Trijntje inneemt, zonder dat hij daarvan op de hoogte is. Aaltje stemt toe en ontvangt haar eigen man met open armen. Piet vindt dat zijn knecht ook toe is aan een extraatje, en stuurt hem naar het kamertje, waar volgens hem Trijntje slaapt, maar in werkelijkheid zijn eigen vrouw, Aaltje. Als de knecht, Joost, de kamer binnenkomt, gaat het mis.
Je hoort Aaltje tekeer gaan vanuit haar kamer tegen Joost, de knecht.
Aaltje (vrouw van Piet): Jij luizige schelm!  Met wie denk je te maken te hebben? Is dit de liefde, waarop jij me denkt te kunnen onthalen, luizenbos, viezerik? Jij hoerenjong, gij losbol! Ik ben te fatsoenlijk om met overspel mijn ziel op spel te zetten helemaal voor niets. Jij echtbreker, trouweloze verrader, jij eerloze bedrieger. Durf jij, schoft, mij te zeggen dat je me lief hebt?....
Joost rent naar buiten.
Joost:  Ik kan het niet, ik durf het niet..
Piet: Wat is er met jou aan de hand? Ging het niet goed? Wou ze niet open doen?
Joost: Nee, dat is het niet, ze deed wel open…
Piet: Je kon toch wel één keertje, toch?
Joost: Ja, dat wel….maar..
Piet: Goed, maar waarom ben je dan zo verdrietig? Dat is dan toch wel vreemd, niet? Je moet je schamen, sufferd. Kijk toch eens hoe je daar met hangende pootjes staat. Wat ben jij nou voor knecht?!  Zo is het nou eenmaal: een uil blijft altijd een uil. Wat is er toch? Zeg op!
Joost:  Baas, ik heb mij aan de verkeerde vrouw vergrepen. Ik dacht met de burgerin Trijntje van doen te hebben, maar het was uw vrouw!
Piet: Smiecht, schobbejak, schurk. Kon je dan niet zien, wie je voor je had?
Joost: Hoe kon ik dat nou zien: het was stikdonker daarbinnen. U had gezegd dat ik de vrouw die aan het raam zat moest hebben, achter de deur, aan mijn rechterhand, op een nogal laag stoeltje. Ik zweer u, ik wist niet anders dan dat het uw liefje was, die zo fijntjes door u ertoe was overgehaald. Pas toen hij (wijst naar beneden) er helemaal voor klaar stond, begreep ik mijn vergissing. Uw vrouw raasde en ging me tekeer en schreeuwde mij toe. Ik pakte mijn broek, en liep ermee in de hand ervandoor. Het is niet van belang, want zij wist volgens mij niet dat ik het was. Dus waarom getreurd?
Piet: Maar ik weet het nu wel. Dat doet mij zeer. Je hebt me alle plezier vergald. Nee, Joostje, wij kunnen niet meer samen door een deur: jij vliegt de deur uit! Heb je me goed begrepen!? Hoe zou ik samen met haar in één huis kunnen wonen, nu ze met jou het bed heeft gedeeld. Daar is je geld. Neem je plunjezak op de schouder, pak je kousen en schoenen, en vertrek. Nee, ik ben niet nijdig, maar ik kan er niet tegen dat ze mijn vrouw zoenen.
Joost:  Maar baas, hoe kon ik nou weten dat het uw vrouw was? U hebt me zelf gevraagd om ernaartoe te gaan! Er was geen haar op mijn hoofd die dat had bedacht.
Piet:  Het is mijn schuld, ik weet het. Daarom doet het me ook zoveel verdriet. … Ik zal nooit meer zolang ik leef een andermans vrouw afsnoepen.

 Dat Gij niet wilt dat u geschiedt
En doet zulks an een ander niet.

 

’t Kan verkeren.

 

 

vrijdag 20 oktober 2023

 Ontknoping: De Molenaer van Bredero.

Commentaar inleiding: verschil Klassieke Humor en Sprookjes als aankondiging van drie Sprookjes van Grimm, en een koddig verhaal van Tijl Uilenspiegel. 



Wat eraan vooraf ging. 

Trijn Jans (1) brengt een bezoek aan de stad Amsterdam. Maar de poorten gaan dicht voor het donker worden van de nacht, vlak voordat zij aankomt. Zij kan dus niet in de stad slapen. Daarom stapt ze naar een molen en vraagt de molenaar en zijn vrouw of zij bij hen mag overnachten. Dat mag, maar de molenaar, Slimme Piet (1), ziet zijn kans schoon om een nacht van plezier met deze bijzonder mooie vrouw, Trijn Jans (1), door te brengen, zonder medeweten van zijn vrouw, Aaltje Melis (1). Trijntje stemt in na aandringen van Piet. Trijn verklapt Piets plan aan zijn vrouw en stelt voor dat Aaltje de plaats van Trijntje inneemt, zonder dat hij daarvan op de hoogte is. Aaltje stemt toe en ontvangt haar eigen man met open armen. Piet vindt dat zijn knecht ook toe is aan een extraatje, en stuurt hem naar het kamertje, waar volgens hem Trijntje slaapt, maar in werkelijkheid zijn eigen vrouw, Aaltje. Als de knecht, Joost (1), de kamer binnenkomt, gaat het mis.


Je hoort Aaltje tekeer gaan vanuit haar kamer tegen Joost, de knecht.
Aaltje (vrouw van Piet): Jij luizige schelm (2)!  Met wie denk je te maken te hebben? Is dit de liefde, waarop jij me denkt te kunnen onthalen, luizenbos, viezerik? Jij hoerenjong, gij losbol! Ik ben te fatsoenlijk om met overspel mijn ziel op spel te zetten helemaal voor niets. Jij echtbreker, trouweloze verrader, jij eerloze bedrieger. Durf jij, schoft, mij te zeggen dat je me lief hebt?....


