woensdag 29 augustus 2018

Uit: Libro de Buen Amor

De schitterende fabel bij Acedia.


Hier spreekt hij van het rechtsgeding dat de wolf en de vos hadden voor Heer Simio (1), rechter van Bugía (2).
 
Ik wil iedereen aanbevelen om het commentaar en de noten bij deze fabel erop na te lezen. Zonder
de uitleg is de vertaling van deze fabel soms helemaal niet te volgen (regels 355-361). Ik maak toch gebruik van de vertaling, omdat ik me aan de zevende doodzonde, acedia (luiheid), schuldig maak. Een nieuwe vertaling zou me weken kosten. Door het commentaar wordt het hele verhaal begrijpelijk, met in begrip van de Middeleeuwse juridische subtiliteiten.

Lees het commentaar en de noten!





321   Het vosje (vrl) wou haar buurman, meester haan, 
         ontvoeren, (3)
dat zag de wolf en zei dat zij dat laten moest;
Hij zei dat zij het goed van anderen niet mocht roven,
maar zelf hem op te vreten dat verlangde-ie woest.
322   Wat hij zo gaarne deed, verweet hij aan een ander,
         bij anderen keurde hij af, wat voor zichzelf hij prees,
         waarvan hij zelf zo hield, dat ging hij zelf berispen,
         verbiedt aan anderen wat hij zelf bemint het meest.
323   De wolf ging toen zijn tante (4) dagen voor ’t gerecht;
         een grote kenner zou in hun zaak vonnis spreken.
         Don Simio was zijn naam, Bugía’s rechter, schrander
         en wijs; hij bleef bij de uitspraak nimmer in gebreke.
324   De wolf deed d’aanklacht in voortreffelijke stijl,
         bekwaam en goed gesteld, helder en goed gericht,
         hij had een beste advocaat, gewiekst en scherp,
         de jachthond (5) , die van ’t vosje lang niet is gesticht.
325   ‘Voor u, de zeer geëerde en zeergeleerde heer,
         Don Simio, van Bugía de ordinaris (gewone) rechter,
         kom ik, de wolf, nu klagen over mijn moei (4),
         betichtend haar van misdaad hier in rechten.
326   ‘k Verklaar dat in jongstleden maand Februari
         in ’t allereerste jaar naar de Era van 
         dertienhonderd (6)
         terwijl regeert de leeuw die naar bloed dorst 
         als koning,
         die kwam naar onze stad om ’t geld dat hij 
         graag plondert, (7)
327   zij binnensloop in ’t huis van Don Cabron (8)
          mijn pachter
         en mijn vazal, des nachts, van boven 
         langs het rookgat (9)
         en aldus meester haan, onz’ omroeper, ontvoerde,
         hem meenam, en ondanks mijn protesten, opat.
328   Daarvan beticht ik haar hier voor u, edel heer,
         en ‘k eis dat gij haar doemt bij vonnis voor dit feit,
         dat zij gehangen wordt ter dood als vuige dief (10):
         zo ‘k u dit niet bewijs, ben ‘k zelf ter dood bereid. (11)
329   Toen deze aanklacht in ’t geding gelezen was,
         gedroeg de vos zich wijs en paste op haar tellen:
         ze zei: “Heer, ‘k ben maar klein en slecht bekend, 
         wilt gij
         mij ’n raadsman in dit doodsgevaar ter zijde stellen?”
330   De rechter antwoordde: “ ‘k Ben kortelings 
         aangekomen
         in deze uwe stad, ‘k ken dus maar weinig lieden,
         maar ‘k wil u een termijn van twintig dagen geven
         en zoekt u ’n advocaat; daarna moet ik u ontbieden.”
331   De rechter stond toen op en schorste het geding;
         partijen elk voor zich maakten zich snel gereed
         te zoeken geld of panden voor hun advocaat.
         De vos is wel zover dat hij een raadsman weet.
332   De dag van de termijn, aan haar verleend, brak aan
         en juffrouw Slim kwam met een grote raadsman aan,
         een schepershond (hond voor schapen (12)
met ’n band vol scherpe punten om:
         toen Wolf hem zag, was hij van vrees ontdaan.
333   Deze grote advocaat sprak namens zijn cliënt:
         ‘Heer rechter, mijnheer Simio, al wat de wolf beweert,
         al wat hij eist en vraagt, dat doet hij met bedrog:
         hij is zelf een sluwe dief, die zich voor niets geneert.
334   En daarom vraag ik onontvank’lijkheid 
         (=niet-ontvankelijk: (13) voor hem
         naar recht en wet, weshalve niet zal zijn gehoord
         ’t verzoek en de beschuldiging door hem gedaan;
         daar hem als sluwe dief dit recht niet toebehoort.
335   Veel nachten en ook dagen is ’t mij overkomen
         dat hij met vele van mijn schapen is gaan  strijken
