dinsdag 23 september 2025

 Wie wint er van de twee: de vrouw of de man?(2) en (3)

eigen vertaling uit het gesproken Marokkaans Arabisch.

 

Een sprookje (Inleiding) van de wreed wonderschone Aïsha en de prinselijke pestkop Mohammed (1).

Het was wat het was:
eens was er Basilicum (4) en Iris-gras (5),
wat overal te vinden was.

Er was eens een timmerman die een dochter had met de naam Aïsha. ‎Om het uur ging zij naar boven het dakterras op om haar Basilicum (het ‎koningskruid) water te geven. Dat was de zoon van de sultan ‎opgevallen en hij had de gewoonte haar te bespioneren iedere dag. ‎Op een dag toen hij haar naam te weten wilde komen, zei ze hem dat ‎zij Aïsha heette. ‎

Daarop zei hij haar: “Juffrouw Aïsha, dochter van de timmerman, jij ‎die zo goed zorgt voor de Basilicum en het telkens water geeft, zeg ‎mij eens, hoeveel blaadjes telt de plant?”‎

En zij antwoordde hem: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning, ‎jij die het boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij eens, hoeveel ‎sterren staan er aan de hemel? En hoeveel vissen leven er in het water? En ‎hoeveel punten staan er in Het Boek?” (5)

Hij deed zijn raam dicht en ging naar beneden naar zijn kamer. Ook zij ging naar beneden naar haar kamer. De volgende dag ging zij weer naar haar dakterras om de Basilicum water te geven en hij lette op haar. Zij waren “soep” (6) aan het koken en vanaf beneden riepen ze haar te komen eten: “Aïsha, kom naar beneden om soep te eten!

Daarop zei zij tegen hen: “Breng het maar naar boven bij mij!” Zij brachten haar een kommetje soep. Zij ging zitten om te ontbijten. Wat kikkererwten uit de soep vielen uit haar mond tussen haar borsten, en daarna at zij ze toch op.

Daarop zei hij tegen haar: “Dit zal ik tegen je blijven gebruiken, steeds weer zal ik het zeggen! Om je te pesten! (7)”

De volgende dag klom zij naar boven naar het dakterras om de Basilicum water te geven en hij bespiedde haar: “Aïsha, dochter van de timmerman, jij die de Basilicum water geeft en haar besproeit, zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan deze plant?”

En zij antwoordde hem: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning, die Het Boek van Allah heeft bestudeerd, zeg mij hoeveel sterren er aan de hemel staan, en hoeveel vissen er in het water zwemmen, en hoeveel punten er in Het Boek staan?”

Hij zei haar: “ Weet, gevallen vondelinge, jij bent als de kikkererwt die ‎tussen je borsten is gevallen en die je daarna hebt opgegeten.” (8)‎

Daarop zei ze tot zichzelf: “Hij houdt mij in de gaten!” Twee dagen ging ze niet naar boven naar haar dakterras, maar hield ze hem in het oog, heel voorzichtig, heel voorzichtig, heel voorzichtig, totdat zij hem aantrof in een winkel. Hij zat daar een granaatappel te eten (9), zij begluurde hem, terwijl hij daar een granaatappel met kleine hapjes tegelijk zat te eten, en toen viel er een korrel van de granaatappel op de winkelvloer. Hij bukte zich en pakte de korrel vanonder de toog op en at hem op. Zij keerde terug naar huis en liet hem daar achter. De volgende dag ging ze naar boven het dakterras op om de Basilicum water te geven.

Hij zei tegen haar: “Jij, die de Basilicum water geeft en besproeit, zeg me: hoeveel blaadjes telt deze plant?” En zij antwoordde hem: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning, jij die Het Boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij: hoeveel sterren staan er aan de hemel, en hoeveel vissen zwemmen er in het water en hoeveel punten telt Het Boek?” Daarop zei hij: “Weet, gevallen vondelinge, dat je bent als de kikkererwt in de soep, die toen die tussen je borsten is gevallen, haar oppakte en opat.” Waarop zij hem zei: “Weet dan, jij gevallen vondeling, dat je lijkt op de korrel van de granaatappel die onder de toog in de winkel was gevallen, haar oppakte en opat.” En hij zei: “Mijn god, dit meisje houdt mij in de gaten. En heel voorzichtig, heel voorzichtig bleef hij haar daarna bespieden.

Op een dag kwam hij bij de deur van haar huis. Een Jood kwam daar om vissen te verkopen. Voor haar deur kocht hij van de Jood de ezel met vis en hij kleedde zich in zijn kleren. Hij gaf hem geld hiervoor en ging zitten om de vis te verkopen. “Kom vis kopen! Kom vis kopen!” En zij ging naar buiten en zei hem: “Beste (Jood) man, jij verkoopt vis?”

En hij zei haar: “Jawel, mevrouw!”
En zij zei daarop: “Hoeveel kost me dat?”
En hij zei haar: “Laat me je kusjes geven, op jouw wang, en de vis is van jou!”
En zij zei: “Mijn god, er is hier niemand, en zij liet zich kussen”.  En hij stond de ezel met vis aan haar af en ging weg naar huis. Zij ging met de vis naar binnen, gaf de vis aan de mensen (te eten). En ze liet de ezel achter in de straat en bleef binnen. Ze ging haar eigen huis in, om er twee dagen te werken. Toen ging ze weer het dakterras op, en meteen toen zij het dakterras opkwam, hield hij haar in de gaten.

“Ha, besproeister van de Basilicum, jij die hem water geeft,
zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan de stelen van de Basilicum?
”

Waarop zij antwoordde: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning,
jij die Het Boek van God hebt bestudeerd,
zeg me hoeveel sterren staan er aan de hemel,
en hoeveel vis zwemt er in het water,
en hoeveel punten staan er in Het Boek?
”

Waarop hij haar zei: ”Weet gevallen vondelinge,
die lijkt op de kikkererwt in de soep die tussen je borsten is gevallen, ze hebt opgepakt en opgegeten…
”

En zij onderbrak hem met de woorden: “Weet jij gevallen vondeling,
die lijkt op de gevallen granaatappelkorrel die onder de toog was gevallen in de winkel, haar oppakte en opat
…”

En hij nam het weer van haar over: “Er was eens een visverkoper, en de dochter van de timmerman heeft hem haar wang geboden!”

Toen riep ze uit: “Mijn god-oh-god!”

De volgende dag vroeg ze haar vader om hulp, en zij zei hem:

“Koop mij zwarte verf!” Haar vader ging haar verf kopen en zij ging zeven dagen lang haar hoofd zwart zitten verven zolang als nodig was dat het leek alsof zij echt zwart was, zwart als een zwarte knecht van de zoon van de koning. En zij zei tegen haar vader:


“Vader, ga naar de markt om mij daar te verkopen.” En hij zei haar: “Nee.” En zij zei hem: “Ik heb je gezegd: ga naar de markt om mij te verkopen! En maak je geen zorgen over mij!” ’s Ochtens  verkocht hij haar op de markt—treuzelend, omdat hij haar niet onder de prijs wilde verkopen? Aan de hoogste bieder: de zoon van de sultan. Hij was het die haar kocht. Hij nam haar mee naar huis en prees haar aan als de beste werkster ooit.

