maandag 8 mei 2017
In mei leggen alle vogels een ei, ook de koekoek. Mei was ook een favoriete maand om er op
vrijersvoeten op uit te trekken. De kwartels en kuikens vallen niet zomaar uit
de lucht, zoals bij de zondvloed in het Gilgamesh epos, maar omdat het jachtseizoen is gesloten .
In mei maakt men zich een nestje en in die tijd mag er niet gejaagd
worden op vogels. Tijl neemt het niet zo nauw met de wettelijke voorschriften,
zou je kunnen denken. Wat ook mogelijk is, is dat de grap wil benadrukken dat
het niet zozeer om kwartels en kuikens gaat, maar om de symbolische karakteristieken
van bepaalde vrouwen. Ik heb lang gedacht dat vogels alleen maar meisjes
(vrouwen) konden aanduiden. Zeker in humoristische verhalen is dat niet het
geval:
"Nasreddin Hodja ging op een dag de
boomgaard van een buurman binnen en klom direct in een abrikozenboom, vol
zachte en goudkleurige vruchten. Hij zette zich ertoe de een na de andere te
verslinden. Toen werd hij op heterdaad betrapt door de eigenaar van de
boomgaard.
--Wat doe je daar zo hoog in die boom?
De Hodja aarzelde een ogenblik alvorens te antwoorden:
--Ik ben een nachtegaal. Ik zit hier om te zingen. Daar moest de man om lachen.
--Als je dan een nachtegaal bent, waarom zing je dan niet een deuntje?
Toen hij zag dat hij zich op geen andere manier aan het probleem kon
onttrekken, zette de Hodja zich zo goed en zo kwaad als dat ging aan het
imiteren van de zang van de nachtegaal.
--Zozo, klinkt een nachtegaal zó?
Nasreddin Hodja antwoordde zonder zijn kalmte te verliezen:
--Een beginnend nachtegaal zou het er niet beter vanaf brengen!"
Een man gaat met zijn vogel – een papegaai—de winkel
van een vogelkoopman binnen om zijn vogel te koop aan te bieden. “Wat moet je
voor die papegaai hebben?” vraagt de vogelkoopman. “Honderd Toman “ antwoordt de man hem. “Wat,”
roept de koopman verbaasd. “Hoe kun je honderd Toman voor zo’n klein vogeltje vragen?” “Toch wel,”
antwoordt de man, “Het is namelijk een heel knappe vogel: hij kan praten!” Maar
de vogelkoopman wil de papegaai toch niet kopen, want hij vindt hem te duur.
Onder het gesprek ziet de man een kalkoen in de winkel. Hij vraagt de koopman:
”Wat moet die kalkoen kosten?” ”Honderd Toman.” “Wil je daar echt 100 Toman voor
hebben?” vraagt de man op zijn beurt verbaasd. “Waarom niet? Als jouw vogel kan
praten, kan de mijne denken.”
maandag 1 mei 2017
De Dag van den Arbeid: 1 mei 2017.
Bijen zijn altijd druk bezig. Zij vormen onverbrekelijke schakels om hun volk te laten overleven. Maar soms bevindt zich in die samenleving een “fremdkörper” zoals
( COHEN-EDITIE
VOOR JONGEREN. DE COHEN-EDITIE
VAN DE BESTE BINNEN- EN BUITENLANDSCHE
BOEKEN
UITGAVE VAN GEBROEDERS
E. & M.
COHEN, AMSTERDAM 1919
ZIJN GRAPPEN
EN GUITENSTREKEN
door Hemzelf (Tijl) verteld (Pag.
45-48)
Toen zag ik
in een hoek een rij van 10 bijenkorven staan. Tot mijn verbazing was de
grootste leeg en ik begreep dat dat ding daar voor mij was neergezet. Ik kroop er onder. Ik
kan het U aanbevelen in een hooiberg te gaan slapen, maar nog veel beter is het onder een bijenkorf te kruipen .'t Was er warm, en
het rook er zoet. Ik vleide me gekronkeld in haar vorm en zei:
“Wel te
rusten, Tijl. Van 't zelfde,” zei ik nog terug en toen hoorde ik niets meer. Ik droomde.
Met mijn zwaar gesnork verbeeldde ik het gezoem van de bijen. Een voor een
zetten ze hun angel op mijn gezicht en zogen er een druppel bloed uit. Toen
kwam de koning van de bijen; die ging op de punt van mijn
neus zitten. Hij dacht: dat het zijn troon was. 't Was zeker een democratische
koning. Want hij
koos zich een
erg rooien troon. Wat er precies gebeurde weet ik niet, maar de koning begon te
wiegelen en te wiebelen, toen viel hij van zijn stokje en de koningin kwam
kijken.
„Hij is
smoordronken," zei de Minister van binnenlandsche zaken. Maar de Minister
van Koloniën zei: dat het van het tropische klimaat kwam. Toen kwam er een
krachtige bij met een bijl en die begon den troon waar den koning op gezeten
had om te hakken.
„Au!" riep ik, ,,dat is mijn neus." „Dat
lieg je,” zei de bij, “dat is de troon van den koning." De muziek begon
het bijenvolkslied te spelen en ik viel in een rustigen slaap.
“Stil.... stt.... kom hier!”
“Slaapt alles?”
“Alles slaapt.”
“De hond?”
“Slaapt ook.”
“Niet praten.”
“Buk je....”
“Stil.... stil....”
Het grint kraakte op het boeren erf. Twee mannen slopen gedoken langs den muur van den stal. Ze kwamen langs den moestuin en gingen naar de bijenkorven.
”Zijn ze zwaar?” vroeg de oudste, een donkere figuur met een rooden das en ruig haar.
“Ja, deze
vooral.”
“Wacht ik zal je helpen.”
Ze namen twee stokken met een riem, schoven dezen onder den zwaren korf en tilden hem op.
“Dat is een
vrachtje, “lachte de langste.
“Spreek niet.”
“Loop
voorzichtig, zacht.”
Met gekromde ruggen, droegen ze dien korf op een baar, het hek van de boerderij uit. Hun tred was zwaar, en licht schommelde de korf op de tweedraagstokken. Beiden verheugden zich over de goede vangst en haastten zich naar hun schuilplaats.
Dit alles gebeurde, terwijl ik rustig sliep. Het toeval wilde dat de twee dieven, juist den korf gekozen hadden waarin ik rustte. Door 't schommelen werd ik wakker en voelde me gedragen warden. Mooi zoo, dacht ik. Dat eindje behoef ik weer niet te loopen. Doch ik begreep dat die twee kerels niet veel goeds met me in den zin zouden hebben, als ze mij in plaats van de bijen en den honing zouden ontdekken. Bovendien moest de misdaad gestraft worden. Geen honing, dan maar wraak, dacht ik, die is ook zoet.