         en ‘k zag hoe hij ze op die velden daar vermoordde,
         maar voordat hij ze opat, ontrukte ik hem de lijken.
336   Vaak is hij wegens diefstal door ’t gerecht 
         veroordeeld (14),
         en door die vonnissen aan een slechte naam 
         gekomen,
         derhalve mag hij niemand voor ’t gerecht aanklagen
         en bleef zijn stem voor dit uw hof ’t best onvernomen.
337   Ik wraak hem bovendien als geëxcommuniceerd
         onder de scherpste ban van een pauselijk legaat,
         daar openlijk hij een bijzit heeft, ofschoon gehuwd
         met vrouw Wolvin, die hij in ’n vuil hol achterlaat.
338   Zijn bijzit is de waakhond (15) die de schapen hoedt,
         Daarom geef ik voor al zijn praat nog geen 
         twee knopen
         en moet men op zijn lastertaal het zwijgen doen.
         Spreek mijn cliënte vrij, heer Sim, en laat haar lopen.’
339   De jachthond (16) en de wolf die stonden gans verslagen
         ze legden zich uit angst en nood bij alles neer.
         De Sluwe sprak ter stond: “Mijnheer zij moeten blijven
         in hechtenis, ik eis hun dood, zonder verweer.”
340   Ze voerden de bewijzen voor hun pleiten aan
         en vroegen dat de rechter noemde een termijn,
         waarop hij ’t vonnis ter kennis brengen zou.
         Eerst na Driekoningen (17), zei hij, zou d’ 
         uitspraak zijn.
341   Heer Simio ging naar huis, met hem een groot gevolg,
         partijen gingen mee, ’t werd een koddige troep,
         de fraaie advocaten werden ook genood;
         de rechter om te kopen, was hun vuil beroep.
342   Partijen namen daar hun advocaat te rade:
         d’ een bood de rechter zalm, de ander bood forel,
         d’ een bracht een beker, d’ ander in ’t geheim een kop,
         ze zetten ’n hak elkaar in deze strijd zo fel.
343   De dag is aangebroken dat het vonnis valt,
         beide partijen staan in ’t aangezicht des rechters (18).
         De goede rechter zei: “ ’t Treft nog 
         een overeenkomst (19),
         voor ‘k uitspraak doe en ’t vonnis op ga leggen.”
344   De advocaten worst’len en beijv’ren zich zeer
         uit de rechter iets te halen omtrent zijn plan,
         welk vonnis hij zal spreken, hoe het wel zal zijn,
         maar geen van hen uit hem iets zekers halen kan.
345   Langs ’n omweg trachtten ze hem aan 
         de praat te krijgen
         over het vonnis, en zijn stemming wat te peilen;
         hij liet zijn tanden zien, maar ‘t leek geen echte lach,
         zij dachten ’t was een grap, hij loerde naar hun feilen.
346   Partijen zeiden tot hun advocaat dat ze
tot overeenstemming  niet zouden gaan besluiten,
         geen schikking wilden die voor beide niets oplevert:
         ze eisten dat ze met een uitspraak komen buiten.
347   De rechter, man van studie en geleerdheid groot,
         hield zich aan zijn beroep en ‘d eis aan hem gesteld:
         gezeten in zijn zetel, in de zaal van het gerecht,
         las hij het vonnis, door hem op schrift gesteld:
348   “Ik, Simio, d’ ordinaris rechter van Burgía,
         in naam van d’ ene God –zo ving de rechter aan—
         gezien de eis die door de Wolf werd ingediend
         waarin hij juffrouw Vos van diefstal klaagde aan;
349   (20) gezien d’ ontschuldigingen en de verdediging
         door Vos geformuleerd als onontvank’lijkheid,
         gezien het antwoord en het repliceren
         door Wolf in al zijn argumenten neergelegd;
350   gezien ook wat de Vos in tegenaanklacht eist
         tegen de Wolf, aan ’t slot van ’t hele rechtsgeding,
         gezien per slot alle acten van ’t proces en dat
         partijen vonnis wensen en geen regeling:
351   heb ‘k onderzocht het gans beloop van het proces
         en heb ik raad belegd –en zeker met veel baat –
         van mannen, kundig in de wetten en het recht,
         met God voor ogen slechts en geen gewin of haat,
352   en oordeel dat de eis van Wolf is goed gesteld,
         goed ingediend, en zeker, duidelijk en scherp,
         en oordeel dat de Vos ook ’t recht heeft aan naar zij
         als ze in ’t verweer en haar repliek die eis verwerpt.
353   De eerste grond van onontvank’lijkheid is krachtig
         genoeg, maar d’ excommunicatie is niet werkzaam:
         ik zal er wat van zeggen, ’t is een mooie kwestie,
