zaterdag 28 september 2019

Hoofdstuk 22: Hoe Panurg een Parijse dame een poets bakt. 

Klik hier voor de originele teksten en noten.


Het volgende verhaal heeft alweer een slechte naam. Om het op de manier van Rabelais te omschrijven: het is gruwelijk, godslasterlijk, amoreel en onbeschoft. Het heeft alle trekken van een Trickster, een verhaal van een schelm.  Er zijn commentatoren die dit hoofdstuk uit de Pantagruel niet van commentaar hebben willen voorzien. In mijn commentaar heb ik de opmerkingen gerangschikt onder  de aanduidingen waarmee ik dit verhaal heb gekarakteriseerd: gruwelijk, godslasterlijk, amoreel, onbeschoft en restnoten. Let op het venijn zit in de staart! Alweer een #MeToo verhaal in deze serie blogs gewijd aan de Klassieke Humor.



Hoe Panurg de Parijse dame die niet op zijn avances inging, te pakken nam wat niet in haar voordeel uitviel.



De volgende dag was het Sacramentsdag (RK Feestdag twee weken na Hemelsvaart) . Dat is een dag waarop de vrouwen zich uitbundig kleden in  hun mooiste kleren. En voor deze dag trok onze dame een prachtige japon aan van karmozijn rood satijn met een wit hesje van velours.

De dag tevoren zocht Panurg overal en nergens naar een loopse teef, die hij, toen hij haar dan eindelijk gevonden had, met zijn riem vastbond en mee naar zijn kamer nam en goed te eten gaf de hele dag door en ook ’s nachts. ’s Ochtends maakte hij haar af (1) en haalde hij er dat stuk vanaf dat de Griekse geomantiërs  (2) kennen als het orgaan dat de teef loops maakt, en sneed dat in heel erg kleine stukjes, zo klein hij kon, en nam die stukjes goed verstopt met zich mee naar de plek waar hij wist dat de dame in kwestie heen moest gaan om in de processie mee te lopen. Toen zij de kerk binnenging, reikte hij haar het wijwater aan en begroette haar heel erg hoofs (3). Even later toen ze haar schietgebedjes (4) had gedaan, ging hij naast haar zitten in de kerkbank en gaf haar op schrift een gedicht aan, een rondeel (5), dat luidt als volgt:
Nog een keer wil ik getuigen hoeveel liefde
ik voor u voel, die u afwees en niet beliefde.
U joeg me weg, zonder hoop u weer te ontmoeten
ook al heb ik niets gedaan waarvoor ik zou moeten boeten.
Niets,  wat ik deed, wat ik zei, of zelfs heb gedacht,
is er, waardoor ik dit zou kunnen hebben verwacht.
Als mijn liefdesaanzoek zo slecht viel,
had u mij dat zelf kunnen zeggen in gepaste stiel:
“Laat me, alstublieft, met rust, mijn vriend, dit keer!” (6)

Doe ik er verkeerd aan u mijn liefde te verklaren?
Had ik vuur en vlam voor mijzelf moeten bewaren?
Uw schoonheid verraadt hoe mooi uw lichaam is gevuld
zelfs verborgen in een pak kledingstukken gehuld.
Maar ik zoek niets anders dan uw gratie nog alweer
“Om mij in u te mogen steken, voor dit keer.” (7)
En mét dat zij het papier openvouwde om te zien, wat erin stond, strooide Panurg behendig het loopse tovermiddeltje (8) over haar uit, vooral in de plooien van haar jurk en in die van haar mouwen. Toen zei hij tegen haar: “Mevrouw, die arme stapelverliefde minnaars kunnen zich niet altijd beheersen. Wat mij betreft, ik hoop dat die rusteloze nachten, die niet aflatende pijn en narigheid die ik omdat ik verliefd op u was, heb moeten verdragen, in mindering worden gebracht op de straffen die ik in het vagevuur moet ondergaan. Zou u, op z’n minst, God willen vragen dat ik het geduld kan opbrengen mijn ellende te verdragen.”

Panurg was nog niet uitgesproken of alle honden in de kerk (9) kwamen op de dame af, afgaande op de reuk van het middeltje dat hij over haar had uitgestrooid. Grote en kleine, zware en fijne, alle renden ze op haar af, hun geslacht ontbloot, haar besnuffelend, en van alle kanten met opgeheven poot op haar plassend. Het was de goorste smeerlapperij ter wereld (10).

Panurg joeg ze zo’n beetje bij haar weg, nam afscheid van haar, en trok zich terug in een zijkapelletje om het vermakelijke spektakel (11) beter te kunnen zien. Die laag-bij-de-grondse honden piesten op al haar kleren: een grote hazewind deed het zelfs op haar hoofd, een andere tegen de mouwen en achterop haar kont. De kleintjes deden plasjes op haar hoge schoenen. De vrouwen in haar buurt moesten veel moeite doen om haar te ontzetten. En Panurg maar lachen. Tegen een stadsheertje (12) merkte hij op: “Je zou denken dat die dame loops is. Of zou het zijn dat een hazewind haar pas heeft gedekt?” En toen al die honden in een kring om haar heen liepen te grommen alsof zij een loopse teef was, ging hij op zoek naar Pantagruel.

Onderweg gaf hij iedere hond die hij maar tegen kwam een schop en riep ze na (13): “Waarom ben je  niet met je vriendjes bruiloft gaan vieren? Vooruit, vooruit, schiet op, zo dadelijk kom je nog te laat!” Toen hij thuiskwam, zei hij tegen Pantagruel: “Mijnheer, alstublieft, kom vlug kijken. In de stad is een allermooiste dame omstuwd door een massa honden, die haar zonet hebben besprongen.” Pantagruel gaf graag toe aan dat verzoek, en toen hij het schouwspel (11) zag, was hij zwaar onder de indruk. Hij vond het een schoon en nieuw spektakel. Toen de processie voorbijkwam, liepen er wel meer dan zes honderd duizend en veertien honden in mee. Die tolden in sprongen om haar heen, en vielen haar lastig. En waar zij ook maar langskwam, sloten zich steeds nieuwe honden bij de processie aan, omdat zij op de geur afkwamen die haar kleren verspreidde. En overal plasten de honden op de plekken langs de weg, waar haar japon een spoor had achtergelaten.

Iedereen hield stil om dit hondengedrag te aanschouwen. Die honden ondertussen beklommen haar tot op haar nek, waardoor haar zondagse kleren heel erg vies werden. Zij wist zich hieruit op geen andere manier te redden dan zich in haar herenhuis (15) terug te trekken.

En de honden bleven haar achterna zitten, zij verstopte zich, en de kamermeisjes maar lachen. Toen zij haar huis was binnengegaan en de deur achter zich had dicht gedaan, kwamen alle honden van een halve mijl in de omgeving naar haar huisdeur om er eens flink te kunnen plassen. Zij piesten zo flink tegen haar huisdeur, dat hun plassen een beekje werd, waar eendjes in konden zwemmen. ’t Is deze beek, die tegenwoordig langs Sint-Victor stroomt en waarin Gobelin  (16) zijn kleden scharlaken rood verft, vanwege de bijzondere eigenschap van hondenpis -- gelijk mijnheer Doribus (17) indertijd in een preek al verkondigde. En met Gods hulp had men er een watermolen kunnen laten malen, ook al is het dan geen molen van de grootte van die van Bazacle te Toulouse.