Voorzichtig opende ik de mand van boven en gluurde er door heen om den toestand op te nemen. De lange liep met een gebogen hoofd tegen de mand, zijn krullen kon ik precies grijpen en zonder te bedenken nam ik hem bij zijn haren en liet zijn kop hardhandig met de mand in aanraking komen. Dat gaf een schok!
“Au!” riep hij, “dat is gemeen.”
“Wat is dat nou, “schreeuwde de ander, “ben je van lotje getikt?”
“Neen van een ander, gemeene kerel.”
“Wat gemeene kerel? Ik zal jou....”
Toen gaf ik den donkeren man die vooruit liep, twee klinkende oorvijgen.
“Ben je dol?” schreeuwde die woedend.
“Of jij?” vroeg de lange, wiens krullen ik nog aldoor vast hield.
“Laat los de baar.”
“Laat jij los!”
Toen liet ik ze los en klapte de mand dicht. De mannen vlogen op elkaar af en begonnen een geweldige vechtpartij. In orde, dacht ik, kloppen jullie maar een uurtje, dan kruip ik de mand wel uit. Even stil als de boeven de mand hadden meegenomen, kwam ik uit den korf en zette het op een loopen tot aan een dikken boom. Daar achter hield ik me schuil en zag de vechtpartijen aan. Met bebloede gezichten gingen ze eindelijk naar hun korf.
“Wat is die
nou licht in eens," zei de donkere.
Ze keken in den korf en zagen dat hij leeg was. Er lag een klein briefje in. Ze lazen tot hun groote verbazing het volgende rijmpje:
Mijn dank!.... Gij hebt me zacht gedragen
Het moeilijkst eindje van den weg.
Wat u betreft, gij moet niet klagen
Maar overdenkt wat ik u zeg:
„Wie zich vergrijpt aan iemands goed,
't Is recht dat hij voor 't misdrijf boet!"
Onthoudt dit beiden tot uw heil,
Het is een goede raad van
TIJL.
Zij keken elkaar aan met gezichten die zeiden:
„Wat zijn we daar ingeloopen!"
„En.... en hij is er uitgeloopen !" stotterde de lange van aandoening.
De Grieken
hadden in de Klassieke Oudheid een woord voor “stelen uit een bijenkorf”. Aristophanes gebruikt dit woord in regel 498
van zijn beroemde toneelstuk “De Vogels” . Aristophanes gebruikt het werkwoord “apoblittein”,
αποβλιττειν, dat alleen vertaald kan worden met “de
honing uit een bijenkorf wegnemen” of “roven”, en overdrachtelijk betekent “iemand
uitkleden”. Tijl zou in de Griekse
versie inderdaad een koning zijn, met om zijn schouders een rode mantel. En wat
die dieven doen is hem zijn koningsmantel stelen. Hij komt zonder werk te
zitten, waarschijnlijk omdat hij zijn werk niet zo goed deed. Tenminste, niet
zo goed als de bijen. Slapend rijk worden is nu eenmaal niet de manier waarop
je kunt verwachten waardering te ondervinden voor de Arbeid die je zou moeten
doen.
Deze versie van dit bekende verhaal van Tijl Uilenspiegel wijst
erop dat Tijl van elders is gekomen, misschien uit Griekenland of uit Turkije,
als je afgaat op de fez van een van de beide dieven op de tekening.
dinsdag 18 april 2017
Koningsdag 2017.
Hoe Uilenspiegel de koning nadeed
Uilenspiegel was op bezoek bij een dikke
koning die alleen de beste spijzen at. Tijl stelde voor dat hij bij de koning
mocht verblijven als hofnar. De koning nam hem aan omdat hij van lachen hield.
Uilenspiegel trad elke avond op ter vermaak van de koning. Toen de koning een
avond weg was had Uilenspiegel zoveel gegeten dat hij even dik was als de
koning. De volgende avond trad hij op en deed hij de koning na. Toen lachte het
hele volk de koning uit en verliet de koning het land uit schaamte.
Uilenspiegel deelde toen alle spijzen van de koning uit aan het volk.
Is dit een grap, of werkelijkheid? Charles
de Coster, die de legende van Tijl Uilenspiegel schreef, vertaalde de grappen
van Tijl Uilenspiegel naar de werkelijkheid. Hij plaatste de grappige snaak
Tijl Uilenspiegel midden in de 80-tig jarige oorlog, waar hij aan de kant van
de geuzen meevecht om Holland te bevrijden van de Spaanse overheersing. Tijl is
de slimme en magere protestant in gezelschap van de (katholieke) dikbuikige
Lamme Goedzak. De vrouwen die Tijl omringen moeten zich staande houden in een
wereld, waarin de belangen van mannen en vrouwen extreem aan elkaar
tegenovergesteld zijn. Neele, de vrouw van Tijl, trekt samen met hem ten
strijde en zou je een van de eerste feministes van de Lage Landen kunnen noemen.
De iconische typering van deze drie hoofdpersonages heeft ervoor gezorgd, dat
het boek van de Coster de bijbel is geworden van strijd voor sociale gelijkheid
van de Lage Landen.
Veel van deze grappen zijn op de een of andere
manier verbonden met toneelvoorstellingen. Dat komt al uit de Romeinse tijd,
waarin de toneelschrijver Plautus een voorbeeld is van een schrijver die volkse
grappen op het toneel brengt. Ook van de streken van Tijl Uilenspiegel is
toneel gemaakt. Een klein stukje uit het toneelstuk Uilenspiegel van Hugo Claus (pag 173-175):
Verteller: Nu, waar is
de weg naar Damme?
Tijl: Daar waar de eenden gaan. De verteller
vertrekt. Tijl kijkt hem na, fluit een deuntje. Men hoort een mateloos gevloek:
“Here van Spanje en keizer van God en alleman…..” De verteller komt terug
zonder paard, met modder bedekt, wier en kroos over zijn gezicht.
Verteller: Wat betekent dit? Je hebt me
bedrogen, snotvink! Waar de eenden zijn, is er alleen maar modder en moeras
waar zij ploeteren.
Tijl: Ik zei u niet te rijden waar zij
ploeteren, maar wel waar zij gaan.
Verteller: moe Goed, ik geef op. Je
bent de slimste. Maar zeg mij nu in Godsnaam de weg die naar Damme gaat.
Tijl: In Vlaanderen, mijn heer, zijn het de mensen die gaan, de wegen blijven liggen.
