donderdag 31 juli 2025

Wie wint er?

Wie wint er van de twee: de vrouw of de man?

Inleiding: Humor en Ideologie. Klik hier!
Arabische versie en de Franse versie.  


De feministische betwisting van de mannelijke superioriteit komt niet uit Parijs. 

(1983) door Fatima Mernissi

Dit  sprookje (volgend blog) is ook een “sprookje voor grote kinderen”, in die zin dat ze geloven volwassen te zijn en bestand tegen al die verhalen die over het algemeen vallen onder de noemer fictieve literatuur. De grote kinderen van dertig jaar, vooral diegenen die modern onderwijs hebben gehad, denken dat zij rationeel zijn. … en ik geloof dat dit een van de grootste mythes is van onze tijd. De grootste mythe van onze tijd is te geloven dat met dat men volwassen is, men zich kan los maken van al die kindersprookjes en van elk verhaal dat daarop lijkt, van elk verhaal dat ons doet denken, door een of ander detail, dat het om iets niet reëels gaat, maar om een fictieve wereld, een verzonnen wereld. Als je nu goed toehoort en observeert wat de volwassenen steeds herhalen in hun dagelijks leven, kom je al vlug tot de conclusie dat volwassenen zich meer hullen in mythes en sprookjes dan kinderen! Het enige verschil is dat de kinderen twijfelen aan wat ze te horen krijgen, terwijl de volwassenen geen onderscheid maken tussen wat aannemelijk is en onwaarschijnlijk. De kinderen vragen op het einde van een sprookje soms: “Echt waar?” (B-nnia had-chi?; بالنية هاد اشي؟); de “grote kinderen” stellen zich niet meer dit soort vragen, zij weten het zeker, zij kennen alleen nog dat wat echt waar is.

Een voorbeeld hiervan is de diepgewortelde overtuiging bij een groot aantal Marokkaanse volwassenen dat de feministische wedijver om de mannelijke dominantie uit den vreemde, uit het buitenland komt: ze is vanuit Parijs en New York geïmporteerd. Zij heeft nooit, volgens hen, bestaan in ons verleden, in de traditionele cultuur die onze voorouders hebben geschapen, vóór de komst van de televisie, de radio en de krant, met hun wijd verspreide invloed op het dagelijks leven.

Dit kleine sprookje bewijst op zichzelf al menige, ongemakkelijke feiten met betrekking tot ons verleden:

1. Het bewijst dat de rivaliteit om de dominantie tussen mannen en vrouwen in onze cultuur bestaat;

2. en, dus, dat de Marokkaan die beweert dat deze rivaliteit is geïmporteerd een keuze heeft tussen onwetendheid of manipulatie. Of hij kent zijn eigen verleden, zijn eigen cultuur niet; of hij heeft er wel weet van, maar verdraait de feiten opzettelijk. En dat noemt men manipulatie!

Dit is geen op zichzelf staand sprookje; en zelfs als dat wel het geval zou zijn geweest, zou het zo symbolisch en uitzonderlijk zijn dat het iets zegt over ons het verleden. Maar Lalla Aïcha bent ennajjar (Lalla Aïcha, de dochter van de timmerman) heeft een heel erg  uitgebreide familie, zo groot dat er geen eind aan komt: Aïcha an Nessaba  (Schoonmoeder Aïcha) en Khaddouj esch-Chemata (betekenis onbekend, Berbers?) etc. etc.  en dan heb ik het alleen nog maar over de sprookjes verteld in Fès die ik goed ken. Je zou systematisch in de zo van elkaar verschillende en onvergelijkbare streken van ons land sprookjes moeten verzamelen en analyseren, vooral in de subculturen in de bergen, die zo gemarginaliseerd zijn, en zo onbekend, alvorens zich uit te laten hierover om te achterhalen of deze feministische rivaliteit toe te schrijven is aan de import ervan.

Een andere sprookjeswereld, zo belangrijk in het vaststellen van ons collectief geheugen, een wereld waar de strijd van vrouwen zo gewelddadig is dat zij het spel van woorden soms overstijgt, is die van de “Duizend en Eén Nacht.” De “Duizend en Eén Nacht” vertelt in het begin het bloedige verhaal van de strijd tussen de seksen. Sjahriaar, een top-prins van zijn eeuw, is vernederd door zijn vrouw, die hem bedriegt met haar eigen slaaf. Hij verklaart de oorlog aan de vrouwen en doodt iedere avond een vrouw, totdat hij alle maagden in zijn koningrijk heeft uitgeroeid. Dan verschijnt Sjeherazade ten tonele. Zij maakt net als Aïcha bent ennejjar gebruikt van haar gezonde verstand tegenover het mannelijke geweld dat haar bedreigt.  De strijd der seksen mondt vaak uit in een strijd van de rede (vrouw) tegen het geweld en de onredelijkheid (man).

