woensdag 31 juli 2019
Hoe Gargantua voor de monnik de abdij Thélème (1) liet bouwen..
(In de vertaling van Santford, met veel correcties van mijn hand)
Klik hier voor de originele teksten en noten.
Alleen broeder Jan had nog geen cadeau gekregen. Gargantua
wilde hem abt over Seuillé maken, maar dat sloeg hij af. Toen wilde hij hem abt
maken van Bourgueil of Saint-Florent, of van allebei tegelijkertijd, maar ook
dat sloeg hij af. De monnik antwoordde onomslachtig: “Hoe zou ik aan anderen
leiding kunnen geven, als ik met mezelf geen raad weet? Mocht het zo zijn dat
wat ik voor u gedaan heb, u welgevallig is en u in de toekomst op dezelfde
manier van dienst kan zijn. sta me dan toe een abdij te stichten naar mijn
eigen inzichten.”
Dit verzoek stond Gargantua aan en hij bood hem het landgoed
te Thélème (1) aan, gelegen aan de oevers van de
Loire, twee mijlen van het grote bos van Port Huault vandaan, om er zijn abdij
te bouwen. En broeder Jan vroeg Gargantua toestemming om zijn abdij anders (2) in te richten dan gebruikelijk was voor kloosters,
wat hij mocht. “Allereerst,” zei Gargantua, “moeten er geen muren om het
klooster heen gebouwd worden, omdat andere kloosters zich trots van de wereld afkeren
achter hoge muren.” “Inderdaad,” zei de monnik,” en dat er geen muren moeten
komen, heeft zijn redenen: waar muren zijn, voor en achter, daar wordt veel
geroddeld, bestaat er grote jaloezie en zweert men samen.”
Verder is het in bepaalde kloosters gebruik dat, wanneer er
een of andere gewone vrouw binnenkomt (eentje
van het preutse en zedige slag wel te verstaan), er achter haar meteen wordt
schoongemaakt. Daarom werd er besloten dat als er een non of een monnik per
ongeluk het klooster van broeder Jan zou binnenlopen, er ook meteen nauwgezet
achter ze zou worden schoongemaakt. En omdat het kloosterleven normaal bestond
uit regels met waar en wanneer je ergens moest zijn, werd besloten om nergens
klokken op te hangen, of een zonnewijzer of ander instrument om de tijd in te
kaderen. Werk zou worden verricht naar de gelegenheid en mogelijkheid zich
voordeed. “Want, “ zei Gargantua, “het tellen van de uren, dat is pas echte
tijdsverspilling. Wat voor goeds komt daaruit voort. Het is de grootste
gekkigheid om zijn leven in te richten naar het slaan van de klok (3) in plaats van naar het gezonde verstand.”
En omdat (4) er in die tijd
geen vrouwen in het klooster intraden, als die eenogig, kreupel, gebocheld,
mismaakt, lelijk, gek, onwijs, behekst of versloft waren, trouwens net zo als
dat er geen mannen intraden dan die met staar aan de ogen, met een te grote
neus (5), simpel waren of thuis lastig -- Hier
onderbrak hem broeder Jan: “Tussen haakjes, een vrouw die niet mooi is en ook
niet goed, waar deugt die dan wel voor?” Waarop Gargantua reageerde met: -- “Om
in het klooster te stoppen!” “Ja,” zei de monnik, “en om kousen te stoppen” –
werd er besloten, dat in zijn abdij slechts vrouwen zouden worden toegelaten,
als ze mooi waren, een lief karakter hadden en goed in hun vel staken, en van
de mannen alleen maar die werden toegelaten, die knap, recht van lijf en leden
en talentvol waren.
En omdat er in vrouwenkloosters geen mannen kwamen, tenzij
stiekem en illegaal, bepaalde men, dat er in broeder Jans klooster geen vrouwen
zouden zijn als er geen mannen waren, en ook dat er als er alleen mannen waren
als er ook vrouwen zouden zijn. En omdat zowel de mannen als de vrouwen, als ze eenmaal
ingetreden waren in het klooster, na afloop van een proeftijd ertoe werden
verplicht en gedwongen, er hun leven lang te blijven, bepaalde men, dat de
mannen en vrouwen in de nieuwe orde de volle en algehele vrijheid zouden hebben
om uit te treden, wanneer zij maar wilden.
En omdat de kloosterlingen gewoonlijk drie geloften deden, die van kuisheid, van armoede en gehoorzaamheid, bepaalde men dat in het klooster van broeder Jan, men naar eer en geweten getrouwd kon zijn, dat er ieder rijk kon zijn en vrij te doen was wat hij zelf wilde doen. De leeftijd waarop men kon worden toegelaten, was voor de vrouwen van tien tot vijftien jaar, voor de mannen van twaalf tot achtien jaar (6).