Verteller wordt boos, springt over de haag,
achtervolgt de lachende Tijl; als hij ziet dat hij de jongen niet kan inhalen,
gaat hij zuchtend zitten
Als een hond, zei ik, groeide hij op, een dief, een luilak. Hij zwierf op
Gods wegen, een leegganger, een deugniet. Maar moet de boom niet eerste zijn
last afwerpen voor hij bladeren geeft? Misschien wel. En misschien moet men
slim en listig zijn wil men de wreedheid van de wereld verdragen en weren.
Zoals Katelijne (de vroedvrouw) voorspelde noemde men hem Uilenspiegel. Dat is
Ulieden-spiegel.Ondertussen
is Tijl voor een tent (op een kermis) gekomen, waar een kring mensen rond
staan. Hij loodst hen naar binnen en ontvangt geld.
Tijl: Ulieden spiegel, Uwen spiegel, dames en heren en buitenlieden, hier kan een iegelijk komen zien wat de toekomst hem kan bieden.Hij trekt een gordijn weg, en staat bij een uil (=indertijd teken van domheid!) die bovenop een lege spiegellijst zit.
U komt het eerst aan de beurt, meneer de advokaat!Een oude man met een waardig gezicht komt naar voren. Tijl steekt zijn hoofd in de spiegel en trekt een apegezicht.
Een oude rotkop kan wel rotten, maar bloeien doen alleen de zotten.Reacties van de omstanders. De advokaat lacht groen mee.
De volgende! Ah, een militair. Kom dichterbij, meneer de sergeant.Tijl houdt in de spiegel een grote schotel bloedworst.
In het volgende gevecht waar je zo heftig naar snakt, word je, mijn kinkel, tot bloedworst gehakt.De sergeant maakt zich kwaad, maar als de omstanders lachen, stapt hij woedend weg.
Meneer, mevrouw, komt naderbij.Een
lieftallig jong meisje met haar oude echtgenoot. Tijl steekt door de spiegel
een boomtak met twijgen als hoornen.
Een gluiperd koopt voor veel centen een jonge maagd, en klimt in de
boom die hoornen draagt.
Oude Man Jij, godvergeten smeerlap, ik zal
je…..
Jonge Vrouw Maak je niet kwaad, Antonius, wij zijn op de kermis. Wacht toch
even. Zeg, kereltje, wat zie je in mijn spiegel?
Tijl Kom dichterbij.
Het
meisje nadert.
Nog dichter.
Uw spiegel is harde jeugd gehuld in de koker van een trotse gulp.Tijl
kust het meisje, zij kust terug. Tijl valt bijna uit zijn spiegel. De oude man
trekt haar kwaad weg.
Jonge Vrouw Oh, wat een enige spiegel.Zij geeft Tijl, terwijl zij weggetrokken wordt, een gulden.
Tijl En u, eerwaarde vader?Een dikke monnik, die toeziet, komt schoorvoetend nader.
Monnik Mijn zoon, de toekomst kent niemand, alleen God.
Tijl Jij kleerkast vol hespen, jij bierkelder, geef mij een oortje!
Monnik zalvend: Mijn zoon, wij dragen nooit geld.
Tijl Omdat het geld jou draagt, want je hebt het in je schoenen verstopt. Geef mij je sandaal.
Monnik tegenover het spotziek, bijna dreigend gepeupel Maar kinderen, dit is geld van ons klooster. Nu, als het moet….
Tijl ontvangt het geld en toont in de spiegel een varkenskop In het land waar men mager is van het werken ben jij vet. Pas op dat men in het portaal van uw kerk het mes niet wet.
De omstanders lachen eerst, maar voor de zwijgende, griezelige haat die zij op het gezicht van de monnik zien, verstillen ze.
Tijl zou in Damme (België) zijn geboren. Wanneer
precies wordt nergens vermeld. De eerste vermelding van de geboorte van Tijl
Uilenspiegel in Damme zou een prent uit 1650 zijn. Maar in Duitsland ligt hij
rond 1350 al begraven te Mölln. Omdat Saksen in twee delen uiteen is gevallen,
een noordelijk (Mölln) en zuidelijk
deel (zie hieronder: Quedlinburg
en Büddenstedt),
lijkt het erop dat Tijl Saksische wortels heeft. Of hij is door een Saks al
voor het einde van het eerste millenium nChr in Saksen geïntroduceerd. Hij
heeft namelijk nogal veel overeenkomstigs met andere tricksters. Net als bij
Nasreddin heeft zich een legende rond de figuur Tijl Uilenspiegel gevormd. De
overeenkomsten tussen Nasreddin Hodja, Jeha, Pushkin (Kaukasus) en Tijl
Uilenspiegel zijn zo sterk dat je er bijna vanuit moet gaan dat de verhalen
ontsproten zijn aan een gemeenschappelijk boek. Het boek is interessant, omdat
het lijkt te gaan over rebellie en opstandelingen. Hoewel De Coster het niet
zegt, krijg je soms de indruk dat Tijl en Willem van Oranje iets
gemeenschappelijks hebben: ze zijn beiden eigengereide manipulatoren van een
onafwendbaar lot. Dat boek der opstandelingen vindt zijn oorsprong al in de
Oudheid, om preciezer te zijn, in de
Boeddhistische traditie waarin het lot, het karma, een centrale plek inneemt in
de ontwikkeling van levens. Tientallen verhaaltjes van Nasreddin, Jeha en Tijl
Uilenspiegel hebben meer dan toevallige overeenkomsten met elkaar. Voor verdere
informatie hierover, verwijs ik naar de vergelijkende tabel van Mouliéras en Basset.
Tijl verpandt een haan.
Tijl vond het beter om uit Maagdenburg te vertrekken. “Is niet erg”, zei hij bij zich zelf, ”Je passeert Thüringen en trekt dan kalmpjes aan het mooie land van de Franken in.” Onderweg hield hij voor een paar dagen zich op in Quedlinburg . ’s Ochtends slenterde hij er eens over de markt. Dat deed hem genoegen, want daar vond hij altijd wel mensen die hij beentje kon lichten. Helemaal aan he begin van de markt zat een dikke boerin, die een mand met daarin een kloeke haan en vette kippen voor zich op de grond had staan ter verkoop. Tijl liep het water in de mond. Zo’n mooi, mals kippetje had hij sinds lang (sinds Büddenstedt) niet meer gegeten. Maar hij had geen geld om er eentje te kopen.