In de volkscultuur is de relatie tussen rede (‘aql = verstand; ألعقل) en onredelijkheid, geweld, het ontketenen van zijn hartstochten (ach-chahaouat= shahiyat= lusten;ألشهوات) omgekeerd evenredig aan de geslachtsverhoudingen man-vrouw. Dat is officieel vastgelegd in de dominante cultuur – de mannelijke cultuur, de cultuur van het heilige, die van het schrift en de wet, waarin de vrouw gelijk staat aan het onredelijke (fitnah = verleiding; فتنة) en de man de bewaarder is van de rede, orde, etc.

Maar laten we terugkomen bij Lalla Aïcha bent en-nejjar en de zoon van de koning. Het sprookje begint op de meest aangename plek, het hoogst gelegen gedeelte van het huis: het dakterras. We zullen zien dat naar mate de situatie verslechtert, de plaats van handeling zich verplaatst naar beneden, naar de diepten, naar de grotten, het labyrint etc. Twee jonge mensen, ongetwijfeld  mooi en door de natuur en de maatschappij in de watten gelegd, trekken elkaars aandacht en hebben plezier in elkaars gezelschap. Dan begint het spel van verleiding, wat vaak lijkt op elkaar uitdagen. De zoon van de koning wil Lalla Aïcha in verwarring brengen door te vragen hoeveel blaadjes de basilicumplant (koningsplant)  heeft die zij water geeft. Lalla Aïcha daagt hem uit zijn kennis van zaken te bewijzen op het gebeid van de wetenschap, een terrein waarop de vrouw is buitengesloten: “Sidi Mohammed, zoon van de koning, jij die het Boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij hoeveel sterren er aan de hemel staan?( En hoeveel punten staan er in het Boek?)”

De jongeren bespieden elkaar, dagen elkaar uit, maar alles blijft op verbaal niveau, wanneer de jonge prins de situatie doet escaleren door een val voor Lalla AÏcha op te zetten, waar zij eventjes een hoer is: voor wat hoort wat, een kus voor een ezel beladen met vis. Het antwoord hierop is een plan om hem te castreren, te ontmannen. Zij geeft voor een slavin te zijn, slaapt een keer tête à tête met hem, en valt hem aan op alle symbolen van mannelijkheid: zij scheert hem de baard af, doet hem make-up op en verkracht hem met een radijs.

De strijd der seksen is los gebarsten. Die kan alleen maar plaats vinden met al zijn geweld in een precies omgeschreven wettelijk kader: het huwelijk, waar dit soort geweld is toegestaan, geritualiseerd, erkend. De prins vraagt de hand van Lalla Aïcha en zet haar al gevangen op het moment dat de huwelijksvoltrekking nog in volle gang is. De macht van de man, zijn sociale superioriteit ten opzichte van de vrouw, vindt uitdrukking in de uitoefening van geweld: hij sluit Aïcha op in een grot, en alleen als zij een vraag kan beantwoorden die hij haar stelt, kan zij zich hieruit bevrijden:

“Aïcha la Maqhora (de getemde), habitante de la matmora
 qui est le plus puissant, l’homme ou la femme?”

ياعايشة ألمقهورة

يالساكنة في امطمورة

كيد ألنسا  أم  كايد ألرجال

 Vertaling: Aïcha, de getemde, bewoonster van de Tijd
                  Wie is de slimste, de man of de vrouw?

En de koppige Aïcha houdt vol dat de vrouwen de slimsten zijn, ondanks haar vernedering en nederlaag.

De strijd zet zich voort in het huwelijk. De zoon van de koning besluit door erop uit te gaan, om Aïcha nog beter te laten voelen de zware druk van haar gevangenschap. En na elk uitstapje komt hij haar vertellen over de ongekende wonderen die hij in de buitenwereld is tegengekomen. De vrouw die je buiten het huwelijk om ontmoet is altijd fantastisch! De vrouw waarmee je bent getrouwd, verveelt zich altijd, is banaal, oninteressant….

Hier stuit je op de heel bijzondere band die het wonderbaarlijke met het reële onderhoudt, de triomf van de zwakke, van het kwetsbare. Dit sprookje is wonderbaarlijk, omdat Lalla Aïcha door haar man gevangen gehouden, erin slaagt de omstandigheden te scheppen (door een tunnel naar haar vader te graven en de muren van haar gevang te ondermijnen), waarin haar schoonheid en intelligentie volop tot hun recht komen, in de weidevelden van Sour, Dour en Hammamat Laqçour (Romeins vakantieoord in Tunesië)! Het wonderbaarlijke is dat Aïcha, vernederd en geschonden door haar echtgenoot, erin slaagt hem te dwingen haar talrijke charmes te bewonderen. Zij dwingt hem haar als zijn minnares te behandelen, een wispelturige en mysterieuze minnares. Lalla Aïcha doet de kleine meisjes en hun moeders dromen, omdat zij in het onmogelijke is geslaagd in het dagelijkse leven: de spanning erin te houden, de schoonheid te behouden, de levendigheid, de intelligentie, de charme van echtgenote waarvan het bestaan geassocieerd wordt met sleur en synoniem is geworden aan verveling, de gewone gang van zaken.