En hij zei tegen zijn werksters: schrob haar schoon, stop haar in bad, trek haar kleren aan en breng haar naar mijn kamer. En zij zei tegen de werksters: “Ik wil niet dat je mij schoon schrobt, ik wil geen bad nemen. Laat mij met rust!” Zij gaven haar kleren om zich te kleden. Zij nam met zich mee een mes, een spiegel, lippenstift en een radijs.

De nacht brak aan, zij vergezelden haar naar boven, zij nam (stiekem) bilzekruid (10) met zich mee. Zij brachten haar naar boven naar de zoon van de koning. Zij bleef lachen en zij speelde nu eens dit spelletje dan weer een ander spel. Zij ging thee zetten, schonk hem het bilzekruid in, een heel glas vol. Dat gaf ze hem! Toen hij het had opgedronken, viel hij neer, de zoon van de koning. Zij pakte haar mes en schoor zijn baard af, helemaal, maakte zijn lippen rood met lippenstift en maakte zijn ogen zwart, deed een radijsje in zijn kont en zette een spiegel voor hem neer. Ze riep hem vanuit de verte en hij viel flauw. Even later sloeg hij zijn ogen op, de zoon van de koning kwam bij bewustzijn…..

Drie dagen lag hij als verlamd terneer. Op een dag stond hij op en ontdekte hij de spiegel, die voor hem stond. Hij hield hem voor zijn gezicht en zag de lippenstift, de zwart opgemaakte ogen en ontdekte het radijsje in zijn achterste. Hij ging op zoek naar de vrouw. Waar was zij, die vrouw die geen vrouw was? God mag weten wie het is die met mij zulke spelletjes speelt. Zo’n zeven dagen verstreken, waarin het raam niet open ging. En hij liet zijn baard staan, waste zijn gezicht, en hij knapte zijn hoofd op. En zij ging iedere dag naar het dakterras om de zoon van de sultan te zien of hij het raam zou open doen.  Op een dag deed hij het raam open. En zei tegen haar:

“Jij die het Basilicum water geeft en besproeit
zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan de steel?
”

En zij antwoordde: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning,
die Het Boek van God heeft bestudeerd
zeg mij hoeveel sterren staan er aan de hemel
en hoeveel vissen zwemmen er in het water
en hoeveel punten staan er in Het Boek?
”

Waarop hij zei: “Weet gevallen vondelinge,
bij wie een kikkererwt uit de soep tussen haar borsten is gevallen, en die oppakte en opat.
”

En zij zei: “Weet gevallen vondeling,
bij wie een korrel van de granaatappel onder de toog in de winkel viel, het opraapte en opat.
”

Hij antwoordde: “Ik was de visverkoper,
en het was een spelletje van mij, de kussen op de wang van de timmermansdochter.
”

Zij antwoordde hem: “Ik was de zwarte werker en het was goed dat jij mij kocht: ik heb gespeeld met het mooie gezicht en de kont van de zoon van de sultan!”

Daarop zei hij: “Mijn god nog aan toe! Zij heeft mij een poets gebakken!”

De volgende morgen ging hij naar zijn vader en zei hem: “Jij gaat mij ‎verloven met de dochter van de timmerman.” Daarop zei zijn vader: ‎‎“Ik heb voor je dochters van ministers en de dochters van je oom ‎uitgekozen, en dan kies je voor de dochter van een timmerman?” En ‎hij zei daarop: “Ik ga hier niet weg, tenzij je voor mij de hand vraagt ‎van de dochter van de timmerman. En wat je ook zegt, en hoe vaak je ‎het me zegt, ik neem haar.” En de volgende ochtend begaf de koning ‎zich op weg om de hand te vragen van de dochter van de ‎timmerman. De timmerman ging naar zijn dochter, en zei haar: ‎‎“Onze koning wil dat je verlooft met zijn zoon.” ‎

Zij zei hem: “Vader, oké, verloof mij maar met hem. Maar ik wil ’s ‎nachts niet bij hem zijn.”‎

Hij zei haar: “Mijn dochtertje, dat God hem jou geeft” En zij weer: ‎‎“Maar ’s nachts wil ik niet met hem zijn”. Hij vroeg een bruidsschat ‎‎voor haar. Die gaf hij hem ‎en hij accepteerde de bruidsschat. ‎

Zei zij hem: “Vader, jij hebt toch het huis van de sultan gezien? Waar ‎dat is?”‎

Hij zei: “Jaaaaa….!” En zij zei daarop: “Is het niet mogelijk om voor ‎mij een tunnel van hier naar zijn huis te graven?”‎

Hij zei: “Okaaaay…..” Zij zei daarop: “Je hoeft niets anders te doen ‎dan een tunnel voor mij te maken. Haal werkers! Rust niet tot zij klaar zijn met onder de grond een tunnel te graven tot bij het huis van de zoon van ‎de koning". 

Even later kwam de bruidegom, de zoon van de koning, op ‎bezoek. Hij ging meteen achter haar aan, en ontvoerde haar. ‎


En hij zei tegen haar: “Mijn werk, mijn doen en laten, mijn falen, dat
‎alles heb jij bewerkstelligd!”, waarop zij zei: “Dat alles heb ik jou ‎aangedaan!”‎

En hij sprak toen aldus: ‎

‎”Wie is van ons tweeën de slimste: de vrouw of de man?” En zij gaf ‎hem ten antwoord: “Mijnheertje, dat is de vrouw!”‎

Hij sloot haar op, en verstopte haar in zijn kelder en iedere dag bracht ‎hij haar een halfje gerstebrood en olijven en koud water, en hij ‎schreeuwde naar haar en telkens zei hij:‎

‎"Aïsha, de getemde, kelderbewoonster,
Wie is de slimste: de vrouw of de man?”
‎

En zij antwoordde: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!”‎

Hij ging naar zijn kamer, en dit ging zo door dag in en dag uit.‎

Haar vader ging erop uit om haar te zoeken: waar was zij? Waar was ‎zij? En de mensen brachten hem er van op de hoogte en zeiden hem ‎dat de zoon van de koning haar verstopt had in een kelder. Hij riep de ‎knechten bij zich om uit te zoeken wanneer de zoon van de koning uit ‎de kelder onder de grond, waarin zij zat, kwam. En zo vond hij haar. ‎Zij begon bij haar vader te slapen en was in de kelder overdag. De ‎zoon van de koning bracht haar iedere dag van dat gerstebrood, ‎water en olijven, en zei dan tegen haar: “Wie is er slimmer de man of ‎de vrouw?” en zij antwoordde dan: “Dat is de vrouw, mijn ‎meneertje!”‎

