donderdag 17 oktober 2019

Hoe Panurg en broeder Jan zich hielden onder de storm.

Klik hier om te weten wat eraan vooraf ging.


Pantagruel had eerst God, de grote Heiland, aangeroepen en een gebed voor iedereen gebeden met grote vurigheid, daarna op advies van de stuurman hield hij de hoofdmast stevig vast (om afbreken te voorkomen). Broeder Jan in een wambuis gestoken was bezig de zeelieden zoals Epistemon, Ponocrates en anderen, te helpen bij hun werkzaamheden. Panurg bleef met z’n kont op het dek zitten huilen en klagen. Broeder Jan merkte hem op toen hij hem passeerde via het gangboord, en sprak hem aldus toe: “Mijn god nog aan toe, Panurg de grootogige koe, Panurg de huilebalk, Panurg in  waterland, je zou er beter aan doen ons hier te helpen in plaats van daar te zitten huilen als een koe , en op je kloten te blijven zitten als een aap.”

“BebebebeBoeboeboeboeboe,” sputterde Panurg, “broeder Jan, mijn vriend, mijn goede vader, ik verdrink, mijn vriend, ik verdrink. ‘t Is met mij gedaan, mijn geestelijke leidsman, mijn vriend, ’t is afgelopen. Uw houwdegen kan mij niet meer redden. Helaas, helaas, wij zijn tot onder de laagste noot gezakt, tot onder de do in b-mol (1),  vals in alle opzichten, en dan gaan we weer omhoog, te hoog. BebebeBoeboe (2) , het zal ons nu niet meer helpen “helaas” te roepen. Op en neer gaat ie! Toontje hoger, toontje lager. Ik verzuip! Ah,  mijn vader, mijn oom, mijn alles. Het water staat mijn schoenen aan de lippen. Boeboeboe –pats-boem- huhuhuhu hahahahaha ik verdrink! Helaas, helaas (3), huhuhuhuhu; bebe boeboe bobo bobo hohohohoho, helaas, helaas, ik sta d’r bij als een gevorkte boom, mijn voeten omhoog en mijn hoofd naar beneden, op z’n kop (4).

Als God het had behaagd, had ik net zo goed in het schip kunnen zitten van de goede concilie-gangers, dat schip van de zaligen, die we vanochtend nog zijn tegengekomen, zo devoot, zo lekker vet, zo vrolijk, zo mollig en vol goede moed. Holoholoholo –los- helaas, helaas, helaas, deze golf, deze duivelse golf (vergeef me mijn God), deze goddelijke golf zal ons schip doen ondergaan, een kruik gaat zolang te water tot hij breekt of volloopt. Helaas, broeder Jan, mijn vader, mijn vriend, ik wil biechten (5). Je ziet me hier voor je knielen. Confiteor: Ik belijd (schuld). Geef me uw heilige zegen (van vergiffenis)!"
“Galgenaas,” zei broeder Jan, “kom ons hier helpen. Uit naam van dertig legioenen duivels, kom! Komt er nog wat van!?"
“Vloek niet zo,” zei Panurg, “mijn vadertje, mijn vriend, nu niet! Morgen zoveel je maar wilt, maar nu niet. Hoho, salasalasalsa, onze boot maakt water. Ik verdrink. Helaas, helaas, bebebubbub  drink, dronken. Nu zitten we weer helemaal beneden, ik geef iedereen 1.800.000 euro (6) die me aan wal zet, zo schijterig en full of shit ik er ook aan toe mag zijn, als iemand in mijn drekkige land eraan toe kan zijn. Confiteor: Ik belijd schuld. Helaas, een klein woordje tot slot als testament of tenminste nog een handgeschreven afscheidsbriefje (6).

“Dat 1000 duivels, “ zei broeder Jan, “deze schijtluis, deze overspelpleger bespringen. Genadige God, dat praat van het opmaken van een testament op een moment dat wij in levensgevaar verkeren, en hij zich moet beheersen, nu of nooit meer! Gevangenisbewaarder (7) mijn vriend, kom hem halen. Oh, lieve uitsmijter (8), Gymnaste, kom hier naar het achterdek, schuilen. We worden opgetild als de rokken van een vrouw, mijn God nog aan toe. Je jaagt me de stuipen op het lijf: mijn lichtje dooft. Alles gaat naar de 1.000.000-en bliksemse duivels.”
“Helaas, helaas, “ zei daarop Panurg, “helaas, helaas, boeboeboeboe, helaas, helaas. Zijn wij ertoe voorbestemd om hier te sterven? Hola, beste mensen, ik verdrink, ik ga dood, Consummatum est: het is volbracht, dat was het dan!”

“Grote grutjes nog aan toe, nu geen overbodige beleefdheden meer uitwisselen,” (9) zei broeder Jan, “wat is een huilbaby toch een lelijk ding! Scheepsjongen, let op, bij alle duivels nog aan toe, hou de kajuit in de gaten. Ben je gewond? God nog aan toe, bind hem vast aan de houten reling, ja hier, verdomde duivel. Zo moet je dat doen, beste jongen."
“Broeder Jan,” zei Panurg, “luister toch eens naar mij. Mijn geestelijk vader, mijn vriend, vloek toch niet zó. Je zondigt! Helaas, helaas, Bebebeboe boeboe, ik verdrink, ik ga dood, mijn vrienden. Ik vergeef de hele wereld alles. Vaarwel, in Uw handen (10) beveel ik mijn geest, mijn Heer. Boe boe boeoeoeoeoeoe. Heilige Michel d’Aure, heilige Nicolaas (11), nog een keer en dan nooit meer. Ik wil u hierbij een plechtige belofte doen, richt je tot de Heer en vraag hem ons te helpen – Ik beloof hierbij plechtig, dat waar ik weer voet aan wal zal zetten, een mooi, groot kapelletje zal laten bouwen of wel twee tussen Cande en Montsereau (12), dat er noch koe noch kalf zal weiden. Helaas, helaas, ik heb een heel zwembad leeggedronken, emmertje voor emmertje is mij meer dan een stuk of 18 of 2 keer water in mijn mond gegoten. Wat is dat water bitter en brak.”

“In de naam van het bloed, het vleselijke vlees, de buik en het hoofd, “ zei broeder Jan, “als ik je nog een keer hoor piepen, duivelse spelbreker, zal ik je opdienen als zeewolf, in Gods naam, waarom gooien we hem niet over boord in het diepst van de zee? Roeier, ho rustig aan, beste man, zo gaat ie goed, hou hem recht overeind, bliksem en donder nog aan toe. Ik geloof dat vandaag alle duivels op hol zijn geslagen of dat Proserpina van een kind moet bevallen. Alle duivels dansen de salsa op z’n Moors (13).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten