dinsdag 28 januari 2025
zaterdag 25 januari 2025
Spijker en Huis
Aboe Nawas: de afloop.
Commentaar!
Toen de morgen was aangebroken, verliet Aboe Nawas, als Jood verkleed, het huis en begaf zich naar de vorst. Toen hij het paleis bereikt had, zat daar juist de vorst, omringd door de prinsen, rijksgenoten en al zijn onderdanen. Aboe nawas begaf zich tot hem, boog voor den vorst en sprak: “Vergiffenis, mijn heer, duizendmaal vergiffenis. Ik zou aan Uwe Majesteit aller eerbiedigst willen mededelen hetgeen mij is overkomen. Vannacht is mijn moeder door mijn vader om het leven gebracht, zonder dat ik weet waarom. Maar ik weet zeker dat mijn moeder in ‘t geheel geen schuld heeft. Wat beveelt gij thans?”
Haastig ijlde de vorst naar het
huis van den Jood. Toen deze hoorde, dat de vorst op komst was, rende hij van
angst alle kanten uit en zocht een goed heenkomen. Nadat de vorst had gezien,
dat de Jood niet meer thuis was, sprak hij tot Aboe Nawas, terwijl hij de
rijksgenoten, die in zijn gevolg waren, aanzag: “Het is het beste dit huis maar
te verkopen,” waarop Aboe Nawas antwoordde: “Al wat mijn heer beveelt, zal ik
uitvoeren.” De vorst hernam: “Het zij zo. Bewaak gij slechts voorlopig dit
huis. Morgen zal ik hierheen komen, met al mijn rijksgenoten. Gij, minister, “
sprak de vorst tot één uit zijn gevolg, “sla gij thans het bekken, opdat men
zich morgen vroeg verzamele in het huis van dezen Jood.”
Na aldus zijn bevelen gegeven te
hebben, begaf de vorst zich weer naar zijn paleis.
De volgende ochtend stroomden de
mensen naar het huis van den Jood. En de vorst sprak: “Wie van ulieden wil dit
huis met al zijn toebehoren en inhoud kopen?
Aboe Nawas sprak tot de vorst: “Heer,
ik heb een verzoek, dat namelijk deze éne spijker niet in de verkoop begrepen
wordt.
En de vorst keurde dat goed.
Daarop liet hij het huis verkopen.
Een Jood, die in lijnwaad
handelde, werd eigenaar voor de som van 3000 rijksdaalders. Daarop keerde de
vorst en de anderen weer naar huis terug.
Enige dagen later, zo wordt verhaald, nodigde de Joodse Koopman zijn vrienden
en kennissen uit tot een feestelijke maaltijd in zijn pas gekochte huis.
Toen Aboe Nawas dat hoorde, ging
hij er op uit stinkende krengen te zoeken, nam ze mee naar dat huis en hing die
op aan de spijker, die niet mee verkocht was.
De Jood zag dat en zei tegen
Aboe Nawas: “Wel, mijn vriend, hoe zal ik me straks moeten schamen voor mijn
gasten, als ze die krengen zien en ruiken. Wanneer gij zo goed wilt zijn ze dadelijk
weg te halen, dan wil daarvoor wel een
kleinigheid geven."
“Dat zal gebeuren,” antwoordde
Aboe Nawas, “maar geef me eerst 3000 rijksdaalders, en zo niet, dan komt ge in
moeilijkheden.”
Met tegenzin gaf de Jood aan
Aboe Nawas het geld, en deze nam de krengen met spijker en al en wierp ze weg.
Daarop keerde hij weer naar
Bagdad terug, verheugd dat hij zoveel geld had verworven. Hij gaf daarvan een
gave aan de armen en behoeftigen en nodigde zijn vrienden en gezellen uit tot
een feestmaaltijd te zijnen huize.
zondag 29 december 2024
Letterkunde van de Indische archipel, Elsevier, 1947.
Verhaal 9 (geschreven in 1942 in Indonesië) pag. 110-111:
Kerst en Nieuwjaar 2025: Lees het commentaar!
Aboe Nawas en de Jood (Deel 3)
Aboe Nawas
begaf zich nu op weg naar de woonplaats van den Jood. Na enige tijd kwam hij
daar aan en vroeg den Jood bij hem als koeli te mogen dienen. Deze nam dat aan
op dezelfde voorwaarden als bij zijn broer.