In onze dagelijkse gesprekken is een van de grote gespreksonderwerpen het betoog van de man in aanwezigheid van zijn vrouw (die daarbij overigens zich verplicht voelt te glimlachen om niet voor belachelijk door te gaan) over hoe saai het huwelijksleven is.

Dit sprookje verteld door grootmoeders aan hun kinderen is wonderbaarlijk, omdat het spreekt over de haar ontzegde schoonheid, hun afgezeken grootheid, die van echtgenote, die men vergeet te waarderen… die van de vrouw die zich zo helemaal overgeeft aan haar huwelijk dat men vergeet er rekenschap voor af te leggen.

Fatima Mernissi. (1983)

(Noten zijn niet vertaald; staan in de Arabische versie!)

donderdag 26 juni 2025

De Ezelscomedie heeft een staartje.

Toen ik in 1989 naar Marokko verhuisde en mijn bagage moest inklaren, kreeg ik een onderhoud met een hoge Marokkaanse vertegenwoordiger van de Marokkaanse staat. Ik heb maar weinig gesprekken op dit niveau goed onthouden, omdat de meeste van deze gesprekken het onthouden niet waard zijn. Dit gesprek is mij m’n hele leven bijgebleven: het vond 36 jaar geleden plaats! Bijna meteen bleek dat ik met een heel intelligent persoon te maken had. Nu geef ik daar over het algemeen geen cent voor, laat staan dat ik mijn bagage daarvoor in de waagschaal stel. Er ontspon zich een levendig gesprek over religie, omdat dit een nogal teer punt is, als iemand zich voor langere tijd in Marokko vestigt. 

Mijn opponent bleek in België te hebben gewoond en kende Schillebeeckx  wat op zich al heel opmerkelijk is voor een Moslim. Wie kent hem nu nog, de veel omstreden Vlaamse  theoloog die aan de universiteit van Nijmegen doceerde? Ik ga hier niet uitleggen waarom hij omstreden is; mocht u daarin geïnteresseerd zijn, dan kunt hierover het een en ander op Wikipedia vinden. Mij gaat het, net als in de discussie toen, om een ondergewaardeerd aspect van Schillebeeckx visie (Wikipedia): “Alles heeft daarin betrekking op het ‘zoeken naar God’, een zoeken dat het hart van alle theologie is… Humor is hierbij van cruciaal belang:  ‘Ik ben er vast van overtuigd dat zonder humor als ‘menselijke deugd’ elke theoloog het gevaar loopt ‘grootinquisiteur’ te worden… Een theoloog, die geen humor kent of die niet cultiveert, kan ook zichzelf en zijn theologie niet relativeren; dan springt hij uit de band. Ofwel zwelgt hij in ‘theologische hoogmoed’, ofwel wordt hij grootinquisiteur die ‘de andersdenkende’ met vuur en zwaard zou willen vernietigen……".

Ik heb in de discussie “God” vervangen door “Leven”: alles heeft betrekking op wat Leven is, en die zoektocht kun je alleen maken als je humor kent. Dit antwoord stemde tot grote tevredenheid van mijn Marokkaanse opponent. Ik sprak mijn verbazing daarover uit, maar heb hierop nooit een antwoord gekregen, of misschien toch, maar mijn Frans was onvoldoende om de stroom Franse filosofie die ik toen over mij heen kreeg te verwerken. Ik kreeg mijn bagage door de douane, en werd telkens als ik in de buurt was uitgenodigd voor een kopje koffie.

Ik vertel dit om een kader te scheppen, om het Bijbelverhaal van Lucas over De verloren Zoon (10) te vergelijken met De Ezelscomedie van Plautus (1), zonder dat er over mij afgeroepen wordt dat ik blasfemie bedrijf, want dat is niet de bedoeling! Hoe gaat dat verhaal ook al weer (Vertaling, Hans Jongejan: 119-120; Lucas 15, 11-32):