En omdat de kloosterlingen gewoonlijk drie geloften deden, die van kuisheid, van armoede en gehoorzaamheid, bepaalde men dat in het klooster van broeder Jan, men naar eer en geweten getrouwd kon zijn, dat er ieder rijk kon zijn en vrij te doen was wat hij zelf wilde doen. De leeftijd waarop men kon worden toegelaten, was voor de vrouwen van tien tot vijftien jaar, voor de mannen van twaalf tot achtien jaar (6).
De architectuur van de abdij Thélème.
De abdij heeft als architecturaal uitganspunt de zeshoek, de
vorm van een honingraat. Dat is nogal bijzonder, omdat meestal gekozen werd
voor het vierkant en de 45°
gekantelde vorm daaroverheen geprojecteerd, wat een achthoek oplevert. Waarom Rabelais waarschijnlijk voor de
honingraat heeft gekozen, valt in mijn commentaar te lezen (7).
De regels van de abdij.
Heel hun leven richtten zij niet in volgens wetten, statuten
of regels, maar naar hun eigen vrije wil
en inzicht. Zij stonden uit bed op, wanneer het hun uitkwam, dronken,
aten, werkten, sliepen, wanneer zij dat wensten. Niemand wekte ze, niemand zei
hun dat zij moesten gaan eten of drinken, of wat voor andere dingen dan ook te
doen. Zó had Gargantua het bepaald. Hun uitgangspunt was slechts deze regel:
Doe wat je zult willen!(8)
omdat vrije mensen, geboren in een goede familie, goed
opgevoed, die in goed gezelschap verkeren, van nature geneigd zijn het goede te
doen. Dat is wat ze hun eer noemen. Als zulke mensen door vernederende onderdrukking
en dwang te neer worden gedrukt en onderworpen, dan keren ze zich af van deze
nobele innerlijke neiging, waardoor ze spontaan tot het goede zijn genegen om
het juk van onderwerping af te werpen en stuk te slaan, want de mens is altijd
geneigd om dat wat verboden is te doen en te verlangen naar wat ons wordt
geweigerd.
Door deze vrijheid ontstond er een prijzenswaardige wedijver
om dat te doen, waarvan zij zagen dat het aan een iemand behaagde (9). Als een man of vrouw zei: Laten we drinken, dronken
ze allemaal. Als er eentje zei: Laten we spelen, gingen ze allen spelen. Zei
iemand: Laten in de wei gaan stoeien, dan gingen ze allen naar buiten. Ging men
op valkenjacht of gewoon jagen, dan reden de dames uit op hun paardjes (10) en statig voortschrijdende, goed gedresseerde rijpaarden,
met op hun schattige gehandschoende vuist een sperwer, een blauwvoet of een
smelleken (11) ; de mannen hadden andere vogels.
Allen waren zo voortreffelijk opgevoed dat er onder hen
niemand was die niet kon lezen, schrijven, zingen, spelen op welluidende
instrumenten, er geen was die niet vijf of zes talen sprak en er composities in
verzen en proza in kon maken. Nooit zag je zulke koene en hoofse ridders, zo
behendig te voet en in het zadel, of kloeker, flexibeler en vaardiger in de
omgang met de wapens dan die daar woonden. Nooit zag je zulke keurige dames, en
zo lieftallig en weinig vervelend, zo vlug met de naald en met elk eerzaam en
vrij vrouwenhandwerk, als die daar woonden.
Zo kwam het dat wanneer de tijd gekomen was dat een van de
kloosterbroeders, hetzij op verlangen van zijn ouders of om welke andere reden
dan ook, de abdij wilde verlaten, hij een van de dames meenam, die namelijk die
hem tot haar prins had uitverkoren, om met haar te trouwen. En hoewel zij ook
in Thélème in toewijding en vriendschap met elkaar geleefd hadden, in hun
huwelijk gingen ze nog beter met elkaar om, en op eind van hun dagen hielden
zij nog evenveel van elkaar als in de nacht van hun bruiloft.
Ik wil niet nalaten u mede te delen een raadsel opgeschreven
op een grote bronzen plaat gevonden in de fundamenten van de abdij:
Arme mensjes die
altijd maar het geluk verwachten
luister goed en hou
mijn woorden in gedachten.
Ik weet niet of je er
geloof aan moet hechten
aan wat er in de
sterren geschreven staat .
Sommigen laten dat
over aan de kwaden en slechten,
want niemands kennis
van wat te gebeuren staat
zal helpen het
kwalijk Lot te berechten . (12)
etc. etc.
maandag 17 juni 2019
Vakantie.
In de komende 6 weken moet u het doen met de oude bijdragen die al op het blog Klassieke Humor zijn verschenen.
In die tijd ben ik op vakantie. Dat wil zeggen in de weken van 17 juni, 24 juni, 1 juli , 8 juli, 15 juli en 22 juli staan er geen nieuwe posts op mijn blog.
Daarna gaan we door met de lotgevallen van Gargantua en Pantagruel. Met speciale aandacht voor Broeder Jan en Panurg.
Tot 29 juli, met een verhaal over de utopie, Thélème, waarin Broeder Jan zijn verdere leven hoopt te slijten. Ook Broeder Jan moest met vakantie.
Vriendelijke groeten,Willem.
zaterdag 15 juni 2019
Hoe een monnik van Seuillé het erf van de abdij voor
leegplunderen door de vijand ( Picrochole) behoedde.
(In de vertaling van
Santford, met enige correcties van mijn hand)
Klik hier voor de originele teksten en noten.
Hoewel we tot nu met grappige verhalen (1) hebben te maken, kennen we nog geen echte
grappenmaker aan het hof van Gargantua. Dat gaat nu veranderen met de
introductie van de Monnik (2). Rabelais
zelf was eerst Franciscaan en later Benedictijn en dit eerste optreden van de
grappenmaker heeft dan ook kenmerken van een zelfportret. In de latere boeken
krijgt deze eerste versie van de trickster in de figuur van Panurg een meer
afstandelijke, objectiverende vorm. Het is interessant deze ontwikkeling te
volgen, omdat ze gelijk opgaat met een groter maatschappelijk inzicht en zich
laat lezen als het levensverhaal van Rabelais.
Zo gingen ze te keer, plunderend en stelend, tot ze in
Seuillé (3) kwamen. Ze kleedden er de mannen en
vrouwen naakt uit en gapten alles, wat zij konden: niets brandde hun de vingers
of woog hun te zwaar. Ofschoon in de meeste huizen pest (4) heerste, traden zij overal binnen en roofden alles dat hun in
handen viel, en toch liep geen van hen de ziekte op. Dat was een vrij
wonderlijk geval: want de pastoors, kapelaans, predikanten, dokters,
chirurgijns en apothekers die de zieken kwamen bezoeken, verbinden en genezen,
bepreken, vermanen en bedienen, waren allen aan de besmetting bezweken. En die
duivelse rovers en moordenaars hadden er heel niets van te lijden. Hoe zit dat,
heren? Denkt er maar eens goed over na!
Toen het dorp eenmaal geplunderd was, verhuisden ze onder
een vreselijke herrie naar de abdij, maar vonden die stevig vergrendeld en
gesloten. Daarom marcheerde de hoofdmacht door naar de doorwaadbare plaats (5) van Vède, behalve zeven vendels voetvolk en
tweehonderd lansiers (6),
die halt hielden en de muren van het erf afbraken om de hele wijnoogst te
vernielen.
De arme duivels van monniken (7) wisten
niet, welke van hun heiligen ze zouden aanroepen. Op hoop van zegen werd de
klok geluid om de stemhebbenden in het kapittel (8)
op te roepen bijeen te komen. Daar werd besloten een schone processie te
houden, met versterking van heerlijke gezangen en litanieën tegen de vreemde
overweldiger, en bovendien fraaie smeekbeden voor de vrede.
In de abdij was toen een monnik die broeder Jan van Hakkum (9) heette,
jong, galant, kwiek, vrolijk van humeur, recht door zee, stoutmoedig,
waaghalzerig, vastberaden, groot, mager, flink van de tongriem gesneden (10), goed bedacht wat zijn neus betreft (11), knap in het afraffelen van getijden, knap in het
afdraaien van missen, knap in het beredderen van metten – om alles in één woord
te zeggen: een zo waarachtige monnik als de wereld er ooit zag, zolang als de
munnikerij al mannekes tot monniken maakte; voor het overige, een kloosterling
tot aan de tanden toe gewapend, als het op brevieren aankwam.
Toen hij het lawaai hoorde dat de vijand in hun ommuurd stuk
wijngaard maakte, trok hij erop uit om te onderzoeken wat zij uitvoerden, en zag
dat zij de tuin kaalplukten, die hun het hele jaar van de drank moest voorzien.
Daarop ging hij terug naar het koor van de kerk, waar de andere broeders,
allen, waren, verdaasd , als klokkengieters (12),
en zingend van
ini nim, pee, nee, nee, nee, nee, nee, nee, tum, nee, num,
num, ini, i, mi, i, mi, co, o, nee, no, o, o, nee, no, nee, no, no, no, rum,
nee, num, num. (13)
“Da’s mieters mooi gezongen, “ zei hij, “God nog aan toe,
zingen jullie liever: 'Dag manden vol, ons vat blijft voortaan leeg en hol'.
Haal me de duivel als ze niet op ons erf zitten en daar zó onder de druiven
huishouden, dat er, bij Gods gebeente, de eerste vier jaar niets te halen valt.
Bij het buikje van Jacobus, wat moeten
wij, arme drinkebroeders, nu al die tijd gaan drinken? Here mijn god, geef mij te drinken! Da mihi potum!”
Toen zei de prior van het klooster:
“Wat komt die dronken vent hier doen? Naar de cel met hem(14). Om zó de dienst van sinte Katrijn te verstoren!”
“En,” antwoordde de monnik (15),
“de wijn dan? Moeten we die in water laten veranderen? Laten we zorgen dat ons
dat niet overkomt, want gijzelf, mijnheer de prior, drinkt er zelf graag de
beste van. Zo doet ieder rechtgeaard mens: nimmer verafschuwt een edele ziel de
goede wijn, dat is een monnikenspreuk. En de smeekbeden die jullie me hier
zingen, zijn niet die van dit seizoen, God beware me. Waarom zijn onze getijden in het oogst- en plukseizoen zo
kort, terwijl ze ’s winters en in de advent zo lang zijn? Broeder Macé Pelosse (16), zaliger gedachtenis, een waar ijveraar (of anders
hale me de duivel) voor onze orde, heeft me gezegd, ik weet het nog goed, dat
het hierom was, dat wij in dit seizoen de wijn goed zouden persen en bereiden om
‘m in de winter heerlijk te kunnen opslobberen.
Luistert, heren, gij allen die de wijn mint: deksels nog aan toe, mee moeten jullie! Want, sint Antonius (17) mag me de huid schroeien, als ik er eentje hier later uit het vat zal zien proeven die de wijngaard niet te hulp is gekomen! Sapristi, de goederen van de kerk! Ah, neen! Duivels! Sint Thomas de Engelsman (18) heeft er wel voor willen sterven; als ik er bij stierf, zouden ze dan ook geen sint van me maken? Toch zal ik wel zorgen niet dood te gaan, want ik zal het zijn, die dit de anderen zal aandoen!”
Dit zeggende, stapte hij uit zijn zwaar habijt, greep de
kruisstaf, die gemaakt was uit het hart van de pereboom, lang als een lans, rond als een volle vuist, en
luchtig bezaaid met leliebloemen, die bijna allemaal waren uitgewist. Zo, in
zijn kale jak, trok hij er op uit, maakte een sjerp van zijn rok, en met de
kruisstaf sloeg hij zo onverhoeds op de vijand in, die zonder hoofdman, zonder
vaandel, zonder tamboer of trompetter, in het omheinde druiven plukte – want de
vaandrigs en de banierdragers hadden hun veldtekens langs de muur gezet, de
trommelslagers hadden hun trommels aan één kant ingedrukt om ze met druiven te
vullen, de trompetters waren beladen met druiventakken, ieder was uit de band
gesprongen (19), --hij ranselde er dus zó stevig
op los, zonder pas-op te roepen, dat hij hen als varkens ter aarde wierp,
meppend naar links en naar rechts, volgens de ouderwetse schermkunst. De een
sloeg hij de hersenen te pletter, de ander brak hij armen en benen, sommigen
ontwrichtte hij de halswervels, anderen kneusde hij de slapen, hij sloeg neuzen
plat, drukte ogen in, kliefde kinnebakken, trapte tanden naar binnen, rukte
schouderbladen uiteen, verminkte de benen, vermorzelde de heupen, vergruizelde
botten.
Probeerde er één, zich tussen de dichter opeenstaande
wijnstokken te verschuilen, hij verbrijzelde hem van onder tot boven de ruggengraat
en slachtte hem af als een hond. Wilde er een zich uit de voeten maken, hij
liet hem het hoofd bij de lambdanaad (20) in gruzelementen uiteenspatten. Klom er
een in de boom, denkend daar veilig te zijn, hij reeg hem bij het achterste aan
de stok. Als een oude kennis hem toeriep: ‘Ach, broeder Jan, beste vriend,
broeder Jan, ik geef me over!’ gaf hij ten antwoord: ‘Dat zal je wel moeten,
maar tegelijk zal je je ziel aan de duivel overgeven.’ En des te harder roffelde
hij een hagelbui van slagen op hem neer. Was iemand zo dol vermetel, hem te
willen weerstaan, dan pas toonde hij de kracht van zijn spierballen, want hij
doorstak hem de borst op de plaats van het hart en middenrif. Anderen trof hij
onder de ribben en keerde hun zo de maag om, dat zij er onmiddellijk aan stierven.
Nog anderen raakte hij zo geducht op de navel, dat hun darmen tevoorschijn
kwamen. Anderen weer doorpriemde hij de endeldarm dwars door de botten heen.
Geloof maar, dat dit het afgrijselijkste schouwspel was dat men ooit zag.
