dinsdag 29 oktober 2019

Hoe Pantagruel landt op het eiland van de Papenvijgers.

Klik hier noten en commentaar.

De volgende ochtend kwamen we aan op het eiland van de Papenvijgers (1), die vroeger rijk en vrij waren en zich de Bommelaars (2) noemden. Nu waren ze arm, ongelukkig en onderworpen aan de Papimateurs (3). Dat was zo gekomen.

Op een jaarfeest met op stokken gedragen processievaandels waren de burgemeester, de gilden-meesters en hoofdrabbi’s van de Bommelaars naar het eiland van de Papenvijgers, dat in de buurt lag,  gegaan om het feest bij te wonen. Toen één van hen de beeltenis van de Paus (de Pappa) op  een vaandel zag staan (zoals de prijzenswaardige gewoonte was in die dagen om in een processie op openbare feestdagen met dubbele banieren te lopen), wierp hij er met een vijg  naar. Dat werd in dat land opgevat als een ernstige belediging en een manier om iemand publiekelijk te kakken te zetten. Dat riep om wraak: de Papimateurs bewapenden zich een paar dagen later, en zonder verdere aankondiging overvielen ze hen, plunderden het eiland, en verwoestten het helemaal. Iedere man met baard staken ze overhoop. De vrouwen en kinderen spaarden ze onder dezelfde  voorwaarden als die waaronder Frederik Barbarossa de inwoners van Milaan spaarde.

De Milanezen waren tijdens zijn afwezigheid tegen hem in opstand gekomen en hadden zijn vrouw, keizerin Beatrix, de stad uitgejaagd. En niet zomaar. Zij zat achterstevoren op een oude ezelin met de naam Thacor (4) en zo achteruitrijdend, namelijk met haar billen naar de kop van de ezelin en haar gezicht naar de steert van het beest, werd ze de stad uitgezet. Nadat Frederik, haar man, ze bij zijn terugkomst had onderworpen en gevangen had genomen, deed hij alle moeite om de ezelin Thacor terug te vinden. Toen allen in de grote hal te Milaan zaten te feesten, gaf hij aan zijn beul (5) bevel om een vijg te steken in de kont van de ezelin, terwijl de aanwezige gevangengenomen burgers toekeken. Onder trompetgeschal liet de keizer daarop luidkeels weten, dat wie zijn leven wilde redden, in het openbaar met zijn tanden de vijg uit de ezelin moest peuteren, en de vijg keurig moest deponeren daar waar hij had gelegen, zonder zijn handen te gebruiken. Ieder die weigerde zou op staande voet worden geëxecuteerd, gehangen of gewurgd. Er waren er die uit schaamte en afschuw voor zo’n abominabele straf, de dood trotseerden. Zij werden opgehangen of gewurgd naar eigen believen. Bij de anderen overheerste de doodsangst de schaamte. Die peuterden met lange tanden de vijg uit de kont van de ezelin, lieten de vijg zien aan de beul onder het murmelen van: “Ecco lo fico, Zie hier de vijg” (6).

Getekend door eenzelfde pek en veren schande wist de rest van deze arme en troosteloze Bommelaars zich het vege lijf te redden. Zij werden tot slaaf gemaakt, schatplichtig aan de keizer, en vanaf die dag heetten ze de Papenvijgers, omdat één van hen het gewaagd had het portret van de paus met een vijg te bekogelen. Vanaf die tijd hebben deze armelui geen voorspoed meer gekend. Alle jaren waren er vorst, orkanen, pest,  hongersnood, en al die ellende die men over zich afroept als eeuwige straf voor de zonden van de voorvaderen en de ouders.

Toen we de ellende en rampspoed van dit volk zagen, wilden we niet verder het eiland opgaan. Slechts om wijwater te halen en om de bescherming van God te vragen, gingen we een klein kapelletje binnen dichtbij de haven. Het kapelletje was geruïneerd, verlaten en het dak lag eraf,
net zoals dat het geval is met de Sint Pieters-kathedraal te Rome (7). Eenmaal in de kapel, ontwaarden we in het wijwaterbekken, toen we er wijwater uit wilden nemen, onder het wateroppervlak een man met priesterlijke stola’s behangen en helemaal onder het water verborgen als een ondergedoken eend, alleen het puntje van zijn neus stak nog boven het water uit om te kunnen ademhalen. Om het wijwaterbekken heen stonden drie glad geschoren priesters met een mooie ronde tonsuur. Zij lazen voor uit het magisch handboek van Grigorius om de duivels te bezweren.

Pantagruel vond dit maar vreemd. Hij vroeg ze welk toneelstukje ze aan het opvoeren waren. Hij kreeg te horen dat sinds drie jaar er op het eiland een afschuwelijke pest heerste, waardoor de helft van de eilandbewoners gestorven was en het grootste deel van het eiland onbewoond was als een verlaten woestijn, omdat er geen landbouwers meer waren om de akkers te verzorgen. Toen de pest voorbij was, ging deze in het wijwatervat verstopte boer over tot het opnieuw in cultuur brengen van een groot vruchtbaar stuk land. Hij zaaide er wintertarwe (8) . Dat viel samen met het moment waarop een klein duiveltje (dat van toeten noch blazen wist, analfabeet was en zeker nog niet wist hoe te hagelen en onweren behalve op peterselie en kool) aan Lucifer (9), de baas van alle duivels, toestemming vroeg om het eiland van de Papenvijgers te bezoeken om er te kunnen ronddartelen en er zich te vermaken, want op dit eiland gingen de duivels met de mannen en vrouwen heel vertrouwd om. Zij zagen het als hun vakantieoord bij uitstek met prachtige stranden en een ruwe zee (10). Dit duiveltje ter plaatse aangekomen wendde zich tot onze boer en vroeg hem wat hij aan het doen was. 

De arme man antwoordde hem dat hij de akkers aan het inzaaien was met wintertarwe om het volgende jaar goed door te kunnen komen. “Heel goed, heel goed,” zei daarop het duiveltje, “maar dit land is niet van jou! Het is mijn land! Want vanaf het ogenblik dat u de vijg gooide, is dit land onteigend en aan ons toegevallen. Jullie hebben hier niets meer te zoeken! MAAR ik heb geen verstand van het inzaaien van akkers, dat is mijn vak niet. Daarom laat ik het land aan jou over, op voorwaarde dat we in de winst delen.”
“Dat is goed,” zei de landbouwer.
“Begrijp me goed,” zei het duiveltje, “de opbrengst verdelen we onder ons fifty fifty. De een krijgt wat er op het land staat en de ander wat er verborgen onder groeit. Ik bepaal welk deel ik krijg, want ik ben een duivel van hoge komaf met een stamboom tot in het verre verleden, en jij bent een outcast, een pummel. Ik heb dus het recht te bepalen wat mij toekomt: jij krijgt wat erop groeit. Wanneer is de oogst?” (11)
“In het midden van juli,” antwoordde de landbouwer.
“Oké,“ zei het duiveltje, “tegen die tijd zul je me hier weer aantreffen. Verder, doe gewoon wat je hoort te doen, werk, pummel, werk. Ondertussen zal ik mijn best doen met de verleidelijke zonde van de wellust (12)  de nonnetjes van het klooster Pètesec (Droogscheet) als ook de schijnheiligen en de moddervette monnikjes op het verkeerde pad te brengen. Ik ben ervan overtuigd dat gesterkt door hun verlangens het een leuk treffen wordt.”

Het vervolg op deze eerste kennismaking met de ondergedompelde landbouwer ga ik u in drie korte stukjes vertellen.

1. Hoe wordt een duiveltje wijzer?

Toen de oogsttijd was aangebroken, deed het duiveltje inderdaad zijn opwachting bij de boer. Hij oogstte de tarwe en met een wijds gebaar nodigde de boer het duiveltje uit ook zijn aandeel in de  oogst binnen te halen, van onder de grond. Het duiveltje deed dat natuurlijk niet. Maar gaf de boer de opdracht de stoppels voor hem van het land te halen en in zakken te doen. Zó gingen ze gezamenlijk naar de markt. En de boer deed goede zaken, maar de duivel verkocht niets. “Ik begrijp het,” zei de duivel, “dat van mij is waardeloos en daarom willen de mensen er niet voor betalen! De volgende keer krijg ik wat boven de grond staat en jij moet het doen met wat onder de grond groeit.” Zo gezegd zo gedaan.