“Zo zeg ik u, ontstaat vreugde bij de engelen Gods bij het zien van één zondaar die zich bekeert. En hij zei: een man had twee zonen. En de jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw vermogen dat mij toekomt. Hij nu verdeelde het bezit onder hen. En na enkele dagen had de jongste zoon alles te gelde gemaakt en vertrok hij naar een ver land en daar verkwiste hij zijn vermogen door erop los te leven. Maar toen hij alles had uitgegeven brak een hevige hongersnood uit in dat land, en zelf begon hij gebrek te lijden. En hij ging op weg en ging werken bij één van de ingezetenen van dat

land, en hij zond hem naar zijn akkers om zwijnen te hoeden (2). En hij verlangde zich te verzadigen met de schillen die de varkens aten, maar

niemand gaf ze hem. Toen kwam hij tot zichzelf en zei: “Hoeveel van mijn vaders dagloners hebben overvloedig te eten, terwijl ik omkom van de honger? Ik zal opstaan en op weg gaan naar mijn vader en ik zal tegen hem zeggen: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en jegens u. Ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden: maak mij tot één van uw dagloners.” Toen stond hij op en ging naar zijn vader. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen, hij rende op hem af en vloog hem om de hals en kuste hem. En de zoon zei tegen hem: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en jegens u. Ik ben niet meer waardig uw zoon genoemd te worden.” Maar de vader zei tegen zijn dienaren: “Haalt snel het beste kleed (3) te voorschijn en trek het hem aan, en geef hem een zegelring (4) aan zijn vinger en sandalen aan zijn voeten en breng het gemeste kalf, slacht het, en laten wij eten en feestvieren, want deze zoon van mij was dood en is weer Levend geworden, hij was verloren en is Gevonden.” Toen begonnen zij feest te vieren. Maar zijn oudste zoon was op het land; en toen hij dichterbij huis kwam, hoorde hij muziek en dansen, en nadat hij een van zijn slaven bij zich had geroepen, vroeg hij wat dit te betekenen had. En hij zei tegen hem: “Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond teruggekregen heeft.” Maar hij werd boos en wilde niet binnengaan, terwijl zijn vader naar buiten kwam en hem op andere gedachten probeerde te brengen. Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: “Zie, ik dien u al zoveel jaar en nooit heb ik een opdracht van u nagelaten, toch hebt u mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu deze zoon van u teruggekomen is nadat hij uw vermogen met hoeren heeft verbrast, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” Maar hij zei tegen hem: “Kind, jij bent altijd bij mij, en al het mijne is het jouwe. Nu moeten wij feestvieren en blij zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden, verloren en weer gevonden.”

Deze vertaling van Hans Jongejan komt uit een cursus vertalen van het Nieuwe Testament met de titel “Van alfa tot omega” van de Raad van Kerken. Omdat ik ook af en toe stukjes vertaal uit verschillende talen en vertalingen controleer, is het voor mij van belang om bij goede vertalers te leren, hoe je dat doet. Deze vertaling is woord voor woord Grieks- Nederlands. Prachtig! Prachtig vooral, omdat hij de letter weet los te laten en komt bij de betekenis. Dat is maar weinig vertalers gegeven. Ik wil maar aangeven dat bovenstaande tekst niet zomaar een tekstje is.

Hetzelfde geldt voor de vertaling van de Ezelscomedie door J. Hemelrijk (sr). Over hem staat te lezen op de achterkant van de serie Plautus’ vertalingen: “Vertalen is veroveren: elke goede vertaling is een geslaagde verovering van vreemd cultuurbezit….Goede leesbare vertalingen van bekende maar ook minder bekende antieke schrijvers, die nog niets aan betekenis hebben ingeboet, dragen bij aan een dieper inzicht ….”

Ik mag daaruit concluderen dat de gevonden overeenkomsten in de teksten niet uit de lucht komen vallen. Als we de absurde komische inslag bij Plautus even weglaten, blijken de overeenkomsten met het Bijbelverhaal over De Verloren Zoon frappant! Allereerst gaat het in beide gevallen om een hoofdpersoon die lange tijd van huis weg is geweest: een verloren zoon. In beide gevallen leidt deze afwezigheid (migratie) tot verkwisting van al het vergaarde geld. Ze raken aan de bedelstaf en de vader is hen van dienst om uit hun materiële penarie te geraken. Dat leidt in het ene geval tot het conflict met de oudere broer, die zich niet gezien weet door zijn vader, en in het andere geval tot het conflict met Diabolus (5!), die hem zijn hoertje wil afpakken. Dat brengt ons bij de rol van de moeder in het stuk van Plautus, omdat die rol in het Bijbelverhaal helemaal niet voorkomt. En omdat de “zegelring”, de ring om contracten te sluiten wel in beide gevallen voorkomt, wijst dit erop dat om een contract te sluiten in vroegere tijden alleen de man een handtekening hoefde te zetten, maar dat in latere tijden de vrouw gevraagd wordt om in een huwelijk toe te stemmen. Bij Plautus komt “de ring”, het contract, indirect in een hilarische scène ter sprake, die ik jammer genoeg niet heb besproken: gesprek tussen Diabolus en de Parasiet,  Vierde bedrijf, Eerste toneel, pag. 52. Dit maakt van dit toneelstuk een Nieuw Testamentisch verhaal! In het Oude Testament komt het zó voor (vertaling Hans Jongejan; Genesis: 41-42): “Daarop trok de Farao zijn zegelring van zijn hand en deed hem aan Jozefs hand; hij bekleedde hem met linnen klederen, en hing hem een gouden keten om de hals.(11).  Zelfs de (gestolen) mantel komt in het Bijbelverhaal (langs de Josef-omweg) en in het toneelstuk voor!