Op een dag benaderde hij haar en zei haar: “Aïsha, de getemde, die ‎woont in een kelder, ik ga een uitstapje maken naar ‎Tyrus (Soer).” (11) Zij zei hem daarop: "Veel plezier, mijn meneertje! Wanneer?” En hij ‎zei haar: “Ik ga deze vrijdag. En vorige vrijdag, ben ik niet weggegaan, ‎maar is zij (bij mij) gekomen.” En zij weer: “Veel plezier, mijn ‎meneertje, en sterkte!” Zij ging naar haar vader, en zei hem: “Vader, ga henna voor mij halen om mijn haar rood te verven en ga mij een ‎tent kopen en een extract rozengeur". En hij zei: “Goed, dit  alles ‎zullen we voor je doen.” De dag waarop de zoon van de koning ‎wegging, benaderde hij haar om haar te eten te geven. Hij zei haar: ‎‎“Ik ga nu naar Tyrus!” Zij zei hem: “Goed voor je, mijn meneertje!” Zij ‎ging naar haar vader om hem te zeggen: “Morgen ga je voor mij in ‎Tyrus een tent opzetten, nog voordat de zoon van de koning daar is ‎aangekomen". De slaaf zette de tent voor haar op en deed alles wat zij ‎wilde. Voordat zoon van de koning aankwam, trof hij haar tent aan, ‎piekfijn opgezet. De slaaf ging zitten voor de ingang van de tent. De koningszoon zei bij zichzelf: “God-doh-god, wie is het die ‎mij naar de kroon steekt?” Zij hebben zijn tent naast die van haar opgezet. ‎Hij riep zijn slaaf en zei tegen hem: “Ga eens kijken, wie er in die tent ‎zit”.  De slaaf ging weg en vond de slaaf zittend voor de ingang van de ‎tent. Hij zei hem: “Van wie is deze tent?” “Daarin woont een ‎mevrouw (12)” De slaaf van de koningszoon ging terug naar zijn ‎eigen tent en zei hem: “Er is een mevrouw (12)  in die  tent.” Hij zei ‎hem: “Ga haar zeggen dat zij bij mij moet komen. Ik wil met haar ‎praten.” Hij ging erheen en zei tegen haar slaaf: “Zeg tegen jouw ‎mevrouw: kom met de zoon van de koning praten.” Daarop zei zij: ‎‎“Ga naar je meester en zeg tegen de zoon van de koning dat hij bij mij ‎komt. Een vrouw gaat nooit naar een man; hij komt naar de vrouw ‎toe!” Hij stond op en ging direct naar haar toe. Hij ging de tent in, en ‎zij kletsten, praatten met elkaar, aten, en dronken. Er was niets dat ‎ze niet deden drie tot zeven dagen lang. En zij gingen met elkaar naar ‎bed (13). De dag waarop hij weg wilde gaan naar huis, ging hij eerst ‎naar zijn eigen tent om en ring te halen. Die gaf hij haar. Daarop pakte ‎zij vlug haar spullen en vertrok, nog eerder dan hij. Toen hij wegging, ‎vond hij geen sporen meer van haar, die ze had achtergelaten. Hij zei ‎tegen hen: “Waar is zij?” En zij gaven ten antwoord: “Mijnheer, zij is ‎weggegaan naar huis.” En ook hij ging naar huis. Meteen bij ‎thuiskomst ging hij rechtstreeks naar Aïsha toe. En hij zei tegen haar: 

‎”Aïsha, de getemde, die woont in een kelder, als je naar mij hebt ‎uitgezien: het uitstapje is al voorbij.”‎

En zij antwoordde hem: “Goed voor je, mijn meneertje!” En hij:

‎”Mocht je ooit een oogje op mij laten vallen, helaas ik heb ginder al ‎iemand gevonden. Nog nooit heb ik iemand gezien zoals zij.”‎

Waarop zij hem zei: “Goed voor je, mijn meneertje!” Daarop ging hij ‎naar huis. Zij was zwanger, en beviel van een jongen, die zij “Soer” (Tyrus) ‎noemde. Zij liet hem achter bij haar vader, en ging terug naar de ‎kelder. De zoon van de koning kwam iedere dag en bracht haar het ‎gerstebrood en olijven en water.  En hij zei tegen haar: “Wie is de ‎slimste? De vrouw of de man?” En zoals altijd zei ze: “Dat is de ‎vrouw, mijn meneertje!” ‎

Op een dag kwam hij bij haar en hij zei tegen haar: “Beste Aïsha, de ‎getemde die woont in de kelder, ik ga voor een uitje naar “Doer”, ‎waarop zij als altijd zei: “Goed voor je, mijn meneertje! Wanneer?” ‎‎“Meteen deze week!” “Goed voor je, mijn meneertje!” Zij ging naar ‎haar vader, en zei: “Haal henna, en haal mij een tent in een andere ‎kleur.” “Oké, mijn dochter.” Zij deed henna in haar haren, zij doste ‎zich mooi uit en zette haar tent heel mooi op. Ook de zoon van de ‎koning ging op pad en hij trof haar daar aan, mooi opgemaakt, eerder aangekomen ‎dan hij. Hij riep zijn slaaf: “Ga eens kijken wie er in die tent is!” Hij ‎antwoordde: “Mijnheer, die tent is van die mevrouw van eerder.” Hij ‎zei hem: “Ga erheen en zeg haar te komen”. Hij ging naar haar toe en ‎zij zei tegen hem: “Dat zij niet naar hem die naar haar verlangde, zou ‎komen. Hij kon naar haar komen.” Daarop ging de zoon van de ‎koning naar haar toe, lag bij haar in bed zeven dagen lang en gaf haar ‎bij zijn afscheid zijn dolk. En hij zei tegen haar: “Dat God je vrede ‎‎(rust) schenkt, morgen ga ik naar huis.” Maar de zoon van de koning ‎had zijn tent nog niet opgebroken, of zij was al weg, verdwenen. Daar stonden ze dan, en vonden niemand ‎meer, en zij begonnen zich daarover te verwonderen en zeiden: ‎Iemand die zoiets doet is een Jinn en geen mens!‎

En de zoon van de koning ging naar huis en meteen toen hij thuis ‎was, ging hij naar haar toe. En hij zei: “Aïsha, de getemde, die woont ‎in een kelder, wie is er nu slimmer de man of de vrouw?” En zij ‎antwoordde hem: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!” Hij gaf haar ‎gerstebrood, water en olijven. En hij zei haar: “Ik heb meer van de ‎bloem van deze vrouw genoten dan de vorige keer, we hebben zó van elkaar ‎genoten dat je nooit ook maar in haar schaduw kunt staan!” Zij kwam ‎recht voor hem staan en zei: “Goed voor je, mijn meneertje!” ‎

Hij ging naar huis. En weer was ze zwanger van hem geraakt, en ging ‎ze naar het huis van haar vader om er te bevallen en zij noemde hem ‎‎“Doer”. En ook hij kwam een derde keer bij haar om haar te zeggen: ‎‎“Aïsha, de getemde, die woont in een kelder, wie is er slimmer de ‎vrouw of de man?” En zij zei hem: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!” ‎En hij zei haar: “Ik ga deze keer naar Lalla Hammamat Laqçour.”(14) En zij ‎zei: “Goed voor je! Mijn meneertje! Wanneer?” Hij zei haar: “De ‎volgende week ga ik weg.”