Hij ging een momentje bij zich te rade. Daarop liep hij vrolijk fluitend naar de plaats waar de vrouw op de markt zat en vroeg: “Hoeveel moet dat gaan kosten?” “Twee Groschen “, gaf ze hem ten antwoord. Hij deed het voorkomen dat hij nog iets moest doen, en dat daarna bij haar terug zou komen om in een keer de hele mand kippen mee te kunnen nemen. Daar wilde de vrouw niets van horen. Hij knikte en knikte…: “Is ook al goed! Ik neem de hele mand ook nu wel meteen met me mee.” Daarop pakte hij de mand beet en liep vlug weg in de richting van de stadspoort.” “Blijf hier, blijf hier!” riep de boerin hem opgewonden en kwaad achterna, ”Wil je me dan niet voor de kippen betalen?” “Beste vrouw,” zei hij en liep naar haar terug, ”ik ben toch de administrateur van het machtige nonnenklooster. Ik heb op dit moment alleen maar niet genoeg geld bij mij. Dat ga ik nu voor u halen.” ”Het interesseert me niet wie u bent”, antwoordde daarop de boerin, “Ik wil eerst geld zien voor mijn kippen.” Daarop antwoordde Tijl sarcastisch: “Vrouw, wat zou er van de handel worden, als alle handelaren zo wantrouwend zouden zijn als u. Maar laat mij om mij tegemoet te komen, de kippen, dan laat ik u de haan hier als onderpand achter.” Daarmee haalde hij het kakelende en wild fladderende beest uit de mand van de boerin. “Tja “, zei die daarop, ”als u mij een onderpand geeft, dan vind ik het wel goed zo.” Tijl haastte zich met de kippen ervandoor en de boerin pakte heel tevreden haar boeltje bij elkaar, blij dat ze haar kippen zo snel aan de man had weten te brengen.
Toen ze in haar dorp terugkwam, vroeg haar man verwonderd: ”Ben je nu alweer terug?” “Wat heb je hierop te zeggen?” antwoordde hem de vrouw, ”Ik heb alle kippen al verkocht!” “En waar is het geld?” “Geld heb ik niet. Maar de man die ze van mij heeft gekocht –hij was administrateur van het nonnenklooster—zal het geld wel komen brengen. Hij heeft mij de haan als pand meegegeven.” Toen werd de boer woedend. “Jij, domme gans,” schreeuwde hij, ”heb jij je eigen haan als onderpand geaccepteerd? Die kippen zijn we kwijt!” Daarop vroeg hij: “Hoe zag die koper er eigenlijk uit, die administrateur van het nonnenklooster?” De vrouw beschreef hem, tot in detail. Toen zei de man: “Dat had ik mij al gedacht. Dat was die schalk, die Uilenspiegel. Hij heeft je mooi te pakken gehad.” En toen moest hij toch nog lachen. Want ook al werden de mensen zelf door hem bespot en benadeeld, toch moesten de mensen steeds weer om Tijl Uilenspiegel en zijn slimme streken lachen!
Dit verhaaleinde blijft mij fascineren! Het is duidelijk dat ze bedrogen worden, en ze kennen hun eigen bedriegers. Toch worden telkens weer de bedriegers op het schild geheven om te triomferen. Hoe is het mogelijk! Niet alleen het eigen belang viert hoogtij, maar de illusie van vrijheid kan er ook wat van.
donderdag 13 april 2017
Pasen 2017
De wederopstanding uit de dood is in de Oudheid een geliefd onderwerp om de draak mee te steken. Net als in het Boeddhisme is er in Egypte, Griekenland en in het Romeinse Rijk een beoordeling van de overledene om te bepalen, hoe hij ervoor staat. Deze beoordeling beslist over de manier waarop en wanneer je op aarde zult terugkeren, of wacht op het Laatste Oordeel. Bij de Summeriërs is er één iemand, Utnapishtim, van wie bekend is dat hij vereeuwigd werd om de daden die hij had verricht. Je zou kunnen zeggen dat hij in de allerhoogste staat van heiligheid is opgenomen. Hij wordt heilig verklaard vanwege zijn schranderheid (zie grap hieronder: Jeha wil op een oud kerkhof worden begraven). De naam schrander te zijn heeft hij te danken aan zijn ontsnapping aan de zondvloed, die alle mensen doet verdrinken, behalve hem. Het is echter wel een merkwaardige zondvloed, waaraan hij ontsnapt (doet denken aan Japanse folklore; wordt misschien ooit later besproken):
Gilgamesh (vert. Van Stiphout, pag 139)
Maar voor jullie zal hij een zware regen van rijkdom schenken
Hele zwermen van vogels, scholen van vissen,
….een overvloedige oogst
In de ochtend stuurt hij jullie een regen van gebak.
En in de avond een stortbui van graan.
Gilgamesh (vert. Van Stiphout, pag 141)
De stilte van de Stormgod spreidde zich toen over de hemel,
en alle licht werd duisternis.
Hij vertrapte het Land als een dolle stier.
En brak het aan stukken als een aarden vaas
En de hele dag loeide de storm
Waaiend met grote snelheid -- – toen kwam de Vloed.
Als het strijdgewoel overweldigde de Vloed de mensen.
De een kon de ander niet meer zien;
in deze verwoesting kon men geen mensen meer onderscheiden.
Maar Utnapishtim ontsnapt door een deal te sluiten met de goden dat hij hun bedoeling om de hele mensheid te vernietigen niet zal verraden. Dat doet hij ook niet; hij redt alleen zijn eigen vege lijf! Meestal denken of hopen de mensen dat zij recht hebben op meer dan uiteindelijk het geval blijkt te zijn:
De padishah (de koning der koningen)
was op een dag in gesprek met de Effendi (Mijnheer Nasreddin). De padishah
vroeg hem:
“Nasreddin luister: als ik dood ga, gaat mijn ziel dan naar de hemel of naar de
hel?”
“Absoluut zeker, naar de hel”, antwoordde de Effendi, “Tot die conclusie ben ik
naar ampel beraad gekomen!” Daarop verloor de padishah zijn zelfbeheersing.
Zijn ogen flitsten en hij overlaadde de Effendi met een stortvloed van
verwensingen en beledigingen.
“Maar Schaduw Gods wind je toch niet zó op!” viel de Effendi hem in de rede om
hem tot bedaren te brengen.
“Dit is de enige mogelijke conclusie, omdat u zoveel mensen heeft vermoord, die
een plaatsje in de hemel hebben verdiend, dat het er nu overbevolkt is en er
geen plaats meer is voor uwe hoogheid.”
Het oordeel kan vroeger of later worden opgemaakt.