Maar wat is er met de varkens gebeurt die de verloren Zoon zo trouw hoedde? Bij Plautus zijn het Ezels, en die worden niet zo goed in de gaten gehouden. Zou de ezel hier ook een schuilnaam voor Jezus zijn, zoals dat vaker voorkwam (de Romeinse ezel) ? Dat in beide verhalen slaven eerst een onderworpen rol spelen en bij Plautus een actieve, veel zelfbewustere rol, is veelzeggend over de bevrijding uit de slavernij en de rol van het christendom daarin! De ezel kan ook nog verwijzen naar Bileam: de sprekende ezel die Bileam, een waarzegger, waarschuwt dat hij zich niet met afgodendienaren (Moabieten) moet afgeven. Kortom uit verschillende windstreken komen verhalen, die tot het ontstaan van De Ezelscomedie hebben bijgedragen.

Betekenis?

Wat heeft dit nou allemaal te betekenen? Kende Plautus de Joodse Bijbel? Dat is onwaarschijnlijk, maar hij kende wel de Feniciërs die veel Bijbelverhalen deelden met de Joden. En volgens onderzoek naarhet ontstaan van de Bijbel  is het begin ervan samengesteld uit verschillende verhaaltradities, die al een lange literaire geschiedenis kenden. En vormt het verhaal van De Verloren Zoon en misschien het verhaal over Dina, de enige dochter van aartsvaderJacob, en het verhaal van Bileam, de profeet, en het verhaal van Jozef en zijn broers, de structuur van De Ezelscomedie. De zoektocht naar god leidt tot levende, nog steeds bestaande, klassieke literatuur: een voortdurende reconstructie. In feite kwam het toneelstuk tot stand via het stramien van De Moppenfabriek!

Dit staartje aan de Ezelskomedie kon ik u niet onthouden. Ook de latere joods-christelijke invloed op het werk van Plautus, lijkt mij zonneklaar. Maar waar het mij eigenlijk omgaat is, dat een Bijbellezing zonder humor een dood geboren product is. Het christendom heeft z’n verbreiding te danken aan toneelgezelschappen die bestonden uit tot slaaf gemaakten in Romeinse en middeleeuwse tijden, die wisten te overleven dankzij humor.

zaterdag 31 mei 2025

 Deel 4 van de Ezelskomedie (Plautus):
de ontknoping.

(vertaling Hemelrijk)

Voor noten en de Latijnse tekst: hier klikken!

 Vijfde Bedrijf, Eerste toneel.


Door de open deur van Cleareta’s(= moeder van Philenium) huis kan men zien hoe de voorbereidselen voor het souper getroffen worden, waaraan Argyrippus, zijn vader Demaenetus, en Philenium (voor de betekenis van de namen, zie Deel 1
) deelnemen. Zij vleien zich neer op een aanligbed voor drie personen (triclinium): Argyrippus en Philenium aan de uiteinden en Demenaetus in het midden. Philenium laat zich de liefkozingen van de ouwe heer welgevallen, omdat het niet anders kan.

Latijnse tekst: noot 10.

Argyrippus:  Kom vader, gaat u liggen alstublieft!

Demaenetus: Ik zal het doen, mijn jongen, zoals jij wilt

Argyrippus: (tot de slaven) Kom jongens, breng de tafel nu maar hier!

Demaenetus: (haalt Philenium een beetje aan) Je vindt het toch niet erg, mijn jongen, dat je liefje hier naast mij ligt?

Argyrippus: ‘t Respect belet mijn oog de kwelling, vader; al bemin ik haar.

Demaenetus: Een jongeling moet eerbiedig wezen, Argyrippus!

Argyrippus: Zeker, vader, u verdient dat ik het ben.

Demaenetus: (joviaal) Laten we dan dit gastmaal vieren met wijn en zoet gekeuvel. ‘k Wil dat jij me liefhebt en niet vreest, mijn beste jongen.

                                           Latijnse tekst: noot 11.


Ondertussen
kijken vanuit een schuihoekje onzichtbaar voor Argyrippus, Philenium en Demaenetus  de Parasiet (die Diabolus, de rivaal van Argyrippus,  helpt) en de echtgenote van Demaenetus, Artemona, toe op wat er op het toneel op het triclinium (het aanligbed voor drie personen) gebeurt.

Demaenetus: (tot Philenium) Waarom zou ik niet van mijn vrouw de lievelingsmantel stiekem stelen en jou brengen, lieve schat? Je brengt me er niet vanaf, al beloof je mij haar dood voor ’t eind van het jaar.

Artemona en Parasiet vanuit hun schuilhoek.