Hierna vertrekken Pantagruel en Panurg naar Utopia om Dipsoden een lesje te leren. We gaan op reis.


donderdag 19 september 2019

Intermezzo.

Het verhaal van de introductie van de grappenmaker Panurg in de Gargantua en Pantagruel van Rabelais, heeft mij ertoe aangezet om een oud stuk over de Humorale Theorie aan mijn nieuwe inzichten hierover aan te passen. Dat was veel moeilijker dan ik had gedacht, maar het is nu min of meer klaar. Hiermee wil ik zeggen dat het stuk niet moet worden gezien als af. Veel is er onduidelijk, en veel moet er verder uitgezocht worden. Maar voor een eerste schets van hoe een studie over de Humorale Theorie eruit kan zien, mag dit stuk wel doorgaan. Ik denk zelfs dat er geen studie is, waarin zoveel gegevens (data) uit de hele wereld bij elkaar zijn gezet over dit onderwerp dan in dit stuk. Alleen dat al maakt het lezen ervan de moeite (en ik verzeker u het kost moeite) waard.

Een vergelijking van het oud stuk met het nieuwe geeft aan hoe mijn denken over dit onderwerp zich in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Wat mij opvalt, is hoezeer de basis van het stuk uit 1985 ook nu nog in 2019 stand houdt. Toch doet zich ook een opvallende verschuiving voor in het nieuwe stuk met de titel “De reconstructie van de Humorale Theorie” . Het heet een reconstructie, omdat op grond van de interpretatie van zoveel mogelijk verschillende gegevens over deze theorie, er gezocht is naar een samenhang tussen deze gegevens. Samenhang veronderstelt een theoretische visie om de gegevens te kunnen manipuleren. Vandaar Reconstructie. Ik weet natuurlijk niet of mijn manier van denken en in welke mate mijn denken, overeen komt met dat van andere denkers vroeger. Ik denk meer dan genoeg.

Ik benadruk nu veel meer dan in mijn vroegere stuk de overeenkomsten tussen de Humorale Theorie en modern natuurkundige inzichten (zie literatuurlijst: Brian Greene, Frank Close etc.). Ik denk dat je op grond van dit stuk kunt concluderen dat er tussen de pre-wetenschappelijke Humorale Theorie en de moderne natuurkundige theorieën geen paradigmabreuk is. Een verklaring daarvoor wordt gezocht in het belang dat men in de Oudheid stelde in de verbeelding.

Het nieuwe stuk kan een aanzet zijn om dit onderwerp verder uit te diepen, hoop ik. Ik heb mijn best gedaan zoveel mogelijk gegevens over de Humorale Theorie in een stuk samenhangend bijeen te brengen. Dat heeft geresulteerd in een stuk, waarin allerlei verschillende bronnen zijn aangeboord, van klassiek tot Arabisch. Volledigheid is wel nagestreefd, maar het is duidelijk dat er nog veel bronnen zijn (o.a. Turkse) waar ik niet over kon beschikken. Toch heb ik de indruk de gegevens juist te hebben gepresenteerd en geïnterpreteerd.

Ik kan niet zeggen dat dit een stuk is dat gemakkelijk toegankelijk is voor iedereen. Ik hoop er echter een paar mensen mee te bereiken en er plezier mee te doen. Wie goed leest, haalt er de achtergrond, het decor, uit van het verhaal in de Gargantua en Pantagruel waarin Panurg ten tonele verschijnt. Ook bij het bespreken van de volgende fragmenten uit de Rabelais is enige voorkennis over de Humorale Theorie van belang om ze met plezier en begrip te kunnen volgen. Daarom zet ik het nu op het internet en niet later. Later was misschien beter geweest, maar nu komt het van pas.

Het stuk is geschreven met in het achterhoofd de vraag in welke mate humor een rol speelt in de Humorale Theorie. Vandaar dat dan ook met zekere regelmaat er tussen de bedrijven door grapjes worden verteld. Paul Schulten in zijn boek Het was maar een Grapje  (zie literatuurlijst) geeft in hoofdstuk 6 (pag. 187 – 208)  ook duidelijk aan dat humor in de genezing van een ziekte een positieve rol zou kunnen spelen, volgens Rabelais (hfd 4). Daarin heeft de Humorale Theorie de functie om het een en ander te verantwoorden via het medisch inzicht van die dagen.

woensdag 4 september 2019

Hoofdstuk 14: Hoe Panurg vertelt hoe hij uit handen van de Turken ontsnapte. 

Klik hier voor de originele teksten en noten.


Een gruwelijk verhaal, maar waar gaat het eigenlijk over? Dit keer wil ik je  voorstellen het hele verhaal door te lezen zonder het commentaar te raadplegen. Schrijf op het eind op wat je denkt dat dit verhaal vertelt. Daarna kun je het verhaal overlezen, maar nu ga je telkens weer naar het commentaar voor uitleg. En ik denk dat je dan een vreemde, maar verrassende gewaarwording te beurt zal vallen. Ik weet het wel zeker. Wat er staat, staat er niet! Maar wat er niet staat, is ook gruwelijk! Ik waarschuw je maar alvast. Tarantino verbleekt er in sommige opzichten bij.

Panurg vertelt 


Het door Pantagruel uitgesproken oordeel (1) was al vlug aan iedereen bekend, het werd in vele oplagen gepubliceerd, geredigeerd en in de paleisarchieven opgeslagen. En zijn uitspraak nam spreekwoordelijke proporties aan. De mensen zeiden:
“Salomon die intuïtief aan de moeder haar kind teruggaf, wist nooit met zoveel meesterlijke list zijn doel te bereiken als de goede Pantagruel. Daar hebben we het in ons land maar mee getroffen.”

En daarom wilden ze hem rapporteur maken van de Raad van State én voorzitter van het Openbaar Gerechtshof (2.) Maar hij weigerde dat alles en bedankte hiervoor welgevallig, want zei hij: “Je moet te slaafs procedures volgen, en je kunt je eigen oordeel naar eigen inzicht nauwelijks vellen, omdat er sprake is van omkoping en corruptie van de betrokken ambtenaren. En ik geloof dat, als er lege zetels in de hemel voor engelen zijn,  deze niet door andere engelen zullen worden bezet, omdat we het einde der dagen niet zullen halen, zelfs niet volgens de telling van de 37 jubeljaren van Nicolas de Cuse. (3) En Nicolas Cuse heeft zich nog nooit in zijn berekeningen vergist! Ik waarschuw nu maar alvast. Maar mocht u beschikken over een paar vaten wijn van goede kwaliteit, dan houd ik mij aanbevolen om ze als cadeau in ontvangst te mogen nemen.”

Dat deden ze maar wat graag en ze zonden hem de beste wijn die er in de stad te vinden was. En hij nam het ervan zonder te overdrijven. Maar de arme Panurg dronk als een gieter, omdat hij helemaal uitgedroogd was, als een zure haring. Hij liep rondjes als een magere kat. En onder het genot van een beker helderrode wijn, maakte iemand hem daarop attent:
“Vriend, je drinkt te vlug, zo dadelijk verslik je je nog!” “De duivel mag me komen halen: je denkt toch niet dat ik een van die Parijzenaren ben die aan hun wijntje nippen, alsof ze op de staart van een musje tikken? Oh broeder, als ik me even goed kon verheffen als me verlagen, zou ik reeds de maan voorbij zijn in de zevende hemel samen met Empedocles (4) Maar ik weet niet hoe ik het heb: deze wijn is heerlijk en allerverrukkelijkst, maar hoe meer ik ervan drink, des te groter wordt mijn dorst (5). Ik denk dat de schaduw van mijnheer Pantagruel de dorst opwekt, zoals de maan de verkoudheid oproept (6). "

Hier begonnen de omstanders te lachen. Toen Pantagruel dit zag, zei hij: “Panurg, wat valt er te lachen?” Mijnheer ik heb net uitgelegd dat die duivelse Turken er slecht aan toe zijn, omdat ze geen druppel wijn mogen drinken. Zelfs als er geen enkel ander kwaad in de Koran zou staan, dan zou ik alleen daarom al mij er nooit aan onderwerpen.”
“Maar vertel me nu eens hoe je uit hun handen hebt kunnen ontsnappen?” vroeg Pantagruel. 