Aanvankelijk werkte Aboe Nawas dag en nacht zonder ophouden en was zijn werk in orde, maar na een dag of drie werd het al minder, en daarna deed hij helemaal hetgeen hij zelf wilde: werd hem opgedragen brood te bakken, dan deed hij dat wel, maar was het gaar, dan at hij het zelf tot de laatste kruimel toe op.
Toen de Jood zulks zag, sprak hij toornig tot Aboe Nawas: “Hé, koeli, waarom doe je alleen maar waar je zelf zin in hebt?”
En Aboe Nawas antwoordde: “Wat bemoeit gij u eigenlijk met mijn zaken? Als het u niet aanstaat, dan kunt gij mij ontslaan. Maar denk erom: één pond van uw vlees!”
De Jood stond sprakeloos, en dacht: “Het is het beste als ik deze kerel van kant breng.” Even later zei hij: “Hé, kerel, eet die rijst niet uit de pot. Als ik zie, dat je tegen mijn bevelen ingaat, dan vermoord ik je, daar kun je op rekenen.”
“Dat is me om het even,” zei Aboe Nawas.
Toen de rijst gaar was, wilde Aboe Nawas ze eten. Hij peuterde wat aan de onderkant van de pot, brak er een gat in en lepelde zo de rijst eruit en at het op (Marmite en het commentaar! Spreekwoord: “de krenten uit de (rijste-) pap halen”) . En de Jood stond stomverbaasd toen hij dat zag.
“Zolang ik mensen in dienst heb, heb ik nog nooit zo’n koeli gehad. Hij maakt nog dat ik aan het kortste eind trek,” dacht hij bij zich zelf. “Als ik hem ontsla, ben ik een pond vlees kwijt, daar kan ik wel zeker van zijn. Maar als het zo staat, wel, dan zal ik hem ombrengen, als hij vannacht slaapt.”
Daarop verhaalde de Jood hetgeen hij van plan was aan zijn vrouw. Het geval wilde echter dat Aboe Nawas hoorde, wat zij met hun beiden bespraken.
Toen het avond geworden was, hield Aboe Nawas zich slapende. Ook de Jood deed alsof hij ging slapen en wilde een gunstig moment afwachten, maar Allah beschikte hem een zeer diepe slaap. Toen Aboe Nawas dat had gemerkt, drong hij de kamer van den Jood binnen, nam zijn vrouw op en legde haar op zijn eigen slaapstede, en legde zich vervolgens naast de Jood te slapen neer. Een ogenblikje later wekte hij den Jood, die, menend dat degene die hem wakker maakte niemand anders kon zijn dan zijn vrouw, opstond, een mes nam en zich naar de plaats begaf, waar Aboe Nawas placht te slapen. Zonder het minste gevoel sneed hij zijn vrouw de hals af, in de vaste overtuiging dat het Aboe Nawas was. Daarop ging hij weer slapen.
Toen Aboe Nawas had gezien, dat de Jood weer in diepe rust verzonken was, ging hij de kamer uit, haalde het lijk van de vrouw en legde het weer in de slaapkamer naast de echtgenoot, en ging zelf weer naar zijn eigen slaapplaats.
zaterdag 23 november 2024
Letterkunde van de Indische archipel, Elsevier, 1947.
Verhaal 9
(geschreven in 1942 in Indonesië) pag. 108-110:
Aboe Nawas en de Jood
“Heb medelijden, Heer…….” (Deel 2)
De volgende dag gaf hij het geld aan zijn broer, met de woorden: “Handel nu met voorzichtigheid en overleg met dit geld, wellicht dat het zich vermeerdert. Volgens mij is het beter om naar een andere plaats te gaan en dáár handel te drijven, want hier is thans geen gelegenheid voordelig zaken te doen.”
Ongeveer
en half jaar later kwam men bij geruchte iets te horen van Aboe Nawas’ broer,
die naar elders was gegaan om handel te drijven. In plaats dat hij winst had
gemaakt, had hij zijn hele kapitaal erbij ingeschoten. Met een gedeelte hadden
sommigen zich uit de voeten gemaakt, hij was bestolen, en ook waren er oninbare
posten geweest. Tenslotte was hij weer tot armoede vervallen, zozeer, dat hij
niets meer te eten of te drinken had. Hij vervoegde zich daarom bij een Jood om
zich als koeli bij
hem te verhuren. Deze Jood vroeg hem: “Wie zijt gij eigenlijk?”