Ook zij ging weg, deed alles als de vorige keer. De zoon van de Sultan ‎had nog niet zijn tent opgeslagen, of zij was er al. Voordat hij haar ‎bezocht, vroeg hij zijn slaaf:  “Ga eens kijken wie er in die tent daar ‎is.” De slaaf zei hem: “Mijnheer, dat is weer diezelfde mevrouw, zij is ‎het die daar haar tent heeft opgezet.” “Ga erheen en vraag haar of zij ‎bij mij komt. Als ze dat niet wil, dan ga ik naar haar toe.” Ging de ‎slaaf naar haar toe. “Als de zoon van de koning bij mij wil komen, ‎oké! Maar ik ga naar niemand toe.” Stond de zoon van de koning op, ‎ging naar haar toe, lagen ze bij elkaar in bed, een tijdje. Een week lang ‎lachten ze met elkaar, en speelden ze met elkaar, en vermaakten ze ‎elkaar. “Morgen ga ik weg naar huis!” Zij kwam bij hem en zei: “Ga ‎maar weg, mijnheer, zoon van de koning. De groeten! En ‎gezondheid!” Hij pakte een gesp (15) en gaf het haar. Zij ging weg ‎naar huis, en weer beviel zij, dit keer van een meisje. Zij noemde haar ‎Hammamat Laqçour. ‎

De tijd ging voorbij: de koning wenste zijn zoon uit te huwelijken. ‎Daarop zei hij: “Vader, ik ga niet trouwen!” Zei hij tegen zijn zoon: ‎‎“Geen sprake van! Ik heb je verloofd met de dochter van je oom!” ‎Tegen de tijd van de huwelijksvoltrekking, ging de zoon van de koning ‎weg naar zijn eerste vrouw, en hij zei haar: “Aïsha, de getemde die ‎woont in een kelder. Vader heeft mij zonet uitgehuwelijkt!” “Wie is ‎de gelukkige?” “Dat is de dochter van mijn oom (van vaderskant).” ‎‎“Goed voor je, mijn meneertje! Wanneer gaan jullie je inrichten?” ‎‎(16) “Morgen richten we ons in.”‎

Zij ging heen naar haar kinderen, kamde hun haar, stak ze in de ‎mooiste kleren. Zij kleedde ze aan in hun eigen kleren. Zij deed de ‎oudste jongen de ring aan, de andere droeg de dolk en het meisje de ‎gesp en ze zei tegen hen: “Luister, zij gaan hun huis inrichten en jullie ‎pakken hun meubels en maken het kapot en als ze je iets vragen dan ‎zeg je: ‘Dit huis is het huis van onze vader, en vervloekt zijn de ‎honden (17) die achter ons aan lopen', en jullie zeggen verder: ‘Maak vrij baan ‎voor Soer, Doer en Hammamat Laqçour, wij gaan naar het huis van ‎onze moeder Aïsha, de getemde, die woont in een kelder’”. En Aïsha ‎zei tegen haar vader: “Vader, breng ze naar de poort van het huis van ‎de koning. Zij zullen er binnengaan, en jij komt terug naar huis. ‎

Hij nam ze mee, zij gingen het huis van de koning binnen en haar ‎vader keerde terug naar huis. Ze zagen hen, en zeiden tegen hen: ‎‎“Deze kinderen, wie zijn dat? Zijn dat de kinderen van de vizier ‎‎(minister) of zijn het de kinderen van de vrienden van de koning?" ‎Toen de kinderen hen zagen, pakten zij het meubilair in de kamer. Zij begonnen het behang eraf te trekken en ‎maakten de meubels kapot, helemaal. En de mensen zeiden tegen ‎hen: "Beheers je, schaam je, kom tot jezelf!" Zij werden bang en ‎sloegen hen. (18) “Kalmeer ze!”, maar zij riepen terug: ‘Dit huis is ons ‎huis en vervloekt zijn de honden die achter ons aan lopen’. Zij waren ‎bang. Zij riepen de zoon van de koning. Hij luisterde naar ze en zij ‎zeiden hem: “Maak vrij baan voor Soer, Doer en Hammamat Laqçour, ‎wij gaan naar onze moeder, de getemde die woont in een kelder.” En ‎hij schreeuwde ze toe: “Kinderen, wie zijn jullie?” “Wij zijn de kinderen ‎van Aïsha, de getemde die woont in een kelder.” Daarop vroeg hij de ‎oudste zoon: “Hoe heet je?”  En hij zei hem: “Ik heet Soer”. Daarop ‎vroeg hij de jongste jongen: “En jij, hoe heet jij?” “Ik heet Doer en dit ‎meisje heet juffrouw (lalla)  Hammamat Laqçour.” Toen viel zijn oog op de ‎ring, ontdekte haar aan de vinger van de oudste jongen. Hij zag de ‎dolk van de jongste zoon en zijn gesp  merkte hij op bij het meisje. En ‎hij ging naar Aïsha toe, en zei haar:‎

‎“Aïsha, de getemde die woont in een kelder…” En zij vulde hem aan:‎

‎“Wat is er van uw dienst, mijn meneertje?”‎

‎“Wie is de slimste van de twee: de vrouw of de man?” En zij zei:‎

‎“Dat is de vrouw, mijn meneertje!” En hij zei haar: ‎

‎“Sta mij toe je naar boven te begeleiden.” ‎


Zij gaf hem haar hand en hij bracht haar naar boven. Zij ging de
‎badkamer in, masseerde zich schoon, waste zich en trok haar eigen ‎kleren aan. Ondertussen was de dochter van de broer van zijn vader ‎‎(oom) klaar voor de huwelijksceremonie, zij zou zijn bruid worden in ‎de plaats van Aïsha. De zoon van de koning wilde niet meer met haar, ‎maar wilde Aïsha in haar plaats. Hij maakte Aïsha tot zijn bruid: het ‎leven duurt tot aan de dood. En ze zeiden hem: Ga bruiloft vieren met Aïsha, Aïsha, de dochter van de timmerman, de getemde die in de ‎kelder woont. ‎

Wij laten hen ijzer eten en zij, de geesten (jnoen), eten honingkoeken.‎ ‎

donderdag 31 juli 2025

Wie wint er?

Wie wint er van de twee: de vrouw of de man?

Inleiding: Humor en Ideologie. Klik hier!
Arabische versie en de Franse versie.  


De feministische betwisting van de mannelijke superioriteit komt niet uit Parijs. 