“God nog aan toe, ik zal er geen woord om liegen. Die lekkere Turken wilden me roosteren (7). Ze hadden me met spekrepen (8) als een konijntje gelardeerd, want ik was helemaal uitgedroogd, en zonder dat zou mijn vlees niet te pruimen zijn geweest. Aan het spit, levend en wel, vastgebonden draaiden ze me rond om me van alle kanten lekker te laten aanbraden. Toen ze me zó ronddraaiden, deed ik een beroep op de goddelijke genade, zoals ook de goede Laurentius (9) deed in dezelfde omstandigheden en bleef hopen dat God mij zou komen redden uit deze kwelling. En dat deed Hij op een wel heel erg vreemde manier. Want op het moment dat ik me aan God aanbeval uit het diepst van mijn hart, schreeuwend ‘Mijn God, help me, mijn God  red me dan toch. Here God,  verlos me van deze foltering, waaraan deze verraderlijke honden mij blootstellen, omdat dat de wet hun voorschrijft'. De man verantwoordelijk voor het ronddraaien van het spit viel door de wil van God in slaap. Of misschien was het de listige Mercurius, die de honderd ogen van Argus sloot (10). Toen ik bemerkte dat hij opgehouden had het spit rond te draaien, keek ik eens zijn richting op, en zag dat hij was ingeslapen (11). Ik wist met mijn tanden een stuk brandhout te pakken te krijgen waar het nog niet brandde, en wierp het in het kruis van de vleesbrader. Een ander stuk wierp ik zo goed ik kon onder een strooien veldbed dat dicht bij de schoorsteen stond waaronder de grill (12) was van mijn belager. Het vuur greep onmiddellijk gretig om zich heen: van het strooien veldbed tot in de dennenhouten plafondbalken om (olie-)lampen aan op te hangen. Maar het beste van alles was, dat het brandende stuk hout dat ik in het kruis van de vleesbrader had gegooid hem zijn penis afbrandde en zijn ballen aantastte. Jammer was dat hij zo bedwelmd was (13)  dat hij het pas in de gaten kreeg, toen het licht werd en hij met een bokkesprong overeind kwam en bij het venster schreeuwde, zo hard hij kon: ‘dal baroth, dal baroth’ (14) wat zoveel wil zeggen als `brand, brand!’ En hij kwam recht op me af om me in het vuur te gooien en hij had al de touwen, waarmee hij mij de handen had vastgebonden, doorgesneden, en hij sneed de touwen om mijn enkels door, toen de huisbaas, die hoorde dat er brand was en de brandlucht rook die zich al in de straat verspreidde, kwam aanrennen, waar hij wandelde met een paar pasja’s en imams (15), om een handje bij het blussen toe te steken en zijn eigendommen in veiligheid te brengen. 

Meteen bij zijn komst trok hij de spies, waaraan ik vastzat, eraf, en stak zonder dralen mijn vleesbrader dood om onzorgvuldigheidsredenen. Hij stak de spies een beetje rechts boven de navel dwars door de derde lever lob, naar omhoog, waar het het middenrif doorpriemde en via de hartholte kwam het weer naar buiten ter hoogte van het linker schouderblad en de wervels van de ruggengraat (16). Het is waar dat toen de spies uit mij werd getrokken, ik op de grond viel dichtbij de staalconstructie waarin het spit werd opgehangen en ja, ik bezeerde me daarbij, maar niet heel erg. Want de spekrepen waarmee ik was omwonden, braken de val. Toen mijn pasja zag hoe hopeloos het ervoor stond, en dat zijn brandende huis niet meer viel te redden, en dat alles was verloren, begon hij alle duivels aan te roepen, negen (17)  keer achter elkaar: GrillGoth, Astaroth, Rapallus en Gribouillis.

Toen ik dat zag werd ik niet een klein beetje bang: ‘De duivels komen zo om deze gek mee te nemen, en het zou goed mogelijk zijn dat ze mij ook zouden meenemen. Ik was natuurlijk al halfgaar en de spekrepen zouden de rest doen, want die duivels zijn gek op spek, volgens gezaghebbende bronnen zoals de filosofen Jambilique en Murmault. Murmault schreef daarover de  apologie “Des bossus et contrefaits pro magistris nostris”  (Over de gebochelden en mismaakten ter verdediging van ons theologen).’ (18) Maar ik maakte vlug een kruisteken, schreeuwend ‘oh God, heilig en  onsterfelijk”, en niemand diende zich aan. Toen dit tot hem doordrong, wilde mijn nare pasja zelfmoord plegen met mijn spies. en zette inderdaad de spies tegen zijn borst, maar het lukte hem niet de spies erdoorheen te drukken, omdat de spies te stomp was. Hij drukte zo hard hij kon, maar het lukte hem niet. Daarop wendde hij zich tot mij , maar ik wees hem op het volgende: “Mijn beste rotzak, je bent je tijd aan het verdoen, omdat je zó nooit jezelf zult kunnen doden. Er is een goeie kans dat je je zo verwond, dat je je hele leven door chirurgen onder handen zult moeten worden genomen. Maar als je wilt, zal ik je helpen hier een schone dood te sterven, waarbij je er niets van voelt, geloof mij nu maar, want ik heb heel wat anderen omgebracht die het goed hebben getroffen.”

“Ah, mijn beste vriend, zei hij, alsjeblieft, en als je het doet geef ik je mijn beurs, kijk daar hangt hij aan de haak, er zitten 600 serafijnen (19) en enige diamanten en perfect gladde robijnen in.” Epistemon onderbrak Panurg: “En waar zijn die nu?” “Bij de heilige Johannes, die konden niet zo hard lopen als ik,  áls ze nog op de been zijn: ‘Maar waar is de sneeuw van weleer?’ (20) Dát was de grootste zorg van Villon, onze Parijse dichter.”