(21) Sommige riepen: sint
Barbara! anderen: sint George! anderen: sint Nitouche! anderen: Onze Lieve
Vrouw van Cunault! van Lorette! van Bonnes-Nouvelles! van Lenou! van Rivière!
Sommigen bevalen zich bij sint Jakob aan; anderen bij de heilige lijkwade van
Chambéry, die drie maanden naderhand zo terdege verbrandde, dat men er geen
draad van kon redden; weer anderen bij sint Jan van Angély, bij sint Eutroop
van Saintes, bij sint Mexme van Chinon, bij sint Martijn van Candes, bij sint
Cloud van Sinais, bij de relikwieën van Javarzay en duizend andere brave
heilige mannekes. De een stierf zonder te spreken, de ander sprak zonder te
sterven. Sommigen stierven al sprekend, anderen spraken al stervend. Enigen
riepen luidkeels: ‘Ik beken schuld, heb mededogen met mij, ik leg mijn heil in
uw handen! Confiteor Miserere! In manus!”
Zo erg was het geschreeuw van de slachtoffers, dat de prior
van de abdij met al zijn monniken naar buiten trad. Toen zij de arme duivels
bemerkten, die dodelijk gekwetst, in de wijngaard op de grond lagen, namen zij
enkelen de biecht af. Maar terwijl de priesters daar de tijd mee verbeuzelden,
draafden de jeugdige monnikskuikens naar de plek waar broeder Jan zich ophield
en vroegen waarmee ze hem mochten helpen. Zijn antwoord was, dat zij degenen
die op de grond lagen, moesten kelen. Toen, hun grote pijen over een prieel
hangend, zetten zij zich ertoe, al diegenen te kelen en af te maken, die
broeder Jan alreeds ten dode verwond had. Kunt gij denken met wat voor
gereedschap? Met aardige kleine mesjes die de kindertjes van onze streek
gebruiken om noten te ontbolsteren (22).
Daarna haastte broeder Jan zich met zijn kruishout naar de
bres die de vijand geslagen had. Enige monnikjes namen de banieren en de
vaandels mee naar hun kamer om er jarretels van te maken. Maar toen degenen die
gebiecht hadden, zich door de bres uit de voeten wilden maken, knuppelde de
monnik hen dood, zeggende: ‘Al dezen hebben gebiecht en boete gedaan, hun
absolutie hebben ze ontvangen: (23) recht als
een hoepel en als de weg naar Hoppe gaan ze de hemel in.’
Aldus werd door zijn koenheid iedereen in de pan gehakt, die
het ommuurde was binnengedrongen, ten getale van dertien duizend zeshonderd
tweeëntwintig, ongerekend de vrouwen en de kleine kindertjes, dat snapt u wel (24).
Terwijl de monnik zo schermutselde met degenen die de tuin waren binnengedrongen, trok Picrochole in grote haast met zijn lieden over de doorwaadbare plaats van de rivier naar Vède en viel aan op La Rochelle-Clermaud, dat geen tegenstand bood.
donderdag 6 juni 2019
Hoe tussen de bollenbakkers (1) van Lerné en de
lieden uit het land van Gargantua de ruzie ontstond die tot verschrikkelijke
oorlogen leidde.
(vertaling vrijwel helemaal door Santford)
Hoe tussen de bollenbakkers (1) van Lerné en de
lieden uit het land van Gargantua de ruzie ontstond die tot verschrikkelijke
oorlogen leidde.
(vertaling vrijwel helemaal door Santford)
Klik hier voor de originele teksten en noten.
Alle begin is klein, maar de gevolgen kunnen enorm groot zijn.
Alle begin is klein, maar de gevolgen kunnen enorm groot zijn.
(Livius, boek 7,
einde Hoofdstuk 2: Inter aliarum parva principia rerum, ludorum quoque prima
origo ponenda visa est, ut appareret, quam ab sano initio res in hanc vix
opulentis regnis tolerabilem insaniam venerit.)
Het was in die tijd (2), het begin van de herfst en het seizoen van de wijnoogst, dat de herders uit de streek de wijngaarden bewaakten om spreeuwen te beletten van de druiven te eten. Op dat tijdstip kwamen de bollenbakkers van Lerné de grote weg langs, om tien of twaalf lasten van hun gebak naar de stad te brengen. De herders vroegen beleefd tegen betaling van de marktprijs er wat van te mogen kopen. Want ’s morgens is het een hemelse spijs om zijn druiven met verse bollen te eten, al zijn het maar bourgognedruiven, vijgdruiven, muskadellen, geitendruiven, of schijtdruiven voor lieden met een harde buik, want die schijtdruiven zorgen ervoor dat je als in een rechte roestige stalen straal schijt(3). Soms denk je een windje te laten, maar bevuil je jezelf.