(1983) door Fatima Mernissi

Dit  sprookje (volgend blog) is ook een “sprookje voor grote kinderen”, in die zin dat ze geloven volwassen te zijn en bestand tegen al die verhalen die over het algemeen vallen onder de noemer fictieve literatuur. De grote kinderen van dertig jaar, vooral diegenen die modern onderwijs hebben gehad, denken dat zij rationeel zijn. … en ik geloof dat dit een van de grootste mythes is van onze tijd. De grootste mythe van onze tijd is te geloven dat met dat men volwassen is, men zich kan los maken van al die kindersprookjes en van elk verhaal dat daarop lijkt, van elk verhaal dat ons doet denken, door een of ander detail, dat het om iets niet reëels gaat, maar om een fictieve wereld, een verzonnen wereld. Als je nu goed toehoort en observeert wat de volwassenen steeds herhalen in hun dagelijks leven, kom je al vlug tot de conclusie dat volwassenen zich meer hullen in mythes en sprookjes dan kinderen! Het enige verschil is dat de kinderen twijfelen aan wat ze te horen krijgen, terwijl de volwassenen geen onderscheid maken tussen wat aannemelijk is en onwaarschijnlijk. De kinderen vragen op het einde van een sprookje soms: “Echt waar?” (B-nnia had-chi?; بالنية هاد اشي؟); de “grote kinderen” stellen zich niet meer dit soort vragen, zij weten het zeker, zij kennen alleen nog dat wat echt waar is.

Een voorbeeld hiervan is de diepgewortelde overtuiging bij een groot aantal Marokkaanse volwassenen dat de feministische wedijver om de mannelijke dominantie uit den vreemde, uit het buitenland komt: ze is vanuit Parijs en New York geïmporteerd. Zij heeft nooit, volgens hen, bestaan in ons verleden, in de traditionele cultuur die onze voorouders hebben geschapen, vóór de komst van de televisie, de radio en de krant, met hun wijd verspreide invloed op het dagelijks leven.

Dit kleine sprookje bewijst op zichzelf al menige, ongemakkelijke feiten met betrekking tot ons verleden:

1. Het bewijst dat de rivaliteit om de dominantie tussen mannen en vrouwen in onze cultuur bestaat;

2. en, dus, dat de Marokkaan die beweert dat deze rivaliteit is geïmporteerd een keuze heeft tussen onwetendheid of manipulatie. Of hij kent zijn eigen verleden, zijn eigen cultuur niet; of hij heeft er wel weet van, maar verdraait de feiten opzettelijk. En dat noemt men manipulatie!

Dit is geen op zichzelf staand sprookje; en zelfs als dat wel het geval zou zijn geweest, zou het zo symbolisch en uitzonderlijk zijn dat het iets zegt over ons het verleden. Maar Lalla Aïcha bent ennajjar (Lalla Aïcha, de dochter van de timmerman) heeft een heel erg  uitgebreide familie, zo groot dat er geen eind aan komt: Aïcha an Nessaba  (Schoonmoeder Aïcha) en Khaddouj esch-Chemata (betekenis onbekend, Berbers?) etc. etc.  en dan heb ik het alleen nog maar over de sprookjes verteld in Fès die ik goed ken. Je zou systematisch in de zo van elkaar verschillende en onvergelijkbare streken van ons land sprookjes moeten verzamelen en analyseren, vooral in de subculturen in de bergen, die zo gemarginaliseerd zijn, en zo onbekend, alvorens zich uit te laten hierover om te achterhalen of deze feministische rivaliteit toe te schrijven is aan de import ervan.

Een andere sprookjeswereld, zo belangrijk in het vaststellen van ons collectief geheugen, een wereld waar de strijd van vrouwen zo gewelddadig is dat zij het spel van woorden soms overstijgt, is die van de “Duizend en Eén Nacht.” De “Duizend en Eén Nacht” vertelt in het begin het bloedige verhaal van de strijd tussen de seksen. Sjahriaar, een top-prins van zijn eeuw, is vernederd door zijn vrouw, die hem bedriegt met haar eigen slaaf. Hij verklaart de oorlog aan de vrouwen en doodt iedere avond een vrouw, totdat hij alle maagden in zijn koningrijk heeft uitgeroeid. Dan verschijnt Sjeherazade ten tonele. Zij maakt net als Aïcha bent ennejjar gebruik van haar gezonde verstand tegenover het mannelijke geweld dat haar bedreigt.  De strijd der seksen mondt vaak uit in een strijd van de rede (vrouw) tegen het geweld en de onredelijkheid (man).

In de volkscultuur is de relatie tussen rede (‘aql = verstand; ألعقل) en onredelijkheid, geweld, het ontketenen van zijn hartstochten (ach-chahaouat= shahiyat= lusten;ألشهوات) omgekeerd evenredig aan de geslachtsverhoudingen man-vrouw. Dat is officieel vastgelegd in de dominante cultuur – de mannelijke cultuur, de cultuur van het heilige, die van het schrift en de wet, waarin de vrouw gelijk staat aan het onredelijke (fitnah = verleiding; فتنة) en de man de bewaarder is van de rede, orde, etc.

Maar laten we terugkomen bij Lalla Aïcha bent en-nejjar en de zoon van de koning. Het sprookje begint op de meest aangename plek, het hoogst gelegen gedeelte van het huis: het dakterras. We zullen zien dat naar mate de situatie verslechtert, de plaats van handeling zich verplaatst naar beneden, naar de diepten, naar de grotten, het labyrint etc. Twee jonge mensen, ongetwijfeld  mooi en door de natuur en de maatschappij in de watten gelegd, trekken elkaars aandacht en hebben plezier in elkaars gezelschap. Dan begint het spel van verleiding, wat vaak lijkt op elkaar uitdagen. De zoon van de koning wil Lalla Aïcha in verwarring brengen door te vragen hoeveel blaadjes de basilicumplant (koningsplant)  heeft die zij water geeft. Lalla Aïcha daagt hem uit zijn kennis van zaken te bewijzen op het gebied van de wetenschap, een terrein waarop de vrouw is buitengesloten: “Sidi Mohammed, zoon van de koning, jij die het Boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij hoeveel sterren er aan de hemel staan?( En hoeveel punten staan er in het Boek?)”

De jongeren bespieden elkaar, dagen elkaar uit, maar alles blijft op verbaal niveau, wanneer de jonge prins de situatie doet escaleren door een val voor Lalla AÏcha op te zetten, waar zij eventjes een hoer is: voor wat hoort wat, een kus voor een ezel beladen met vis. Het antwoord hierop is een plan om hem te castreren, te ontmannen. Zij geeft voor een slavin te zijn, slaapt een keer tête à tête met hem, en valt hem aan op alle symbolen van mannelijkheid: zij scheert hem de baard af, doet hem make-up op en verkracht hem met een radijs.