Joost rent naar buiten.
Joost:  Ik kan het niet, ik durf het niet..
Piet: Wat is er met jou aan de hand? Ging het niet goed? Wou ze niet open doen?
Joost: Nee, dat is het niet, ze deed wel open…
Piet: Je kon toch wel één keertje, toch?
Joost: Ja, dat wel….maar..
Piet: Goed, maar waarom ben je dan zo verdrietig? Dat is dan toch wel vreemd, niet? (3) Je moet je schamen, sufferd. Kijk toch eens hoe je daar met hangende pootjes staat. Wat ben jij nou voor knecht?!  Zo is het nou eenmaal: een uil blijft altijd een uil (4) . Wat is er toch? Zeg op!
Joost:  Baas, ik heb me aan de verkeerde vrouw vergrepen. Ik dacht met de burgerin Trijntje van doen te hebben, maar het was uw vrouw!
Piet: Smiecht, schobbejak, schurk. Kon je dan niet zien, wie je voor je had?
Joost: Hoe kon ik dat nou zien: het was stikdonker daarbinnen. U had gezegd dat ik de vrouw die aan het raam zat moest hebben, achter de deur, aan mijn rechterhand, op een nogal laag stoeltje. Ik zweer u, ik wist niet anders dan dat het uw liefje was, die zo fijntjes door u ertoe was overgehaald. Pas toen hij (wijst naar beneden) er helemaal voor klaar stond, begreep ik mijn vergissing. Uw vrouw raasde en ging me tekeer en schreeuwde mij toe. Ik pakte mijn broek, en liep ermee in de hand ervandoor. Het is niet van belang, want zij wist volgens mij niet dat ik het was. Dus waarom getreurd?
Piet: Maar ik weet het nu wel (5) Dat doet mij zeer. Je hebt me alle plezier vergald (6) . Nee, Joostje, wij kunnen niet meer samen door een deur: jij vliegt de deur uit! Heb je me begrepen!? Hoe zou ik samen met haar in één huis kunnen wonen, nu ze met jou het bed heeft gedeeld. Daar is je geld. Neem je plunjezak op de schouder, pak je kousen en schoenen, en vertrek. Nee, ik ben niet nijdig, maar ik kan er niet tegen dat ze mijn vrouw zoenen.
Joost:  Maar baas, hoe kon ik nou weten dat het uw vrouw was? U hebt me zelf gevraagd om ernaartoe te gaan! Er was geen haar op mijn hoofd die dat had bedacht.
Piet:  Het is mijn schuld, ik weet het. Daarom doet het me ook zoveel verdriet. … Ik zal nooit meer zolang ik leef een andermans vrouw afsnoepen.

                        Dat Gij niet wilt dat u geschiedt

                         En doet zulks an een ander niet.

 

’t Kan verkeren.

zondag 10 september 2023

 Bredero, deel 3: De ruimdenkende echtgenoot.

Originele tekst


Piet, de echtgenoot van Aaltje, stopt zijn eigen knecht bij zijn vrouw in bed, zonder dat hij dat weet.


Piet komt op.


Piet: Goddegod, wat is dat een afzien! Soms dan steigert het paard al voor je er goed en wel op zit, mijn god nog toe. Ik heb me een paal zo recht opstaand en scherp geslepen dat je er een paard aan vast zou kunnen zetten (1). Zo moet je ze besluipen, die verrekte stadskatten. Ze zijn wat ze zijn: wij molenaars weten wel, hoe we die katten moeten aanpakken. Ik heb daar net in de schuur drie rauwe eieren leeg geslurpt, da’s goed voor de potentie. Dat zal wel genoeg zijn. Je slaapt toch niet Trijn Jans? Doe open!! Suusss, doe stilletjes open, dat de deur niet piept. Suss, suuss, maak mijn vrouw niet wakker. Prachtig, ik hou nog veel meer van je, nu je dit zo handig en rustig aanpakt.


Piet verlaat het toneel en gaat de slaapkamer in van Trijn Jans, waar zijn eigen vrouw Aaltje post heeft gevat in de plaats van Trijn Jans.


Even later komt hij tevreden het toneel weer op.
Piet: Wij mogen dan nog zoveel van onze boerinnen houden, ze halen het niet bij de stadsen. Die overtreffen ze bij verre. Nou, ik ga maar weer eens naar de molen. Ho, wie hebben we daar? Joosje mijn knecht? Slaap je?


Joost:
Nee ik ben klaar wakker. Niet iedereen die snurkt, ligt te slapen. Goddomme, baas, je zit me op te geilen. Zou ik dan eindelijk eens met de neus in de boter vallen? Wat zou ik d’r knuffelen (snobbelen), strelen en kroelen (woelen), mijn god. Ik kan niet wachten.


Piet: Zo, heb je er zin in? Ik geef je toestemming, ik ben een ruimdenkend man. Wil jij eens in mijn plaats gaan? Nou, wil je dat? Hup, ga d’r op af, voor ik het doe!


Joost gaat de kamer van Trijn Jans binnen, waar eigenlijk de vrouw van Piet, Aaltje, zit. Piet blijft alleen achter op het toneel.
Piet: Ik zou graag dat je me zoent, zei de meid. Als je het niet doet, ben ik boos op je. Ik weet niet, hoe het komt dat ik zo blij ben.

In het laatste deel, Deel 4: De ontknoping.

donderdag 17 augustus 2023

 Bredero: De Molenear (Deel 2), de val.

Oorspronkelijke tekst.


Wat eraan vooraf gaat. Trijn Jans brengt de vrouw van Piet, Aaltje,  ervan op de hoogte dat Piet het voor elkaar heeft gekregen, dat hij met haar die nacht zal komen vrijen.


Opvallend is hoe precies onderstaand fragment past in mijn moppenfabriek , in de tweede functie: “reactie-actie”, waarbij de hoofdpersoon zich indenkt in wat de tegenstander zal gaan doen, en op basis daarvan een plannetje maakt. De vraag is natuurlijk klopt de verwachting met de werkelijkheid? Ik heb deze keer geen noten, wel is de oorspronkelijke tekst te vinden onder deze link.
 
Aaltje: Maar waarom?
Trijn Jans: Uit dartele wellust gaan de jonge jongens er nu eenmaal op uit om een vrouw te vinden om mee te trouwen. Hoe het ook zij, zusje, hij heeft er bij mij zolang op aangedrongen, dat ik uiteindelijk ingestemd heb. Wij hebben het volgende bedacht om jou te bedotten. Hij zal bij mij op bezoek komen als er één kaars is opgebrand. Maar nu gaan we het zo doen: kom eens vlug hier, dan ga ik je kleden zoals ik ben aangekleed. Trek mijn mantel aan en ga hier achter je slaapkamerraam zitten op dit krukje. Als hij dan zo graag wil, dan zal hij niet in de gaten hebben, met wie hij in bed ligt. En zo wordt hitsigheid gekoeld, zonder dat hij zondigt. Ik heb ermee ingestemd, omdat ik bang was dat hij kwaad op mij zou worden. Ik hou teveel van mijn man om die te bedriegen. Om jou van dienst te zijn heb ik het spelletje meegepeeld. Jij hebt weleens recht op een lekker potje vrijen, net hoe je het maar hebben wilt! En als hij klaar is, mijn god,  dan zou ik hem eens flink de mantel uitvegen.