(Jeha-verhalen uit 1977, Nawadir Jeha (نوَادرجحَا),
(drukkerij, مطبعة اَلنصح لصَاحبهَا لَبكری عبد اَلعزيّز محمد),
vert. Bellettrie, eigendom van Bekry Abd El Aziz Mohamed, pag. 34):
Toen zijn buurman was overleden, ging Jeha naar een grafdelver om hem het graf te laten graven. Er ontstond gekibbel tussen hem en de grafdelver over zijn loon. Jeha liep door naar de markt en kocht timmerhout voor 2 dirham. Toen hij (weer thuis) kwam, vroegen de buren hem, waarom hij dat hout had gekocht, en hij antwoordde: “De grafdelver wilde voor niet minder dan 5 dirham zijn werk doen. De prijs van hout is maar 2 dirham. Als ik de overledene kruisig, dan maak ik 3 dirham winst….en zó heb ik geld om de kosten voor het graf te betalen nodig voor de ondervraging door Moenkar en Nakier om tot de hemel te kunnen worden toegelaten.” De buren wisten zich geen raad en besloten buiten hem om de buurman te begraven. En hij zei: “Allah is goed….Er is niets waarop hij geen raad weet!”
Waarschijnlijk mikt de grap op christelijke begrafenissen van Fransen, in het protectoraat Marokko. Maar de grap is ook kritisch ten aanzien van de eigen begrafenisceremonie, die als belangrijkste uitgangspunt heeft dat een overledene zo snel mogelijk begraven moet worden. Ook kun je constateren dat men het blijkbaar niet breed had. Bij deze grap hoort het volgende verhaal uit de tijd (1980) dat ik met een cassetterecorder deze grappen opnam. Godsgeleerden zijn het er niet over eens of er nu twee of één Ondervrager is na overlijden. In dit geval krijgt de Ondervrager de naam Azraïl (een engel!):
Toen Jeha oud was, zei hij tegen iedereen in zijn omgeving: “Als ik sterf, begraaf me dan op een oud kerkhof.” Toen hij was overleden, begroef men hem op een oud kerkhof. Azraïl kwam bij hem en Jeha zei tegen hem: “U ziet toch dat ik op een oud kerkhof woon! Als er maar één van jullie is, dan zult u zich ongetwijfeld herinneren dat u een oordeel over mij hebt uitgesproken. Maar als er meer van jullie zijn...... zou ik niet weten wie je gestuurd heeft.” Daarop ging Azraïl naar Allah. Azraïl zei hem: “Mijn god, als u in mijn afwezigheid iemand anders in dienst hebt genomen dan wil ik niet meer voor u werken!” Allah antwoordde: “Ik heb geen vervanger voor je in dienst genomen. Maar degene die je net hebt ondervraagt, is Jeha. Hij is erg sluw. Dat was hij al tijdens zijn leven, en dat is hij nu nog ná zijn dood.” En Allah droeg Azraïl op om hem maar niet meer te ondervragen, omdat hij wel altijd weer nieuwe listen zal verzinnen.
Uit: Djoh′a verhalen voor kinderen, Uitgeverij Stichting
Modern Arabië, drukwerk, uitgeverij en distributie, Cairo, 1988 (deel 45,نوَادر جحَا لّلاَطفَال، اَلنَاشرا َلموسّسة اَلعربية اَلحديثة
ٱلّلطبع وٱلّنشر و اَلتوزيع، قَاهرة ، ١٩٨٨ ٤٥).
Jeha weet de weg naar huis.
Jeha′s
vrouw wil dat hij hout gaat halen om vuur te kunnen maken voor het eten. Jeha
gaat hout halen op een plek met heel veel hout. Jeha klimt in een grote boom om
er een kolossale tak van af te hakken. Hij zet zich met zijn handbijl aan het
hakken ervan en precies op dat moment ziet hij een oude sjeik onder de boom
doorlopen. De sjeik kijkt omhoog naar Jeha en ziet dat hij op dezelfde tak zit
als die hij aan het afhakken is, en hij zegt tegen Jeha:
-- Beste man, wat ben je toch aan het doen? Pas maar op dat je je niet bezeert!
Maar Jeha neemt zijn wijs advies niet ter harte. Korte tijd later valt de tak
naar beneden en ook Jeha valt op de grond, en hij schreeuwt het uit van pijn en
op dat moment schiet hem de sjeik die hem heeft gewaarschuwd te binnen, voordat
hij was gevallen. En hij loopt zo vlug hij kan de sjeik achterna:
-- Sjeik, sjeik, u hebt me gewaarschuwd dat ik zou gaan vallen, en daarom moet
u wel tot die mensen behoren die kunnen voorspellen en er moet waarheid zijn in
alles wat u zegt!
Daarop zei de sjeik:
-- Beste man, ik heb geen kennis van wat verborgen is voor ons, dat heeft
alleen God, waarop Jeha zegt:
-- Maar u heeft mij gewaarschuwd dat ik ging vallen, dus laat mij alstublieft
mijn stervensuur weten. Daarop zei de sjeik zachtjes voor zich heen:
-- Dat God het me vergeve, en gaat zijns weegs. Maar Jeha pakt hem gehaast beet
en gaat niet aan de kant. Als de sjeik er niet in slaagt zich van hem los te
maken en zich uit deze precaire situatie te bevrijden om zijn weg te kunnen
vervolgen, zegt hij:
-- Jij zult sterven, bij het eerste balken van de ezel als je ezel je hout
draagt. (Vergelijk Nieuwe Testament, Christus tegen Petrus: “Je zult mij hebben
verraden bij het eerste kraaien van de haan”.) Jeha zegt daarop gehaast:
-- Maar dan zal ik al heel binnenkort sterven! Daarop zegt de sjeik:
-- Wel nee...bij de eerste keer verlies je de helft van je leven, pas bij de
tweede keer verlies je je hele leven.
Jeha pakt het hout op zijn ezel en gaat met hem op weg. Als ze bij zijn buren
in de buurt komen en een andere ezel passeren, balkt zijn ezel. En Jeha zegt:
-- Dit zijn de eerste tekenen van de Dood. En even later balkt zijn ezel nog
een keer. Daarop werpt hij zich ter aarde, en zegt:
-- Nu ben ik dood, en hij sluit zijn ogen en het lijkt erop dat hij dood is. Enige
mensen uit een nabij gelegen dorp passeren hem en denken dat hij dood is. Zij
halen een kist en leggen hem daarin, tillen de kist op de schouders, gaan op
weg naar het dorp. Op een gegeven moment kunnen ze niet verder, omdat zij bij
een brede rivier komen. Ze staan stil om zich te beraden hoe zij deze hindernis
zullen nemen.
-- Hoe komen we van hier naar daar aan de overkant?