Parasiet (tot Artemona) : U denkt toch niet dat hij vandaag voor ’t eerst een hoerenkast bezoekt?

Artemona: Dus hij bestal me iedere keer! En ik verdacht mijn personeel, vooral de meiden, die ‘k onschuldig op de pijnbank heb verhoord. (1)

Argyrippus: Vader, laat eens wijn inschenken; ‘k heb mijn beker allang leeg.

Demaenetus: Boy! Schenk in; begin vandaar. (tot Philenium) Geef jij me dan hier een kus.

Artemona: Dat is mijn dood! Kijk, hoe die kust, dat lelijk monster, levend lijk!

Demaenetus: (tot Philenium, al snuivendVerhip! Je hebt heel wat zoeter adem dan die van mijn vrouw! (2)

Philenium: Zeg lieverd, stinkt je vrouw dan uit haar mond?

Demaenetus: Poea! Nog liever drink ik water uit een zinkput, dan dat ‘k haar omhelzen zou.

Latijnse tekst: noot 12.

Artemona (de echtgenote van Demaenetus rent het toneel op met het triclinium):  Ik zeg je dat ik leven zal en dat die wens (mij te doden) je rouwen zal!

Parasiet (opgewekt tot publiek): Is hier niet iemand die heel gauw een lijkbezorger halen kan?

Argyrippus (doet onnozel) : Moeder, goededag!

Artemona: ‘k Ben ’t zat, die ‘goededag’!

Parasiet (terzijde): ’t Wordt tijd, dat ik er tussenuit knijp: dit gevecht groeit verder wel. Ik ga Diabolus vertellen, hoe ‘k zijn opdracht heb volbracht. En terwijl zij ’t hier uitvechten, hoop ik dat wij eten gaan. Morgen breng ik hem hierheen met die twee duizend drachmen voor madam Cleareta (moeder van Philenium), opdat hij in de gunsten van zijn dochter delen kan. ‘k Hoop wel, dat ik Argyrippus ertoe kan bewegen toe te staan, dat ze beurtelings een nacht van haar genieten. Lukt dat niet, dan verlies ik mijn patroon; zo’n liefdesbrand woedt er in die man.

Latijnse tekst: noot 13.

Artemona: Wat zei je ook weer? Je vrouw stonk uit haar mond?

Demaenetus: Nee, naar lavendel ruikt ze.

Artemona: Stal je mijn mantel al voor deze hoer? (3)

Philenium: Jazeker, hij heeft beloofd, dat hij een mantel van je stelen zou.

Demaenetus: Hou je mond!

Argyrippus: Ik heb ’t hem afgeraden, moeder.

Artemona: Een lieve zoon. (tot Demaenetus) Is dat het voorbeeld, dat een vader aan zijn kinderen geven moet? Schaam jij je niet? (ze trekt hem aan zijn oor omhoog)

Demaenetus: Nee, overigens niet; ik schaam me alleen voor jou, o vrouw!!

Artemona: Met ‘n grijze kop haalt jou je vrouw als ’n koekoek uit het vreemde nest.

Demaenetus: Mag ik niet blijven tot ik heb gegeten? ’t Eten is haast klaar.

Artemona: Jij eet vandaag, dat zweer ik je, de slaag die je verdient.

Demaenetus (terzijde): Een pover nachtje wacht me daar! Als ’n boef voert mij mijn vrouw naar huis.

Argyrippus: (volgt hen op straat met Philenium) Vader, ‘k heb u steeds geraden moeder niet te na te komen.

Philenium: (tot Demaenetus) Denk om de mantel, astublieft!

Demaenetus (tot zijn vrouw Artemona): Toe stuur dat schepsel uit de buurt.

Artemona: (trekt hem mee) Naar huis, jij.

Philenium: Geef me eerst een kus; (tot Argyrippus) Kom, ga mee, mijn liefje!

Argyrippus: Ik ga met je mee.

(Allen verdwijnen)

Allen

Als de oude heer zich heimelijk voor zijn vrouw iets heeft gepermitteerd,

heeft hij niets nieuws of vreemds gedaan, niets anders dan ook anderen doen.

Want niemand is zo streng van aard en zo hardvochtig van gemoed,

dat hij zich niet te goed zal doen, als hij daartoe een kans ontmoet.

Als u wilt dat de ouwe heer er zonder slaag afkomt dit keer

geloven wij, dat u ’t bereikt, als u maar braaf applaudisseert.(4)

 

maandag 28 april 2025

Ezelskomedie (3)

  

De Ezelskomedie, deel 3: De uitvoering van het plan.

Klik hier voor Noten en Commentaar.

Tweede toneel: Leonidas komt opgewonden aan en ziet Libanus niet.