Aaltje
: Denk eens goed na: neem je niet een te groot risico? Dit flikt hij mij dus steeds, Trijn Jans! Vooruit doe met mij zoals je hebt gezegd. Ga jij maar in mijn bed slapen. Wees maar niet bang, ik zal de rest stilletjes afhandelen. Ik ga de vreemde vogel in zijn eigen netten vangen.


Trijn verkleedt Aaltje.


Trijn Jans: Kijk eens aan, Aaltje Melis! Bekijk je zelf eens goed, mij dunkt dat je een heel andere vrouw bent nu.


Aaltje: Lieve help, wat ben ik knap! Een echte schoonheid! Mensenkinderen, wat heb ik een zin om die wilde man in
mijn strikken te vangen!


Trijntje Jans: Doe de deur open als je hoort hoesten en zuchten. Nou, welterusten!


Aaltje: Droom lekker, Trijn Jans, slaap zacht! Nou ga ik hier bij het raam zitten met een brandend kaarsje. Hola! Ik blaas de kaars uit. En wacht stilletje zonder klagen op de heilige weldaad.

zaterdag 22 juli 2023

 Bredero,  De Molenaer, samengevat in 4 acties (Deel 1).

De laatste keer dat het toneelstuk werd opgevoerd was in oktober 2022, een jaar
geleden in Gent. De aankondiging ging vergezeld van de hier getoonde foto.  Niet veel toneelstukken uit de 17-de eeuw kunnen bogen op zo’n staat van dienst.  Het onderwerp is dan ook Klassiek. In de eeuwen vóór Bredero, was het vooral als mondeling overgeleverd verhaal bekend. In hoeverre deze verhalen door rondtrekkende troubadours voor werden gespeeld, is mij niet bekend, maar lijkt mij wel waarschijnlijk. Dit zijn de versies waarin in verhaalvorm hetzelfde thema voorkomt:  Boccaccio, Canterbury Tales, en oraal in de Verwisseling van personen bij Nasreddin en Jeha.


Uit de samenvatting blijkt dat Bredero er toch wel een heel eigen versie van heeft gemaakt. Misschien zijn Bredero’s toneelstukken literair gezien niet altijd even mooi, maar achter deze teksten schuilt een jonge man met een groot psychologisch inzicht. En dat zal ik laten zien in onderstaand fragment.


Ik heb ervoor gekozen een soort vertaling van de oorspronkelijke tekst te maken. Als ik mij beperkt had tot de originele tekst, dan was mij niet opgevallen hoe goed de dialogen geschreven zijn als een antwoord op elkaar. Bovendien was mij ontgaan, welk een voortreffelijk psycholoog Bredero geweest moet zijn. Het gekozen fragment lijkt tamelijk willekeurig, maar volgens mijn samenvattingsmethode komt dit psychologische aspect wel precies naar voren op deze cruciale vertelmomenten. In de toelichting zijn het commentaar en de noten terug te vinden.


En dan de rol van de symboliek! De tekst staat er bol van: Trijntje (2), molen, deur, malen, kaarsje. En als later een beroemde psycholoog (Jung) zich veel moeite heeft getroost om symboliek en de betekenis ervan in de psychiatrie te duiden, dan zou je bijna kunnen zeggen dat Bredero hem daarin is voorgegaan. Ik bedoel, in het therapeutisch gebruiken van de symbolische betekenissen, niet in de duiding ervan. Toneel was therapie, en die therapie gaat op zijn beurt weer terug op het werk van de cynici, De Honden. Bredero had als motief voor het schrijven van zij toneelstukken niet alleen het beroemde “Het kan verkeren”, maar ook “fervet opus redolentque thymo fragantia mella (vert. Laat –mijn- werk doortrokken zijn met de geur van honing en tijm.) Waarbij “tijm” stond voor moed, en “honing” stond voor plezier, amusement.


Wat eraan vooraf ging.
Een vrouw, Trijntje Jans, brengt een bezoek aan de stad Amsterdam, maar komt net te laat om binnen de poorten te worden toegelaten. Zij wil niet de nacht in de openlucht doorbrengen, omdat dat te gevaarlijk is. Zo komt ze terecht bij de Molenaar Piet en zijn vrouw, Aaltje. Na wat heen en weer gepraat, kan ze blijven slapen. Maar de molenaar – en molenaars hebben in die dagen de naam losbandig te zijn – is er meteen op uit eens lekker met haar van bil te gaan.
 
Deel 1: Hoe pakt Piet het aan? Is dat verschillend van nu?
Piet: Maar die meid waar je het net over had, is die een beetje mooi?
Trijntje Jans:  Ze kan ermee door…
Piet : Ben jij niet bang dat jouw man ermee naar bed gaat? Of heeft hij geen zin in een verzetje, als jij niet thuis bent?
Trijntje Jans: Jij denkt slim te zijn, hè Piet?! Nu heb ik pas door dat jij een doortrapte deugniet bent.
Piet : Vrouwtje, hoe kom je daarbij? Denk je dat zulke dingen niet gebeuren?
Trijntje Jans
: Zou jij alleen maar om seks met mij te hebben je huwelijk te grabbel willen gooien?
Piet: Wat zullen we nou hebben? Ik heb schijt aan al die moraalridders, als ik eens lekker kan vrijen.
Trijntje Jans:  Beste man, weet je wel hoelang het duurt, voordat een zondig wipje niet meer aan je knaagt? Een getrouwd man zou zelfs aan zoiets niet mogen denken! Met wie kun je meer plezier hebben dan met je eigen vrouw?
Piet: Weet je dan niet dat onze natuur altijd weer op zoek is naar iets anders, fris en fruitig? Dat je van steeds hetzelfde moe en chagrijnig wordt? Verandering van spijs, zeggen ze, doet eten!
Trijntje Jans: Oude kost is goede kost! Die lekkere hapjes die gaan je opbreken. Wie kwaad doet, kwaad ontmoet (1). Het duurt niet lang of de straf zal over je komen.
Piet:
Klets. Een gestolen kusje smaakt beter dan een gewoon zoentje. Heeft de lucht er last van dat vleugeltjes van vogeltjes het doorklieven? Heeft de zee er last van dat er een zeilscheepje overheen vaart? En welke last heeft de aarde ervan dat er velen op rondlopen? (2)
Trijntje Jans: Dat zijn van die dingen die je in ’t algemeen kunt zeggen en waar je naar leeft als het redelijk is. Hoe dan ook mijn man ziet liever dat ik mij kuis gedraag. En hij houdt het bij zijn geliefde huisvrouw.
Piet: Dat doe ik ook! Maar als ik ergens een mooi meisje tegenkom, dan probeer ik het met haar aan te leggen (3) en met haar te dollen (4). Mijn vrouw heeft daar geen bezwaar tegen dat ik eens een ander boterhammetje aflik. Ze is daar echt niet kwaad om op mij: wij blijven even goede vrienden.
Trijntje Jans: Hoor die jongen eens liegen en dat nog wel tegen zijn eigen vader!  (5)
Piet: Ik liegen?  
 
Trijntje Jans
: Ik denk dat je op mijn man lijkt: ik denk dat die mij ook regelmatig bedriegt, ik voel het aan mijn water. Want als het al eens een keer in de maand gebeurt, dan mag ik van geluk spreken. En met mij doet hij het dan ook nog op z’n Lubberts (6). Hij roept je “hallo!” en doet dan verder niks. Ik denk dat het jouw vrouw ook niets doet, als je met een ander meisje gemeenschap hebt. Wat je teveel hebt aan aandrift, dat mag je voor mijn part naar het bejaardenhuis brengen. Het stelt niets voor.
Piet: Tjongejonge! Dat ik bij God toch eens zo’n meisje als jou te pakken zou kunnen krijgen. Ik zou me te pletter zoenen tot ik erbij neer zou vallen. Ik zou er nooit genoeg van krijgen. Mijn god ik word hier zo opgewonden van. Ik hou het niet meer! Het varken moet naar de beer!
Trijntje Jans: Ga dan toch naar je vrouw toe!
Piet: Die wordt me een beetje te vet (vollijvig). Maar meteen toen ik jou zag, was ik stapelverliefd. Mijn lijf deed mij pijn en ik stond te beven als een rietje. En tegelijk sta ik stijf van de drift als een fel rood gekamde haan.
Trijntje Jans: Schaam je, Piet! Hoe kun je zo praten. Wie kwaad doet, gaat naar de hel.
Piet: Kan me niks schelen, als ik maar eens naar hartenlust met je mocht vrijen.
Trijntje Jans: Laten we het erop houden, dat als jij mijn man zou zijn, dan zou ik je laten castreren, zoals ze doen bij ossen en kapoenen. Dan zou je niet zo krols (7) zijn als een kater en overal de kust onveilig maken.
Piet: In godsnaam, castreer me niet, dan ga ik nog liever niet naar de hoeren. Maar alle gekheid op een stokje, Trijn Jans, kom laat me toch eens begaan. Dat begrijp je toch wel: wat is het probleem hier? Dat we eens lekker vrijen? (8) Daarvan zal je man niets merken.
Trijntje Jans: Beste man, wat zeg je me nou? Het is al erg zat dat je mij houdt voor een hoer.
Piet: Wie waagt, die wint. Je mocht mij anders eens houden voor een ijsheilige boer.
Trijntje Jans: Loop naar de hoeren, slimme Piet! Mijn eer is mijn waardevolste bezit.
Piet: Kom, laat mij jou eens lekker pakken. Gun je zelf dat pleziertje (9)
Trijntje Jans: Maar wat ben jij een raar hitsig mannetje. Ik weet niet, ik zou bijna… God heeft voor ons geleden, en laat Hij me nu in mijn leed met Zijn raad en daad bijstaan!? Schei uit: zo dadelijk komt je vrouw. En als ze jou op heterdaad  betrapt, dan zou het weleens verkeerd met je kunnen aflopen. Dan gaat ze mij het huis uitjagen en de deur voor mijn neus dichtgooien. Waar moet ik dan nog heen? Langs de weg bivakkeren? Onder de blote hemel slapen?
Piet: Nee, mijn lief schaapje, daar hoef je niet bang voor te zijn. Ik hoef maar een keertje. Is dat nu teveel gevraagd?
Trijntje Jans: Alles goed en wel, hoe denk je het klaar te kunnen spelen? Want hier kan het niet.
Piet: Niet? Natuurlijk wel! Ik weet wel raad: als we zo dadelijk hebben gegeten, zal ik tegen mijn vrouw zeggen dat ze kan gaan slapen. Ik zal nog even naar de molen gaan om ’s nachts nog wat graan te malen. Ik steek een kaars aan en als die is opgebrand, kom ik een borreltje met je drinken. Ga voor de deur van je slaapkamer zitten, Trijn Jans, en als je mij hoort hoesten en kuchen, dan weet je dat Piet eraan komt. Sta zonder geluid te maken op en doe de deur van de slaapkamer zachtjes open. Je zult niet tekort komen, denk ik.
Trijn Jans: Hoe moet ik me hieruit redden? Wat moet ik doen? Ik ben helemaal uit het lood geslagen.

vrijdag 23 juni 2023

 Slot: Aesopus, de dichter van fabels, door Planudes/Anoniem.

Klik je op Inleiding ‎‎voor noten en achtergrondinformatie. ‎


 
In die tijd dichtte de Frygiër zijn fabels, die hij opdroeg aan de koning van Lydië, en díe stuurde ze op zijn beurt door naar de bewoners van Samos, die Aesopus overlaadden met eerbewijzen. Hij kreeg lust tot reizen, hij wilde de wereld in trekken, om zich met hen die zich filosoof noemden te onderhouden over allerlei zaken. Zo kwam het dat hij een grote geloofswaardigheid opbouwde bij Lycérus, de koning van Babylon (1) . De koningen indertijd stuurden elkaar vraagstukken met betrekking tot allerlei kwesties toe (2) om ze op te lossen. Afhankelijk van of je het voorliggende probleem kon oplossen of niet, moest er belasting of een boete worden betaald (3) . Lycérus,  geholpen door Aesopus, had het altijd bij het rechte eind, en werd onder de anderen beroemd en berucht, zowel door de kwesties die hij voorstelde als die hij oploste.