De bollenbakkers waren er helemaal niet voor te vinden, en
wat erger is, ze daagden de herders vreselijk uit en scholden hen uit om ze te
provoceren voor uitvaagsel, rotkiezen, rooien, slampampers, poepbroeken,
schooiers, gluipers, nietsnutten, lekkerbekken, hangbuiken, opscheppers,
deugnieten, lomperds, sabbelaars, geuzen, sabelslijpers, bestekdieven,
komieken, lijntrekkers, pummels, vlegels, sloebers, spotvogels, sloompies,
bibberwangen, strontkoeien, kakherders en meer van zulke smadelijke
betitelingen (4). En dan zeiden ze ook nog dat
die heerlijke bollen volstrekt niet voor hen bestemd waren, maar dat zij blij
mochten zijn om een homp grof brood van zemelen te eten te krijgen.
Op deze provocatie antwoordde een van de herders, Frogier (5), een allerkeurigst man van uiterlijk en een
achtenswaardig vrijgezel, goedmoedig:
“Sedert wanneer hebben jullie horentjes om ruzie te maken?
Wat is er aan de hand? Vanwaar die kwaadaardige arrogantie? Altijd gaven jullie
ervan aan ons, en nu vertikken jullie het? Dat is niet zoals goede buren met
elkaar omgaan! En als jullie hier komen om kwaliteitstarwe te kopen, dan doen
we toch ook niet moeilijk. Als je geen tarwe hebt, kun je geen bollen meer
bakken of pasteien. En druiven krijgen jullie van ons altijd op de koop toe.
Hier komen jullie om de bliksem niet zomaar mee weg. Wacht maar tot je op de
een of andere dag met ons te maken krijgt. Dan betalen we jullie met gelijke
munt! Knoop dat maar eens in je oren!”
Marquet, stafhouder (deken) (6) van het gilde de
bollenbakkers, antwoordde hem:
“De haren rijzen je vanmorgen wel heel erg vlug ten berge.
Kom niet zo vlug aangebrand! Gisteravond zeker te veel bier (7) gedronken? Kom maar hier dan
zul je je bolletje krijgen.” Forgiers kwam naïef dichterbij en haalde zelfs een dubbeltje
(8) uit zijn riem, in de veronderstelling dat Marquet hem een paar
van zijn bollen zou geven; maar die gaf hem zo’n geweldige zweepslag dat de
knopen in het beenvel stonden. Toen wilde hij er vlug vandoor gaan. Maar Forgier
zette het op een schreeuwen, hij schreeuwde moord en brand, zo hard hij kon,
wierp hem een grote knuppel achterna, die hij onder zijn arm had. Die
raakte Marquet precies op naad van het voorhoofdsbeen (9)
rechts op de slagader van de slaap. Marquet viel van zijn merrie, meer
dood dan levend.
Ondertussen kwamen de pachters die niet ver hiervandaan
noten aan het pellen waren geweest en met lange staken de noten van de bomen
afsloegen, aangelopen en ranselden met hun lange staken op de bakkers los, alsof
ze niet rijpe rogge aan het dorsen waren. Ook de andere herders en herderinnen
verschenen ten tonele. Zij hadden katapulten en steenslingers bij zich en ze
achtervolgden de bakkers met steenworpen die zo dicht neervielen dat het wel
leek te hagelen. Toen ze de bakkers hadden ingehaald, pakten ze hen vier of vijf
dozijn bollen af, die ze tegen de gewone prijs aan hen vergoedden. En ook zoals
gewoonlijk gaven ze nog honderd kastanjes en drie manden vol witte druiven toe.
En de bakkers zetten Marquet, die lelijk toegetakeld was, weer op zijn merrie en keerden onverrichter zake zonder de weg naar Pareillé in te slaan, terug naar Lerné.
Onderweg vervloekten ze de herders, veedrijvers en boeren van Seuillé hartgrondig.
Nadat de bakkers weg waren, smulden de herders en
herderinnen (10) van de bollen en
kostelijke druiven. Ze maakten plezier op de schone klanken van een doedelzak,
en staken de draak met de ijdele mooie bollenbakkers, die omdat ze met de verkeerde hand een kruisje hadden gemaakt, zo ongelukkig
waren geweest het verkeerde pad op te gaan. De
benen van Forgier betten ze met grote hondsdruiven (11)
en dat deden ze zo goed dat hij spoedig genas.