“Vooruit, schiet op met je verhaal,” zei Pantagruel, “alsjeblieft, vertel ons hoe je jouw pasja aanpakte.” “Op mijn woord van man van eer,” zei daarop Panurg, ”ik lieg er geen woord van. Ik bond hem vast met een smerige half verbrande doek, en ik bond zijn handen en voeten stevig vast met mijn touwen, zo goed dat hij geen vin meer kon verroeren. Toen stak ik hem mijn spies door de strot en hing hem op door de spies te leggen tussen twee haken, waaraan gewoonlijk hellebaarden werden opgehangen. Daarna legde ik onder hem een vuurtje aan en ik rookte mijn pasja als een in een schoorsteen opgehangen zure haring. Ik pakte de beurs met geld, diamanten en robijnen, en een kleine speer, die ook aan een van de haken hing, en ging er halsoverkop van door. En God alleen weet hoe de geur van het braadvlees ( 21) tot mij doordrong. Toen ik de straat uitliep, stuitte ik op al die mensen die waren uitgelopen om de brand te blussen met een overvloed aan water. En toen die zagen dat ik  half gaar was verbrand, kregen ze uit een natuurlijke aandrift (22)  medelijden met mij , en overgoten ze mij met water en dat verfriste mij heel erg aangenaam. Toen gaven ze me ook nog iets te eten, maar ik kon nauwelijks eten, omdat ze me alleen maar water te drinken gaven, zoals hun gewoonte is. Verder deden ze me geen kwaad, behalve een kleine van voren gebochelde Turkse schurk, die stiekem zich te goed wilde doen aan mijn spekrepen, maar ik gaf hem zo’n ferme tik op de vingers met mijn speer dat hij het geen tweede keer aandurfde. En dan was er nog een hoer uit Korinthe (23) die met allerlei afrodisiaca (24) aankwam dragen, toen ze mijn arme verschrompelde en als met vliegenpoepjes bespikkelde penis (25)  in de gaten kreeg die zich uit het vuur had weten te redden door in zijn schulp te kruipen. Maar nu hing het tot op mijn knieën. Opgemerkt moet worden dat het roosteren mij helemaal genas van mijn ischias, waarvan ik al 7 jaar last had, alleen aan die kant, waar tijdens het roosteren mijn roosteraar in slaap was gevallen en me had laten aanbranden.

Nu, terwijl ze zich met mij vermaakten, sloeg het vuur aan alle kanten toe, en ik weet niet hoe, maar het sloeg over op wel 2000 huizen, totdat het iemand opviel en hij uitriep: ‘Bij de buik van Mohamed! (26) De hele stad staat in brand en wij staan hier niks te doen’. Toen ging iedereen naar zijn eigen huiselijke haard. En ik, ik sloeg de weg in naar de stadspoort. Niet ver van de stad was een klein heuveltje, waar ik me omdraaide zoals de vrouw van Loth (27), en ik zag de hele stad in vuur en vlam. En dat maakte me zó blij dat ik het bijna in de broek deed van blijdschap, maar God strafte me, en niet zo’n beetje.
“Hoe,” vroeg Pantagruel.
Toen ik daar vol plezier naar dat mooie vuurtje stond te kijken, zei Panurg, zei ik bij mezelf: ‘ah arme vlooien, ah arme muizen, er wacht jullie een moeilijke winter, jullie hoop stro staat in brand (28)’, en nog stond ik daar mij te verheugen, toen er uit de stad wel 6 misschien zelfs 1311 honden, grote en kleine, in een grote zwerm (29) kwamen om aan het vuur te ontkomen. En in eerste instantie liepen ze recht op mij af, omdat ze geur van gebakken vlees roken en ze hadden mij ter plekke opgegeten, als niet mijn goede engel mij een probaat middel had ingefluisterd tegen tandpijn.
“Hè, “ zei Pantagruel, “was jij dan bang tandpijn te krijgen? Je was toch al genezen van je verkoudheid?”

Pasen en Pinksteren mogen op een dag vallen, verdorie. Is het niet zó dat geen tanden meer pijn doen dan wanneer de honden je in de benen bijten? Maar plotseling schoot mij te binnen dat ik nog steeds met spekrepen omwonden rond liep, en die rukte ik van mijn lijf en wierp ik de honden voor: de honden schoten erop af en begonnen onderling met elkaar te vechten dat het een lieve lust was (30). Ieder wilde van mijn spekrepen hebben. Daarom hadden ze geen oog meer voor mij, en ik verdween zo vlug ik kon uit hun ogen, terwijl ik ze met elkaar liet vechten. Ik wist vrolijk en wel aan ze te ontsnappen: leve de barbecue!”

zaterdag 24 augustus 2019

Hoofdstuk 9: Hoe Pantagruel Panurg (1) vond, die hij zijn hele leven zou liefhebben.

(In de vertaling van mij, met een beetje hulp van Sandfort)

Klik hier voor de originele teksten en noten.





Dit hoofdstuk lijkt op het vijfde bedrijf in het Toneelstuk van Plautus, Poenulus, waarin Hanno het toneel opkomt, en Phoenicisch praat, wat de Romeinse toehoorders niet verstaan. Gelukkig staat er een vertaler naast hem, die aan het publiek “vertaalt” wat er wordt gezegd. Rabelais doet het anders: hij maakt er een echte puzzel van. Je vraagt je af waarom Pantagruel het belangrijk vindt dat Panurg al die talen spreekt. Het is duidelijk dat Pantagruel er geen kent behalve het Frans. Als je dan over een rijk heerst waarin verschillende talen worden gesproken, dan is het gemakkelijk iemand naast je te hebben die veel talen (maar liefst 13!) vloeiend spreekt. Dat dat nu juist Panurg moet zijn, die nogal onbetrouwbaar is, zegt iets over de mening van Rabelais over vertalers. Niet alleen verzonnen ze blijkbaar af en toe iets, maar ook zetten ze, wat er gezegd werd, naar hun hand. Het waren oplichters en bedriegers: tricksters.



De teksten hebben alle ongeveer dezelfde strekking: Erst komt dass Fressen, dann die Moral. De vele talen verwijzen ook naar de algehele noodtoestand waarin de wereld verkeerde tijdens het leven van Rabelais. De lezer wil ik erop wijzen dat de teksten op elkaar lijken, maar net als bij Bach en Plautus, vindt er geleidelijk aan een verschuiving plaats, waaruit valt op te maken dat de nood steeds nijpender wordt. Ik heb toch de stukken in de 13 vreemde talen laten staan, omdat dat het meest overeen komt met de eerste editie van de Pantagruel, m.a.w. Rabelais wilde de lezer expres confronteren met het verschil in talen, ook al zagen ze er op schrift allemaal hetzelfde uit. Met opzet gebruikte Rabelais voor alle teksten een transcriptie, waardoor ook de Griekse, Hebreeuwse en Turks-Arabische versie qua letter er hetzelfde uitziet als de andere talen. Het verschil zit in de betekenis, en die zult u, net als de lezer in de tijd van Rabelais, zelf moeten zoeken door te klikken op de noten, en het commentaar te raadplegen. Ik heb alle stukken in een andere taal een andere kleur gegeven. Kan het nog gemakkelijker?

Wat in de tijd van Rabelais op spel staat is de vertaling van de Bijbel in alle spreektalen. Het is onduidelijk welk standpunt Rabelais hierin inneemt. Maar oordeel zelf, want het slot van een lange reeks heen en weer gaande uitdagingen, eindigt in het voordeel van Panurg, de vertaler.

Hoe Pantagruel Panurg vond.

Op een dag toen Pantagruel buiten de stad wandelde, in de richting van het klooster St. Antonius, kletsend en filosoferend met zijn mensen en een paar scholieren, kwam hij een mooie jongen tegen. Hij was elegant en atletisch soepel en slank, maar verder leek hij wel gewond alsof hij net ontsnapt was aan bijtende honden, of om het beter te formuleren, hij leek wel op appelplukkers uit Perche (2).  Zodra hij hem in de verte opmerkte, zei Pantagruel:
“Zien jullie die man, die langs de weg van Pont Charenton (3) naar ons toe komt? Ik zweer je, die man is alleen maar arm, omdat hij geen kansen heeft gekregen, want zijn natuurlijke voorkomen verraadt me dat hij afstamt van een rijke en edele familie. Vreemde wederwaardigheden hebben ertoe geleid dat hij eruit ziet als een berooide zwerver.”