         gij, advocaat niet-Latinist, wees dus opmerkzaam!
354   Die eerste exceptie was heel juist te pas gebracht,
         de kerkelijke ban was echter niet zo fijn,
         want het decreet genoemd had moeten worden
         en binnen negen dagen bewezen moeten zijn (21).
355   Door stukken of getuigen, ’n acte authentiek
         van een publiek notaris moest zonder mankeren (22)
         die krachteloosheid duidelijk worden aangetoond,
maar is ze effectief dan moet men zo iets niet proberen.
356   Als de excommunicatie krachteloos wordt geacht,
         moet binnen negen daag verzet worden betekend,
         bij werkzaamheid hetzelfde –mijd beslist die fout—
         veel advocaten stellen ’t uit ofwel vergeten ‘t.
357   Zulk een exceptie is in volle omvang effectief,
         als men ze stelt tegen ’n getuige in een strafzaak
         of tegen een publieke rechter die men wraakt:
         wie anders haar gebruikt, heeft ’n grote fout gemaakt.
358   Ik oordeel verder dat de Vos meer eist dan mag:
         zij kan bij ’n strafzaak zo de tegeneis niet stellen;
ik kan niet bij exceptie vonnissen en straffen
         en een advocaat moet dat aan zijn cliënt vertellen.
359   Al is exceptie mogelijk tegen een partij
         of een slechte getuige, ’n andere straf wordt 
         niet gegeven,
         men wijst z’n eis af, zijn getuigenis is niets waard,
         maar ‘n echte straf, herhaal ik, is hier niet 
         na te streven.
360   Tenzij ’n  getuige vals is of geen voet bij stuk houdt,
         want dan gebruikt de rechter tegen hem tortuur (23),
niet wegens de exceptie maar omdat dit mag,
         bij criminele zaken een gewoon figuur.
361   Exceptie is een grond om ’n eis op af te wijzen,
         getuigen ook te wraken, een- en andermaal,
         maar op excepties kan ik vonnissen noch doden:
         een rechter kan slechts gaan tot 
         waar het recht zelf faalt.
362   Zover ik opmaak uit de woorden van de Wolf
         die hij hier voor mij heeft gezegd en verder niet,
         ben ik van oordeel dat de Vos wel heeft gelijk,
         weshalve ik de wolf het spreken nu verbied.
363   Uit zijn bekentenis en uit zijn levenswijs
         blijkt evident en zeker wat de Vos poneert;
         mijn uitspraak luidt dus dat de eis door hem gedaan
         niet toegelaten wordt, gelijk ‘k reeds heb beweerd.
364   Waar Wolf bekent dat zelf hij deed waarvan hij Vosje
beticht en ’t blijkt dat hij die daden vaak beging, 
         hoeft zij in rechte niet zich tegen hem te weren:
         ‘k aanvaard dan ook haar verontschuldiging.
365   ’t Zal hem niet baten dat hij zei tot zijn bekennen
         te zijn gedreven door zijn angst en zijn beklemming,
want ijdel was die angst en onzin wat hij zei:
waar ’n goede rechter recht spreekt vindt ieder 
bescherming.
366   Ik geef de Vos verlof ter wildernis te gaan,
         hoewel ‘k haar niet van diefstal absolveer zo gauw,
         maar haar verbied dat zij een buurvrouw steelt 
         haar haan.” (24)
“Dat is al gebeurd, “ zegt zij, “’k steel wel de haan van zijn vrouw.”
367   De partijen tekenden geen appèl aan, ze waren tevreden over de uitspraak,
         immers ze betaalden geen kosten noch werden ze 
         veroordeeld,
het eerste geschiedde doordat partijen daarom niet gevraagd hadden,
en het proces werd niet bestreden, omdat beiden werden vrijgesproken.
368   Wel hadden de advocaten iets tegen de rechter
         te zeggen,
nl. dat hij heel verkeerd had gedaan en veel van zijn roem had ingeboet,
door datgene wat hij op eigen houtje had opgemerkt bij ’t geding;
         maar heer Simio gaf hun daarin voor geen 
         sikkepit gelijk.
369   Hij zei hun dat hij bij zijn uitspraak alles mocht
doen wat het recht en de wetten hem veroorloofden
en dat hij over iets daarbuiten niet had gesproken.
De advocaten kregen van de Aap een hartig lesje.
370   Ook zeiden ze tegen hem iets dat heel goed klonk
 nl. dat na de conclusie in een criminele aanklacht
hij geen verlof mocht geven tot een regeling,
dat het vonnis noodzakelijk was aan ’t slot.
371   Daarop gaf de rechter maar één antwoord:
         dat hij van de koning bij zijn opdracht 
         een speciale volmacht
voor dit alles en volledige jurisdictie had;
de advocaten hadden bij dit dispuut heel wat geleerd.