Hij antwoordde: “Ik ben
afkomstig van elders. Oorspronkelijk kwam ik hier om koopmanschap te drijven,
maar ik leed verliezen, totdat mijn handelskapitaal geheel weg was. Nu kom ik
hier bij u om als koeli te werken.”
“Goed”, zei de Jood, “als gij
het goed vindt, geef ik u zes gulden per maand.” Toen hij daarmee instemde,
zei de Jood verder:
“Maar ik heb één voorwaarde. Wanneer gij uw dienst opzegt, zonder mijn
goedvinden, moet gij de schade, die ik lijd, betalen met een pond van uw vlees.
En wanneer ik aan mijn kant niet meer tevreden ben met uw werk, en u ontsla,
dan zal ik u een pond van mijn vlees geven.”
Na zo een overeenkomst te hebben
opgemaakt en getekend, werkte hij bij dien Jood. Dag en nacht zette de Jood hem
aan het werk, zonder ophouden, opdat hij het maar niet uit zou kunnen houden,
en zou vragen te mogen worden ontslagen. Zijn arbeid werd bij de dag zwaarder.
Tenslotte kon hij niet meer volhouden en dacht bij zich zelf: “het is beter dat
ik hier maar vandaan ga.” Daarop ging hij naar de Jood en vroeg zijn ontslag.
Deze sprak: “Het is goed, maar denk aan uw verplichting jegens mij. Eén pond
van uw vlees!” “Ik weet het,” zei hij, “maar wat moet ik anders? Dit moet me nu
eenmaal gebeuren, zo wil het lot!”
Daarop sneed de Jood hem een pond vlees uit zijn lichaam en hij ging zijn weg, krimpend van pijn en ellende.
Een maand ongeveer was hij ziek, toen pas was hij genezen en kon hij er weer op uit gaan zelf in zijn levensonderhoud te voorzien.
Toevallig ontmoette hij Abou Nawas weer. Deze schrok werkelijk, toen hij hem, zeer bleek en uitgeteerd, weer zag.
Haastig sprak hij tot hem: “Wel, koopman, hoe gaat het? Hebt ge goede zaken gedaan? Maar… hoe komt het toch dat uw uiterlijk, naar ik zie, zo geheel anders is dan vroeger? Zijt ge soms ziek?”
Onder tranen vertelde hij al wat hem wedervaren was, van het begin tot het einde, aan Aboe Nawas. Deze stond verbaasd, en overlegde bij zich zelf: “Laat ik me eens als koeli bij dien Jood verhuren. Dan zal ik niet terugkomen, voordat ik hem zijn slechtheid heb betaald gezet. Laat ik daar maar eens heen gaan.”
Zo overlegde hij bij zich zelf en hij sprak tot zijn broeder: “Welaan, ik zal daarheen gaan, en als Allah het wil, zal ik dien Jood zijn werk vergelden. Maar blijf gij hier en pas op mijn huis.
zaterdag 26 oktober 2024
Aboe Nawas en de Jood
(Deel 1)
Waarschuwing vooraf!
Omdat ik niet verkeerd
begrepen wil worden, wil ik u wijzen op het commentaar op dit verhaal. Daarin
zal ik uitleggen, hoe de antisemitische strekking van dit verhaal tot stand is
gekomen. In dit deel (deel 1) is van deze strekking nog weinig te merken. Bij
de aflevering van de volgende maand des te meer. Ik wil hier alvast benadrukken
dat het in deze verhaaltjes om een soort blauwdruk gaat, die naar de mode van
de tijd kon worden ingevuld.
Op het Indonesische
verhaal volgt de Algerijnse versie. Hoe deze min of meer identieke versies in twee
ver uit elkaar gelegen werelddelen terecht zijn gekomen, is onduidelijk. Zeker
is dat daaruit op te maken is dat het verhaal heel erg oud is en dat er later
aan geknutseld is, zodat duidelijk os dat voor het vertellen van het verhaal
een soort blauwdruk is gebruikt dat naar de smaak van de tijd kon worden
ingevuld.
Lees het commentaar!
Het
gebeurde eens dat Aboe Nawas (1) op de markt
rondwandelde en daar iemand aantrof die er berooid uitzag.