Ondertussen trouwde onze Frygiër en omdat hij geen kinderen kon krijgen adopteerde hij een jonge man van adel, genaamd Ennus (4). Aesopus kreeg stank voor dank van deze ondankbare zoon. Het liep zo uit de hand dat hij het bed van zijn weldoener bezoedelde. Toen Aesopus dat hoorde, joeg hij hem weg. De ander –om zich op Aesopus te wreken – fabriceerde brieven, waaruit op te maken was dat Aesopus onder een hoedje zou spelen met de rivalen van Lycérus. Lycérus, overtuigd door het zegel op de brieven en de handtekening onder het schrijven, beval aan een van zijn officieren, Hermippus (5) de verrader Aesopus meteen ter dood te brengen. Deze Hermippus was een vriend van de Frygiër. Hij redde zijn leven. En zonder dat iemand het wist, bracht hij hem lange tijd in een graf, waar Aesopus zich verborgen hield, (6) te eten. Toen Necténabo (Necténabo II  of  Necténabo I), koning van Egypte, een gerucht opving over de dood van Aesopus, dacht hij Lycérus voortaan als belastingplichtige aan zich te kunnen binden. Hij durfde hem uit de tent te lokken, en daagde hem uit om hem architecten te sturen die een toren in het firmament, in de lucht,  konden bouwen (7). En tegelijkertijd moest hij iemand sturen die alle vragen van Necténabo zou kunnen beantwoorden, (oorspronkelijke tekst gaat verder: tegen betaling van 3 jaar belasting door Necténabo. Maar slaagde hij er niet in dan moest men hem 10 jaar belasting betalen.) Nadat Lycérus deze brieven had gelezen en ze aan de meest bekwame staatsdienaren had voorgelegd, bleef iedereen in gebreke --- dat was het moment waarop de koning zich bewust werd dat Aesopus er niet meer was. Hermippus zei hem daarop dat Aesopus niet dood was. En de koning ontbood hem daarop aan zijn hof. De Frygiër werd heel goed ontvangen, rechtvaardigde zich en vergaf Ennus. De brief van de koning van Egypte bracht hem aan het lachen. Hij adviseerde de koning om de architecten in de lente te sturen. Hij zelf zou meegaan als degene die op alle vragen van de koning antwoord zou geven.


Lycérus stelde Aesopus weer in het bezit van al zijn goederen en leverde Ennus aan hem uit om ermee te doen wat hij wilde. Aesopus behandelde hem als zijn zoon en de enige straf voor hem was de goden en zijn vorst te eren. (8)  Hij moest voor zijn vijanden verschrikkelijk zijn, voor alle anderen gemakkelijk en meegaand. Hij moest zijn vrouw goed bejegenen, zonder haar al zijn geheimen toe te vertrouwen. Hij moest niet spraakzaam zijn en de roddelaars bij zich verjagen. Zich niet door onheil op de kop laten zitten. Zorg hebben voor de toekomst, want het is beter met zijn dood zijn vijanden te verblijden dan door zijn vrienden voor onbenul door te gaan tijdens het leven. Vooral was het van belang niet jaloers te zijn op het geluk van anderen, zelfs als dat betekende zichzelf te kwellen. Ennus was geroerd door deze vermaningen en Aesopus goedheid, die hem als een schot met pijl en boog midden in het hart trof: hij stierf korte tijd later (9).


Laten we terugkomen op de uitdaging van Necténabo (10): Aesopus koos voor arenden, die hij africhtte (commentaar La Fontaine: “instruit” , onderwees: “chose difficile à croire”, ongelofelijk). Hij leerde ze, zal ik maar zeggen, een mand in de lucht met zich mee te dragen, waarin een jong kind lag. (11) Toen het eenmaal lente was geworden, ging hij weg naar Egypte met zijn hele hebben en houden (équipage) . Dat riep bij de volkeren in de landen waar hij doorheen trok, grote bewondering op. Men verwachtte er veel van. Necténabo, die in de veronderstelling leefde dat hij overleden was, en daarom het raadsel had opgegeven, was door zijn komst uiterst verbaasd bij zijn aankomst. Hierop had hij niet gerekend, en hij was nooit die weddenschap met Lycérus aangegaan, als hij had geweten dat Aesopus nog leefde. Hij vroeg hem of hij de architecten bij zich had. En of er iemand was die op al zijn vragen, kon antwoorden. Aesopus gaf als antwoord, dat degene die overal antwoord op zou geven, hij zelf was, en dat hij de architecten te zien zou krijgen, als het zover was. Men vertrok naar het open veld, waar de arenden omhoog vlogen met de manden waarin de kleine kinderen lagen. Die kinderen schreeuwden om cement, stenen en hout. U ziet, zei Aesopus tegen Necténabo, dat ik u de werkers gevonden heb voor het project dat u voor ogen staat: voorzie ze van materiaal om de toren te bouwen! Necténabo gaf toe dat Lycerus had gewonnen.


Daarop stelde hij de volgende vraag aan Aesopus: ik heb in Egypte merries die het hinniken van paarden uit de omgeving van Babylon kunnen horen en ze bezwangeren. Wat is uw antwoord daarop?” De Frygiër stelde het geven van een antwoord uit tot de volgende dag, en ging terug naar zijn onderkomen. Hij vroeg aan kinderen hem een kat te brengen, en die kat door de straten te jagen onder het geven van zweepslagen. Egyptenaren vereren katten en voelen zich heel erg beledigd door zo’n behandeling van het dier. Ze redden de kat uit handen van de kinderen en gingen zich bij hun koning over dit gedrag beklagen. Hij riep de Frygiër op om voor hem te verschijnen. “Weet u niet,” vroeg de koning hem, “dat dit dier een van onze goden is? Waarom behandel je hem dan op deze manier?” “De reden is dat de kat Lycérus heeft beledigd,” gaf Aesopus hem ten antwoord. “Want vannacht heeft de kat een bijzonder moedige haan gekeeld (12) die heel erg mooi elk uur kraaide!” “U bent een leugenaar!” antwoordde de koning. “Hoe is het mogelijk dat een kat dit gedaan kan hebben en  in zo korte tijd zo’n lange reis zou kunnen afleggen?” Waarop Aesopus (hinderlijk ventje) antwoordde: “En hoe zou het mogelijk kunnen zijn dat uw merries over zo’n lange afstand het hinniken van onze paarden (in Babylon) horen en daarvan zwanger worden?”


Daarna liet de koning, Necténabo, uit Heliopolis bepaalde mensen komen die bekend stonden om hun intelligentie, verder mensen bedreven in het oplossen van raadsels. Hij richtte een groot koninklijk maal aan, waarop hij de Frygiër uitnodigde. Tijdens de maaltijd legden ze Aesopus verschillende kwesties voor, o.a. deze. Op een zuil in het midden van 12 steden stond een grote tempel. Elk van deze steden heeft een stadsmuur gestut door dertig steunbogen aan de buitenkant en om elk van die bogen heen lopen twee vrouwen, de ene achter de andere. De ene is wit, de andere zwart. Aesopus antwoordde daarop: “Maar dat is een raadsel voor de kindertjes van ons land! De tempel is de wereld, de zuil is het jaar. De steden zijn de maanden. En de steunbogen zijn de dagen, waaromheen om beurten de dag en de nacht lopen.” (13 )


De volgende dag verzamelde Necténabo al zijn vrienden. “Dulden jullie,” zei hij hun, “dat een misbaksel de oorzaak is dat Lycérus met de hoofdprijs ervandoor gaat, en mij in verwarring achterlaat?” Een van hen adviseerde de koning, het omgekeerde van wat hij aan Lycérus had gevraagd te doen: “Laat Aesopus ons naar kwesties vragen waarvan wij nog nooit gehoord zouden hebben.” Aesopus stelde een schuldbekentenis op, waarin stond dat Necténabo een schuld van 2 duizend talenten had bij Lycérus. De schuldbekentenis kreeg Necténabo helemaal ongemerkt in zijn bezit. Voordat men de brief met de schuldbekentenis opende, schreeuwde Aesopus: “Dit is toch wel het grootste onrecht ter wereld. Ik wil jullie hiervan allen getuige maken. “Het is waar,” gaven ze toe, “dat wij nog nooit tevoren van dit onrecht hadden horen spreken. “Dus,” concludeerde Aesopus, ”heb ik voldaan aan jullie vraag?” Necténabo stuurde hem terug (naar Babylon) overladen met cadeaus, zowel voor zichzelf als voor zijn baas.