dinsdag 14 augustus 2018

Uit: Libro de Buen Amor

Traagheid:  de zevende doodzonde.

Oorspronkelijke tekst.



Hier spreekt hij over de zonde van de traagheid.


317  Gij zijt de herberg en de herbergier 
        van de traagheid,
        nooit duld je dat iemand iets goeds doet,
en zodra je hem werkloos ziet, bezorg je hem een leven van smarten,
hij begint in zonde en eindigt in droefheid.
318  Zelf loop je nooit leeg: wie je eenmaal
        verstrikt hebt,
die doe je allerlei bedrog bedenken en vele kwalijke zaken
hij vindt genot in zonden en in boosheid;
door je boze kunsten breng je zielen en lichamen om.
319  Evenals de traagheid breng je ook 
        de huichelarij mee,
steeds bedenk je met de grootste simpelheid allerlei rechtsgekonkel,
als je denkt ben je somber, en zit je met neergeslagen ogen,
als je maar een mooie vrouw ziet, loer je vol sluwheid.
320  Hoeveel moois je ook predikt, je doet er zelf 
        niet van,
         heel de wereld bedot met je mooie woorden,
         je begeert wat de wolf van de vos verlangt.
Luister maar naar de profijtelijke fabel, 
jij advocaat van de wet.

Commentaar: 


De bespreking van de Zevende Doodzonde valt in twee delen uiteen. Het eerste deel bespreek ik vandaag; het tweede deel zal ik de volgende week bespreken. De bespreking is opgesplitst over twee weken, omdat Deel 2, de fabel die bij de Zevende Doodzonde hoort, een erg lang verhaal is. Bovendien, is het niet alleen een geweldig grappig verhaal, maar bevestigt het ook nog op allerlei manieren, wat ik hiervoor al eens aan de orde heb gesteld. Dat is met het Deel 1 zeker niet het geval. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de bespreking van Deel 1 vooral aan het licht brengt dat een van mijn beweringen volkomen de mist in gaat. Om dit te verklaren moet ik wat uitgebreider vertellen hoe ik op dit blog te werk ga.


Op dit blog heb ik telkens een voor een ‘n doodzonde besproken zonder mij af te vragen hoe de verhandeling van alle zeven  doodzonden in het Libro de buen Amor verder zal worden afgehandeld. Ik doe dus allerlei uitspraken waarvan later kan blijken dat ze er volkomen naast zitten. Gelukkig is dit de eerst de keer dat ik er inderdaad naast zit. Juan Ruiz slaat bij de Zevende doodzonde een volstrekt andere weg in dan ik had verwacht.

Op Wikipedia staat  te lezen naar aanleiding van de bespreking van een gravure van Dürer, Melancholia I:
De verslagen houding van de engel, die somber met haar hoofd op haar linkerarm steunt, vertegenwoordigt het door overpeinzingen veroorzaakte onvermogen om tot daden te komen. Het hieraan verwante melancholische temperament wordt in verband gebracht met luiheid, een van de zeven hoofdzonden van de Rooms-katholieke Kerk. …….” “Melancholie” is min of meer de oude aanduiding voor “depressie”. 