Abou Nawas riep hem bij zich en zei: “Wel, mijn
broeder, als men jou ziet, zou men medelijden krijgen. Wat doe je zoal
tegenwoordig?”
De arme antwoordde: “Mijnheer,
ik heb niets te doen, want ik bezit geen cent, en hoe zou ik nu in mijn
levensonderhoud kunnen voorzien? En wil men zijn kost verdienen, dan moet men
geld hebben.”
“Wel, mijn broeder, “ sprak Abou
Nawas, “wanneer je daar geen bezwaar tegen hebt, dan wil ik je wat kapitaal
zien te krijgen, zodat je daarmee een handeltje kunt beginnen.”
“Goddank, mijnheer, als mijnheer
zo goed voor me wil zijn!” stotterde de arme.
“Morgen vroeg moet je hierheen
komen, en dan zal ik het je ter hand stellen. Maar vooraf dienen we goed af te
spreken, dat je je voor mijn broeder zult uitgeven. Ga je daarmee akkoord?” En
de arme antwoordde:
“Afgesproken!”
Daarop scheidden ze en Aboe
Nawas vervolgde zijn weg.
Weer thuis gekomen, zei hij
tegen zijn vrouw: “Wel, mijn beste, gij moet audiëntie aanvragen bij prinses
Zitti Zoebaidah (2) en tegen haar zeggen, dat uw
echtgenoot, dat ben ik dus, Abou Nawas, vannacht overleden is en dat de reden
van uw komst is, dat gij geld komt vragen om de onkosten, die de begrafenis en
wat daarmee samenhangt, met zich meebrengt, te bestrijden.”
“Als dat uw begeren is, dan is
het goed, “ sprak de vrouw en zij begaf zich op weg naar het paleis van Sultan
Haroen-al-rasjid (3).
Toen ze was toegelaten in de
tegenwoordigheid van de vorstin, boog zij zich ter aarde en sprak, terwijl ze
bitterlijk weende: “ O, prinses, wat staat mij, rampzalige, te doen, want mijn
man, Abou Nawas, is plotseling deze nacht in Gods heerlijkheid opgenomen.
Waarmee moet ik de onkosten bestrijden, waarvan zal ik een begrafenismaal
geven, en dan het ritueel, want ik ben onvermogend!”
Op het horen van zulk een
geween en geklaag was Zitti Zoebaidah niet weinig bedroefd. Ze streek Aboe
Nawas’ vrouw over het hoofd en sprak vriendelijk: “Nu, ween maar niet. Wat
zullen we eraan doen? Al wat van Allah is, keert tot hem terug. Wat die
uitgaven en onkosten betreft, daarover behoeft ge u geen zorg te maken, dat zal
ik u wel verschaffen,” en de daad bij het woord voegend, stond zij op en nam
200 dirhams uit haar kast, stelde die haar ter hand met de woorden: “Kijk, neem
dit geld mee naar huis en zorg ervoor, dat uw man een goede en eerlijke
begrafenis krijgt.”
Daarop keerde Aboe Nawas’ echtgenote naar huis terug,
verheugd en tevreden.
Aboe Nawas zelf echter was,
terwijl zijn vrouw audiëntie was gaan aanvragen bij de prinses, zijn opwachting
gaan maken bij den vorst, in de gehoorzaal. Onder luid geween stortte hij zich
ter aarde, en de vorst sprak tot hem: “Wat nu, Aboe Nawas, wat is toch de reden
dat gij zo weent?”
Aboe Nawas boog zich diep voor
den vorst en zeide: “Ik vraag vergiffenis aan Uwe Majesteit den vorst der
werelden. Uwe slavin en mijn vrouw is deze nacht overleden en ik bezit thans
geen cent om het dodenritueel te bekostigen en den doodgraver te betalen.
Indien mijn heer zo genadig wil zijn….”
De vorst wist reeds waar het
Aboe Nawas om te doen was en schonk hem 200 dirhams. Zodra hij dat geld had
ontvangen, vroeg Aboe Nawas toestemming zich te mogen verwijderen en hij rende
naar huis terug, buiten zich zelf van vreugde.
De vorst begaf zich daarop in zijn paleis en sprak tot
de vorstin: “Met deernis zag ik zo pas Aboe Nawas bij mij komen. Onder luid
geween verzocht hij mij om geld teneinde zijn echtgenote te kunnen begraven. Ik
heb hem maar 200 dirhams gegeven.”