En terwijl zij aan het discussiëren zijn, steekt Jeha zijn hoofd uit de kist en
zij kijken vol verbazing naar de kist, zetten het uit angst op een rennen zo
hard als ze kunnen. Jeha roept ze nog na met zijn vinger wijzend:
--Toen ik nog leefde, ging ik langs die kant, omdat het korter en gemakkelijker
is. En zó word ik daarnaartoe gedragen wat mij het beste uitkomt.
Deze milde humor krijgt een wrange bijsmaak als we dit thema tegenkomen bij Petronius, de hofschrijver van Nero, de Romeinse keizer bekend vanwege zijn gruwelijke vervolgingen van de eerste christenen:
(Wat eraan vooraf ging: vrouw zit in een grafkelder bij haar overleden echtgenoot.) De soldaat nu die zich verlustigde in de schoonheid van de vrouw en in hun zoete geheim, kocht dagelijks alle heerlijkheden die zijn geldmiddelen hem toestonden, en bracht deze dadelijk bij het vallen van de duisternis naar het graf (de grafkelder van de vrouw). En zo kwam het, dat verwanten van een van de gekruisigden, toen zij zagen dat de bewaking niet zo streng was, ’s nachts de gehangene van het kruis haalden en hem de laatste eer bewezen. De soldaat, verschalkt terwijl hij zijn plicht verzaakte, zag de volgende dag het kruis zonder lijk; en bang dat hij gestraft zou worden, vertelde hij de vrouw wat er gebeurd was. Hij verzekerde, dat hij het vonnis van de rechter niet zou afwachten, maar met zijn eigen zwaard recht zou spreken over zijn nalatigheid: de vrouw moest dus maar een plaatsje inruimen voor zijn lijk en deze noodlottige grafkelder niet alleen voor haar echtgenoot, maar ook voor haar vriend bestemmen. De vrouw, die al even weekhartig als kuis was, sprak: “Mogen de goden niet laten gebeuren, dat ik in dezelfde tijdsspanne de dood van mijn twee allerdierbaarste mannen moet aanschouwen: liever een dode ten nutte aangewend dan een levende ten verderve gevoerd!” Na dit betoog beval zij hem het lijk van haar echtgenoot uit de kist te lichten en dit aan het ledige kruis te nagelen. De soldaat gaf gehoor aan de ingeving van deze verstandige vrouw, en de volgende dag kon de menigte zich verwonderd afvragen, hoe het mogelijk was dat een dode het kruis had beklommen….”
De consequentie van dit verhaal (misschien wel van al deze verhalen) blijkt te leiden tot de heftige vervolging van de eerste christenen. Onbegrijpelijk!
woensdag 5 april 2017
Waarom is deze grap zo actueel?
Hou de deur in de gaten?
Toen Jeha klein was, zei zijn moeder op een dag tegen hem:
“Ik ga met de buren naar de wasplaats om kleren te wassen. Ik wil dat jij
thuis blijft om de deur in de gaten te houden, omdat de laatste tijd er veel
gestolen wordt in deze wijk. Ik reken op jou, mijn zoon. Nadat zijn moeder
vertrokken was, kwam er een buurman bij hem langs, die hem zei: “Ga naar je
moeder, en zeg haar dat ik vanavond van plan ben bij jullie op visite te
komen.” De jongen was hierdoor gedurende een paar tellen in de war om een
manier te verzinnen zijn moeder van het bezoek van de buurman op de hoogte te
brengen zonder de deur uit het oog te verliezen. Toen schoot hem iets te
binnen: hij lichtte de deur uit zijn scharnieren, en droeg hem naar de
wasplaats. Toen zijn moeder hem zag en hij dicht genoeg bij haar was, stond ze
perplex en zei hem: “Wat is er gebeurd, mijn zoon? Wat heb je gedaan?”
Daarop antwoordde hij: “Heb je mij niet gevraagd om de deur
in de gaten te houden? Ik heb hem zó uit elkaar gehaald om je te kunnen zeggen
dat de buren vanavond bij ons op visite komen.”
De deur was misschien in de oudheid wel het belangrijkste onderdeel van een huis, maar bij uitbreiding ook van een stad. Deur en poort zijn in deze verhalen vaak met hetzelfde woord aangeduid. Bij de poort werden niet alleen mensen in- en uitgelaten, maar vonden er allerlei rituelen plaats om de veiligheid van de stad te waarborgen. Bijna altijd is er net buiten de stad een altaar om op te offeren. In Athene was er een speciale poort naar de begraafplaats van de helden. Als je je goed gedragen had, kon je je de status van held verwerven, net zoals in de katholieke kerk iemand heilig kan worden verklaard. Wij kennen nog altijd Petrus die staat bij de poort die toegang verleent tot de hemel. De associatie met "toegang tot de hemel", heeft de oosters-georiënteerde filosoof Huxley ertoe gebracht om zijn boek over geestverruimende middelen “Doors of perception” te noemen.
Zo’n 2000 jaar voor Christus vonden de rechtszaken bij de Sumeriërs niet in een zaal plaats maar buiten de stad, bij de poort. Zó had men de mogelijkheid om de schuldige meteen te straffen. Die straf bestond ook in die tijd al uit het te water laten van de boef, of beter gezegd: hij werd er geboeid en wel in gegooid. Vaak was er buiten de stad een rivier waarin de gerechtelijke uitspraak op uitliep. De Turkse Sultan werd nog in de 19-e eeuw aan gesproken met de titel “hoge poorte”, hoewel men ook in die tijd al niet meer wist waar het opsloeg. De sultan kreeg deze titel, omdat vroeger uitvoerende, gerechtelijke en wetgevende macht in een persoon waren verenigd. En die “hoge poorte” had met een van zijn bezigheden, nl. de rechtspraak, te maken. Ook bij ons hebben lange tijd “poorters” bestaan. Dit waren geen gerechtsdienaren, maar mensen die de rechten hadden verworven om binnen de poorten van een stad te verblijven.
Maar wat gebeurt er nu als je een klein Heraklesje in huis hebt, die de deur op de schouders neemt? De strekking van het verhaal is duidelijk: iedereen zou eigenlijk altijd en overal in zijn recht moeten staan en zijn eigen verantwoordelijkheid moeten kennen. Het op de rug nemen van de deur staat symbolisch voor het opheffen van een dictatuur, of in ieder geval de wens daartoe….. Een Turkse variatie op dit verhaal is onder de link te vinden waar ook de Arabische en Spaanse versie zijn te vinden! Voor nog meer variaties, klik dan op de wijze van werken die ik bij de analyse van deze grappen heb gevolgd.
maandag 3 april 2017
De laatste kronkel
(Arabian Nights, Sir
R.F. Burton; Duizend en Een Nacht, Richard van Leeuwen, Deel 7, pag. 128; Arabische versie, ألف ليلة و ليلة, دار ألكتب ألعلمية, Deel 1, pag. 244; Noodles, pag. 118 )
Sheherazade vertelt:
Een vriendelijke man vertelde het volgende: Op een dag kwam
ik langs een schoolmeester (fqih) die aan het les geven was. Hij gaf kinderen
les. Ik vond dat hij een aangenaam uiterlijk had en goed gekleed was. Ik liep naar
hem toe, en hij stond op en liet mij bij zich zitten. Ik probeerde zijn kennis
van de Koran uit (grammatica, dictie en tekst) en ontdekte dat hij daarin een
kei was. En ik zei hem: “Dit is wel iets heel bijzonders voor een schoolmeester.