Ik had dus verwacht, dat ook Juan Ruiz die weg zou inslaan. En ik had dus gehoopt een bruggetje te vinden van de Zevende Doodzonde naar Depressie, ter ondersteuning van mijn bewering van 2 juli 2018:  “Tenslotte de zevende doodzonde, Acedia, blijkt volksziekte nummer 1 tegenwoordig te zijn: de depressie.” 
Op het onderschrift op de gravure van Breughel (zie plaatje aan het begin van dit blog) wordt dit verband nogmaals gelegd: “Segnities robur frangit, longa ocia nervos” (vert. Traagheid breekt de levenskracht,  lange luiheid breekt de zenuwen.” Wie schetst mijn verbazing, toen ik las dat Juan Ruiz een heel andere afslag nam: die van de huichelarij. Hij associeert de Zevende Doodzonde  onmiddellijk met hypocrisie (“ypocresia”). Het verband met depressie wordt sterk afgezwakt!

Ik kan hiervoor geen verklaring vinden. In de bijgevoegde fabel, die ik volgende week ga bespreken, blijkt wél bewijs voor de theorie van Foucault, dat vanaf de 14ᵉ eeuw, de stoet van Zeven Doodzonden  een nieuwe vaandeldrager krijgt: de Gek die van binnenuit de Rede weet te corrigeren (Foucault, Histoire de la folie à l'âge classique, pag. 41: “la folie n’est pas liée au monde et à ses formes sousterraines, mais bien plutôt à l’homme, à ses faiblesses, à ses rêves et à ses illusions.” (vert. : de krankzinnigheid (gekte) wordt niet in verband gebracht met de wereld en met de onderaardse vormen waarin het zich manifesteert, maar eerder met de mens zelf, met zijn zwakheden, zijn dromen en illusies.). De Zot (Krankzinnige) voert de stoet van Zeven (gepersonificeerde) Doodzonden aan, zoals in de eeuwen daarvoor de Dood in Dodendansen de levenden voorging in een Dans macabre


Dit is mooi, vind ik, en verklaart waarom fabel en bespreking door Juan Ruiz van de Zevende Doodzonde , bij elkaar horen. Maar verklaart niet waarom Juan Ruiz bij Huichelarij uitkomt en niet bij Triestheid.

Ik heb er geen verklaring of uitleg voor! Natuurlijk valt er wel een verband te verzinnen.  Je kunt je voorstellen dat netwerken zo’n grote plaats innemen bij het vinden van werk en het zich verwerven van een positie dat vleien en huichelen belangrijker zijn dan wat je werkelijk kunt. Dit zou ertoe kunnen leiden dat je leven zich los zingt van de werkelijkheid, wat op zijn beurt een dusdanige vervreemding tot gevolg heeft dat je geen banden meer hebt met je omgeving. Deze ervaring lijkt sterk op de ervaring van een depressie. Zo’n verband legt Juan Ruiz echter niet!

donderdag 12 juli 2018

Uit: Libro de Buen Amor

Toorn en Woede:  de zesde doodzonde.

Commentaar en oorspronkelijke tekst.



Hier spreekt hij over zonde van de IJdelheid ( en de Toorn).


304   Toorn en ijdelheid breng je mee, zoveel als 
         er in de hele wereld niet is,
meer trots en snoeverij bezit jij dan heel Spanje;
als jouw zin niet gedaan wordt, dan word je 
boos en woedend,
hekel en afkeer behoren tot je gevolg.
305   Door zijn grote ijdelheid gaf Nebukadnezar, (1)
         omdat hij zo machtig en heer over Babylon was,
         weinig om God  en (hij) vreesde hem niet;
         maar (God) beroofde (2) hem van al zijn macht en zijn eer.
306   Hij werd hevig vernederd en aan de dieren gelijk,
         hij at gras van het veld, gelijk de os het stro,
         hij werd met haar bedekt precies als een beest, (3)
         hij kreeg nagels nog groter dan de koningsarend.
307   Wraak en moord worden door jou gevoed.
         “Ziet ik ben Die en Die, de bolleboos onder de kerels!”
         Veel beledigingen en baldadige taal sla je uit,
         en de dwazen slaan elkaar dood omdat jij 
         zo’n schelm bent (4).
308   Samson (5) die zijn kracht verloren had,
         toen zijn vrouw Dalilah zijn haar afknipte
         waarin zijn kracht zat, heeft, toen hij deze had 
         teruggekregen,
         uit grote woede zichzelf en anderen gedood.
309   Ook Saul, die de eerste koning was,
         die de Joden in hun wet hadden,
         heeft uit grote toorn en woede zichzelf 
         met zijn zwaard gedood; zie dus maar
of ik op jou moet vertrouwen! Op mijn woord, ik geloof van niet.
310   Wie je goed kende, zou je niet vertrouwen,
         wie je daden zag zou voor je terugdeinzen,
         hoe meer hij met je omging, des te minder zou hij je achten,
hoe meer hij je op de proef stelde, hoe minder hij van je zou houden (6).