Maar de prinses sprak: “Gij
vergist u, mijn beste, niet zijn vrouw is dood, maar Aboe Nawas zelf. Een
ogenblijk geleden nog maar kwam zij hier tot mij en stelde mij van zijn
verscheiden op de hoogte.”
Opnieuw sprak nu Zijne
Majesteit: “Gij vergist u, wanneer ge
zegt dat Aboe Nawas is gestorven. Het is nog maar pas geleden dat hij, na
audiëntie bij te hebben aangevraagd, naar huis is gegaan.”
De beide echtgenoten geraakten
in twist. De vorst zei, dat de vrouw was overleden, en de prinses beweerde, dat
het Aboe Nawas was, die gestorven was, want zij had immers pas een bedrag van
200 dirhams aan zijn vrouw in eigen persoon ter hand gesteld. En beiden stonden
even sterk met hun beweringen. Tenslotte sprak Sultan Haroen-al-rasjid: “Welnu,
het heeft geen zin langer te twisten. Het is beter een onderzoek te gelasten,
opdat de juiste toedracht blijke.”
Hij verzond nu een vertrouwd
persoon naar Aboe Nawas en zijn vrouw om te zien of het Aboe Nawas was, die
gestorven was, of zijn vrouw, of soms allebei. Het duurde niet lang of de bode
kwam terug en boog zich eerbiedig voor den vorst en de vorstin, die op dat
moment nog terzelfder plaatse waren gezeten, neder. En de vorst vroeg hem:
“Wel, mijn page, wat hebt gij gezien? Wie is er nu dood?”
De page antwoordde: “O, mijn
heer, vorst der werelden, hun beiden mankeert totaal niets. Ik zag hen samen
zitten lachen en schertsen, mijn heer!”
Toen de vorst en de vorstin dit
hoorden, verwonderden ze zich beiden en zinden er op, wat toch de reden kon
zijn, dat Aboe Nawas aldus had gehandeld. En snel beval de vorst zijn dienaar:
“Page, ontbied Aboe Nawas terstond!”
Deze ging om Aboe Nawas te halen en tot hem gekomen
sprak hij: “Aboe Nawas, Zijne Majesteit laat u tot zich roepen.”
Aboe Nawas begreep waarom de
vorst hem wilde laten komen en zei: “Het is goed, ga jij eerst, ik kom zo.”
Toen hij voor de vorst was
gekomen, sprak Zijne Majesteit tot hem: “Aboe Nawas, waarom hebt gij ons, de
vorstin en mij, om de tuin geleid? Zeg het, ik wens het te weten.”
Vol eerbied antwoordde Aboe
Nawas: “Vergiffenis, mijn heer, duizend maal vergiffenis. Dat ik dus heb
gehandeld, komt omdat mijn broeder geen kapitaal bezat om mee te handelen.
Indien ik nu alleen maar de waarheid had gezegd, hoe zou Uwe Majesteit, de
vorst der werelden, mij dan zoveel geld hebben geschonken? Ik heb een list
tegen u gebruikt omdat ik zeer begaan was met mijn broeder, toen ik zag dat hij
totaal niets bezat. Verder heb ik niets te zeggen. Moge toch mijn heer mij
vergiffenis schenken!”
“Het zij zo,” sprak de vorst,
“deze keer wil ik het u vergeven, maar waag me zo iets geen tweede keer!”
Hierop vroeg Aboe Nawas verlof om
te gaan en keerde hij naar zijn huis terug.(vervolg volgende maand)
Algerijnse versie:
Djha en zijn vrouw houden zich dood.
Djha
en zijn vrouw kenden vaak tijden van armoede, ook al hadden zij vrij toegang tot
het paleis van de Sultan. Zij waren soms zo behoeftig dat zij niet te eten hadden.
Uiteindelijk fluisterde de vrouw van Djha haar man het volgende idee toe:
“Ga!
Ga naar de sultan, huil en zeg hem dat ik gestorven ben, En zeg hem vooral dat
je geen cent hebt om mijn begrafenis te organiseren volgens de Islamitische
voorschriften. Hij zal niet kunnen weigeren je te helpen in zo’n geval. Terwijl
jij de ontroostbare weduwnaar speelt bij onze heerser, ga ik naar de sultane
(prinses). Ik zal haar jouw overlijden mededelen, en mijn financiële miserie.