In Lerné teruggekeerd, trokken de bollenbakkers zonder te
eten of te drinken, rechtstreeks naar het Kapitool (12) en
maakten daar hun koning die Picrochole (13) heette
en de derde was van die naam, hun klacht aanhangig, wijzend op de kapotte
manden, hun verfomfaaide mutsen, hun gescheurde jassen, hun geplunderde bollen,
en bovenal op Marquet, wiens wonde enorm was, zeggende dat dit alles het werk
was van de herders en pachters van Grandgousier, nabij de grote kruisweg (14) buiten
Seuillé. Dadelijk ontstak Picrochole in een geweldige driftbui en
zonder verder te vragen naar het hoe en waarom, liet hij door zijn ganse land
afroepen dat men …. ten middagure op het plein voor het kasteel onder de
wapenen (moest verschijnen).
dinsdag 28 mei 2019
Hoe Gargantua de Parijzenaren verwelkomde.
Hoe Gargantua de Parijzenaars bij zijn aankomst onthaalde en hoe hij de klokken van de Notre Dame meenam.
Een paar dagen na zich te hebben opgefrist, bezocht
Gargantua de stad. Iedereen bekeek hem met grote verbazing, want het volk
van Parijs is zo zot dat als het een kunstenmaker, een verkoper van medailles,
een muilezel met schellen aan of een draaiorgelman, hoort, er meer mensen van alle kanten
toestromen om die attractie te zien dan wanneer iemand met een goede preek
over de bijbel zich laat horen.
Hij kreeg zo’n last van ze dat hij besloot even op toren van
de Notre Dame uit te rusten. Daar aangekomen zag hij zoveel mensen om zich heen
dat hij daarover luid en duidelijk zijn mening ten beste gaf:
“Ik heb de indruk dat deze vlegels willen dat ik hun te
kennen geef dat ik het op prijs stel dat ze mij welkom heten, en er geld op
toeleg. (1) Ze hebben gelijk. Ik zal uit
dankbaarheid hun mijn wijn te drinken geven, maar dat zal alleen gaan in
gulpen.”
Toen al grinnikend maakte hij zijn mooie broek los, haalde
zijn geslacht te voorschijn, richtte het naar boven, en plaste zo krachtig op
hen dat er tweehonderdzestigduizend vierhonderd achttien verdronken, niet meegerekend vrouwen en kleine kinderen.
Slechts enkelen die vlug ter been waren, wisten aan deze
plaspartij te ontkomen. En toen zij zwetend, hoestend en buiten adem ter hoogte
van de Universiteit (Sorbonne)
kwamen, begonnen ze te vloeken en te tieren, sommigen echt kwaad, anderen meer
ingehouden: “Nondeju, Getverdrie, sodeju, Carymari, Carymara. Moedertje lief,
wie neemt er overdag nou zo’n stortbad? Die wildplasser betaalt ons met zíjn p(a)rijs.”
En sinds die tijd heet Lutetia, zoals Strabo het nog noemt (wat komt van leuketia=
de blanke, vanwege de blanke dijen van de dames van de stad): P-a-rijs!
En alle omstaanders legden een eed af bij die nieuwe naam ieder bij de heilige
van zijn parochie. Want Parijzenaren komen uit alle streken, standen en lagen.
Ze zijn er in alle vormen en maten, maar hebben een ding gemeen: ze kunnen goed
vloeken en zweren(2). En ze zijn uitstekende
juristen, maar wel een beetje ijdel. Hierdoor vindt Joaninus van Barranco dat
de naam Parijs toch afgeleid is uit het Grieks, maar dan van het Griekse
Pharhesiaan (3), wat “hanig” betekent.
Nadat hij dit had gedaan, nam hij de klokken van deze torens
eens in ogenschouw. Hij liet ze eens mooi harmonieus opklinken. Toen hij dat
hoorde, bedacht hij dat dit wel mooi zou klinken om de hals van zijn paard, dat
hij naar zijn vader wilde terugsturen, volgepakt met verse haringen en Brie(kaas) . En inderdaad, hij nam de klokken mee naar zijn verblijf.
Hij zette ze neer voor zijn deur, toen er een “opperkeurmeester”
van hammen van het Gilde van de HeiligeTeunis (bedelmonniken) voorbij
kwam. Hij was naar zijn portie varkensdij op zoek. Om van zich te laten horen
en het spek te laten sidderen in de pan, wilde hij deze klokken stiekem
meenemen. Maar uit fatsoen liet hij ze toch maar staan, niet omdat hij er zijn
handen aan zou branden, maar omdat ze een klein beetje te zwaar voor hem waren.
Ik wil hier uitdrukkelijk verklaren dat dit niet de bedelaar van Bourg (4) was, want dat is een te grote vriend van mij.
De hele stad kwam in opstand. U weet dat de Parijzenaren
daartoe vlug zijn te verleiden, in die mate dat buitenlandse mogendheden
verbaasd staan over het geduld van de Franse koningen die hen niet arresteren,
wat hun goed recht is, gezien de ongemakken die dit dagelijks met zich
meebrengt.