De strijd der seksen is los gebarsten. Die kan alleen maar plaats vinden met al zijn geweld in een precies omgeschreven wettelijk kader: het huwelijk, waar dit soort geweld is toegestaan, geritualiseerd, erkend. De prins vraagt de hand van Lalla Aïcha en zet haar al gevangen op het moment dat de huwelijksvoltrekking nog in volle gang is. De macht van de man, zijn sociale superioriteit ten opzichte van de vrouw, vindt uitdrukking in de uitoefening van geweld: hij sluit Aïcha op in een kelder, en alleen als zij een vraag kan beantwoorden die hij haar stelt, kan zij zich hieruit bevrijden:

“Aïcha la Maqhora (de getemde), habitante de la matmora
 qui est le plus puissant, l’homme ou la femme?”

ياعايشة ألمقهورة

يالساكنة في امطمورة

كيد ألنسا  أم  كايد ألرجال

 Vertaling: Aïcha, de getemde, kelderbewoonster  
                  Wie is de slimste, de man of de vrouw?

En de koppige Aïcha houdt vol dat de vrouwen de slimsten zijn, ondanks haar vernedering en nederlaag.

De strijd zet zich voort in het huwelijk. De zoon van de koning besluit door erop uit te gaan, om Aïcha nog beter te laten voelen de zware druk van haar gevangenschap. En na elk uitstapje komt hij haar vertellen over de ongekende wonderen die hij in de buitenwereld is tegengekomen. De vrouw die je buiten het huwelijk om ontmoet is altijd fantastisch! De vrouw waarmee je bent getrouwd, verveelt zich altijd, is banaal, oninteressant….

Hier stuit je op de heel bijzondere band die het wonderbaarlijke met het reële onderhoudt, de triomf van de zwakke, van het kwetsbare. Dit sprookje is wonderbaarlijk, omdat Lalla Aïcha door haar man gevangen gehouden, erin slaagt de omstandigheden te scheppen (door een tunnel naar haar vader te graven en de muren van haar gevang te ondermijnen), waarin haar schoonheid en intelligentie volop tot hun recht komen, in de weidevelden van Sour, Dour en Hammamat Laqçour (Romeins vakantieoord in Tunesië)! Het wonderbaarlijke is dat Aïcha, vernederd en geschonden door haar echtgenoot, erin slaagt hem te dwingen haar talrijke charmes te bewonderen. Zij dwingt hem haar als zijn minnares te behandelen, een wispelturige en mysterieuze minnares. Lalla Aïcha doet de kleine meisjes en hun moeders dromen, omdat zij in het onmogelijke is geslaagd in het dagelijkse leven: de spanning erin te houden, de schoonheid te behouden, de levendigheid, de intelligentie, de charme van echtgenote waarvan het bestaan geassocieerd wordt met sleur en synoniem is geworden aan verveling, de gewone gang van zaken.

In onze dagelijkse gesprekken is een van de grote gespreksonderwerpen het betoog van de man in aanwezigheid van zijn vrouw (die daarbij overigens zich verplicht voelt te glimlachen om niet voor belachelijk door te gaan) over hoe saai het huwelijksleven is.

Dit sprookje verteld door grootmoeders aan hun kinderen is wonderbaarlijk, omdat het spreekt over de haar ontzegde schoonheid, hun afgezeken grootheid, die van echtgenote, die men vergeet te waarderen… die van de vrouw die zich zo helemaal overgeeft aan haar huwelijk dat men vergeet er rekenschap voor af te leggen.

Fatima Mernissi. (1983)

(Noten zijn niet vertaald; staan in de Arabische versie!)

donderdag 26 juni 2025

De Ezelscomedie heeft een staartje.

Toen ik in 1989 naar Marokko verhuisde en mijn bagage moest inklaren, kreeg ik een onderhoud met een hoge Marokkaanse vertegenwoordiger van de Marokkaanse staat. Ik heb maar weinig gesprekken op dit niveau goed onthouden, omdat de meeste van deze gesprekken het onthouden niet waard zijn. Dit gesprek is mij m’n hele leven bijgebleven: het vond 36 jaar geleden plaats! Bijna meteen bleek dat ik met een heel intelligent persoon te maken had. Nu geef ik daar over het algemeen geen cent voor, laat staan dat ik mijn bagage daarvoor in de waagschaal stel. Er ontspon zich een levendig gesprek over religie, omdat dit een nogal teer punt is, als iemand zich voor langere tijd in Marokko vestigt. 

Mijn opponent bleek in België te hebben gewoond en kende Schillebeeckx  wat op zich al heel opmerkelijk is voor een Moslim. Wie kent hem nu nog, de veel omstreden Vlaamse  theoloog die aan de universiteit van Nijmegen doceerde? Ik ga hier niet uitleggen waarom hij omstreden is; mocht u daarin geïnteresseerd zijn, dan kunt hierover het een en ander op Wikipedia vinden. Mij gaat het, net als in de discussie toen, om een ondergewaardeerd aspect van Schillebeeckx visie (Wikipedia): “Alles heeft daarin betrekking op het ‘zoeken naar God’, een zoeken dat het hart van alle theologie is… Humor is hierbij van cruciaal belang:  ‘Ik ben er vast van overtuigd dat zonder humor als ‘menselijke deugd’ elke theoloog het gevaar loopt ‘grootinquisiteur’ te worden… Een theoloog, die geen humor kent of die niet cultiveert, kan ook zichzelf en zijn theologie niet relativeren; dan springt hij uit de band. Ofwel zwelgt hij in ‘theologische hoogmoed’, ofwel wordt hij grootinquisiteur die ‘de andersdenkende’ met vuur en zwaard zou willen vernietigen……".

Ik heb in de discussie “God” vervangen door “Leven”: alles heeft betrekking op wat Leven is, en die zoektocht kun je alleen maken als je humor kent. Dit antwoord stemde tot grote tevredenheid van mijn Marokkaanse opponent. Ik sprak mijn verbazing daarover uit, maar heb hierop nooit een antwoord gekregen, of misschien toch, maar mijn Frans was onvoldoende om de stroom Franse filosofie die ik toen over mij heen kreeg te verwerken. Ik kreeg mijn bagage door de douane, en werd telkens als ik in de buurt was uitgenodigd voor een kopje koffie.

Ik vertel dit om een kader te scheppen, om het Bijbelverhaal van Lucas over De verloren Zoon (10) te vergelijken met De Ezelscomedie van Plautus (1), zonder dat er over mij afgeroepen wordt dat ik blasfemie bedrijf, want dat is niet de bedoeling! Hoe gaat dat verhaal ook al weer (Vertaling, Hans Jongejan: 119-120; Lucas 15, 11-32):

“Zo zeg ik u, ontstaat vreugde bij de engelen Gods bij het zien van één zondaar die zich bekeert. En hij zei: een man had twee zonen. En de jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw vermogen dat mij toekomt. Hij nu verdeelde het bezit onder hen. En na enkele dagen had de jongste zoon alles te gelde gemaakt en vertrok hij naar een ver land en daar verkwiste hij zijn vermogen door erop los te leven. Maar toen hij alles had uitgegeven brak een hevige hongersnood uit in dat land, en zelf begon hij gebrek te lijden. En hij ging op weg en ging werken bij één van de ingezetenen van dat

land, en hij zond hem naar zijn akkers om zwijnen te hoeden (2). En hij verlangde zich te verzadigen met de schillen die de varkens aten, maar

niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en zei: “Hoeveel van mijn vaders dagloners hebben overvloedig te eten, terwijl ik omkom van de honger? Ik zal opstaan en op weg gaan naar mijn vader en ik zal tegen hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en jegens u. Ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden: maak mij tot één van uw dagloners.” Toen stond hij op en ging naar zijn vader. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, hij rende op hem af en vloog hem om de hals en kuste hem. En de zoon zei tegen hem: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en jegens u. Ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden.” Maar de vader zei tegen zijn dienaren: “Haalt snel het beste kleed (3) te voorschijn en trek het hem aan, en geef hem een zegelring (4) aan zijn vinger en sandalen aan zijn voeten en breng het gemeste kalf, slacht het, en laten wij eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer Levend geworden, hij was verloren en is Gevonden.” Toen begonnen zij feest te vieren. Maar zijn oudste zoon was op het land; en toen hij dichterbij huis kwam, hoorde hij muziek en dansen, en nadat hij een van zijn slaven bij zich had geroepen, vroeg hij wat dit te betekenen had. En hij zei tegen hem: “Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond teruggekregen heeft.” Maar hij werd boos en wilde niet binnengaan, terwijl zijn vader naar buiten kwam en hem op andere gedachten probeerde te brengen. Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: “Zie, ik dien u al zoveel jaar en nooit heb ik een opdracht van u nagelaten, toch hebt u mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu deze zoon van u teruggekomen is nadat hij uw vermogen met hoeren heeft verbrast, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” Maar hij zei tegen hem: “Kind, jij bent altijd bij mij, en al het mijne is het jouwe. Nu moeten wij feestvieren en blij zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden, verloren en weer gevonden.”

Deze vertaling van Hans Jongejan komt uit een cursus vertalen van het Nieuwe Testament met de titel “Van alfa tot omega” van de Raad van Kerken. Omdat ik ook af en toe stukjes vertaal uit verschillende talen en vertalingen controleer, is het voor mij van belang om bij goede vertalers te leren, hoe je dat doet. Deze vertaling is woord voor woord Grieks- Nederlands. Prachtig! Prachtig vooral, omdat hij de letter weet los te laten en komt bij de betekenis. Dat is maar weinig vertalers gegeven. Ik wil maar aangeven dat bovenstaande tekst niet zomaar een tekstje is.

Hetzelfde geldt voor de vertaling van de Ezelscomedie door J. Hemelrijk (sr). Over hem staat te lezen op de achterkant van de serie Plautus’ vertalingen: “Vertalen is veroveren: elke goede vertaling is een geslaagde verovering van vreemd cultuurbezit….Goede leesbare vertalingen van bekende maar ook minder bekende antieke schrijvers, die nog niets aan betekenis hebben ingeboet, dragen bij aan een dieper inzicht ….”

Ik mag daaruit concluderen dat de gevonden overeenkomsten in de teksten niet uit de lucht komen vallen. Als we de absurde komische inslag bij Plautus even weglaten, blijken de overeenkomsten met het Bijbelverhaal over De Verloren Zoon frappant! Allereerst gaat het in beide gevallen om een hoofdpersoon die lange tijd van huis weg is geweest: een verloren zoon. In beide gevallen leidt deze afwezigheid (migratie) tot verkwisting van al het vergaarde geld. Ze raken aan de bedelstaf en de vader is hen van dienst om uit hun materiële penarie te geraken. Dat leidt in het ene geval tot het conflict met de oudere broer, die zich niet gezien weet door zijn vader, en in het andere geval tot het conflict met Diabolus (5!), die hem zijn hoertje wil afpakken. Dat brengt ons bij de rol van de moeder in het stuk van Plautus, omdat die rol in het Bijbelverhaal helemaal niet voorkomt. En omdat de “zegelring”, de ring om contracten te sluiten wel in beide gevallen voorkomt, wijst dit erop dat om een contract te sluiten in vroegere tijden alleen de man een handtekening hoefde te zetten, maar dat in latere tijden de vrouw gevraagd wordt om in een huwelijk toe te stemmen. Bij Plautus komt “de ring”, het contract, indirect in een hilarische scène ter sprake, die ik jammer genoeg niet heb besproken: gesprek tussen Diabolus en de Parasiet,  Vierde bedrijf, Eerste toneel, pag. 52. Dit maakt van dit toneelstuk een Nieuw Testamentisch verhaal! In het Oude Testament komt het zó voor (vertaling Hans Jongejan; Genesis: 41-42): “Daarop trok de Farao zijn zegelring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij bekleedde hem met linnen klederen, en hing hem een gouden keten om de hals.” (11).  Zelfs de (gestolen) mantel komt in het Bijbelverhaal (langs de Josef-omweg) en in het toneelstuk voor!

Maar wat is er met de varkens gebeurt die de verloren Zoon zo trouw hoedde? Bij Plautus zijn het Ezels, en die worden niet zo goed in de gaten gehouden. Zou de ezel hier ook een schuilnaam voor Jezus zijn, zoals dat vaker voorkwam (de Romeinse ezel) ? Dat in beide verhalen slaven eerst een onderworpen rol spelen en bij Plautus een actieve, veel zelfbewustere rol, is veelzeggend over de bevrijding uit de slavernij en de rol van het christendom daarin! De ezel kan ook nog verwijzen naar Bileam: de sprekende ezel die Bileam, een waarzegger, waarschuwt dat hij zich niet met afgodendienaren (Moabieten) moet afgeven. Kortom uit verschillende windstreken komen verhalen, die tot het ontstaan van De Ezelscomedie hebben bijgedragen.

Betekenis?

Wat heeft dit nou allemaal te betekenen? Kende Plautus de Joodse Bijbel? Dat is onwaarschijnlijk, maar hij kende wel de Feniciërs die veel Bijbelverhalen deelden met de Joden. En volgens onderzoek naarhet ontstaan van de Bijbel  is het begin ervan samengesteld uit verschillende verhaaltradities, die al een lange literaire geschiedenis kenden. En vormt het verhaal van De Verloren Zoon en misschien het verhaal over Dina, de enige dochter van aartsvaderJacob, en het verhaal van Bileam, de profeet, en het verhaal van Jozef en zijn broers, de structuur van De Ezelscomedie. De zoektocht naar god leidt tot levende, nog steeds bestaande, klassieke literatuur: een voortdurende reconstructie. In feite kwam het toneelstuk tot stand via het stramien van De Moppenfabriek!