Toen ze op de hoogte kwamen dat ze elkaar passeerden, vroeg hij hem: “Vriend, wees zo goed eens even stil te staan en antwoord te geven op mijn vragen. Je zult er geen spijt van krijgen, want er komt in mij een drang op om u uit de ellende te helpen waarin je terecht bent gekomen. Ik heb medelijden met je. Daarom vraag ik je: Wie bent u? Waar komt u vandaan? Of waar bent u naar onderweg? Wat heeft u hier te zoeken? En hoe heet je?”
De knaap antwoordde hem in hoog Zwitsers:

“Junker, Gott geb euch glück ung heil zuvor.  Lieber Junker, ich lasz euch wissen, das da ihr mich von fragt, ist ein arm und erbärmlich ding,  und wer viel darvon zu sagen, welches euch verdrustlich zu hören, und mir zu erzelen wer, wie  wol die Poëten und Orators vorzeiten haben gesagt in ihren sprüchen und sententzen, dasz die  gedechtnus des elends und armuths vorlangst erlitten, ist eine grosse lust.”(4)

Waarop Pantagruel antwoordde:
“Vriend, ik versta niets van dat Bargoens, dus als je begrepen wil worden, spreek dan een andere taal.” Daarop antwoordde de man:

“Albarildim gotfano dechmin brin alabo dordio falbroth ringuam albaras. Nin portzadikin almucatin milko prin alelmin en  thoth dalheben ensouim : kuthim al dum alka tim nim broth dechoth porth min michais im  endoth, pruch dalmaisoulum hol moth danfri him lupaldas im voldemoth. Nin hur diavosth  mnarbotim dalgousch palfrapin duch im scoth pruch galeth dal Chinon, min foulchrich al conin brutathen doth dal prin.” (5)

“Nu snap ik er nog minder van,” zei Pantagruel. En Epistemon  antwoordde: “Ik geloof dat het de taal van de Tegenvoeters is: de Duivel zou er zijn zinnen nog niet in willen  zetten.“ Waarop Pantagruel zei: “Maat, ik weet niet of de muren je verstaan, maar wij snappen er niets van. Toen zei deze mooie mijnheer:

“Signor mio, voi vedete per essempio che la cor namusa non suona mai, s'ella non ha il ventre  pieno : cosi io parimente non vi saprei contare  le mie fortune, se prima il tribulato ventre non ha la solita refettione. Al quale è adviso che le  mani et li denti habbiano perso il loro ordine  naturale et del tutto annichillati". (6)

Maar ook van die taal begreep Epistemon niets. Daarop probeerde Panurg het in het Schots:

”Lord, if you be  so vertuous of intelligence, as you be naturally  releaved to the body, you should have pity of  me: for nature hath made us equal, but fortune  hath some exalted, and others deprived; nevertheless is vertue often deprived, and the vertuous men despised : for before the last end none is good.” (7)

“Ook niet,” riep Pantagruel vertwijfeld. En Karpelin riep uit: “ Hoor ik hem nu Schots praten?” (8) Waarop de knaap het maar eens in het Baskisch probeerde:

“Jona andie guaussa goussy etan beharda er remedio beharde versela ysser landa. Anbat es otoy y es nausu ey  nessassust gourray proposian ordine den. Non yssena bayta facheria egabe gen herassy badia  sadassu noura assia. Aran hondavan gualde cy  dassu naydassuna. Estou oussyc eg vinan soury  hien er darstura eguy harm. Genicoa plasar vadu.” (9)

“Moet ik hieruit opmaken dat je uit Genua komt?” vroeg Karpelin. waarop Panurg vervolgde:

“Prust frest frinst sorgdmand strochdi drhds pag brlelang. Gravot Chavigny Pomardiere rusth phaldracg Deviniere  pres Nays. Seuillé kalmuch monach drupp delmeupplist rincq drlnd up  drent loch  minc stz rinq wald de vins ders cordelis hurjocst stzampenards.” (10)

“Dit lijkt nergens op,” zei Epistemon. “Spreek je dan geen christelijke taal? Of op z’n minst Patelinees? Daarop reageerde Panurg als volgt:

“ Heere, ik en spreeke anders geen taele dan kersten taele; my dunkt noghtans, al en seg ik u niet een woordt, mynen noot verklaert genoegh wat ik begeere : geeft my uyt bermhertigheyt yets waarvan ik gevoet magh zyn. “ (11)

Pantagruel reageerde daarop met: “Dit snap ik ook weer niet.” Maar Panurg bleef het proberen. Dan maar eens in het Spaans:

Senor, de  tanto hablaryo soy cansado, porqueyo suplico a vuestra reverentia que mire alos preceptosevan  gelicos, para que ellos movan vuestra reverentia  a lo que es de conscientia; y si ellos non basta  ren, para mouer vuestra reverentia a piedad, yo  suplico que mire a la piedad natural, la qual yo  creo que le movera como es de razon : y con esso  non digo mas.” (12)

Pantagruel antwoordde daarop humeurig: “Mijn God, beste vriend, ik begrijp heel goed dat je veel verschillende talen kent, maar zeg ons nu eens in een taal die we wèl begrijpen, wat je hebt te vertellen. Toen haalde Panurg uit in het Deens met:

“Min Herre, endog ieg med ingen tunge talede, ligesom bœrn, oc uskellige creatuure : Mine kleedebon oc mi legoms magerhed uduiser alligeuel  klarlig huad ting mig best behof girereb, som er sandelig mad oc dricke : Huorfor forbarme dig  ofuer mig, oc befal at giue mig noguet, af huylket ieg kand slyre min grœendis mage, ligeruss som mand Cerbero en suppe forsetter : Saa  shalt du lefue laenge oc lycksalig.” (13)

Eustènes zei daarop: “Volgens mij spraken de Grieken vroeger zó! En als God het had gewild, zouden onze scheten ook zo klinken.” Maar de knaap nam alweer het woord, dit keer in het Hebreeuws:

“Adon, scalôm lecha : im ischar harob hal hebdeca bimeherah thithen li kikar lehem : chanchat ub laah al Adonai cho nen ral.” (14)

“Dit keer heb ik het verstaan: het is Hebreeuws, mooi gedragen uitgesproken, “ zei Epistemon. Maar dat liet Panurg niet over zijn kant gaan en hij ging vlug over in het Grieks:

“Despota tinyn panagathe, diati sy mi ouk artodotis? horas hyparchin, opote pragma afto pasi delon esti. Entha gar anankeï monon logi isin, hina pragmata (hon periamphisbetoumen), me prosphoros epiphenete.” (15)

Karpelin, de lakei van Pantagruel, merkte dat meteen op: Maar dat is Grieks, nietwaar? Heb je soms in Griekenland gewoond?” Panurg kon er niet genoeg van krijgen en vervolgde:

“Agonou  dont oussys vous dedagnez algarou : nou den farou zamist vous mariston ulbrou, fousques vou brol tant bredaguez moupreton den goulhoust, da  guez daguez non cropys fost pardonnoflist nou grou. Agou paston tol nalprissys hourtou los echatonous, prou dhouquys brol pany gou den bascrou noudous caguons goulfren goul ousta roppassou.” (16)