(10) Leonidas
: Waar moet ‘k Libanus nu zoeken of ons beider jonge heer om ze een plezier te geven als nooit eerder in hun leven? ‘k Breng de grootste buit en zege even voor hen met me mee! Omdat ik met hen mag fuiven en mee naar de hoertjes gaan, zal ik evenzeer de buit, die ik behaald heb, met hen delen.

Libanus: (terzijde): Die heeft ergens wat gejat; want als hij kans ziet, doet hij dat. Wee de man, die zo schandalig als portier heeft opgepast!

                                        ***************

Vierde toneel: Leonidas komt op in een kennelijk kwade bui.

(11) Leonidas: Verdomme wat betekent dat, dat niemand naar me luistert! ‘k Had Libanus gecommandeerd bij de barbier te komen; hij is vast niet zuinig op zijn huid, dat hij niet is gekomen.

Koopman (terzijde, met het geld voor de ezels in een zichtbare buidel): Een arrogante kwant.

Libanus:: (veinst vrees): Ik ga d’r an.

Leonidas (sarcastisch): Kan ik je soms begroeten als vrij man? Ben je vrijgelaten, Libanus? (1)

Libanus:: O, spaar me!

Leonidas: Het kost je een flink pak slaag vandaag, dat ik je hier heb getroffen. Waarom kwam je niet bij de barbier, zoals ik zei?

Libanus: (wijst naar de koopman): Hij heeft me opgehouden.

Leonidas: Al had, verdomme, Jupiter je ervan afgehouden en zou hij voor je pleiten hier, je krijgt je portie ransel. Jij schobbejak, mijn hoog bevel negeren!

Libanus: (verstopt zich achter de koopman): Oh, help me vreemdeling!(2)

Koopman: Ik smeek je, Saurea (=Leonidas), hem niet te slaan om mijnentwille. (3)

Na wat heen en weer praten is de Koopman uiteindelijk bereid de buidel met 2000 drachmen aan Leonidas, die zich voor Saurea uitgeeft, af te geven als betaling voor de verkochte ezels.  Maar nu moet nog een voordelige ruil gesloten worden met Argyrippus (de verliefde zoon van vader Demaenetus.)

                                        ***************

(12) Argyrippus: Goed nieuws? Je hebt genoeg gepraat.

Leonidas (gewichtig): Zet nu je oren open, want je zult mijn woorden loven. In de eerste plaats: we zijn je slaven en dat loochenen we niet. Maar als twee duizend drachmen jou op slag geleverd worden, hoe noem je ons dan?

Argyrippus (gretig): Mijn vrijgelatenen.

Leonidas: Niet patroons? (4)

Argyrippus: Ja, nog liever.

Leonidas: Hier! Tweeduizend drachmen in de buidel. Ik zal ze je geven als je wilt.

                                        ***************

 

Libanus wil dat Philenium hem omhelst als beloning.

(13) Argyrippus: Zij jou omklemmen, viezerik? (5)

Libanus:: Ja, vind je dat een schande? Om te leren dat je me niet straffeloos beledigt, zul je mij dragen op je rug, als jij nog op het geld hoopt. (6)

Argyrippus: Jou dragen? Ik?

Libanus:: O, dacht je dat je anders ‘t geld van mij zou krijgen?


Argyrippus
(binnensmonds): Verdomme! (luid) Als het goed is voor een heer zijn slaaf te dragen, klim dan maar op! (hij bukt zich)

Libanus:: Zo krijgt men ze hier klein, de grote heren. Ga staan, zoals je dat als jongen vroeger deed. Begrijp je? (op handen en voeten) Ja zo! ’t Is magnifiek. Jij bent als paard wel op z’n best.

Argyrippus: Stijg op en gauw!

Libanus: (gaat schrijlings op zijn rug zitten) Daar zit ik al – Toe nou, wat gaat dat langzaam! Wat bliksem, ‘k hou je haver in, als jij niet op een draf gaat.(7)

Argyrippus (na een rondje draven): Wees schappelijk, Libanus, hou op!

Libanus: Nee, ‘k ben niet te vermurwen: want ‘k geef mijn paard de sporen nu en drijf het de helling op. En daarna naar de molenaar, waar het met slaag leert draven. (na nog een rondje gemaakt te hebben) Nou halt! ‘k Stijg op de helling af. ’t Is toch met jou maar knudde.

Argyrippus: Ziezo, da’s dat. Nu heb je ons zat vernacheld allebei: krijg ‘k nou het geld?

Libanus: (gaat staan als een Napoleon): Als je voor mij een beeld en altaar opricht, en me als een god een rund hier offert. Want ik ben je heiland.(8)

Leonidas: Ga nu van hem eens weg, mijn heer, en kom eens dichter bij me; richt wat hij vraagt voor mij maar op en breng mij maar een offer.

Argyrippus: En onder welke naam als god?

Leonidas ( hij neemt de houding aan als Alexander) Fortuna, de goedgeefse!

Argyrippus: Dan ben je stukken beter.