Gave God, dat ik het kantoor kon achterhalen waar deze
schisma’s en complotten worden bekokstoofd, zodat ik ze kon verklikken aan de
kloosterbroeders van mijn parochie (5). Geloof maar van mij dat waar dat volk
bij elkaar kwam, Nesle (6) heet, de plaats waar vroeger het orakel
van Lutetia was, dat er nu niet meer is. Daar werd van de diefstal aangifte
gedaan en de overlast die het weghalen van de klokken had veroorzaakt.
Men besluit iemand naar Gargantua te sturen om de klokken
terug te vragen. En zoals u weet zijn ze ook ooit eens terug geweest in de
torens van de Notre Dame. Maar nu niet meer.
vrijdag 24 mei 2019
Gargantua gaat naar Parijs.
Fayole (1) de vierde koning van Numidië (2), zond in die tijd uit Afrika naar Grandgousier zo’n geweldig forse en grote merrie als nog nooit iemand had gezien (3). Maar het beest had ook de eigenschappen van een monster (zoals u weet komen ze uit Afrika altijd met dat soort nieuwigheden), want ze was even groot als zes olifanten (4) ze had gespleten hoeven net als het paard van Julius Cesar (5), hangoren net als de geiten in de Languegoth (6), op de kont had het een hoorntje. Haar vacht was grijs gespikkeld kastanjebruin. Maar het belangrijkste aan haar was de staart, want die had de afmetingen min of meer van de zuil (7) van Saint Mars (8) in de buurt van Langeais. Die staart was net zo vierkant en knoestig als die zuil met weerhaken, zoals je die hebt aan korenhalmen (9).
Mocht je hierover niet verwonderd zijn, dan ben je vast en
zeker wel verbaasd over de staarten van Scythische rammen (10), die meer dan 30 pond wegen. En dan heb je nog de Syrische schapen, die als
je Thenaud (11) mag geloven een karretje achter zich aan hebben om de staart
met zich mee te kunnen dragen, zo lang en zwaar zijn die. Zulke prachtbeesten hebben jullie niet (12)!
Die merrie werd overzee op drie vrachtschepen begeleid door
een brik naar de haven van Olone in Thalmondois (13) gebracht. Toen Grandgousier de
merrie zag, riep hij uit: “Dat hebben we nu precies nodig om mijn zoon naar
Parijs te laten gaan. Nu zal als God het wil alles goed komen. Hij zal in de
komende tijd uitgroeien tot een groot geleerde! Als de heren geen beesten
waren, zaten we nu nog met de geleerden!” (14)
De volgende dag gingen Gargantua, zijn leermeester
Ponocrates, zijn gevolg waaronder Eudemon, zijn jonge page, na gedronken te
hebben (natuurlijk) op weg naar Parijs. En omdat het helder en zwoel weer was,
liet zijn vader hem rode laarsjes aandoen, die de schoenmaker Babin kothurnen (15) noemt. Zó trokken ze vrolijk verder het land door, in de beste stemming, tot ze
kwamen net voor Orleans. Op die plaats is een groot uitgestrekt bos van wel 35
mijl lang en 17 mijl diep, zo ongeveer. Het is een heel erg weelderig bos, vol
koeienvliegen en horzels. Voor de arme merries, ezels en paarden was dit een
ware kwelling. Maar de merrie van Gargantua nam het op zich voor alle leed zijn
soortgenoten aangedaan wraak te nemen. En hoe! Niemand had het zien aankomen.
Want, nog maar nauwelijks waren ze het bos binnengegaan en waren de horzels tot de aanval overgegaan, zwiepte ze met haar staart om zich heen en wel
zo grondig dat ze het hele bos meenam in haar verweer tegen de beestjes. Naar
hier, naar daar, overlangs, overdwars, bovenlangs, onderlangs maaide ze het bos
om als een echte grasmaaier. Sinds die tijd is er geen bos meer, en zijn er ook
geen horzels meer. Het hele land was in bouwland veranderd.
Dat deed Gargantua groot plezier en zonder te pochen zei
hij: “Dit vind ik nou mooi, in het Frans ‘beau ce’” Vanaf die tijd heette deze
streek Beauce (16). Ondanks alles waren de mensen die er woonden arm, en leden
ze regelmatig aan de geeuwhonger. Daardoor hadden de edellieden van Beauce de
gewoonte om ’s ochtends te geeuwen bij het opstaan en niet te ontbijten. Wél
konden ze des te beter spugen. Ten slotte kwamen ze in Parijs aan. Ze namen
drie dagen rust waarin ze het er goed van namen, en ze mengden zich onder de
mensen om te weten te komen welke geleerden er nu in de stad aanwezig waren en
wat voor wijn ze dronken.
Abonneren op:
Posts (Atom)