“Dat komt me bekend voor. Het lijkt wel de taal van Utopië. In ieder geval klinkt het zo,”  zei Pantagruel. Maar toen hij in het Latijn door wilde gaan met zijn ondervraging, reageerde de vreemde snuiter in het Latijn met:

“Jam toties vos per sacra perque  deos deasque omnes obtestatus sum, ut si qua  vos pietas permovet, egestatem meam solaremini, nec hilum proficio clamans et ejulans. Sinite, quaeso, sinite, viri impii, quo me fata vocant abire, nec ultra vanis vestris interpellatio nibus obtundatis, memores veteris illius adagii,  quo venter famelicus auriculis carere dicitur.” (17)

Pantagruel, ten einde raad, riep uit: “Mijn God, beste vriend, ken je geen Frans?” Waarop Panurg antwoordde:
“Maar natuurlijk spreek ik Frans. Dat is mijn moederstaal, want ik ben in Frankrijks tuin geboren en getogen: in Touraine.” “Als dat zo is, zeg ons je naam, en vertel ons waar je vandaan komt, want ik zweer je, ik voel veel voor je. En als je aan mijn wens tegemoet komt, zul je nimmer meer uit mijn gezelschap wijken: jij en ik zullen vrienden worden gelijk Aeneas en Achates” (18).

“Heer, mijn enige echte doopnaam is Panurg. Ik kom net uit Turkije, waar ze me gevangen hebben gezet, toen we tegen de Turken het onderspit dolven te Metelyn ( 19). Met veel plezier wil ik u mijn lotgevallen vertellen, die wonderlijker zijn dan die van Odysseus, maar omdat u mij graag bij u wil houden --en dat vind ik een goed idee, ik wil zelfs zover gaan (20) dat u mij nooit meer kwijt zult raken, zelfs niet als u naar de duivels zou overlopen-- , zou ik u willen vragen dat later op een ander meer geschikt tijdstip te doen, want op dit moment ken ik maar een gedachte: eten. Van mijn scherpe tanden tot mijn lege buik en droge keel: alles staat strak van de honger. Wilt u mij mijn verhaal laten vertellen, dan zult eerst mijn goddeloze honger moeten stillen en moeten aanzien hoe ik alles naar binnen werk, mijn God, geef me toch te eten.”
Pantagruel gaf daarop opdracht hem naar zijn huis te brengen en hem een overvloed aan spijzen en drank voor te zetten. En aldus geschiedde. Panurg at voortreffelijk die avond, en sliep nog beter, tot het uur om te ontbijten de volgende dag. En toen zat hij met een wip weer aan tafel.

woensdag 14 augustus 2019

De afkomst en anciënniteit van Pantagruel (1).

(In de vertaling van Sandfort, met veel correcties van mijn hand)

Klik hier voor de originele teksten en noten.


Het loont de moeite om de afkomst en herkomst van Pantagruel in herinnering te brengen, nu we er genoeg vrije tijd voor hebben om dat te doen. Want ik zie dat alle goede geschiedschrijvers in hun boeken dit gedaan hebben, niet alleen de Grieken, Arabieren (2) en Barbaren (3), maar ook de schrijvers van de Heilige Schrift, de heilige heren (4) Lucas en Mattheus.


Meestal brengt men onder uw aandacht dat er in het begin van de wereldgeschiedenis (ik heb het over lang geleden, meer dan veertig maal veertig nachten, als we op de manier van de oude druïden (5)  zouden tellen), kort nadat Abel door Kaïn was gedood en de aarde nog doordrenkt was met het bloed van de rechtvaardigen (6), er een zó vruchtbaar jaar zich voordeed, dat er heel veel fruit was, en dan in het bijzonder dat er een enorme hoeveelheid mispels (7) was, waarom men dit jaar altijd het mispeljaar is blijven noemen, want een tonnetje was al vol met 3 mispels. 

In de maand oktober of misschien in september van dat jaar, om precies te zijn, viel de week, die later bekend stond onder de naam van de drie donderdagen. Er vielen drie donderdagen in één week, omdat er onregelmatigheden door de opeenvolgende schrikkeljaren waren in maangestaltes. De zon schoof krukkig voetje voor voetje naar links (8), de maan kwam in een andere baan met wel een verschil van meer dan 5 meter (9), en duidelijk zichtbaar was dat er een siddering
uitging van de ophangpunten van het firmament, omdat de middelste sterren van de Plejaden zich naar het sterrenbeeld Weegschaal terugtrokken, de andere sterren naar de evenaar (équinoxe) toebogen, en de ster met de naam Epi (=Spica Virginis) zich losrukte uit het sterrenbeeld Maagd. Afschuwelijk om te zien! En dit soort fenomenen zijn zo moeilijk en diep dat astrologen daaraan niet wagen te proeven –hadden ze langere tanden dan was het misschien wel te behappen.  


En in die tijd viel er veel te eten. Vooral mispels, want die waren zó mooi voor het oog en heerlijk van smaak. Maar evenals Noah, de man waaraan wij zoveel verplicht zijn, omdat hij de wijnstok plantte, dat dat goddelijke, kostelijke, kostbare, hemelse, plezierige, sap voortbrengt) bedrogen uitkwam toen hij ervan dronk, omdat hij de deugdelijke en machtige kwaliteiten er nog niet van kende, -- evenzo aten de mannen en vrouwen uit die tijd van deze mooie en grote mispels. Maar wisten niet dat zij daardoor afzichtelijke gezwellen op hun lichaam kregen op verschillende plaatsen.


Uit het vervolg van dit verhaal blijkt dat er mensen zijn die gezwollen buiken kregen (nogal voor de hand liggend, zou ik zeggen). Rabelais zegt dat erover hen geschreven staat dat zij een “ventre omnipotent” (10) hadden. Anderen kregen bochels en liepen krom. Volgens Rabelais was Aesopus één van hen (11). En dan komen we een bekende tegen, die we eerder bij de Winnebago Indianen tegen kwamen . Dit is een tweede keer dat Rabelais in Amerika zijn sporen nalaat of andersom Amerikaanse sporen draagt. Dit verhaal heb ik nog niet op mijn blog staan. In het commentaar (12) valt het in het Engels te lezen. Bij Rabelais gaat het als volgt:


Bij de anderen zwol de penis, als de ploeg die de akkers vruchtbaar maakt (13),  zó aan dat ze een heel wonderlijk grote, zware, grootse, lange, vette en dikke kregen met krokodillenleer, zoals te zien is op antieke plaatjes. Ze konden er zelfs een riem van maken die ze wel vijf - tot zes keer om hun middel konden doen. En als ze een erectie kregen en ze met de wind in de rug er zin in hadden, dan leek het wel of ze met een gevelde lans erop los ramden. Dit soort is verloren gegaan, zoals de vrouwen ons weten te vertellen. Want sinds het verdwijnen van dit soort, beklagen zij zich erover dat ze er niet meer zijn, die grote enz. En de rest van het verhaal is bekend.


Weer anderen krijgen veel te grote ballen. Volgens Rabelais stammen daar de mensen van Lorraine van af. Dan heb je mensen waarop de gezwellen op de benen zitten. Volgens Rabelais lijken ze op kraanvogels of flamingo’s of mensen op stelten (zie stukje Flaubert). En het kan niet ontbreken bij Rabelais: bij nog weer anderen groeide het gezwel aan de neus, zoals bij Rabelais! Dit geslacht hield weinig van kamillethee. Natuurlijk waren er de flaporen. En Pantagruel tenslotte komt van het soort waarbij het gezwel ervoor zorgde dat ze in de lengte en breedte uitdijden tot reuzen. En hierna komt er een typische Rabelais opsomming in de vorm van een litanie om de genealogie (de stamboom) van Pantagruel uit te leggen.  De naam Pantagruel betekent
volgens Rabelais:


                  …Panta betekent in het Grieks alles. En Gruel betekent in het
                      Arabisch veranderd (door uitdroging) (14).