2 Een hardleers duiveltje.

De boer zaaide dit keer bieten. En weer was de opbrengst geweldig, en weer gingen ze naar de markt en de boer verkocht goed, maar het duiveltje werd uitgelachen. “Ik heb je door!” zei het duiveltje. “Jij neemt me niet serieus! Nou, ik zal je leren. We gaan er eens om vechten. Ik weet zeker dat ik dat beter kan! Ik zal m’n klauwen eens zó in je slaan dat de vellen ervanaf vliegen! Dat is je verdiende loon. Als je me niet alles wat je van mij hebt gestolen, binnen een week terugbetaalt, dan is het met je gebeurd!” Dat alles zei hij heel beheerst en zachtjes, maar goed verstaanbaar. De boer wist niet waar hij het zoeken moest en deed z’n beklag bij zijn vrouw. “Je zegt dat het een klein en nog jong duiveltje is? Oh, dan weet ik wel hoe ik je kan redden. Maak je geen zorgen.”


3. Een in een wijwatervat verstopte boer: wat doet die daar?


Op de afgesproken dag stuurde de vrouw haar man naar de kerk. “Zorg, “ zei ze dat je je daar goed verstopt, zodat niemand je daar kan vinden.” Tja, maar waar moet je je verstoppen: er zit geen dak meer op de kapel, de muren staan op omvallen, en de kerkdeur hangt scheef in de hengsels. Toen viel zijn oog  op het enige voorwerp dat alle stormen doorstaan had: de doopvont. In dit wijwaterbekken zat genoeg regenwater om in te kunnen onderduiken. En, met een “in godsnaam” sprong hij in de doopvont. En wist hij zich veilig voor alles dat hem de duivel aan kon doen, ook al wist hij zich maar in regenwater ondergedompeld.

Ondertussen was de duivel bij zijn huis aangekomen, en trof tot z’n grote ongenoegen de vrouw alleen thuis aan. Hij kon haar dan misschien wel verleiden, maar daar nam hij nu geen genoegen meer mee, na alles wat haar man hem had aangedaan, en zijn avonturen met de nonnen en monniken. Bovendien, hij was nog jong en onervaren, en dacht er niet over zijn “geweten” met onplezierige ervaringen te bezoedelen. Daarom vroeg hij recht op de vrouw af: “Waar zit die man van jou waar ik eens lekker mijn klauwen in wilde zetten!” “Nou, “ zei de vrouw, “moet je eens zien hoe hij mij heeft toegetakeld! Ik vraag me af of je dan nog wel met hem wil vechten. Weet dat hij nu naar de manicure is om zijn nagels te laten slijpen voor dat gevecht met jou.” Dit antwoord had de duivel niet verwacht. En overdonderd door de vrouw, stamelde hij: “Wat heeft hij je dan wel aangedaan?” Ongegeneerd deed de vrouw haar rokken omhoog, en de duivel keek recht in haar vrouwelijk geslachtsorgaan, als in een open wonde. Toen begreep hij wat haar man haar had aangedaan, en hij vluchtte halsoverkop het huis uit, en riep: “Hou alles maar, ik wil niet meer vechten met die man van jou.”



donderdag 17 oktober 2019

Hoe Panurg en broeder Jan zich hielden onder de storm.

Klik hier om te weten wat eraan vooraf ging.


Pantagruel had eerst God, de grote Heiland, aangeroepen en een gebed voor iedereen gebeden met grote vurigheid, daarna op advies van de stuurman hield hij de hoofdmast stevig vast (om afbreken te voorkomen). Broeder Jan in een wambuis gestoken was bezig de zeelieden zoals Epistemon, Ponocrates en anderen, te helpen bij hun werkzaamheden. Panurg bleef met z’n kont op het dek zitten huilen en klagen. Broeder Jan merkte hem op toen hij hem passeerde via het gangboord, en sprak hem aldus toe: “Mijn god nog aan toe, Panurg de grootogige koe, Panurg de huilebalk, Panurg in  waterland, je zou er beter aan doen ons hier te helpen in plaats van daar te zitten huilen als een koe , en op je kloten te blijven zitten als een aap.”

“BebebebeBoeboeboeboeboe,” sputterde Panurg, “broeder Jan, mijn vriend, mijn goede vader, ik verdrink, mijn vriend, ik verdrink. ‘t Is met mij gedaan, mijn geestelijke leidsman, mijn vriend, ’t is afgelopen. Uw houwdegen kan mij niet meer redden. Helaas, helaas, wij zijn tot onder de laagste noot gezakt, tot onder de do in b-mol (1),  vals in alle opzichten, en dan gaan we weer omhoog, te hoog. BebebeBoeboe (2) , het zal ons nu niet meer helpen “helaas” te roepen. Op en neer gaat ie! Toontje hoger, toontje lager. Ik verzuip! Ah,  mijn vader, mijn oom, mijn alles. Het water staat mijn schoenen aan de lippen. Boeboeboe –pats-boem- huhuhuhu hahahahaha ik verdrink! Helaas, helaas (3), huhuhuhuhu; bebe boeboe bobo bobo hohohohoho, helaas, helaas, ik sta d’r bij als een gevorkte boom, mijn voeten omhoog en mijn hoofd naar beneden, op z’n kop (4).

Als God het had behaagd, had ik net zo goed in het schip kunnen zitten van de goede concilie-gangers, dat schip van de zaligen, die we vanochtend nog zijn tegengekomen, zo devoot, zo lekker vet, zo vrolijk, zo mollig en vol goede moed. Holoholoholo –los- helaas, helaas, helaas, deze golf, deze duivelse golf (vergeef me mijn God), deze goddelijke golf zal ons schip doen ondergaan, een kruik gaat zolang te water tot hij breekt of volloopt. Helaas, broeder Jan, mijn vader, mijn vriend, ik wil biechten (5). Je ziet me hier voor je knielen. Confiteor: Ik belijd (schuld). Geef me uw heilige zegen (van vergiffenis)!"
“Galgenaas,” zei broeder Jan, “kom ons hier helpen. Uit naam van dertig legioenen duivels, kom! Komt er nog wat van!?"
“Vloek niet zo,” zei Panurg, “mijn vadertje, mijn vriend, nu niet! Morgen zoveel je maar wilt, maar nu niet. Hoho, salasalasalsa, onze boot maakt water. Ik verdrink. Helaas, helaas, bebebubbub  drink, dronken. Nu zitten we weer helemaal beneden, ik geef iedereen 1.800.000 euro (6) die me aan wal zet, zo schijterig en full of shit ik er ook aan toe mag zijn, als iemand in mijn drekkige land eraan toe kan zijn. Confiteor: Ik belijd schuld. Helaas, een klein woordje tot slot als testament of tenminste nog een handgeschreven afscheidsbriefje (6).

“Dat 1000 duivels, “ zei broeder Jan, “deze schijtluis, deze overspelpleger bespringen. Genadige God, dat praat van het opmaken van een testament op een moment dat wij in levensgevaar verkeren, en hij zich moet beheersen, nu of nooit meer! Gevangenisbewaarder (7) mijn vriend, kom hem halen. Oh, lieve uitsmijter (8), Gymnaste, kom hier naar het achterdek, schuilen. We worden opgetild als de rokken van een vrouw, mijn God nog aan toe. Je jaagt me de stuipen op het lijf: mijn lichtje dooft. Alles gaat naar de 1.000.000-en bliksemse duivels.”
“Helaas, helaas, “ zei daarop Panurg, “helaas, helaas, boeboeboeboe, helaas, helaas. Zijn wij ertoe voorbestemd om hier te sterven? Hola, beste mensen, ik verdrink, ik ga dood, Consummatum est: het is volbracht, dat was het dan!”

“Grote grutjes nog aan toe, nu geen overbodige beleefdheden meer uitwisselen,” (9) zei broeder Jan, “wat is een huilbaby toch een lelijk ding! Scheepsjongen, let op, bij alle duivels nog aan toe, hou de kajuit in de gaten. Ben je gewond? God nog aan toe, bind hem vast aan de houten reling, ja hier, verdomde duivel. Zo moet je dat doen, beste jongen."
“Broeder Jan,” zei Panurg, “luister toch eens naar mij. Mijn geestelijk vader, mijn vriend, vloek toch niet zó. Je zondigt! Helaas, helaas, Bebebeboe boeboe, ik verdrink, ik ga dood, mijn vrienden. Ik vergeef de hele wereld alles. Vaarwel, in Uw handen (10) beveel ik mijn geest, mijn Heer. Boe boe boeoeoeoeoeoe. Heilige Michel d’Aure, heilige Nicolaas (11), nog een keer en dan nooit meer. Ik wil u hierbij een plechtige belofte doen, richt je tot de Heer en vraag hem ons te helpen – Ik beloof hierbij plechtig, dat waar ik weer voet aan wal zal zetten, een mooi, groot kapelletje zal laten bouwen of wel twee tussen Cande en Montsereau (12), dat er noch koe noch kalf zal weiden. Helaas, helaas, ik heb een heel zwembad leeggedronken, emmertje voor emmertje is mij meer dan een stuk of 18 of 2 keer water in mijn mond gegoten. Wat is dat water bitter en brak.”

“In de naam van het bloed, het vleselijke vlees, de buik en het hoofd, “ zei broeder Jan, “als ik je nog een keer hoor piepen, duivelse spelbreker, zal ik je opdienen als zeewolf, in Gods naam, waarom gooien we hem niet over boord in het diepst van de zee? Roeier, ho rustig aan, beste man, zo gaat ie goed, hou hem recht overeind, bliksem en donder nog aan toe. Ik geloof dat vandaag alle duivels op hol zijn geslagen of dat Proserpina van een kind moet bevallen. Alle duivels dansen de salsa op z’n Moors (13).

dinsdag 8 oktober 2019

Hoe Pantagruel zee koos om het orakel van de Goddelijke KlankKruik (بقبق  ,  BacBuc: 1) te bezoeken. 



Klik hier voor de originele teksten en noten.



In de maand juni, op de dag van de Vesta-feesten – om precies te zijn op de dag waarop Brutus Spanje veroverde en de Spanjaarden overwon, en ook de dag waarop de vet hebberige (2) Crassus door de Parthen te grazen werd genomen – nam Pantagruel afscheid van de goede Gargantua, zijn vader, die voor hem bad ( zoals in die dagen de gewoonte was onder heilige christenen van de jonge kerk als ze eropuit trokken) om een voorspoedige reis voor zijn zoon en zijn hele gezelschap, en  ging hij scheep in Zee Haven (3) , vergezeld van Panurg, Broeder Jan (4), Epistemon, Gymnast, Eusthenes, Thizotoom, Carpelim (5) en andere oud gedienden, alsook Xenomaan (6), de grote wereld- en ontdekkingsreiziger van nieuwe gevaarlijke zeeroutes, die een paar dagen tevoren was aangekomen op verzoek van Panurg. Deze had Gargantua, met de beste bedoelingen, uitgelegd met de kaart erbij, de grote Hydrographie,  welke route zij zouden nemen om het orakel van de Goddelijke Fles KlankKruik (Bacbuc) te bezoeken. Om hem gerust te stellen liet hij de tekening van de route bij hem achter.

Het aantal schepen was gelijk aan dat wat ik in Boek III heb verteld. En dit aantal werd nog versterkt met Drieriemers,  roeischuiten (rambergers), galjoenen,   en liburnische schepen (liburnica: oorspronkelijk een schip van Yllirische zeerovers): goed bemand, goed opgekalefaterd, goed voorzien van een overvloed aan pantagruélion (7). Het samenroepen van alle officieren, tolken, loodsen, kapiteins, stuurlieden, scheepsjongens, roeiers en matrozen had plaats op de Thalamege (8). Zó was het grote vlaggenschip van Pantagruel genoemd, dat een achtersteven had dat leek op een grote en omvangrijke fles, half van zilver, goed blinkend gepoetst; de andere helft was van goud, in een hoogrode kleur geëmailleerd. Hieruit viel vlug op te maken dat wit en licht rood de kleuren waren waaronder de nobele reizigers voeren en dat ze eropuit waren om het Woord van de Fles te vernemen.
Hoog op de achtersteven van het Tweede schip was een antieke lantaren te zien, gemaakt van doorzichtig en doorschijnend keramiek om duidelijk te maken dat zij op weg waren naar Lantaarnezië.

Het Derde had op de achtersteven een mooie diepe drinkbeker van porselein. Het Vierde een gouden pot met twee handvaten (9) als van een antieke urn. De Vijfde een gebarsten smaragdgroene vaas met één oor (handvat). De Zesde een miskelk (10) vervaardigd van vier verschillende soorten metaal. Het Zevende had een ebbenhouten tonnetje met gouden hoepels erom heen. Het Achtste een drinkbeker versierd met guirlandes zoals ze dat doen in Damascus (soort Jugendstil) .   Het Negende een (bier) pul van het fijnste goud. De Tiende een kop van welriekend agaloche (u noemt dat aloë-hout) op oriëntaalse wijze met goud uit Cyprus opgesmukt. De Elfde een gouden druivenkorf versierd met mozaïek. De Twaalfde een mat gouden wijnvat versierd met druivenranken en druiven, gemaakt van Indische parels. Zodat er niemand te vinden zou zijn, hoe bedroefd en neerslachtig, knorrig of humeurig dan ook, al was het Heraclitus zelf die huilebalk (11) , die niet blij werd en al zijn gal overboord zette, glimlachte bij het zien van dit zwierige konvooi met al die blazoenen; die niet meteen dacht dat alle opvarenden rechtgeaarde drinkers waren, en niet met zekerheid voorzag dat het uitvaren en de terugkomst voorspoedig en in volmaakte gezondheid zou verlopen.

Op de Thalamege kwamen ze allemaal bij elkaar. Daar hield Pantagruel een korte en godsvruchtige toespraak, geheel gebaseerd op citaten uit de Bijbel die gingen over de zeevaart. Toen die was afgelopen werd er met klinkende en klare stem een gebed aangeheven waar de inwoners van Zee Haven aandachtig naar luisterden, die op de kade waren toegelopen om de inscheping te zien. Daarna werd in schone samenzang het psalm van de heilige koning David gezongen, dat begint met Toen Israël uit Egypte toog (12).  Toen de psalm uit was, ging men op het voordek de tafels dekken en werden de spijzen zonder verder oponthoud klaar gezet. De inwoners van Zee Haven die het psalm hadden meegezongen, lieten uit hun huizen de nodige etenswaren en wijnvoorraden aanrukken. Allen dronken hun toe. Zij dronken op allen. Dit was de reden waarom niemand van het gezelschap op zee last had van overgeven of andere maag- of hoofdperikelen. Van deze ongemakken zouden zij niet zo licht vrij zijn gebleven door enige dagen zeewater te drinken (hetzij zuiver of met wijn vermengd), of door het eten van kweeperen, of citroenschil, of sap van zure granaatappels, of door lang weinig te eten, of door zijn maag met papier af te dekken, of door het doen van nog andere dingen die dwaze dokters voorschrijven aan mensen die de zee op gaan.

Na vele malen op elkaar geklonken te hebben (13), ging ieder naar zijn eigen schip. En op het goede moment hesen zij de zeilen, toen er een Grieks windje uit het oosten kwam.  De route die James Brayer (14), de chefstuurman, met de kompas had uitgezet, was als volgt. Want het was zijn idee evenals dat van Xenomaan, om  langs de breedtegraad recht op Indië af te varen en door deze as naar het westen te volgen om de Noordpool heen te varen, op zo’n manier dat ze onder het Noorden heen laverend, dezelfde breedte hielden als waarop de haven van Olonne lag, zonder te dichtbij de IJszee te komen, vrezende dat als ze de IJszee binnen zouden varen,  daar ingevroren zouden raken (als Willem Barents) ; en om bij het afleggen van deze klassieke reis steeds langs diezelfde breedtegraad door te varen, de IJszee rechts in  het Oosten te houden, terwijl zij bij hun vertrek links daarvan lag (15). Dit deden ze, omdat het Orakel van de Goddelijke Klankkruik (BacBuc) ergens bij Carey in Boven-Indië te vinden was, en ze niet de gewone route wilden nemen van de Portugezen die over de evenaar heen en om Kaap de Goede Hoop (Bona Esperanza) op  het zuidelijkste puntje van Afrika heen voeren, en de Noordpool links lieten liggen, om langs een ontzaglijke lange weg Indië te bereiken.