Het verblijf van Aesopus in Egypte is misschien aanleiding dat sommigen hebben geschreven dat hij er slaaf was samen met Rhodopis (14) . En wel die Rhodopis, waarvoor de koning als geschenk, omdat zij zijn minnares was, één van de drie Pyramides liet bouwen, die ook nu nog bestaan.  Ze worden alom bewonderd: de kleinste Pyramide is die voor Rhodopis, het is dan wel de kleinste, maar ook de Pyramide gebouwd met het meeste vernuft.


Bij zijn terugkeer in Babylon werd Aesopus door Lycérus ontvangen met groot vertoon van vreugde en vriendelijkheid: deze koning, Lycérus, liet voor hem een standbeeld oprichten. De lust te zien en leren maakte dat Aesopus afzag van al deze eerbewijzen. Hij verliet het hof van Lycérus op de dag dat hem alle privileges toevielen, die hij maar wenste. Hij zei deze koning vaarwel om nogmaals een bezoek te brengen aan Griekenland. Lycérus liet hem alleen gaan na hem onder tranen te hebben omarmd. En hij moest op een altaar zweren, dat hij zou terugkeren om zijn laatste dagen bij hem te slijten.


Van de steden, die hij aandeed, was Delphi een van de belangrijkste. De bewoners van Delphi luisterden gretig naar wat hij te vertellen had. Maar op geen enkele manier bewezen ze hem eer. Over deze neerbuigendheid was Aesopus gepikeerd en hij vergeleek ze met stokken die op de golven van een meer dreven: van verre denk je dat het iets belangwekkends is; van dichtbij zie je dat het niets voorstelt. Die vergelijking kwam hem duur te staan. De bewoners van Delphi werden bevangen door zo’n geweldige haat en een zo’n sterk verlangen om wraak (nog afgezien van het feit dat ze vreesden door hem te worden afgewezen) dat ze besloten hem naar de andere wereld te helpen. Om dat voor elkaar te krijgen verstopten ze tussen zijn kleren een van hun heilige vazen. Zó legden zij het erop aan dat Aesopus van diefstal en heiligschennis werd beschuldigd, een misdaad waarop de doodstraf stond.


Toen hij Delphi wilde verlaten en zich op weg begaf naar Phocis kwamen de bewoners van Delphi naar hem toe gelopen alsof ze in de hoogste nood verkeerden. Zij beschuldigden hem ervan hun vaas te hebben gestolen. Aesopus zwoer onder ede dat hij dat niet had gedaan. Daarop doorzochten zij zijn bullen. En ze vonden de vaas! Alles wat Aesopus hier tegenin kon brengen, mocht niet baten dat ze hem als een beruchte schurk behandelden. Zij brachten hem terug naar Delphi, geboeid, in het gevang geworpen, en tenslotte ervan beschuldigd dat hij zich uit de voeten had willen maken.  Er was niets dat hij zoals gewoonlijk voor zijn verdediging kon aanvoeren. Hij zei onschuldig te zijn, maar de bewoners van Dephi bespotten hem.


(15) “De kikker,” hield hij hun voor, “had de rat gevraagd hem te komen bezoeken. Om de hoge golven te kunnen trotseren, bond de kikker de rat vast aan zijn poot. Zodra ze te water gingen, wilde de kikker de rat de diepte in trekken, met de
bedoeling dat hij zou verdrinken, en hem lekker kon opsmikkelen.  De ongelukkige rat bood korte tijd weerstand. In de tijd dat ze aan het wateroppervlak met elkaar worstelden, kreeg een roofvogel hen in de gaten, dook naar beneden. De kikker werd samen met de rat de lucht in opgetild, omdat hij de rat niet van zijn poot kon losmaken. Ze begonnen elkaar te haten (se reput?). Zo is het ook met u gesteld, verschrikkelijke bewoners van Delphi: iemand machtiger dan jullie zal mij wreken! Ik zal ten onder gaan, maar jullie zullen dat ook. ”


Toen men hem naar de martelkamer bracht, vond hij gelegenheid om te ontsnappen. Hij vluchtte de kleine kapel gewijd aan Apollo in. De bewoners van Delphi sleurden hem naar buiten. “U schendt het recht op asiel in een heiligdom,” zei hij hun. “Het is maar een kleine tempel: daarom denken jullie ermee weg te komen. Maar de dag zal komen dat jullie slechtheid geen heenkomen meer zal vinden, zelfs niet in een tempel. Jullie krijgen te maken met de arend, die ondanks de smeekbeden van de slak, een haas de lucht in meenam, ook al had die zich in zijn holletje verstopt. De hele generatie arend werd gestraft daarvoor, tot in de kringen rond Jupiter. De bewoners van Delphi waren maar weinig aangedaan door dit verhaal, en wierpen hem in de afgrond.


Even later na zijn dood trof een buitengewoon krachtige pestepidemie hen en richtte een ravage aan. Zij vroegen het orakel hoe zij de toorn van de goden konden lenigen. Het orakel antwoordde dat er niets anders op zat dan boete te doen voor hun schuld aan de dood van Aesopus, en tegemoet te komen aan een passende nagedachtenis van Aesopus. Meteen richtte men een Pyramide voor hem op. De goden lieten niet alleen op deze manier zien, hoezeer de wandaad begaan aan Aesopus hun mishaagde: ook de mannen moesten het ontgelden (ze stierven bij bosjes). Griekenland stuurde commissarissen om zich op de hoogte te stellen, en aan de overlenden werd ook nog eens een flinke straf opgelegd.
 

vrijdag 12 mei 2023

Aesopus (4)

Het leven van Aesopus, deel 4: Macht en Hoogmoed.

Voor een hoog noodzakelijke Inleiding op dit verhaal, klik je op: Inleiding. En als er een uitroepteken achter een noot staat, dan wil dat zeggen dat het om een ontdekking gaat!