We slaan een hoofdstuk over, waarin verslag wordt gedaan van de geboorte van Pantagruel en dood van zijn moeder in het kraambed. We gaan door met Hoofdstuk 3. 


Hoe Gargantua rouwde om de dood van zijn vrouw Badebec (15) 

Vader Gargantua wist niet hoe hij het had, omdat de geboorte van zijn grote, mooie zoon Pantagruel het leven kostte aan zijn vrouw Badebec. Hij stond perplex en wist niet wat te zeggen of te doen. Door twijfel die hem in de war bracht, wist hij niet meer of hij moest huilen uit rouw voor zijn overleden vrouw, of lachen van vreugde om de geboorte van zijn zoon(16) .  Drogredenen en deugdelijke redenen (17) stonden hem ter beschikking om zowel het een of het ander te doen (18). Hij leek wel op de bij de Romeinen spreekwoordelijke muis (19) die steeds plakkeriger wordt en in zijn eigen haren verstrikt raakt, hoe meer hij de hars van zich af wil wassen waarin hij terecht is gekomen. 


“Zal ik huilen,” riep hij uit. “Maar waarom zou ik huilen? Mijn goede vrouw is dood, mijn vrouw die zowel van het beste van het ene als van het andere in deze wereld kende, nooit zal ik ze nog meer zien, zo eentje krijg ik er nooit weer, het is een onschatbaar verlies. Oh mijn God, wat heb ik gedaan dat ik dit verdien? Waarom ging ik niet vóór haar dood? Want een leven zonder haar, is een leven vol onophoudelijk verdriet. Ach Badebec, mijn schatje, mijn liefje, mijn kleine gek (hoewel gekken geen land mogen hebben, had zij één lapje grond van drie  en één van twee  morgens (een morgen = 34,2 are). Oh mijn hartje, mijn slofje, snotzakje en pantoffeltje, nooit zal ik je weerzien. Mijn arme Pantagruel, je bent je goede moeder kwijt, je lieve voedster en welbeminde verzorgster. Oh valse dood, waarom ben je me zo vijandig gezind, waarom kwel je me zo, door aan mij de vrouw, die de onsterfelijkheid had verdiend, te ontrukken. 


En bij deze woorden begon hij als een koe te huilen. Maar plotseling, lachte hij als een blij kalf bij de gedachte aan Pantagruel:
“Oh, mijn kindje,” zei hij. “oh mijn klootje, m’n zaakje, wat ben je mooi, en hoe kan ik God danken dat Hij mij zo’n vrolijk zoontje heeft gegeven, zo een en al lach, zo knap. Oh, oh, oh, wat ben ik blij, laten we drinken, vergeet je verdriet. Breng van de beste wijn, spoel de glazen, dek de tafel met een laken zodat we kunnen eten, jaag de honden weg, rakel het vuur op, steek de kaarsen aan, doe de deur dicht, snij brood, stuur de armen weg, geef ze waarom ze vragen, haal mijn nette pak om aan te trekken om er piekfijn uit te zien voor het feest om de peettantes te kunnen ontvangen.”


Toen hij dit zei hoorde hij het zingen van de litanie (der overledenen) en het antwoord daarop door de andere priesters, die zijn vrouw ten grave droegen. Zijn mooie woorden bleven hem in de keel steken, en meteen viel er een schaduw over hem heen, en hij zei:
“Mijn God, moet ik mij nu weer overgeven aan mijn verdriet? Daar heb ik geen zin in! Ik ben niet meer jong, ik word oud, het zijn gevaarlijke koortsachtige tijden, als ik koorts krijg –je kent de uitslag: depressie! Op mijn woord van edelman, het is beter minder te huilen en des te meer te drinken. Mijn vrouw is dood, en –met Uw permissie-- ik zal haar niet tot leven kunnen wekken door te huilen. Zij heeft het goed, zij is in het paradijs, en misschien heeft ze het nog wel beter getroffen, zij bidt tot God voor ons. Zij is gelukkig. Om onze ellende en rampspoeden hoeft zij zich niet meer te bekommeren. Die treffen ons, moge God die beschermen, die achterblijven. Ik moet erom denken een andere vrouw te nemen! Ik weet wat jullie (vroedvrouwen en peettantes) moeten doen: ga naar de begrafenis! In de tussentijd leg ik mijn zoon in de wieg, want ik voel me nu al weer in een heel andere stemming (altéré) en ik zou weleens ziek kunnen worden. Maar drink tevoren een goede slok van het een of ander. Dat zal je goed doen! Op mijn woord van edelman.”


Zij gehoorzaamden hem en gingen naar de begrafenis. En de arme Gargantua bleef thuis. En hij dichtte toen dit grafschrift, dat op het graf van zijn vrouw, zou moeten worden geschreven.




De edele Badebec stierf in bed,

toen zij mijn zoon baarde; zij deed alles voor mij

om het uiterlijk binnen en ook buiten de wet.

Dat lange lijf van een Spaanse, van een Zwitserse van opzij.

Dat God haar goedgunstig gezind mag zijn,

en haar vergeeft wat zij verkeerd deed.

Dat haar lijf onder de zoden in ruste moge zijn.

Voorbij zijn jaar en dag die ze met oppassen versleet.


woensdag 31 juli 2019

Hoe Gargantua voor de monnik de abdij Thélème (1) liet bouwen..
(In de vertaling van Santford, met veel correcties van mijn hand)

Klik hier voor de originele teksten en noten.



Alleen broeder Jan had nog geen cadeau gekregen. Gargantua wilde hem abt over Seuillé maken, maar dat sloeg hij af. Toen wilde hij hem abt maken van Bourgueil of Saint-Florent, of van allebei tegelijkertijd, maar ook dat sloeg hij af. De monnik antwoordde onomslachtig: “Hoe zou ik aan anderen leiding kunnen geven, als ik met mezelf geen raad weet? Mocht het zo zijn dat wat ik voor u gedaan heb, u welgevallig is en u in de toekomst op dezelfde manier van dienst kan zijn. sta me dan toe een abdij te stichten naar mijn eigen inzichten.”

Dit verzoek stond Gargantua aan en hij bood hem het landgoed te Thélème (1) aan, gelegen aan de oevers van de Loire, twee mijlen van het grote bos van Port Huault vandaan, om er zijn abdij te bouwen. En broeder Jan vroeg Gargantua toestemming om zijn abdij anders (2) in te richten dan gebruikelijk was voor kloosters, wat hij mocht. “Allereerst,” zei Gargantua, “moeten er geen muren om het klooster heen gebouwd worden, omdat andere kloosters zich trots van de wereld afkeren achter hoge muren.” “Inderdaad,” zei de monnik,” en dat er geen muren moeten komen, heeft zijn redenen: waar muren zijn, voor en achter, daar wordt veel geroddeld, bestaat er grote jaloezie en zweert men samen.”
Verder is het in bepaalde kloosters gebruik dat, wanneer er een of andere gewone  vrouw binnenkomt (eentje van het preutse en zedige slag wel te verstaan), er achter haar meteen wordt schoongemaakt. Daarom werd er besloten dat als er een non of een monnik per ongeluk het klooster van broeder Jan zou binnenlopen, er ook meteen nauwgezet achter ze zou worden schoongemaakt. En omdat het kloosterleven normaal bestond uit regels met waar en wanneer je ergens moest zijn, werd besloten om nergens klokken op te hangen, of een zonnewijzer of ander instrument om de tijd in te kaderen. Werk zou worden verricht naar de gelegenheid en mogelijkheid zich voordeed. “Want, “ zei Gargantua, “het tellen van de uren, dat is pas echte tijdsverspilling. Wat voor goeds komt daaruit voort. Het is de grootste gekkigheid om zijn leven in te richten naar het slaan van de klok (3) in plaats van naar het gezonde verstand.”