En deze beslissing viel ongelooflijk goed in hun voordeel uit, want zonder schipbreuk, zonder gevaar, zonder verlies van volk en in grote kalmte (op een uitzondering na van één dag in de buurt van het eiland der Macreonen: hfd 18 tot 25) deden zij in minder dan vier maanden de reis naar Boven-Indië, die de Portugezen onder duizend wederwaardigheden en met talloze gevaren op ‘t nippertje in drie jaar volbrachten. En zolang niemand mij tegenspreekt, blijf ik de mening toegedaan, dat deze gelukkige koers ook gevolgd is door de Indiërs die naar Germanië zeilden en door de koning der Sueben (Zweden) keurig werden onthaald, toen Quintus Metellus Celer proconsul van Gallië was, zoals is gerapporteerd door Cornelius Nepos en Pomponius Mela, en Plinius na hen (16) . 

zaterdag 28 september 2019

Hoofdstuk 22: Hoe Panurg een Parijse dame een poets bakt. 

Klik hier voor de originele teksten en noten.


Het volgende verhaal heeft alweer een slechte naam. Om het op de manier van Rabelais te omschrijven: het is gruwelijk, godslasterlijk, amoreel en onbeschoft. Het heeft alle trekken van een Trickster, een verhaal van een schelm.  Er zijn commentatoren die dit hoofdstuk uit de Pantagruel niet van commentaar hebben willen voorzien. In mijn commentaar heb ik de opmerkingen gerangschikt onder  de aanduidingen waarmee ik dit verhaal heb gekarakteriseerd: gruwelijk, godslasterlijk, amoreel, onbeschoft en restnoten. Let op het venijn zit in de staart! Alweer een #MeToo verhaal in deze serie blogs gewijd aan de Klassieke Humor.



Hoe Panurg de Parijse dame die niet op zijn avances inging, te pakken nam wat niet in haar voordeel uitviel.



De volgende dag was het Sacramentsdag (RK Feestdag twee weken na Hemelsvaart) . Dat is een dag waarop de vrouwen zich uitbundig kleden in  hun mooiste kleren. En voor deze dag trok onze dame een prachtige japon aan van karmozijn rood satijn met een wit hesje van velours.

De dag tevoren zocht Panurg overal en nergens naar een loopse teef, die hij, toen hij haar dan eindelijk gevonden had, met zijn riem vastbond en mee naar zijn kamer nam en goed te eten gaf de hele dag door en ook ’s nachts. ’s Ochtends maakte hij haar af (1) en haalde hij er dat stuk vanaf dat de Griekse geomantiërs  (2) kennen als het orgaan dat de teef loops maakt, en sneed dat in heel erg kleine stukjes, zo klein hij kon, en nam die stukjes goed verstopt met zich mee naar de plek waar hij wist dat de dame in kwestie heen moest gaan om in de processie mee te lopen. Toen zij de kerk binnenging, reikte hij haar het wijwater aan en begroette haar heel erg hoofs (3). Even later toen ze haar schietgebedjes (4) had gedaan, ging hij naast haar zitten in de kerkbank en gaf haar op schrift een gedicht aan, een rondeel (5), dat luidt als volgt:
Nog een keer wil ik getuigen hoeveel liefde
ik voor u voel, die u afwees en niet beliefde.
U joeg me weg, zonder hoop u weer te ontmoeten
ook al heb ik niets gedaan waarvoor ik zou moeten boeten.
Niets,  wat ik deed, wat ik zei, of zelfs heb gedacht,
is er, waardoor ik dit zou kunnen hebben verwacht.
Als mijn liefdesaanzoek zo slecht viel,
had u mij dat zelf kunnen zeggen in gepaste stiel:
“Laat me, alstublieft, met rust, mijn vriend, dit keer!” (6)

Doe ik er verkeerd aan u mijn liefde te verklaren?
Had ik vuur en vlam voor mijzelf moeten bewaren?
Uw schoonheid verraadt hoe mooi uw lichaam is gevuld
zelfs verborgen in een pak kledingstukken gehuld.
Maar ik zoek niets anders dan uw gratie nog alweer
“Om mij in u te mogen steken, voor dit keer.” (7)
En mét dat zij het papier openvouwde om te zien, wat erin stond, strooide Panurg behendig het loopse tovermiddeltje (8) over haar uit, vooral in de plooien van haar jurk en in die van haar mouwen. Toen zei hij tegen haar: “Mevrouw, die arme stapelverliefde minnaars kunnen zich niet altijd beheersen. Wat mij betreft, ik hoop dat die rusteloze nachten, die niet aflatende pijn en narigheid die ik omdat ik verliefd op u was, heb moeten verdragen, in mindering worden gebracht op de straffen die ik in het vagevuur moet ondergaan. Zou u, op z’n minst, God willen vragen dat ik het geduld kan opbrengen mijn ellende te verdragen.”

Panurg was nog niet uitgesproken of alle honden in de kerk (9) kwamen op de dame af, afgaande op de reuk van het middeltje dat hij over haar had uitgestrooid. Grote en kleine, zware en fijne, alle renden ze op haar af, hun geslacht ontbloot, haar besnuffelend, en van alle kanten met opgeheven poot op haar plassend. Het was de goorste smeerlapperij ter wereld (10).

Panurg joeg ze zo’n beetje bij haar weg, nam afscheid van haar, en trok zich terug in een zijkapelletje om het vermakelijke spektakel (11) beter te kunnen zien. Die laag-bij-de-grondse honden piesten op al haar kleren: een grote hazewind deed het zelfs op haar hoofd, een andere tegen de mouwen en achterop haar kont. De kleintjes deden plasjes op haar hoge schoenen. De vrouwen in haar buurt moesten veel moeite doen om haar te ontzetten. En Panurg maar lachen. Tegen een stadsheertje (12) merkte hij op: “Je zou denken dat die dame loops is. Of zou het zijn dat een hazewind haar pas heeft gedekt?” En toen al die honden in een kring om haar heen liepen te grommen alsof zij een loopse teef was, ging hij op zoek naar Pantagruel.

Onderweg gaf hij iedere hond die hij maar tegen kwam een schop en riep ze na (13): “Waarom ben je  niet met je vriendjes bruiloft gaan vieren? Vooruit, vooruit, schiet op, zo dadelijk kom je nog te laat!” Toen hij thuiskwam, zei hij tegen Pantagruel: “Mijnheer, alstublieft, kom vlug kijken. In de stad is een allermooiste dame omstuwd door een massa honden, die haar zonet hebben besprongen.” Pantagruel gaf graag toe aan dat verzoek, en toen hij het schouwspel (11) zag, was hij zwaar onder de indruk. Hij vond het een schoon en nieuw spektakel. Toen de processie voorbijkwam, liepen er wel meer dan zes honderd duizend en veertien honden in mee. Die tolden in sprongen om haar heen, en vielen haar lastig. En waar zij ook maar langskwam, sloten zich steeds nieuwe honden bij de processie aan, omdat zij op de geur afkwamen die haar kleren verspreidde. En overal plasten de honden op de plekken langs de weg, waar haar japon een spoor had achtergelaten.

Iedereen hield stil om dit hondengedrag te aanschouwen. Die honden ondertussen beklommen haar tot op haar nek, waardoor haar zondagse kleren heel erg vies werden. Zij wist zich hieruit op geen andere manier te redden dan zich in haar herenhuis (15) terug te trekken.