Zo’n kennis van de Koran heb ik nog nooit bij een schoolmeester aangetroffen.”
Daarna ging ik regelmatig naar hem toe en ik ontdekte elke dag weer een nieuwe goede
eigenschap van hem. Na een tijdje bezocht ik hem minder vaak, maar op een dag
kwam ik langs zijn school en zag ik dat die gesloten was. Ik vroeg de mensen,
of zij wisten waarom de school dicht was. Zij zeiden dat er iemand van zijn
naasten was overleden. Ik zei bij mijzelf dat het mijn plicht was om bij hem
langs te gaan om hem te troosten. Ik liep naar zijn deur, klopte aan, en een
buurvrouw kwam naar buiten en zei: “Wat wenst u?” Ik zei haar dat ik de bewoner
en eigenaar van het huis wenste te spreken. Zij zei dat hij in rouw was en bedroefd voor zich uit zat te staren in z’n
eentje. En ik zei haar dat ik hem sterkte kwam toewensen: “Zeg hem dat vriend die en die vraagt hem te komen troosten.” Daarop ging ze naar de schoolmeester toe, bracht hem hiervan op de
hoogte, en hij zei haar: “Laat hem maar binnenkomen.” Hij gaf haar opdracht mij
binnen te laten. Toen ik binnenkwam, zag ik hem treurig in z’n eentje zitten met
z’n hoofd tussen de handen geklemd, in rouw. En ik zei hem: “Sterkte, dat God
je moge bijstaan! Deze weg moet iedereen eens gaan. Je moet het met geduld verdragen.” En ik vroeg hem: “Wie is er in je familie gestorven?” En hij
antwoordde: “Degene, die mij het liefst en dierbaarst is van alle mensen, is
overleden.”
“Was het je zoon?” “Nee”
“Was het je broer?” “Nee”
“Iemand van je naasten?”
“Nee”
“Is het geen verwante van je?”
“Mijn minnares!” Toen dacht ik bij mijzelf: Dit is een eerste teken van
domheid! En ik zei hem:
“Er zijn toch nog genoeg anderen? Wanneer heb je haar het laatst gezien?”
Waarop hij zei:
“Het is mijn geliefde, die ik nog nooit heb gezien.”
“Hoe kun je verliefd zijn op iemand die je nog nooit hebt gezien?”
“Weet dat ik voor mijn raam zat, toen er een man op een ezel voorbij reed en uit
wat hij zong maakte ik op dat hij het over de liefde van mijn leven had:
“Moedertje Jeugd (Oem Amr), God belone je ruimschoots,
kom bij mij, waar je ook bent.”
[Nacht 404] En Sheherazade zag het eerste gloren van de dag, en hield haar mond en vertelde niet verder die nacht dit mooie verhaal. De volgende avond vertelde ze verder: Sire, luister naar wat de schoolmeester (fqih) te vertellen had:
Toen de man, die op de weg voorbij kwam zijn lied zong en ik hem hoorde zingen, dacht ik bij mijzelf: “Er is niemand zoals Moedertje Jeugd (Oem Amr) in mijn leven, en vanaf dat moment sloeg de verliefdheid in mij toe …..” Twee dagen later kwam dezelfde man langs en hij zong:
“T’ is waar: de ezel is er vandoor met Moedertje Jeugd (Oem Amr),
zij is nooit teruggekomen, en ook mijn ezel niet.”
Daaruit maakte ik op dat zij gestorven was, en treurde ik om haar, en vandaag is het de derde dag van rouw. Ik ging bij hem weg, en meed hem voortaan, want dit was een echte domme schoolmeester!
Het verhaal komt uit de Duizend en Een Nacht. De samenstelling hiervan wordt aan Abu Nuwas toegeschreven. Hij was schrijver aan het hof van Haroen Arrachid. Op grond van zulke verhaaltjes heeft men gedacht dat Abu Nuwas behalve een verzameling sprookjes ook nog een verzameling grappen bijeen heeft gebracht. Dat boek is nooit gevonden, maar sommige geleerden denken dat veel Nasreddin- en Jehaverhaaltjes ( zie blog gedateerd: 2016, 23 nov, 5 dec; 2017, 13, 20 en 27 feb, 6 mrt) misschien door hem zijn verzameld.
Ik heb er een vertaling van gemaakt die dichtbij de meegeleverde Arabisch tekst staat. Die vertaling wijkt nogal af van die van Burton en Richard van Leeuwen, ook naar inhoud. Dat komt vooral omdat ik betekenis geef aan de naam uit het gedicht “Oem Amr”. Door deze betekenis komt het verhaal in een Soefi-traditie te staan. Ineens valt alles op zijn plaats: want waarom zou deze schoolmeester een kei zijn in het lezen van de Koran? Hij geeft daar blijkbaar een onorthodoxe uitleg aan, namelijk de manier waarop een soefi toenadering tot zijn geliefde (=God) zoekt. Soefisme is een vorm van mystiek bedrijven zoals wij dat in de beginperiode van het christendom hebben gekend. In de orthodoxe islam is dat ketterij. En zeker de gelijkstelling van het voortschrijden van de tijd, "Jeugd" met het ervaren van “God” is godslasterlijk. Toch staat dit hier in de Duizend en Een Nacht, een boek uit waarschijnlijk het meest tolerante en welvarende tijdperk in de Arabische wereld.
Het gaat dus in dit grappige verhaal alweer om theologie en in dit geval de meest onderdrukte tak van de Islam, het Soefisme. Is het dan nog wel grappig? Grappig is in ieder geval hoe wij hiervan een absurd verhaal proberen te maken en hoe zij uit de klassieke tekst alles dat wijst op ketterij proberen te weren. Maar het verhaal heeft stand gehouden!
maandag 27 maart 2017
Een domme boer liep naar huis achter zich aan trekkend aan
een halter zijn ezel. Een stelletje spitsboeven kreeg hem in de gaten, en de een
zei tegen de ander: “Kom op, we gaan de ezel van die man afpakken.” Hij sloop
naar de ezel toe, maakte de halter los, en gaf de ezel aan zijn metgezel die er
vlug mee vandoor ging. Daarna deed hij de halter over zijn eigen hoofd, en liet
hij zich door de boer een stukje voorttrekken, totdat zijn metgezel met de ezel
uit zicht was. Toen hield hij plots de pas in, en stond nukkig als een ezel stil.
De boer keek verbaasd om en zag tot zijn verwondering niet de ezel maar een man
aan de halter vastgebonden achter zich staan en riep uit: “Wie mag jij wel niet wezen?” De
spitsboef antwoordde: ”Ik was jouw ezel. Nee, nee, luister nou eens goed naar
mijn verhaal! Het is een wonderlijk verhaal. Ik had een goede vrome moeder, en
op een dag kwam ik dronken thuis. Geërgerd over mij in die toestand te zien,
berispte ze mij zachtjes, maar ik –in plaats van vol berouw te schieten-- sloeg
haar met een stok, waarop zij tot Allah bad, en in antwoord op haar smeekbede
--verdorie nog aan toe-- werd ik in een ezel veranderd! Tot op de dag van vandaag had
ik die gedaante. Nu lijkt het erop dat mijn moeder bij God heeft bemiddeld om
mij weer in een gewoon mens terug te veranderen." De domme boer geloofde elk woord
van dit verhaal, sloeg zijn ogen op naar de hemel, en zei: “Echt waar, er is geen
macht groter dan die van Allah! Alsjeblieft, vergeef me wat ik je heb aangedaan!" De spitsboef vergaf de boer grif alles wat hij had misdaan, en ging weg om zich
bij zijn metgezel te voegen en de ezel tegen een schappelijk prijsje van de hand te
doen. Ondertussen ging de domme boer naar huis, liet aan zijn vrouw de breidel
met halter zien zonder ezel en vertelde haar het verhaal over de wonderlijke gedaanteverwisseling
van mens in ezel en terug. In de hoop de hemel te verzoeken gaf ze royaal aalmoezen en
bad ze vele gebeden om het kwaad af te weren, omdat zij een menselijk wezen als ezel in gebruik hadden gehad. Op een dag, toen de domme boer het thuis niet meer uithield om er
zonder iets te doen rond te hangen, ging hij naar de markt om een andere ezel
te kopen. En toen hij de marktplaats opliep waar alle beesten stonden vastgebonden,
zag hij tot zijn grote verbazing zijn eigen ezel staan, te koop aangeboden. Hij
liep naar de lange hangende oren van de ezel en fluisterde het in zijn grote
oren: “Wee jij, jij ongelukkige. Ongetwijfeld ben je opnieuw dronken geweest.
Bij Allah, ik zal je nooit meer kopen!”
Variaties op dit thema:
- Renisio, Etudes sur les dialectes berbères des Beni Iznassen du Rif et des Senhaja de Sraïr, 1932, Paris, Ernest Leroux, pag. 183-184 (ezel=koe of os).
- Contes choisis, Alfred Mörer, Nasreddin Hodja, 200 contes, illustrés, agrémentés, sélectionnés, 1980, ed. minyatur yayinlari, Istanbul, Türquie, pag. 36.
- Cursus Nederlands, Nederlands Centrum Buitenlanders (NCB), 1980.
- Jeha-verhalen uit 1977, Nawadir Jeha (نوَادرجحَا), (drukkerij, مطبعة اَلنصح لصَاحبهَا لَبكری عبد اَلعزيّز محمد), vert. Bellettrie, eigendom van Bekry Abd El Aziz Mohamed, pag. 33. (breidel van de ezel!)
- Didier Leroy, Les aventures de l’incomparable Molla Nasroddine, Bouffon de la Perse, Souffles, imprimerie France Quercy CAHORS, 1998.
- Vergelijk: Apuleius, vertaald door Vincent Hunink, De gouden ezel, Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2003.
Het lijstje hierboven is niet uitputtend. Dit thema is zo oud als de wereld! Waarover gaat het dan? Het gaat om het optuigen (van de ezel) en dat je dat goed moet doen. Het gaat dus helemaal niet om de diefstal, maar hoe je diefstal zo kunt verwoorden dat het eigenlijk geen diefstal meer is. Wij zeggen nog steeds een proces-verbaal of een aanklacht optuigen. Als je je zaak dus goed optuigt, kun je er veel bij winnen. De uitdrukking “(een ezel) optuigen” (harnachement) komt al van de Sumeriërs ( Les Métamorphoses de la sagesse au proche-orient assiatique, Daniel Arnaud, pag. 113). In het Franse woord voor spotdicht “harranque” is het ook nog terug te vinden. De ezel werd burro (mnl) of burra (vrl) genoemd; zelfs wij herkennen daarin nog ons woord “bureau”. In de Marokkaanse versie van het verhaal gaat het alleen maar om de breidel, die de boer op een andere ezel herkent nadat zijn eigen ezel hem is ontstolen. Waarschijnlijk is dit de oudste versie. Het verhaal gaat dus terug in de tijd tot zo’n 3000 jaar voor Christus! Wie zou dat gedacht hebben, en dan is het nog steeds herkenbaar als hetzelfde verhaal in 2017. Misschien is dit nog verwonderlijker dan dat de domme boer gelooft in de transformatie van een ezel in een mens en omgekeerd.
De gedaanteverwisseling wijst ook op de oude oorsprong van het verhaal. Het gaat namelijk niet zomaar om een gedaanteverwisseling maar om de hergeboorte van de een in een ander wezen, zoals men daarin gelooft in het boeddhisme. Langs een omweggetje word je er dus fijntjes op gewezen dat de domheid van de boer van tijdelijke aard is: niet alleen verandert de ezel terug in een dief, maar lijkt het verhaal ons ook te vertellen dat de dief de boer echt dommer maakt. Maar is dat wel zó? Het geweldige mededogen waarvan de boer en de boerin getuigen voor mens en dier, lijkt eerder een zegen voor ze dan de stress waaronder de dief moet leven. Steeds is hij weer afhankelijk van wat zijn pad kruist. En ja, daar zitten we alweer met een klein verhaaltje midden in diepgaande theologische kwesties. Is God hetzelfde als het lot (karma) dat ons ten deel valt door een min of meer berustende houding (gebreideld) of kun je het lot naar je hand zetten (ongebreideld)? En welke advocaat doet een goed woordje voor een domme boer? En wie voor een slimme bankier?
Abonneren op:
Posts (Atom)