En omdat (4) er in die tijd geen vrouwen in het klooster intraden, als die eenogig, kreupel, gebocheld, mismaakt, lelijk, gek, onwijs, behekst of versloft waren, trouwens net zo als dat er geen mannen intraden dan die met staar aan de ogen, met een te grote neus (5), simpel waren of thuis lastig -- Hier onderbrak hem broeder Jan: “Tussen haakjes, een vrouw die niet mooi is en ook niet goed, waar deugt die dan wel voor?” Waarop Gargantua reageerde met: -- “Om in het klooster te stoppen!” “Ja,” zei de monnik, “en om kousen te stoppen” – werd er besloten, dat in zijn abdij slechts vrouwen zouden worden toegelaten, als ze mooi waren, een lief karakter hadden en goed in hun vel staken, en van de mannen alleen maar die werden toegelaten, die knap, recht van lijf en leden en talentvol waren.

En omdat er in vrouwenkloosters geen mannen kwamen, tenzij stiekem en illegaal, bepaalde men, dat er in broeder Jans klooster geen vrouwen zouden zijn als er geen mannen waren, en ook dat er als er alleen mannen waren als er ook vrouwen zouden zijn. En omdat zowel de mannen als de vrouwen, als ze eenmaal ingetreden waren in het klooster, na afloop van een proeftijd ertoe werden verplicht en gedwongen, er hun leven lang te blijven, bepaalde men, dat de mannen en vrouwen in de nieuwe orde de volle en algehele vrijheid zouden hebben om uit te treden, wanneer zij maar wilden. 

En omdat de kloosterlingen gewoonlijk drie geloften deden, die van kuisheid, van armoede en gehoorzaamheid, bepaalde men dat in het klooster van broeder Jan, men naar eer en geweten getrouwd kon zijn, dat er ieder rijk kon zijn en vrij te doen was wat hij zelf wilde doen. De leeftijd waarop men kon worden toegelaten, was voor de vrouwen van tien tot vijftien jaar, voor de mannen van twaalf tot achtien jaar (6).

De architectuur van de abdij Thélème.


De abdij heeft als architecturaal uitganspunt de zeshoek, de vorm van een honingraat. Dat is nogal bijzonder, omdat meestal gekozen werd voor het vierkant en de 45° gekantelde vorm daaroverheen geprojecteerd, wat een achthoek oplevert.  Waarom Rabelais waarschijnlijk voor de honingraat heeft gekozen, valt in mijn commentaar te lezen (7)

De regels van de abdij.

Heel hun leven richtten zij niet in volgens wetten, statuten of regels, maar naar hun eigen vrije wil  en inzicht. Zij stonden uit bed op, wanneer het hun uitkwam, dronken, aten, werkten, sliepen, wanneer zij dat wensten. Niemand wekte ze, niemand zei hun dat zij moesten gaan eten of drinken, of wat voor andere dingen dan ook te doen. Zó had Gargantua het bepaald. Hun uitgangspunt was slechts deze regel:
Doe wat je zult willen!(8)

omdat vrije mensen, geboren in een goede familie, goed opgevoed, die in goed gezelschap verkeren, van nature geneigd zijn het goede te doen. Dat is wat ze hun eer noemen. Als zulke mensen door vernederende onderdrukking en dwang te neer worden gedrukt en onderworpen, dan keren ze zich af van deze nobele innerlijke neiging, waardoor ze spontaan tot het goede zijn genegen om het juk van onderwerping af te werpen en stuk te slaan, want de mens is altijd geneigd om dat wat verboden is te doen en te verlangen naar wat ons wordt geweigerd.

Door deze vrijheid ontstond er een prijzenswaardige wedijver om dat te doen, waarvan zij zagen dat het aan een iemand behaagde (9). Als een man of vrouw zei: Laten we drinken, dronken ze allemaal. Als er eentje zei: Laten we spelen, gingen ze allen spelen. Zei iemand: Laten in de wei gaan stoeien, dan gingen ze allen naar buiten. Ging men op valkenjacht of gewoon jagen, dan reden de dames uit op hun paardjes (10) en statig voortschrijdende, goed gedresseerde rijpaarden, met op hun schattige gehandschoende vuist een sperwer, een blauwvoet of een smelleken (11) ; de mannen hadden andere vogels.

Allen waren zo voortreffelijk opgevoed dat er onder hen niemand was die niet kon lezen, schrijven, zingen, spelen op welluidende instrumenten, er geen was die niet vijf of zes talen sprak en er composities in verzen en proza in kon maken. Nooit zag je zulke koene en hoofse ridders, zo behendig te voet en in het zadel, of kloeker, flexibeler en vaardiger in de omgang met de wapens dan die daar woonden. Nooit zag je zulke keurige dames, en zo lieftallig en weinig vervelend, zo vlug met de naald en met elk eerzaam en vrij vrouwenhandwerk, als die daar woonden.

Zo kwam het dat wanneer de tijd gekomen was dat een van de kloosterbroeders, hetzij op verlangen van zijn ouders of om welke andere reden dan ook, de abdij wilde verlaten, hij een van de dames meenam, die namelijk die hem tot haar prins had uitverkoren, om met haar te trouwen. En hoewel zij ook in Thélème in toewijding en vriendschap met elkaar geleefd hadden, in hun huwelijk gingen ze nog beter met elkaar om, en op eind van hun dagen hielden zij nog evenveel van elkaar als in de nacht van hun bruiloft.
Ik wil niet nalaten u mede te delen een raadsel opgeschreven op een grote bronzen plaat gevonden in de fundamenten van de abdij:

Arme mensjes die altijd maar het geluk verwachten
luister goed en hou mijn woorden in gedachten.
Ik weet niet of je er geloof aan moet hechten
aan wat er in de sterren geschreven staat .
Sommigen laten dat over aan de kwaden en slechten,
want niemands kennis van wat te gebeuren staat
zal helpen het kwalijk Lot te berechten . (12)
etc. etc.

maandag 17 juni 2019


Vakantie.

In de komende 6 weken moet u het doen met de oude bijdragen die al  op het blog Klassieke Humor zijn verschenen.


In die tijd ben ik op vakantie. Dat wil zeggen in de weken van 17 juni, 24 juni, 1 juli , 8 juli, 15 juli en 22 juli staan er geen nieuwe posts op mijn blog.


Daarna gaan we door met de lotgevallen van Gargantua en Pantagruel. Met speciale aandacht voor Broeder Jan en Panurg.


Tot 29 juli, met een verhaal over de utopie, Thélème,  waarin Broeder Jan zijn verdere leven hoopt te slijten. Ook Broeder Jan moest met vakantie.


Vriendelijke groeten,Willem.