En de honden bleven haar achterna zitten, zij verstopte zich, en de kamermeisjes maar lachen. Toen zij haar huis was binnengegaan en de deur achter zich had dicht gedaan, kwamen alle honden van een halve mijl in de omgeving naar haar huisdeur om er eens flink te kunnen plassen. Zij piesten zo flink tegen haar huisdeur, dat hun plassen een beekje werd, waar eendjes in konden zwemmen. ’t Is deze beek, die tegenwoordig langs Sint-Victor stroomt en waarin Gobelin  (16) zijn kleden scharlaken rood verft, vanwege de bijzondere eigenschap van hondenpis -- gelijk mijnheer Doribus (17) indertijd in een preek al verkondigde. En met Gods hulp had men er een watermolen kunnen laten malen, ook al is het dan geen molen van de grootte van die van Bazacle te Toulouse.

Hierna vertrekken Pantagruel en Panurg naar Utopia om Dipsoden een lesje te leren. We gaan op reis.


donderdag 19 september 2019

Intermezzo.

Het verhaal van de introductie van de grappenmaker Panurg in de Gargantua en Pantagruel van Rabelais, heeft mij ertoe aangezet om een oud stuk over de Humorale Theorie aan mijn nieuwe inzichten hierover aan te passen. Dat was veel moeilijker dan ik had gedacht, maar het is nu min of meer klaar. Hiermee wil ik zeggen dat het stuk niet moet worden gezien als af. Veel is er onduidelijk, en veel moet er verder uitgezocht worden. Maar voor een eerste schets van hoe een studie over de Humorale Theorie eruit kan zien, mag dit stuk wel doorgaan. Ik denk zelfs dat er geen studie is, waarin zoveel gegevens (data) uit de hele wereld bij elkaar zijn gezet over dit onderwerp dan in dit stuk. Alleen dat al maakt het lezen ervan de moeite (en ik verzeker u het kost moeite) waard.

Een vergelijking van het oud stuk met het nieuwe geeft aan hoe mijn denken over dit onderwerp zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Wat mij opvalt, is hoezeer de basis van het stuk uit 1985 ook nu nog in 2019 stand houdt. Toch doet zich ook een opvallende verschuiving voor in het nieuwe stuk met de titel “De reconstructie van de Humorale Theorie” . Het heet een reconstructie, omdat op grond van de interpretatie van zoveel mogelijk verschillende gegevens over deze theorie, er gezocht is naar een samenhang tussen deze gegevens. Samenhang veronderstelt een theoretische visie om de gegevens te kunnen manipuleren. Vandaar Reconstructie. Ik weet natuurlijk niet of mijn manier van denken en in welke mate mijn denken, overeen komt met dat van andere denkers vroeger. Ik denk meer dan genoeg.

Ik benadruk nu veel meer dan in mijn vroegere stuk de overeenkomsten tussen de Humorale Theorie en modern natuurkundige inzichten (zie literatuurlijst: Brian Greene, Frank Close etc.). Ik denk dat je op grond van dit stuk kunt concluderen dat er tussen de pre-wetenschappelijke Humorale Theorie en de moderne natuurkundige theorieën geen paradigmabreuk is. Een verklaring daarvoor wordt gezocht in het belang dat men in de Oudheid stelde in de verbeelding.

Het nieuwe stuk kan een aanzet zijn om dit onderwerp verder uit te diepen, hoop ik. Ik heb mijn best gedaan zoveel mogelijk gegevens over de Humorale Theorie in een stuk samenhangend bijeen te brengen. Dat heeft geresulteerd in een stuk, waarin allerlei verschillende bronnen zijn aangeboord, van klassiek tot Arabisch. Volledigheid is wel nagestreefd, maar het is duidelijk dat er nog veel bronnen zijn (o.a. Turkse) waar ik niet over kon beschikken. Toch heb ik de indruk de gegevens juist te hebben gepresenteerd en geïnterpreteerd.

Ik kan niet zeggen dat dit een stuk is dat gemakkelijk toegankelijk is voor iedereen. Ik hoop er echter een paar mensen mee te bereiken en er plezier mee te doen. Wie goed leest, haalt er de achtergrond, het decor, uit van het verhaal in de Gargantua en Pantagruel waarin Panurg ten tonele verschijnt. Ook bij het bespreken van de volgende fragmenten uit de Rabelais is enige voorkennis over de Humorale Theorie van belang om ze met plezier en begrip te kunnen volgen. Daarom zet ik het nu op het internet en niet later. Later was misschien beter geweest, maar nu komt het van pas.

Het stuk is geschreven met in het achterhoofd de vraag in welke mate humor een rol speelt in de Humorale Theorie. Vandaar dat dan ook met zekere regelmaat er tussen de bedrijven door grapjes worden verteld. Paul Schulten in zijn boek Het was maar een Grapje  (zie literatuurlijst) geeft in hoofdstuk 6 (pag. 187 – 208)  ook duidelijk aan dat humor in de genezing van een ziekte een positieve rol zou kunnen spelen, volgens Rabelais (hfd 4). Daarin heeft de Humorale Theorie de functie om het een en ander te verantwoorden via het medisch inzicht van die dagen.

woensdag 4 september 2019

Hoofdstuk 14: Hoe Panurg vertelt hoe hij uit handen van de Turken ontsnapte. 

Klik hier voor de originele teksten en noten.


Een gruwelijk verhaal, maar waar gaat het eigenlijk over? Dit keer wil ik je  voorstellen het hele verhaal door te lezen zonder het commentaar te raadplegen. Schrijf op het eind op wat je denkt dat dit verhaal vertelt. Daarna kun je het verhaal overlezen, maar nu ga je telkens weer naar het commentaar voor uitleg. En ik denk dat je dan een vreemde, maar verrassende gewaarwording te beurt zal vallen. Ik weet het wel zeker. Wat er staat, staat er niet! Maar wat er niet staat, is ook gruwelijk! Ik waarschuw je maar alvast. Tarantino verbleekt er in sommige opzichten bij.

Panurg vertelt 


Het door Pantagruel uitgesproken oordeel (1) was al vlug aan iedereen bekend, het werd in vele oplagen gepubliceerd, geredigeerd en in de paleisarchieven opgeslagen. En zijn uitspraak nam spreekwoordelijke proporties aan. De mensen zeiden:
“Salomon die intuïtief aan de moeder haar kind teruggaf, wist nooit met zoveel meesterlijke list zijn doel te bereiken als de goede Pantagruel. Daar hebben we het in ons land maar mee getroffen.”

En daarom wilden ze hem rapporteur maken van de Raad van State én voorzitter van het Openbaar Gerechtshof (2.) Maar hij weigerde dat alles en bedankte hiervoor welgevallig, want zei hij: “Je moet te slaafs procedures volgen, en je kunt je eigen oordeel naar eigen inzicht nauwelijks vellen, omdat er sprake is van omkoping en corruptie van de betrokken ambtenaren. En ik geloof dat, als er lege zetels in de hemel voor engelen zijn,  deze niet door andere engelen zullen worden bezet, omdat we het einde der dagen niet zullen halen, zelfs niet volgens de telling van de 37 jubeljaren van Nicolas de Cuse. (3) En Nicolas Cuse heeft zich nog nooit in zijn berekeningen vergist! Ik waarschuw nu maar alvast. Maar mocht u beschikken over een paar vaten wijn van goede kwaliteit, dan houd ik mij aanbevolen om ze als cadeau in ontvangst te mogen nemen.”

Dat deden ze maar wat graag en ze zonden hem de beste wijn die er in de stad te vinden was. En hij nam het ervan zonder te overdrijven. Maar de arme Panurg dronk als een gieter, omdat hij helemaal uitgedroogd was, als een zure haring. Hij liep rondjes als een magere kat. En onder het genot van een beker helderrode wijn, maakte iemand hem daarop attent:
“Vriend, je drinkt te vlug, zo dadelijk verslik je je nog!” “De duivel mag me komen halen: je denkt toch niet dat ik een van die Parijzenaren ben die aan hun wijntje nippen, alsof ze op de staart van een musje tikken? Oh broeder, als ik me even goed kon verheffen als me verlagen, zou ik reeds de maan voorbij zijn in de zevende hemel samen met Empedocles (4) Maar ik weet niet hoe ik het heb: deze wijn is heerlijk en allerverrukkelijkst, maar hoe meer ik ervan drink, des te groter wordt mijn dorst (5). Ik denk dat de schaduw van mijnheer Pantagruel de dorst opwekt, zoals de maan de verkoudheid oproept (6). "

Hier begonnen de omstanders te lachen. Toen Pantagruel dit zag, zei hij: “Panurg, wat valt er te lachen?” Mijnheer ik heb net uitgelegd dat die duivelse Turken er slecht aan toe zijn, omdat ze geen druppel wijn mogen drinken. Zelfs als er geen enkel ander kwaad in de Koran zou staan, dan zou ik alleen daarom al mij er nooit aan onderwerpen.”
“Maar vertel me nu eens hoe je uit hun handen hebt kunnen ontsnappen?” vroeg Pantagruel. 