Xantus van zijn kant zag steeds beter hoe belangrijk Aesopus voor hem was en dat hij hem zeker niet wilde vrijlaten. Het bezit van zo’n slaaf strekte hem tot eer. Zo ook op een dag, dat Xantus samen met zijn leerlingen zich aan uitspattingen overgaf, en Aesopus zag dat hun hersenen beneveld raakten door de alcohol en de gemoederen hoog opliepen, zowel bij de leerlingen als de leermeester, kon hij niet nalaten te zeggen: ”Overmatig wijn innemen kent drie fases: in de eerste fase dient de wellust zich aan, in de tweede, de dronkenschap, en ten slotte in de derde fase steekt de woede zijn kop op.” Men dreef de spot met zijn constatering, en bleef de wijnvaten aanspreken tot ze leeg waren. Xantus ging zover dat hij niet meer naar rede wilde luisteren, en pochte dat hij in staat was de zee leeg te drinken. Daarover moest zijn gezelschap hartelijk lachen. Xantus bleef volharden in zijn mening, verwedde zijn huis erom dat hij de hele zee zou leeg drinken. En als voorschot op de weddenschap gaf hij zijn ring af die hij altijd aan zijn vinger droeg.


Toen de volgende dag de nevels van Bacchus waren opgetrokken, was Xantus er heel erg verbaasd over dat hij zijn ring, waaraan hij heel erg was gehecht, niet kon terugvinden. Aesopus zei hem dat hij die in de weddenschap had verloren, en hij zelfs zijn huis eronder verwed had dat hij de zee zou kunnen leeg drinken. Toen was de filosoof eindelijk gealarmeerd over zijn eigen gedrag. Hij smeekte Aesopus om hem een oplossing aan de hand te doen. En dat deed hij ook.


Toen de dag was aangebroken waarop de weddenschap zich zou voltrekken, stroomden alle bewoners van Samos samen aan de oever van de zee om getuige te kunnen zijn van de smadelijke neergang van de filosoof. Diegene van zijn leerlingen die met hem de weddenschap was aangegaan, was al bij voorbaat zeker van zijn overwinning. Xantus zei tot de verzamelde goegemeente: “Mijne heren, ik heb oprecht gewed dat ik de hele zee zou kunnen leeg drinken, maar ik heb er niet bij gezegd dat ik ook het water van de rivieren, die op zee uitkomen, ook zou kunnen leeg drinken. Daarom vind ik dat diegene die met mij de weddenschap is aangegaan, eerst ervoor moet zorgen dat de loop van de rivieren verandert in tegengestelde richting. En dan pas kan ik waarmaken waarover ik heb opgeschept. Iedereen stond verbluft over deze ingenieuze vondst, die Xantus had gevonden om eervol onder de kwalijke weddenschap uit te komen. De leerling erkende dat hij was verslagen, en vroeg zijn leermeester om vergiffenis. Xantus werd de hele weg bij zijn tergkeer naar huis toegejuicht.


Als tegenprestatie vroeg Aesopus zijn vrijheid. Die weigerde Xantus hem en zei dat de tijd om hem vrij te laten nog niet was aangebroken. Als de goden hem daartoe opdracht zouden geven, zou hij daarin toestemmen. Of de goden dat deden, zou zijn op te maken uit de voortekenen. Aesopus moest bij zijn vertrek uit Xantus onderkomen letten op het eerste voorteken dat zich voordeed. Geluk, bijvoorbeeld,
zou voor hem betekenen, als twee kraaien in zijn gezichtsveld zouden opdoemen: aan hem zou in dat geval de vrijheid worden geschonken. Als het maar één kraai was, zou hij slaaf blijven. Meteen vertrok Aesopus naar buiten. Zijn baas was een beetje buiten de bewoonde wereld gehuisvest, en blijkbaar stonden er in de omgeving veel hoge bomen. Onze Frygiër was nog maar nauwelijks buiten, of hij zag twee kraaien neerstrijken in de hoogste boom. Hij ging zijn baas hiervan verwittigen. Die wilde zelf vaststellen of dat ook zo was. Toen Xantus ter plekke kwam, vloog één van de twee kraaien weg. “Jij bedriegt me steeds weer?” zei hij Aesopus. En gaf opdracht hem af te ranselen. Het bevel werd meteen uitgevoerd. Tijdens het martelen van Aesopus, kwam men Xantus uitnodigen voor een etentje. Hij beloofde te komen. “Helaas,” jammerde Aesopus, “de voortekenen liegen. Ik heb twee kraaien gezien, een teken van geluk,  en word gemarteld. En mijn baas die er maar één heeft gezien, -- een teken van ongeluk – wordt voor een bruiloft (1) uitgenodigd!” Deze uitspraak beviel Xantus zozeer dat hij beval op te houden met hem te geselen. Maar wat de vrijheid betreft: hij kon er niet toe besluiten hem die te verlenen, ook al beloofde hij het te doen bij verschillende gelegenheden.


Op een dag wandelden ze beiden tussen oude monumenten. Ze hadden er veel plezier in om de opschriften die erop stonden te bestuderen. Xantus zag er eentje die hij maar niet kon begrijpen, hoewel hij er lang bij stil stond om een verklaring te vinden. Zij was gecomponeerd uit de eerste letters van bepaalde woorden. De filosoof gaf ruiterlijk toe dat dit zijn pet te boven ging. “Als ik erin slaag om u met deze letters een schat te laten vinden,” vroeg Aesopus, “wat voor beloning krijg ik dan?” Xantus beloofde hem zijn vrijheid en de helft van de schat. “Zij betekenen,” zei daarop Aesopus, “dat er op vier stappen vanaf deze zuil hier er eentje te vinden is.” En inderdaad vonden zij een schat na een ondiep gat in de grond te hebben gegraven. De filosoof werd erop gewezen woord te houden. Maar zoals altijd deinsde hij daarvoor terug. “De goden weerhouden mij ervan je je vrijheid te geven,” zei hij tegen Aesopus, “want jij had mij van tevoren de betekenis van de letters moeten uitleggen, dan had ik een andere schat gevonden, die veel kostbaarder is dan die welke wij nu hebben gevonden. “Wat hier staat geschreven,” ging Aesopus verder met zijn uitleg, “vormt de eerste letters van de zin,  αποθας βηρατα etc (2) , wat betekent:  Verstop hier in een gat etc. En de hele zin luidt dan: ‘Als je vier passen terug doet en je graaft daar een gat, dan zult je een schat vinden.’ ”  “Ik zou er niet goed aan doen om me te ontdoen van een scherpe geest als jij. Verwacht dus niet van mij dat ik je je vrijheid schenk.” Dat was de druppel die de emmer deed overstromen bij Aesopus. Hij gaf als antwoord: “Ik ga je aangeven bij koning Denys. (3) Want de schat hoort hem toe, en deze letters vormen andere woorden, die precies dat betekenen. De filosoof was geschrokken van deze uitleg en zei de Frygiër, dat hij hem zijn aandeel zilver zou geven, als hij zijn mond zou houden. Daarop verklaarde Aesopus hem dat hij hem op geen enkele manier verplicht was tot wat dan ook. Als de letters op een andere manier werden gekozen, was er zelfs nog een derde betekenis uit op te maken: “Bij vertrek van deze plaats, zul je de schat die je zonet hebt gevonden, met elkaar delen.” Zodra ze thuis kwamen, liet Xantus de Frygiër opsluiten. En hij kreeg voetkluisters aan. Dit alles uit angst dat Aesopus hun avontuur openbaar zou maken. “Helaas,” jammerde Aesopus, “gaan filosofen zó om met hun beloftes? Doe wat je wilt, je zult me toch uiteindelijk mijn vrijheid moeten geven!”