Exempel van de leeuw die zich uit woede doodde.


311   Toorn en ijdelheid waren eigen aan de hovaardige leeuw
         die tegenover alle dieren fel en boosaardig was.
         Hij doodde zichzelf in woede en grote gramschap,
         ik zal je het exempel zeggen, moge het je tot profijt zijn.
312   Toen de trotse leeuw jong was
         vervolgde hij dapper en woedend alle dieren,
         waarbij hij ze nu eens doodde dan weer wondde.
         Maar hij werd heel oud, zwak en vervallen.
313   Snel bereikte dit nieuws de dieren,
         ze waren heel verheugd, omdat ze nu van hem 
         bevrijd waren.
Allen trokken nu tegen hem om hun grieven aan hem te wreken,
         zelfs de domme ezel kwam in de eerste rijen.
314   Allen raakten de leeuw en niet zo’n beetje:
         het woedende everzwijn trof hem met zijn slagtanden,
         de stier en het stierkalf stootten hem met hun hoorns,
         de slome ezel legde hem zijn zadel op.
         En bracht hem een paar stevige trappen toe juist op zijn 
         voorhoofd.
315   De leeuw in zijn grote woede sloeg zijn klauwen in zijn hart
         door zijn eigen nagels stierf hij en nergens anders door:
         woede en ijdelheid gaven hem een droevig loon.
316   De mens die een rang heeft, eer en grote macht,
         moet niet aan anderen doen wat hij voor zichzelf niet wenst,
         want heel zijn macht kan zeer snel verloren gaan

en wat hij aan anderen heeft aangedaan, dat kan hij van hen terugkrijgen.

maandag 2 juli 2018

Een schets hoe deze grappen zich hebben ontwikkeld en zich zullen ontwikkelen: een tussenbalans. Even op adem komen!



Deze grappen komen al voor in de geschriften van de Sumeriërs, en zijn dan een soort toneelstukjes, waarbij de godheid van een volk dat onderworpen is, geëxcommuniceerd wordt. Voorbeeld: de verdrijving van  Mardouk, pag 96,  Arnaud

         Mardouk, een godheid verkleed als pop, legde een echte Lijdensweg (Passie) af: het purper van zijn mantel was niet het purper van de koninklijke heerser, die eerbied afdwong; zijn kleding was purper-rood, omdat het doordrenkt was met zijn eigen bloed “door de vele stokslagen die hij had gekregen”. 
Later werd Mardouk voor een echte rechtbank voorgeleid en veroordeeld. Een achterstevoren afgedraaide comedy capers film. Een straf bestond nooit uit stokslagen: die straf kenden de Sumeriërs niet. Kortom, het was een schijnvertoning en de teksten laten zich als grappen lezen, omdat wat er verteld werd, niet in hun werkelijkheid bestond.

In Japan  komen de grappen nog als straattheater voor rond 1700. Er is dan niet alleen een entourage met prachtige decors, maar ook  een koor en een verteller van het verhaal. Het verhaal wordt door mimespelers ondersteund, precies zoals dat in het Romeinse theater het geval is. (Komt later in het jaar aan de orde!)

Alles wijst op een ouderdom van deze grappen waaraan Aristoteles in zijn Poëtica refereert, regel 49a7: “…de tweede (de komedie) gaat terug op hen die dat deden in phallische liederen die ook nu nog in vele steden in ere worden gehouden.”  Het is een vorm van theater, die vooraf ging aan de tragedie en die zich voornamelijk op straat afspeelde. We hebben het dan wel over ongeveer 1000 voor christus! Het waren rondreizende gezelschappen, waarvan behalve een verteller en mimespelers, ook muzikanten, dieren en decorbouwers deel uitmaakten. Ze waren in de grote steden niet erg geliefd zoals uit Aristoteles blijkt, regel 40a30: “..(komediespelers zouden de naam) komoi gekregen hebben van het zwerven door de komai (dorpen); de kluchtspelers werden immers uit de stad geweerd.” Waarschijnlijk omdat ze er bedelpraktijken op nahielden die niet door de beugel konden: oplichterij en chantage.