“God nog aan toe, ik zal er geen woord om liegen. Die lekkere Turken wilden me roosteren (7). Ze hadden me met spekrepen (8) als een konijntje gelardeerd, want ik was helemaal uitgedroogd, en zonder dat zou mijn vlees niet te pruimen zijn geweest. Aan het spit, levend en wel, vastgebonden draaiden ze me rond om me van alle kanten lekker te laten aanbraden. Toen ze me zó ronddraaiden, deed ik een beroep op de goddelijke genade, zoals ook de goede Laurentius (9) deed in dezelfde omstandigheden en bleef hopen dat God mij zou komen redden uit deze kwelling. En dat deed Hij op een wel heel erg vreemde manier. Want op het moment dat ik me aan God aanbeval uit het diepst van mijn hart, schreeuwend ‘Mijn God, help me, mijn God  red me dan toch. Here God,  verlos me van deze foltering, waaraan deze verraderlijke honden mij blootstellen, omdat dat de wet hun voorschrijft'. De man verantwoordelijk voor het ronddraaien van het spit viel door de wil van God in slaap. Of misschien was het de listige Mercurius, die de honderd ogen van Argus sloot (10). Toen ik bemerkte dat hij opgehouden had het spit rond te draaien, keek ik eens zijn richting op, en zag dat hij was ingeslapen (11). Ik wist met mijn tanden een stuk brandhout te pakken te krijgen waar het nog niet brandde, en wierp het in het kruis van de vleesbrader. Een ander stuk wierp ik zo goed ik kon onder een strooien veldbed dat dicht bij de schoorsteen stond waaronder de grill (12) was van mijn belager. Het vuur greep onmiddellijk gretig om zich heen: van het strooien veldbed tot in de dennenhouten plafondbalken om (olie-)lampen aan op te hangen. Maar het beste van alles was, dat het brandende stuk hout dat ik in het kruis van de vleesbrader had gegooid hem zijn penis afbrandde en zijn ballen aantastte. Jammer was dat hij zo bedwelmd was (13)  dat hij het pas in de gaten kreeg, toen het licht werd en hij met een bokkesprong overeind kwam en bij het venster schreeuwde, zo hard hij kon: ‘dal baroth, dal baroth’ (14) wat zoveel wil zeggen als `brand, brand!’ En hij kwam recht op me af om me in het vuur te gooien en hij had al de touwen, waarmee hij mij de handen had vastgebonden, doorgesneden, en hij sneed de touwen om mijn enkels door, toen de huisbaas, die hoorde dat er brand was en de brandlucht rook die zich al in de straat verspreidde, kwam aanrennen, waar hij wandelde met een paar pasja’s en imams (15), om een handje bij het blussen toe te steken en zijn eigendommen in veiligheid te brengen. 

Meteen bij zijn komst trok hij de spies, waaraan ik vastzat, eraf, en stak zonder dralen mijn vleesbrader dood om onzorgvuldigheidsredenen. Hij stak de spies een beetje rechts boven de navel dwars door de derde lever lob, naar omhoog, waar het het middenrif doorpriemde en via de hartholte kwam het weer naar buiten ter hoogte van het linker schouderblad en de wervels van de ruggengraat (16). Het is waar dat toen de spies uit mij werd getrokken, ik op de grond viel dichtbij de staalconstructie waarin het spit werd opgehangen en ja, ik bezeerde me daarbij, maar niet heel erg. Want de spekrepen waarmee ik was omwonden, braken de val. Toen mijn pasja zag hoe hopeloos het ervoor stond, en dat zijn brandende huis niet meer viel te redden, en dat alles was verloren, begon hij alle duivels aan te roepen, negen (17)  keer achter elkaar: GrillGoth, Astaroth, Rapallus en Gribouillis.

Toen ik dat zag werd ik niet een klein beetje bang: ‘De duivels komen zo om deze gek mee te nemen, en het zou goed mogelijk zijn dat ze mij ook zouden meenemen. Ik was natuurlijk al halfgaar en de spekrepen zouden de rest doen, want die duivels zijn gek op spek, volgens gezaghebbende bronnen zoals de filosofen Jambilique en Murmault. Murmault schreef daarover de  apologie “Des bossus et contrefaits pro magistris nostris”  (Over de gebochelden en mismaakten ter verdediging van ons theologen).’ (18) Maar ik maakte vlug een kruisteken, schreeuwend ‘oh God, heilig en  onsterfelijk”, en niemand diende zich aan. Toen dit tot hem doordrong, wilde mijn nare pasja zelfmoord plegen met mijn spies. en zette inderdaad de spies tegen zijn borst, maar het lukte hem niet de spies erdoorheen te drukken, omdat de spies te stomp was. Hij drukte zo hard hij kon, maar het lukte hem niet. Daarop wendde hij zich tot mij , maar ik wees hem op het volgende: “Mijn beste rotzak, je bent je tijd aan het verdoen, omdat je zó nooit jezelf zult kunnen doden. Er is een goeie kans dat je je zo verwond, dat je je hele leven door chirurgen onder handen zult moeten worden genomen. Maar als je wilt, zal ik je helpen hier een schone dood te sterven, waarbij je er niets van voelt, geloof mij nu maar, want ik heb heel wat anderen omgebracht die het goed hebben getroffen.”

“Ah, mijn beste vriend, zei hij, alsjeblieft, en als je het doet geef ik je mijn beurs, kijk daar hangt hij aan de haak, er zitten 600 serafijnen (19) en enige diamanten en perfect gladde robijnen in.” Epistemon onderbrak Panurg: “En waar zijn die nu?” “Bij de heilige Johannes, die konden niet zo hard lopen als ik,  áls ze nog op de been zijn: ‘Maar waar is de sneeuw van weleer?’ (20) Dát was de grootste zorg van Villon, onze Parijse dichter.”

“Vooruit, schiet op met je verhaal,” zei Pantagruel, “alsjeblieft, vertel ons hoe je jouw pasja aanpakte.” “Op mijn woord van man van eer,” zei daarop Panurg, ”ik lieg er geen woord van. Ik bond hem vast met een smerige half verbrande doek, en ik bond zijn handen en voeten stevig vast met mijn touwen, zo goed dat hij geen vin meer kon verroeren. Toen stak ik hem mijn spies door de strot en hing hem op door de spies te leggen tussen twee haken, waaraan gewoonlijk hellebaarden werden opgehangen. Daarna legde ik onder hem een vuurtje aan en ik rookte mijn pasja als een in een schoorsteen opgehangen zure haring. Ik pakte de beurs met geld, diamanten en robijnen, en een kleine speer, die ook aan een van de haken hing, en ging er halsoverkop van door. En God alleen weet hoe de geur van het braadvlees ( 21) tot mij doordrong. Toen ik de straat uitliep, stuitte ik op al die mensen die waren uitgelopen om de brand te blussen met een overvloed aan water. En toen die zagen dat ik  half gaar was verbrand, kregen ze uit een natuurlijke aandrift (22)  medelijden met mij , en overgoten ze mij met water en dat verfriste mij heel erg aangenaam. Toen gaven ze me ook nog iets te eten, maar ik kon nauwelijks eten, omdat ze me alleen maar water te drinken gaven, zoals hun gewoonte is. Verder deden ze me geen kwaad, behalve een kleine van voren gebochelde Turkse schurk, die stiekem zich te goed wilde doen aan mijn spekrepen, maar ik gaf hem zo’n ferme tik op de vingers met mijn speer dat hij het geen tweede keer aandurfde. En dan was er nog een hoer uit Korinthe (23) die met allerlei afrodisiaca (24) aankwam dragen, toen ze mijn arme verschrompelde en als met vliegenpoepjes bespikkelde penis (25)  in de gaten kreeg die zich uit het vuur had weten te redden door in zijn schulp te kruipen. Maar nu hing het tot op mijn knieën. Opgemerkt moet worden dat het roosteren mij helemaal genas van mijn ischias, waarvan ik al 7 jaar last had, alleen aan die kant, waar tijdens het roosteren mijn roosteraar in slaap was gevallen en me had laten aanbranden.