Zijn voorspelling kwam uit. Er gebeurde iets wonderlijks, waardoor de bewoners van Samos het flink te verduren kregen. Een adelaar vloog weg met een ring, die blijkbaar in gebruik was bij openbare vergaderingen. Die ring liet hij op een slaaf vallen, die Xantus en Aesopus kenden. De filosoof werd hierover geraadpleegd, zowel omdat hij een  filosoof was als omdat hij een van meest vooraanstaande mensen van de republiek was. Hij vroeg tijd om te overleggen met zijn publieke orakel, Aesopus. Deze stelde voor om het hem zelf in de openbaarheid te laten uit leggen. Hij zei: “Als het goed zou uitpakken, dan zou altijd de eer aan de meester toevallen, en zo niet, dan kon de schande altijd de slaaf in de schoenen worden geschoven.” Xantus stemde daarmee in, en liet hem het spreekgestoelte beklimmen.
Zodra men hem zag (4) (!), barstte iedereen in lachen uit. Niemand kon zich voorstellen dat zo iemand ook maar iets redelijks te berde zou kunnen brengen. Aesopus zei hun dat men niet naar de vorm, maar naar de inhoud, de heerlijke drank, de vaas moest beoordelen. De bewoners van Samos schreeuwden hem toe om onbevreesd te zeggen wat deze wonderlijke gebeurtenis betekende. Aesopus excuseerde zich, omdat hij dat niet durfde te doen. “Het lot wilde,” verklaarde hij, “dat er een duel om de eer tussen meester en slaaf aan de gang was. Als hij, de slaaf, het niet goed vertelde, zou hij slaag krijgen; vertelde hij het beter dan zijn meester het kon, dan werd hij ook afgeranseld.” Meteen drong men er bij Xantus op aan Aesopus vrij te laten. De filosoof aarzelde lange tijd. De provoost van de stad dreigde hem uit zijn ambt te zetten, op grond van de macht die hij als magistraat bezat. De filosoof werd tot overgave gedwongen. Toen Aesopus in vrijheid was gesteld, zei Aesopus de bewoners van Samos, dat de betekenis van het wonderlijke voorval was dat zij tot slaaf zouden worden gemaakt. En dat de adelaar die weg vloog met de ring, niets anders betekende dan dat een machtige koning hen wilde onderwerpen.


Enige tijd later liet Croesus, Koning der Lydiërs,  de bewoners van Samos weten dat zij hem belastingen moesten gaan betalen. Daartoe stuurde hij een afgezant. Als ze daar niet toe bereid waren, zou hij hen ertoe dwingen met de wapenen. Het merendeel van de bewoners was het er over eens dat men hem moest gehoorzamen. Aesopus zei hun dat er twee wegen open stonden voor de mensen op Samos. De ene weg, de vrijheid, was ruw en doornig aan het begin, maar later heel aangenaam. De andere weg was die van de slavernij, waarvan het begin gemakkelijker was, maar het vervolg moeilijk. Het was voor de bewoners van Samos verstandiger om hun vrijheid te verdedigen. Zij stuurden de ambassadeur (bode) van Croesus zonder genoegdoening terug.


Croesus bracht zijn leger in staat van paraatheid om ze aan te vallen. De ambassadeur zei Croesus, dat zolang ze konden beschikken over Aesopus, het veel moeite zou kosten om ze naar zijn wil te schikken. Zij hadden veel vertrouwen in het gezonde verstand van hem. Croesus stuurde hem erop uit om Aesopus aan hem over te leveren, onder de belofte dat hij hun vrijheid zou respecteren. De stadshoofden vonden dat deze voorwaarden in hun voordeel uitvielen. Zij dachten dat het feit dat zij met rust gelaten zouden worden hun niet te duur kwam te staan, wanneer zij dit afkochten ten koste van Aesopus. De Frygiër slaagde erin hen van
mening te doen veranderen. Hij vertelde hun een fabel over wolven en schapen. De wolven en de schapen hadden vrede gesloten, op voorwaarde dat zij de herdershonden als gijzelaar afstonden aan de wolven. Toen zij geen verdedigers meer hadden, wurgden de wolven hen met minder inspanning dan ooit tevoren. De fabel had zijn effect: de bewoners van Samos namen een standpunt in helemaal tegenovergesteld aan wat zij daarvoor hadden gevonden. Aesopus bood aan toch naar Croesus te gaan, en zei hun dat hij hun beter van nut was dichtbij de koning dan wanneer hij op Samos bleef.


Toen Croesus hem zag, verbaasde het hem dat een zo’n nietig schepsel hem zo in de weg had kunnen zitten. “Tjonge, jonge, jij bent het dus die het waagt zich tegen mijn wil te verzetten,” schreeuwde hij hem toe. Aesopus wierp zich aan zijn voeten. En verhaalde: “Er was eens een man die sprinkhanen ving. Bij toeval kreeg hij een cicade te pakken. Die wilde hij doden net zoals hij met de sprinkhanen had gedaan. ‘Wat heb ik jou misdaan?’ vroeg de cicade aan de man, ‘ik knaag niet aan jouw graan, ik breng je op geen enkele manier schade toe. Het enige wat ik heb is mijn stem, waarvan ik me in alle onschuld bedien. Grote koning, ik ben als die cicade. Ik heb alleen mijn stem, en ik ben er helemaal niet op uit u te beledigen.” Croesus, geroerd door bewondering en medelijden, vergaf hem niet alleen, maar liet uit consideratie de bewoners van Samos met rust.