Op de een of andere manier raakte dit toneel in de verdrukking. Precies als bij de excommunicatie van Mardouk  vertolkte het toneel een schaduwzijde van de maatschappij waaraan later misschien eens in het jaar op carnaval uiting mocht worden gegeven, en waarvan de vertolkers al spoedig in de verdomhoek werden gezet. Ze worden al vroeg “zigeuners” en “bedelaars” genoemd.

In de Libro de buen Amor, komt een belangrijke episode (vanaf regel 1173) voor over het carnaval. Het lijkt erop dat in dit boek nog resten van het oude theater zijn terug te vinden. Maar wat je ook ziet, is hoe godsdienst en theater nauw met elkaar verbonden zijn. Het lijkt bijna een vloeiende overgang, waarbij je zou kunnen bedenken dat wat op het ene moment voor heilig wordt verklaard op het andere moment wordt vervloekt.


Dit vindt zijn neerslag uiteindelijk in de Zeven Doodzonden, die nog op allerlei punten van hun relativerende komische oubollige inslag getuigen. De zeven doodzonden zijn daarmee restanten van een synthetisch taal-  en woordgebruik, dat sinds de tijd van Wittgenstein achterhaald lijkt. Als we er Kant bij betrekken, blijkt de zaak al iets complexer, maar dat ga ik hier echt niet doen! Hier stel ik alleen de vraag: zijn de zeven doodzonden alleen restanten uit een verleden tijd? 

Als we de krant van Vandaag langs lopen, dan vinden we de zeven doodzonden springlevend terug. Superbia heet tegenwoordig Arrogantie, maar door het beestje een andere naam te geven heeft het niets verloren van zijn dubbele bodem. Het is jammer dat Wittgenstein ons daar blind voor heeft gemaakt, omdat daarom niet meer te begrijpen is, waarom Arrogantie zo aantrekkelijk is. De dubbele bodem heet Nederigheid. Of zoals wij nu zeggen: doe toch eens normaal, man! En wie zou er niet normaal willen zijn, ook al suggereert het een geweldige Arrogantie, want wie bepaalt er eigenlijk, wie normaal is?

Over hoe vaak er geschreven wordt over Avaritia, hoef ik het eigenlijk niet te hebben. Maar de keerzijde, die eraan ten grondslag ligt, is daarom des te opvallender. Wat vroeger barmhartigheid werd genoemd, heet nu het Geven aan Goede doelen. Dat het Geven aan Goede doelen in feite een vorm van Hebzucht in zich draagt, verzwijgen we maar liever.

Luxuria staat te bekijken op allerlei sekspagina’s op het Internet. Het wordt op in bossen verscholen boerderijen en in rood verlichte straatjes uitgebuit. De keerzijde hiervan, de onbaatzuchtige liefde, beleeft moeilijke tijden tenzij je ermee op de televisie kunt komen. Invidia, de jaloezie, heeft geleid tot een toonaangevend analytische psychologische theorie, die voornamelijk zijn aantrekkingskracht ontleent aan zijn keerzijde: rechtvaardigheid. Gula behoeft geen commentaar. De kranten staan vol over obesitas of zijn omgekeerde fenomeen anorexia. De keerzijde hiervan, matigheid, wordt alleen nog maar in religieuze kringen beoefend. Ook over Ira, de woede, kan ik kort gaan: er gaat geen dag voorbij of er staat wel een afgrijselijk voorbeeld hiervan in het nieuws. De keerzijde ervan, zelfbeheersing, heeft een vlucht genomen in allerlei sportscholen. Tenslotte de zevende doodzonde, Acedia, blijkt volksziekte nummer 1 tegenwoordig te zijn: de depressie. En nu heb ik het nog niet over de samenhang tussen deze zeven zonden, die als factoren in ingewikkelde statistische wetenschappelijke onderzoeken telkens weer moeten worden onderzocht om het geluksgehalte van onze maatschappij te kunnen vaststellen met de lineaire regressie en meervoudige correlatie analyse. Waar mensen een dikke boterham aan verdienen, maar wat eigenlijk nergens opslaat. Naar mijn idee kun je geluk nog steeds niet in zijn factoren ontbinden. Het is ook maar een indicatie? Niet?