Nu, terwijl ze zich met mij vermaakten, sloeg het vuur aan alle kanten toe, en ik weet niet hoe, maar het sloeg over op wel 2000 huizen, totdat het iemand opviel en hij uitriep: ‘Bij de buik van Mohamed! (26) De hele stad staat in brand en wij staan hier niks te doen’. Toen ging iedereen naar zijn eigen huiselijke haard. En ik, ik sloeg de weg in naar de stadspoort. Niet ver van de stad was een klein heuveltje, waar ik me omdraaide zoals de vrouw van Loth (27), en ik zag de hele stad in vuur en vlam. En dat maakte me zó blij dat ik het bijna in de broek deed van blijdschap, maar God strafte me, en niet zo’n beetje.
“Hoe,” vroeg Pantagruel.
Toen ik daar vol plezier naar dat mooie vuurtje stond te kijken, zei Panurg, zei ik bij mezelf: ‘ah arme vlooien, ah arme muizen, er wacht jullie een moeilijke winter, jullie hoop stro staat in brand (28)’, en nog stond ik daar mij te verheugen, toen er uit de stad wel 6 misschien zelfs 1311 honden, grote en kleine, in een grote zwerm (29) kwamen om aan het vuur te ontkomen. En in eerste instantie liepen ze recht op mij af, omdat ze geur van gebakken vlees roken en ze hadden mij ter plekke opgegeten, als niet mijn goede engel mij een probaat middel had ingefluisterd tegen tandpijn.
“Hè, “ zei Pantagruel, “was jij dan bang tandpijn te krijgen? Je was toch al genezen van je verkoudheid?”

Pasen en Pinksteren mogen op een dag vallen, verdorie. Is het niet zó dat geen tanden meer pijn doen dan wanneer de honden je in de benen bijten? Maar plotseling schoot mij te binnen dat ik nog steeds met spekrepen omwonden rond liep, en die rukte ik van mijn lijf en wierp ik de honden voor: de honden schoten erop af en begonnen onderling met elkaar te vechten dat het een lieve lust was (30). Ieder wilde van mijn spekrepen hebben. Daarom hadden ze geen oog meer voor mij, en ik verdween zo vlug ik kon uit hun ogen, terwijl ik ze met elkaar liet vechten. Ik wist vrolijk en wel aan ze te ontsnappen: leve de barbecue!”

zaterdag 24 augustus 2019

Hoofdstuk 9: Hoe Pantagruel Panurg (1) vond, die hij zijn hele leven zou liefhebben.

(In de vertaling van mij, met een beetje hulp van Sandfort)

Klik hier voor de originele teksten en noten.





Dit hoofdstuk lijkt op het vijfde bedrijf in het Toneelstuk van Plautus, Poenulus, waarin Hanno het toneel opkomt, en Phoenicisch praat, wat de Romeinse toehoorders niet verstaan. Gelukkig staat er een vertaler naast hem, die aan het publiek “vertaalt” wat er wordt gezegd. Rabelais doet het anders: hij maakt er een echte puzzel van. Je vraagt je af waarom Pantagruel het belangrijk vindt dat Panurg al die talen spreekt. Het is duidelijk dat Pantagruel er geen kent behalve het Frans. Als je dan over een rijk heerst waarin verschillende talen worden gesproken, dan is het gemakkelijk iemand naast je te hebben die veel talen (maar liefst 13!) vloeiend spreekt. Dat dat nu juist Panurg moet zijn, die nogal onbetrouwbaar is, zegt iets over de mening van Rabelais over vertalers. Niet alleen verzonnen ze blijkbaar af en toe iets, maar ook zetten ze, wat er gezegd werd, naar hun hand. Het waren oplichters en bedriegers: tricksters.



De teksten hebben alle ongeveer dezelfde strekking: Erst komt dass Fressen, dann die Moral. De vele talen verwijzen ook naar de algehele noodtoestand waarin de wereld verkeerde tijdens het leven van Rabelais. De lezer wil ik erop wijzen dat de teksten op elkaar lijken, maar net als bij Bach en Plautus, vindt er geleidelijk aan een verschuiving plaats, waaruit valt op te maken dat de nood steeds nijpender wordt. Ik heb toch de stukken in de 13 vreemde talen laten staan, omdat dat het meest overeen komt met de eerste editie van de Pantagruel, m.a.w. Rabelais wilde de lezer expres confronteren met het verschil in talen, ook al zagen ze er op schrift allemaal hetzelfde uit. Met opzet gebruikte Rabelais voor alle teksten een transcriptie, waardoor ook de Griekse, Hebreeuwse en Turks-Arabische versie qua letter er hetzelfde uitziet als de andere talen. Het verschil zit in de betekenis, en die zult u, net als de lezer in de tijd van Rabelais, zelf moeten zoeken door te klikken op de noten, en het commentaar te raadplegen. Ik heb alle stukken in een andere taal een andere kleur gegeven. Kan het nog gemakkelijker?

Wat in de tijd van Rabelais op spel staat is de vertaling van de Bijbel in alle spreektalen. Het is onduidelijk welk standpunt Rabelais hierin inneemt. Maar oordeel zelf, want het slot van een lange reeks heen en weer gaande uitdagingen, eindigt in het voordeel van Panurg, de vertaler.

Hoe Pantagruel Panurg vond.

Op een dag toen Pantagruel buiten de stad wandelde, in de richting van het klooster St. Antonius, kletsend en filosoferend met zijn mensen en een paar scholieren, kwam hij een mooie jongen tegen. Hij was elegant en atletisch soepel en slank, maar verder leek hij wel gewond alsof hij net ontsnapt was aan bijtende honden, of om het beter te formuleren, hij leek wel op appelplukkers uit Perche (2).  Zodra hij hem in de verte opmerkte, zei Pantagruel:
“Zien jullie die man, die langs de weg van Pont Charenton (3) naar ons toe komt? Ik zweer je, die man is alleen maar arm, omdat hij geen kansen heeft gekregen, want zijn natuurlijke voorkomen verraadt me dat hij afstamt van een rijke en edele familie. Vreemde wederwaardigheden hebben ertoe geleid dat hij eruit ziet als een berooide zwerver.”

Toen ze op de hoogte kwamen dat ze elkaar passeerden, vroeg hij hem: “Vriend, wees zo goed eens even stil te staan en antwoord te geven op mijn vragen. Je zult er geen spijt van krijgen, want er komt in mij een drang op om u uit de ellende te helpen waarin je terecht bent gekomen. Ik heb medelijden met je. Daarom vraag ik je: Wie bent u? Waar komt u vandaan? Of waar bent u naar onderweg? Wat heeft u hier te zoeken? En hoe heet je?”
De knaap antwoordde hem in hoog Zwitsers:

“Junker, Gott geb euch glück ung heil zuvor.  Lieber Junker, ich lasz euch wissen, das da ihr mich von fragt, ist ein arm und erbärmlich ding,  und wer viel darvon zu sagen, welches euch verdrustlich zu hören, und mir zu erzelen wer, wie  wol die Poëten und Orators vorzeiten haben gesagt in ihren sprüchen und sententzen, dasz die  gedechtnus des elends und armuths vorlangst erlitten, ist eine grosse lust.”(4)

Waarop Pantagruel antwoordde:
“Vriend, ik versta niets van dat Bargoens, dus als je begrepen wil worden, spreek dan een andere taal.” Daarop antwoordde de man:

“Albarildim gotfano dechmin brin alabo dordio falbroth ringuam albaras. Nin portzadikin almucatin milko prin alelmin en  thoth dalheben ensouim : kuthim al dum alka tim nim broth dechoth porth min michais im  endoth, pruch dalmaisoulum hol moth danfri him lupaldas im voldemoth. Nin hur diavosth  mnarbotim dalgousch palfrapin duch im scoth pruch galeth dal Chinon, min foulchrich al conin brutathen doth dal prin.” (5)