Dit staartje aan de Ezelskomedie kon ik u niet onthouden. Ook de latere joods-christelijke invloed op het werk van Plautus, lijkt mij zonneklaar. Maar waar het mij eigenlijk omgaat is, dat een Bijbellezing zonder humor een dood geboren product is. Het christendom heeft z’n verbreiding te danken aan toneelgezelschappen die bestonden uit tot slaaf gemaakten in Romeinse en middeleeuwse tijden, die wisten te overleven dankzij humor.

zaterdag 31 mei 2025

 Deel 4 van de Ezelskomedie (Plautus):
de ontknoping.

(vertaling Hemelrijk)

Voor noten en de Latijnse tekst: hier klikken!

 Vijfde Bedrijf, Eerste toneel.


Door de open deur van Cleareta’s(= moeder van Philenium) huis kan men zien hoe de voorbereidselen voor het souper getroffen worden, waaraan Argyrippus, zijn vader Demaenetus, en Philenium (voor de betekenis van de namen, zie Deel 1
) deelnemen. Zij vleien zich neer op een aanligbed voor drie personen (triclinium): Argyrippus en Philenium aan de uiteinden en Demenaetus in het midden. Philenium laat zich de liefkozingen van de ouwe heer welgevallen, omdat het niet anders kan.

Latijnse tekst: noot 10.

Argyrippus:  Kom vader, gaat u liggen alstublieft!

Demaenetus: Ik zal het doen, mijn jongen, zoals jij wilt

Argyrippus: (tot de slaven) Kom jongens, breng de tafel nu maar hier!

Demaenetus: (haalt Philenium een beetje aan) Je vindt het toch niet erg, mijn jongen, dat je liefje hier naast mij ligt?

Argyrippus: ‘t Respect belet mijn oog de kwelling, vader; al bemin ik haar.

Demaenetus: Een jongeling moet eerbiedig wezen, Argyrippus!

Argyrippus: Zeker, vader, u verdient dat ik het ben.

Demaenetus: (joviaal) Laten we dan dit gastmaal vieren met wijn en zoet gekeuvel. ‘k Wil dat jij me liefhebt en niet vreest, mijn beste jongen.

                                           Latijnse tekst: noot 11.


Ondertussen
kijken vanuit een schuihoekje onzichtbaar voor Argyrippus, Philenium en Demaenetus  de Parasiet (die Diabolus, de rivaal van Argyrippus,  helpt) en de echtgenote van Demaenetus, Artemona, toe op wat er op het toneel op het triclinium (het aanligbed voor drie personen) gebeurt.

Demaenetus: (tot Philenium) Waarom zou ik niet van mijn vrouw de lievelingsmantel stiekem stelen en jou brengen, lieve schat? Je brengt me er niet vanaf, al beloof je mij haar dood voor ’t eind van het jaar.

Artemona en Parasiet vanuit hun schuilhoek.

Parasiet (tot Artemona) : U denkt toch niet dat hij vandaag voor ’t eerst een hoerenkast bezoekt?

Artemona: Dus hij bestal me iedere keer! En ik verdacht mijn personeel, vooral de meiden, die ‘k onschuldig op de pijnbank heb verhoord. (1)

Argyrippus: Vader, laat eens wijn inschenken; ‘k heb mijn beker allang leeg.

Demaenetus: Boy! Schenk in; begin vandaar. (tot Philenium) Geef jij me dan hier een kus.

Artemona: Dat is mijn dood! Kijk, hoe die kust, dat lelijk monster, levend lijk!

Demaenetus: (tot Philenium, al snuivend)  Verhip! Je hebt heel wat zoeter adem dan die van mijn vrouw! (2)

Philenium: Zeg lieverd, stinkt je vrouw dan uit haar mond?

Demaenetus: Poea! Nog liever drink ik water uit een zinkput, dan dat ‘k haar omhelzen zou.

Latijnse tekst: noot 12.

Artemona (de echtgenote van Demaenetus rent het toneel op met het triclinium):  Ik zeg je dat ik leven zal en dat die wens (mij te doden) je rouwen zal!

Parasiet (opgewekt tot publiek): Is hier niet iemand die heel gauw een lijkbezorger halen kan?

Argyrippus (doet onnozel) : Moeder, goededag!

Artemona: ‘k Ben ’t zat, die ‘goededag’!

Parasiet (terzijde): ’t Wordt tijd, dat ik er tussenuit knijp: dit gevecht groeit verder wel. Ik ga Diabolus vertellen, hoe ‘k zijn opdracht heb volbracht. En terwijl zij ’t hier uitvechten, hoop ik dat wij eten gaan. Morgen breng ik hem hierheen met die twee duizend drachmen voor madam Cleareta (moeder van Philenium), opdat hij in de gunsten van zijn dochter delen kan. ‘k Hoop wel, dat ik Argyrippus ertoe kan bewegen toe te staan, dat ze beurtelings een nacht van haar genieten. Lukt dat niet, dan verlies ik mijn patroon; zo’n liefdesbrand woedt er in die man.

Latijnse tekst: noot 13.

Artemona: Wat zei je ook weer? Je vrouw stonk uit haar mond?

Demaenetus: Nee, naar lavendel ruikt ze.

Artemona: Stal je mijn mantel al voor deze hoer? (3)

Philenium: Jazeker, hij heeft beloofd, dat hij een mantel van je stelen zou.

Demaenetus: Hou je mond!

Argyrippus: Ik heb ’t hem afgeraden, moeder.

Artemona: Een lieve zoon. (tot Demaenetus) Is dat het voorbeeld, dat een vader aan zijn kinderen geven moet? Schaam jij je niet? (ze trekt hem aan zijn oor omhoog)

Demaenetus: Nee, overigens niet; ik schaam me alleen voor jou, o vrouw!!

Artemona: Met ‘n grijze kop haalt jou je vrouw als ’n koekoek uit het vreemde nest.

Demaenetus: Mag ik niet blijven tot ik heb gegeten? ’t Eten is haast klaar.

Artemona: Jij eet vandaag, dat zweer ik je, de slaag die je verdient.

Demaenetus (terzijde): Een pover nachtje wacht me daar! Als ’n boef voert mij mijn vrouw naar huis.

Argyrippus: (volgt hen op straat met Philenium) Vader, ‘k heb u steeds geraden moeder niet te na te komen.

Philenium: (tot Demaenetus) Denk om de mantel, astublieft!

Demaenetus (tot zijn vrouw Artemona): Toe stuur dat schepsel uit de buurt.

Artemona: (trekt hem mee) Naar huis, jij.

Philenium: Geef me eerst een kus; (tot Argyrippus) Kom, ga mee, mijn liefje!

Argyrippus: Ik ga met je mee.

(Allen verdwijnen)

Allen

Als de oude heer zich heimelijk voor zijn vrouw iets heeft gepermitteerd,

heeft hij niets nieuws of vreemds gedaan, niets anders dan ook anderen doen.

Want niemand is zo streng van aard en zo hardvochtig van gemoed,

dat hij zich niet te goed zal doen, als hij daartoe een kans ontmoet.

Als u wilt dat de ouwe heer er zonder slaag afkomt dit keer

geloven wij, dat u ’t bereikt, als u maar braaf applaudisseert.(4)