Voor een deel krijgen de keerzijdes van de zeven doodzonden hun kans, omdat de doodzondes niet meer beleefd worden in samenhang met hun keerzijde. Net als in de tijd van de Libro de buen Amor is er een sfeer waarin "een van bovenaf goedgekeurde gedragspsycholische therapie uitgeoefend op de massa’s" zijn voortdurende invloed op ons uitoefent. Wij mogen de ouderwetse samenhangen niet meer ervaren. Dit in dubbele bodems denken blijkt een twijfelachtig privilege te zijn van godsdiensten. Hoe vreemd het ook klinkt, deze eendimensionale cultuur is op weg naar een onleefbare maatschappij, omdat er geen instanties meer zijn die de zeven steunpilaren (of zijn het er veertien) van onze maatschappij nog kunnen dragen. Alles rust op een analytische bewijsvoering waarbij de menselijke en humane kant van de zaak wordt verwaarloosd.


Het wordt hoog tijd de humor als een echte kracht weer in te voeren, niet zoals een goed verdienende cabaretier die brengt, maar zoals oorspronkelijk straattheater dat deed. De humor ontstaat niet als van tevoren bedacht, maar in communicatie met een steeds wisselende omgeving. Dat vergt een heel ander talent, denk ik. In de Libro de buen Amor zien we nog voorbeelden hoe godsdienst een handreiking doet om beide kanten van de medaille in één oogopslag te kunnen laten zien. Bij Hebraeus zien we dit ook. Alle klassieke humor is ervan doordrongen, alleen wij denken er schouderophalend aan voorbij te kunnen lopen. Wacht de back-lash, de terugslag, maar af! 

Dit klinkt negatief, maar om de wijze van denken van de klassieken toe te passen, moet je het volgende eraan toevoegen. Als deze tijd te vergelijken is met die rond 1500 na christus, dan staat ons de komst van een nieuwe godsdienst te wachten. Hoe die eruit gaat zien, weet ik niet, maar het gat dat valt, zal ongetwijfeld opgevuld worden.

Het communisme heeft daarin duidelijk gefaald, maar bepaalde kenmerken ervan zullen in die nieuwe godsdienst terug te vinden zijn, omdat aspecten van het communisme dat vertolken, waaraan wij wezenlijk behoefte hebben. (Avaritia) In hoeverre de Islam in deze behoeftes voorziet, daarover kan ik niet veel zeggen, maar ik denk wel dat ook uit deze godsdienst bepaalde kenmerken zullen worden overgenomen, omdat we een enorm gebrek aan gemeenschapszin kennen. (Invidia) Ook het Boeddhisme zal een bijdrage leveren, omdat wij een veel gelijkmatiger leven moeten leren leiden. (Superbia) Het grote vraagstuk blijft de manier waarop wij met onze vruchtbaarheid en onze fascistische agressie zullen omspringen. (Luxuria en Ira) Maar er bestaat een nog groter vraagstuk: dat van de verdeling van de voedselproductie. (Gula) Net als in de Romeinse Rijk er ooit eens een oplossing kwam in de vorm van het Christelijk geloof (en elders en eerder door het Hindoeïsme) waardoor voedsel op een volstrekt andere manier onder de mensen werd verdeeld, staan we momenteel voor eenzelfde opgave.


Ik vertrouw erop dat we voor alle problemen een oplossing vinden. Andere zullen zich dan voordoen. Zonder humor blijven de oplossingen onvindbaar. Staat daarbij de door de analytische filosofie door en door gekleurde wetenschap ons in de weg door gebrek aan humor? Of is ze een inspirerende kracht om nieuwe krachten aan te boren? Beide krachten, de obstruerende en de enthousiasmerende, zijn in de wetenschap even sterk aanwezig, en ik zou er dus maar niet te veel van verwachten. Gelukkig is wetenschap nog steeds voornamelijk een methode, de beoordeling van de resultaten ligt ergens anders.


In ieder geval is het zó dat als deze tijd met die rond 1500 te vergelijken is, ons een geweldige ontplooiing van creativiteit staat te wachten, waarbij de zeven doodzonden wachten op een nieuwe, niet-analytische benadering.