“Nu snap ik er nog minder van,” zei Pantagruel. En Epistemon  antwoordde: “Ik geloof dat het de taal van de Tegenvoeters is: de Duivel zou er zijn zinnen nog niet in willen  zetten.“ Waarop Pantagruel zei: “Maat, ik weet niet of de muren je verstaan, maar wij snappen er niets van. Toen zei deze mooie mijnheer:

“Signor mio, voi vedete per essempio che la cor namusa non suona mai, s'ella non ha il ventre  pieno : cosi io parimente non vi saprei contare  le mie fortune, se prima il tribulato ventre non ha la solita refettione. Al quale è adviso che le  mani et li denti habbiano perso il loro ordine  naturale et del tutto annichillati". (6)

Maar ook van die taal begreep Epistemon niets. Daarop probeerde Panurg het in het Schots:

”Lord, if you be  so vertuous of intelligence, as you be naturally  releaved to the body, you should have pity of  me: for nature hath made us equal, but fortune  hath some exalted, and others deprived; nevertheless is vertue often deprived, and the vertuous men despised : for before the last end none is good.” (7)

“Ook niet,” riep Pantagruel vertwijfeld. En Karpelin riep uit: “ Hoor ik hem nu Schots praten?” (8) Waarop de knaap het maar eens in het Baskisch probeerde:

“Jona andie guaussa goussy etan beharda er remedio beharde versela ysser landa. Anbat es otoy y es nausu ey  nessassust gourray proposian ordine den. Non yssena bayta facheria egabe gen herassy badia  sadassu noura assia. Aran hondavan gualde cy  dassu naydassuna. Estou oussyc eg vinan soury  hien er darstura eguy harm. Genicoa plasar vadu.” (9)

“Moet ik hieruit opmaken dat je uit Genua komt?” vroeg Karpelin. waarop Panurg vervolgde:

“Prust frest frinst sorgdmand strochdi drhds pag brlelang. Gravot Chavigny Pomardiere rusth phaldracg Deviniere  pres Nays. Seuillé kalmuch monach drupp delmeupplist rincq drlnd up  drent loch  minc stz rinq wald de vins ders cordelis hurjocst stzampenards.” (10)

“Dit lijkt nergens op,” zei Epistemon. “Spreek je dan geen christelijke taal? Of op z’n minst Patelinees? Daarop reageerde Panurg als volgt:

“ Heere, ik en spreeke anders geen taele dan kersten taele; my dunkt noghtans, al en seg ik u niet een woordt, mynen noot verklaert genoegh wat ik begeere : geeft my uyt bermhertigheyt yets waarvan ik gevoet magh zyn. “ (11)

Pantagruel reageerde daarop met: “Dit snap ik ook weer niet.” Maar Panurg bleef het proberen. Dan maar eens in het Spaans:

“Senor, de  tanto hablaryo soy cansado, porqueyo suplico a vuestra reverentia que mire alos preceptosevan  gelicos, para que ellos movan vuestra reverentia  a lo que es de conscientia; y si ellos non basta  ren, para mouer vuestra reverentia a piedad, yo  suplico que mire a la piedad natural, la qual yo  creo que le movera como es de razon : y con esso  non digo mas.” (12)

Pantagruel antwoordde daarop humeurig: “Mijn God, beste vriend, ik begrijp heel goed dat je veel verschillende talen kent, maar zeg ons nu eens in een taal die we wèl begrijpen, wat je hebt te vertellen. Toen haalde Panurg uit in het Deens met:

“Min Herre, endog ieg med ingen tunge talede, ligesom bœrn, oc uskellige creatuure : Mine kleedebon oc mi legoms magerhed uduiser alligeuel  klarlig huad ting mig best behof girereb, som er sandelig mad oc dricke : Huorfor forbarme dig  ofuer mig, oc befal at giue mig noguet, af huylket ieg kand slyre min grœendis mage, ligeruss som mand Cerbero en suppe forsetter : Saa  shalt du lefue laenge oc lycksalig.” (13)

Eustènes zei daarop: “Volgens mij spraken de Grieken vroeger zó! En als God het had gewild, zouden onze scheten ook zo klinken.” Maar de knaap nam alweer het woord, dit keer in het Hebreeuws:

“Adon, scalôm lecha : im ischar harob hal hebdeca bimeherah thithen li kikar lehem : chanchat ub laah al Adonai cho nen ral.” (14)

“Dit keer heb ik het verstaan: het is Hebreeuws, mooi gedragen uitgesproken, “ zei Epistemon. Maar dat liet Panurg niet over zijn kant gaan en hij ging vlug over in het Grieks:

“Despota tinyn panagathe, diati sy mi ouk artodotis? horas hyparchin, opote pragma afto pasi delon esti. Entha gar anankeï monon logi isin, hina pragmata (hon periamphisbetoumen), me prosphoros epiphenete.” (15)

Karpelin, de lakei van Pantagruel, merkte dat meteen op: Maar dat is Grieks, nietwaar? Heb je soms in Griekenland gewoond?” Panurg kon er niet genoeg van krijgen en vervolgde:

“Agonou  dont oussys vous dedagnez algarou : nou den farou zamist vous mariston ulbrou, fousques vou brol tant bredaguez moupreton den goulhoust, da  guez daguez non cropys fost pardonnoflist nou grou. Agou paston tol nalprissys hourtou los echatonous, prou dhouquys brol pany gou den bascrou noudous caguons goulfren goul ousta roppassou.” (16)

“Dat komt me bekend voor. Het lijkt wel de taal van Utopië. In ieder geval klinkt het zo,”  zei Pantagruel. Maar toen hij in het Latijn door wilde gaan met zijn ondervraging, reageerde de vreemde snuiter in het Latijn met:

“Jam toties vos per sacra perque  deos deasque omnes obtestatus sum, ut si qua  vos pietas permovet, egestatem meam solaremini, nec hilum proficio clamans et ejulans. Sinite, quaeso, sinite, viri impii, quo me fata vocant abire, nec ultra vanis vestris interpellatio nibus obtundatis, memores veteris illius adagii,  quo venter famelicus auriculis carere dicitur.” (17)

Pantagruel, ten einde raad, riep uit: “Mijn God, beste vriend, ken je geen Frans?” Waarop Panurg antwoordde:
“Maar natuurlijk spreek ik Frans. Dat is mijn moederstaal, want ik ben in Frankrijks tuin geboren en getogen: in Touraine.” “Als dat zo is, zeg ons je naam, en vertel ons waar je vandaan komt, want ik zweer je, ik voel veel voor je. En als je aan mijn wens tegemoet komt, zul je nimmer meer uit mijn gezelschap wijken: jij en ik zullen vrienden worden gelijk Aeneas en Achates” (18).

“Heer, mijn enige echte doopnaam is Panurg. Ik kom net uit Turkije, waar ze me gevangen hebben gezet, toen we tegen de Turken het onderspit dolven te Metelyn ( 19). Met veel plezier wil ik u mijn lotgevallen vertellen, die wonderlijker zijn dan die van Odysseus, maar omdat u mij graag bij u wil houden --en dat vind ik een goed idee, ik wil zelfs zover gaan (20) dat u mij nooit meer kwijt zult raken, zelfs niet als u naar de duivels zou overlopen-- , zou ik u willen vragen dat later op een ander meer geschikt tijdstip te doen, want op dit moment ken ik maar een gedachte: eten. Van mijn scherpe tanden tot mijn lege buik en droge keel: alles staat strak van de honger. Wilt u mij mijn verhaal laten vertellen, dan zult eerst mijn goddeloze honger moeten stillen en moeten aanzien hoe ik alles naar binnen werk, mijn God, geef me toch te eten.”
Pantagruel gaf daarop opdracht hem naar zijn huis te brengen en hem een overvloed aan spijzen en drank voor te zetten. En aldus geschiedde. Panurg at voortreffelijk die avond, en sliep nog beter, tot het uur om te ontbijten de volgende dag. En toen zat hij met een wip weer aan tafel.