Zo zullen ze ons allebei een gift doen. Genoeg om een tijdje niet in armoede
te leven; dat is de hulp die ons lot (mektoub) ons biedt.”
“Een
fantastisch idee! Laten opschieten, aan de slag,” zei Djha en schoot zijn
jellaba aan en zette zich met gespreide benen op zijn ezel.
Eenmaal
in het paleis aangekomen, zette Djha het op een hartverscheurend jammeren,
zozeer dat de sultan oprecht ontroerd raakte en bij zich zelf dacht: “Wat een verdriet! Arme Djha! Dat hij zoveel
verdriet heeft over het verlies van zijn andere helft (4).
Ik moet hem ondersteunen!” En zonder te aarzelen, overhandigde hij hem
voldoende geld om een lijkwade te kopen, een schaap, (tarwe-)griesmeel en alles
wat er nodig is voor een begrafenis. Er zouden honderden mensen komen om de
begrafenis bij te wonen, want Djha was heel erg beroemd, Ze zouden uit alle
hoeken van het land komen. De sultan beknibbelde niet op de vergoeding van de
onkosten.
Djha
kwam thuis, met zijn ezel beladen als nooit tevoren, gevolgd door andere ezels
ook allemaal bepakt en begeleid door dienaren van het paleis.
Van
haar kant huilde de vrouw van Djha bij de koningin om de dood van haar man en
ook die overlaadde haar met giften. Zij kreeg geld om de begrafenis van haar
man te regelen en geld om rouwkleding te kopen.
Zo
stonden de zaken ervoor: Djha en zijn vrouw met enorme voorraden die de kelder
en graanzolder vulden.
Die
avond, toen ze gingen dineren, vertelde de sultan, nog steeds ontroerd, aan
zijn vrouw: “Heb je horen spreken over
het ongeluk dat onze arme Djha is overkomen?”
“Maar
je vergist je, het is de vrouw van Djha overkomen, want zij is getroffen door
een groot ongeluk, omdat Djha dood is,” corrigeerde zijn vrouw hem.
“Ach
wel nee! Die mensen vertellen je het geef niet wat! Het is de vrouw van Djha
die is overleden, want Djha is zelf bij mij geweest deze namiddag om het mij te
vertellen. Ik heb hem geld gegeven om de begrafenis te regelen.”
“Onmogelijk!”
antwoordde de vrouw van de sultan. ”De vrouw van Djha is deze namiddag bij mij
geweest om het overlijden van haar man
aan mij door te geven. En ik heb haar geld gegeven om de begrafenis te
regelen. Ze kunnen toch niet allebei overlijden en bij ons komen uithuilen.”
“Ze
hebben ons er tussen genomen” concludeerde de sultan die begon te begrijpen wat
er was gebeurd.
Hij
wilde het niet daarbij laten zitten. Hij moest beslist dit twijfelachtige stel
te pakken nemen op zijn beurt. Bij het aanbreken van de dag, zonder opgave van
redenen, stuurde hij zijn bewakers naar het huis van Djha en zijn vrouw om ze
te arresteren. Toen Djha ze zag komen, waarschuwde hij tegen zijn vrouw: “Vlug,
laten we doen alsof we dood zijn!”
Zij
wikkelden zich in de lijkwaden en gingen stokstijf liggen op het tapijt in de
kamer.
De
bewakers, die aannamen dat ze dood waren, gingen naar het paleis terug en
vertelden de sultan het nieuws. De sultan kan niet een flauw vertederd lachje
bedwingen om het meest ongelofelijke echtpaar in zijn stad en zag er van af om
ze te bestraffen, ook al hadden ze die straf wel verdiend. Per slot van
rekening, hadden zij zich door hen laten beduvelen!
Omdat
het om Djha en zijn vrouw ging, deed dit bedrog geen afbreuk aan hun eigen
imago, voor wie het alles bij elkaar genomen van geen groot belang was.
zaterdag 14 september 2024
Geluk
Cepot op zoek naar Geluk. (1996)
In dit fragment, oorspronkelijk genaamd “Cepot triping”, raadpleegt een vrouwelijke collega, Bi Ijem (1), uit het theater van Karawang, een buurtvader (bapak rukun tetangga) in verband met een probleem dat zij heeft met haar echtgenoot Cepot. De hele dag schudt hij met zijn hoofd heen en weer, en dan weer voor en achteruit, terwijl hij bij herhaling de tekst neuriet dat alles zo “groovy” en “cool” is (asiyek enak) . Hij houdt ervan disco’s af te lopen, in café's rond te hangen en hij draag steeds een zonnebril met zulke donkere glazen dat je hem niet meer kunt aankijken. Cepot legt uit dat hij Ecstasy gebruikt om aan het leed aangericht door corrupte individuen te ontkomen. Deze mensen veroorzaken de zich als een olievlek verspreidende economische crisis en sociale ongelijkheid, jaloezie en hebzucht, en de toenemende criminaliteit.
In het commentaar op dit fragment valt te lezen, hoe Cepot zijn geluk zoekt door te benadrukken dat persoonlijk geluk en sociaal geluk in evenwicht zouden moeten zijn. Hij denkt door het gebruik van drugs eerlijk te kunnen zeggen wat hem dwars zit. En dat men naar hem zal luisteren, maar zelfs te hulp geroepen buurtvader luistert niet. Boven deze Inleiding is in een animatie een samenvatting van dit fragment te zien: naar boven scrollen!
CEPOT: Waarom denk je dat ik zo stoned ben
als een garnaal? Nou?
NAYAGA:
Leg dat ons eens uit, broer? Ik luister…. (2)
CEPOT: Zie je dan niet, hoe slecht dit
(elitaire) clubje mensen is voor iedereen? En schadelijk!
NAYAGA:
Hoe bedoel je schadelijk?
CEPOT: Je kent toch de slogan over de noodlijdende mens? (3) Nou, dat is precies wat hier aan de hand is! Ja, denk daar maar eens over na.
NAYAGA: Hij is zo stoned als een garnaal,
maar zegt wel de waarheid!
CEPOT: Nou, wat heb je daarop te zeggen?
BAPAK
RT: Het is waar, het is
heel vervelend en frustrerend.
CEPOT: Ik zal je eens vertellen hoe
frustrerend het wel niet is.
BAPAK
RT: Als hij besefte wat
hij nu zegt, dan zou hij dit hier nu niet staan te verkondigen.
CEPOT: Luister! Zijn jullie bekend met
Pancasila?
BAPAK
RT: Daar heb ik al heel
wat over gehoord!
CEPOT: Pancasila (4)
kent vijf uitgangspunten. Allereerst: Geloof in God, daarop volgt,
rechtvaardigheid….
NAYAGA:
Sociale rechtvaardigheid…
CEPOT: sociale rechtvaardigheid…
NAYAGA: voor iedereen!
CEPOT: Voor alle bewoners van Indonesië. En dan komt, Persija (5) … wat is dat?
NAYAGA: Nationale eenheid….
CEPOT: … eenheid en Wijsheid, en…?
BAPAK
RT: ..en Menselijkheid.
CEPOT: Het volk…
BAPAK
RT: Het volk…
CEPOT: … wordt bestuurd…
BAPAK
RT: met Wijsheid.
CEPOT: …door het met Wijsheid te
besturen! Moet je dat eens horen: wijsheid! Wat is het doel van de
Pancasila, als het niet is alle vormen van partijpolitiek, gericht op de
bevoordeling van de eigen partij, uit te bannen. Ja toch? Zoals zinloos getouwtrek. In een handomdraai
zullen ze het land om zeep helpen, over de ruggen van de mensen heen, en daarna
schaffen ze de Pancasila af.
BAPAK
RT: Maar dat gaat ons
toch helemaal niet aan!
CEPOT: Helemaal niet aan!? En wat is dit
dan? We zitten midden in de ellende. Kennen we Mensenrechten, Wijsheid en
Sociale Rechtvaardigheid? Nou?
BAPAK
RT: Wijsheid.
CEPOT: Over welke wijsheid heb je het?
Zijn die wijs, die hun wijsheid aanwenden om collaborateur te worden? Om geld
binnen te harken? Om tot het elitaire kringetje te worden toegelaten?
BAPAK RT: Om bij de familie te horen? (6)
CEPOT: Hè? Om bij hun familie toegelaten te worden?
BAPAK
RT: Om tot de familie
toegelaten te worden (in een andere stad)? (7)
CEPOT: Oké, om tot hun familie toegelaten
te worden (in een andere stad).
BAPAK
RT: Om vriendjes met ze
te worden?
CEPOT: Om vriendjes met ze te worden, en
daarom is hun kennis (wijsheid) nog minder waard dan dat van kenners (experts).
BAPAK
RT: Zo is het toch, Bi
Ijem? [Echtgenote van Cepot die Bapak RT
om raad heeft gevraagd.] Zij houden zich alleen vast aan hun eigen ideeën, nietwaar?
(8)
IJEM: Zeker!
BAPAK
RT: Om te zeggen dat het
gaat om een probleem veroorzaakt door de regering, is niet correct.
IJEM: Dat zou zo maar eens zo kunnen
zijn.
CEPOT: Ik zeg niet dat de regering slecht
is, maar dat zij die het bestuur in handen hebben, dat zijn! Sta niet te
kletsen, als je het woord hebt, ‘Mo.(9)
NAYAGA: RT! RT!
CEPOT: Weet je, zijn naam is Omo! Als je
ergens over begonnen bent, begin dan even later niet over iets heel anders.
BAPAK
RT: Let op je woorden.
CEPOT: Inderdaad. Dus….
BAPAK
RT: Wat je zegt, is verkeerd!
CEPOT: Wat verkeerd is, is dat een corrupt
groepje mensen dingen om zeep helpt, mensen die geen enkel gevoel voor
verantwoordelijkheid kennen.
BAPAK
RT: Verantwoordelijkheid voor wat?
CEPOT: Verantwoordelijk voor de wetten van
dit land.
BAPAK RT: Ah, juist, zo is het.
CEPOT: Kijk, het zit zo. Denk hier maar
eens over na. Een sociale kloof (tussen arm en rijk) splijt dit land in tweeën.
Bovendien bestaat er sociale afgunst ten aanzien van elkaar. Sociale jaloezie
leidt tot een toename van criminele activiteiten. (10)
NAYAGA: Klopt
als een bus! (11)
CEPOT: Nietwaar?
NAYAGA: Helder!
CEPOT: Zo helder als glas.
BAPAK
RT: Dit loopt uit de
hand. Dit gaat veel te ver.
CEPOT: En nu, hoe moet het nu verder?
BAPAK
RT: De afstand tussen
ons is te groot.(12)
CEPOT: Om deze steeds groter wordende
afstand tussen arm en rijk te overbruggen moeten we ons aaneen sluiten en
samenwerken op een hoger trap van ontwikkeling. Snap je wat ik zeg? Geef toe,
je legt het af tegen een zuiplap! Geef toe, ik ben beter wanneer ik dronken
ben, ongetwijfeld.
BAPAK RT: En daar is een reden voor…
CEPOT:
Er is een reden waarom ik Ecstasy gebruik en aan de drank ben.
BAPAK
RT: Illegaal bier! Omdat
het goedkoop is, illegaal bier.
CEPOT: Illegaal bier: er is een reden
waarom niet drinken schadelijker is dan drinken.
NAYAGA: Die bestaat niet.
CEPOT: Waarom zeg je dat zo’n reden niet
bestaat?
NAYAGA: Iemand die alcohol drinkt, wordt eraan
verslaafd.
CEPOT: Yep.
NAYAGA: Zij die pillen slikken als BK en
magadon (13) worden
stoned, maar er zijn er ook, die gaan kotsen als mensen, die in een bus autoziek
worden!
CEPOT: Samengevat: wat zijn de
bijverschijnselen van het gebruik van ecstasy en drank? Je realiseert je dat je
je grip op de werkelijkheid verliest. Je verliest de beheersing over jezelf.
Dat is alles. Alles wat je zegt, is grappig in het bijzijn van anderen, die aan
het werk zijn. Die vlieger gaat voor mij niet op, en daar is een reden voor,
vriend. Ik ben opgeklommen naar hogere regionen. Het komt erop neer dat ik mijn
wensen aan de regering zelf kenbaar kan maken. Is dat iets of niets? (14)
BAPAK
RT: Juist.
CEPOT: Maar we hebben democratie en
Pancasila nodig.
BAPAK
RT: Heel erg waar.
CEPOT: Als we in een democratisch land
zouden kunnen leven onder de Pancasila-wet….
BAPAK
RT: Ja…
CEPOT: Dan zullen we ons beschermd weten
door wetten en bestuursmaatregelen. Zo is dat.
CEPOT: Cool, cool, cool. Heel goed, Cepot, groovy, groovy: leuk, leuk, leuk!