Libanus:: Wat is nou beter voor een mens dan de heiland?

Argyrippus: Ik kan Fortuna prijzen zonder de heiland te kleineren.

Philenium (naïef): Maar jongen, ze zijn toch beiden goed.

Argyrippus: Dat weet ik, als ze iets goeds me géven.

Leonidas: Spreek maar een wens uit die je hebt.

Argyrippus: En als ik wens…?

Leonidas: …wordt die vervuld!

Argyrippus: Ik wens Philenium ’t hele jaar voor mij alleen te hebben.(9)

Leonidas: ’t Is je toegestaan.

 

vrijdag 28 maart 2025

 

Samenvatting voorafgaande, en inhoud functie “Reactie-Actie”.

 

In Deel 1 hebben we gezien dat alleen als onze held en minnaar, Argyrippus over 2000 drachmen komt te beschikken, hij een jaar lang kan beschikken over zijn liefje Philenium. Voor de betekenis van de namen verwijs ik naar Deel 1.  Er ligt een rivaal, Diabolus – de Duivel,  op de loer die handje contantje kan betalen. Gelukkig voor Argyrippus is zijn liefje ook op hem verliefd en niet op Diabolus.

In dit deel, twee,  gaat het om het smeden van een plan dat sterk genoeg is om aan het geld, 2000 drachmen, te komen. Waarom de vader, Demaenetus, zijn zoon zo graag de 2000 drachmen wil verschaffen is gedeeltelijk of misschien wel helemaal in zijn eigen belang. Hij verwerft -- de oude viezerik-- het recht de eerst nacht (ius primae noctis) met haar door te brengen. En de zoon met het vooruitzicht de rest van het jaar van haar te kunnen genieten, stemt daarin toe. Er zal bij de Romeinen wel niet zonder reden een juridische aanduiding bestaan voor dit gebruik. Het kwam blijkbaar ook in de praktijk nogal eens voor! Je kunt eruit opmaken dat de Liefde bij de Romeinen iets anders was als bij ons. Liefde had weinig te maken met het huwelijk. En het had alles te maken met verliefdheid en seks.

Voor een Twintigeeuwse burger is dit schema bijna onvatbaar, al zijn er tendensen in onze tijd die erop wijzen dat deze situering van liefde en verliefdheid terug is van weg geweest. Enerzijds het verstandshuwelijk, het huwelijk om zakelijke redenen, en anderzijds de  “one night stands” en de plaats van prostitutie in onze maatschappij.  Christendom en Freud staan een dergelijk plan als van Demaenetus in de weg. Ook al lijkt het iets weg te hebben van het levensverhaal van Cicero, het verhaal zelf overstijgt de werkelijkheid. Het heeft ook wat weg van de Faust van Goethe! Blijkbaar zit in de achterliggende structuur, waarin alles op z’n kop wordt gezet, een onbewuste wens, gedachte of angst verscholen, waar wij slecht mee kunnen omgaan.

 

Deel 2, Plautus, De ezelskomedie (Asinaria)


Klik hier voor de originele tekst in het Latijn.
Zou dit plan kunnen werken?

Leonidas: Luister dan, opdat je er evenveel van weet als ik.

Libanus:  Ik luister..

Leonidas: Herinner jij je, dat de rentmeester (Saurea) Arcadische  ezels aan een Macedonische koopman heeft verkocht?

Libanus: Jazeker, en wat dan?

Leonidas: Nou, die heeft het geld gestuurd om ’t Saurea te geven
 [70] voor de ezels. De jongeman, die ’t brengen kwam, is juist gearriveerd.

Libanus (gretig): Waar is hij?

Leonidas: Je wilt ‘um wel meteen verslinden als je ‘m ziet?

Libanus: Nou en of! Maar zeg, je spreekt toch van die ouwe kreupele ezels, waarvan de hoeven al tot op de hielen afgesleten waren?

Leonidas: Juist, ze brachten altijd van de akker olmenroeden (waarmee slaven werden gegeseld) voor jou mee.

Libanus: Ja, dezelfde, die jou in de boeien naar de akker brachten.

Leonidas: [75] Merkwaardig goed geheugen, jij! Nou, luister, ‘k zat bij de barbier; die knaap begint te vragen, of ik Demaenetus, zoon van Strato ken. Ik zeg meteen, dat ik hem ken en zeg, dat ik zijn dienaar ben en ‘k wees hem ook ons huis.

Libanus: Nou en wat toen – daarna?

Leonidas: [80] Hij zei dat hij ‘t geld van de ezels bij zich had voor Saurea, tweeduizend drachmen; maar dat hij de man niet kende en niet wist wie ’t was. Wel Demaenetus zelf; die kende hij heel goed. Toen hij me dat had verteld…

Libanus: Wat toen…?

Leonidas: Nou luister, heb geduld! Ik nam onmiddellijk ‘t air aan van [85] een geestig en gewichtig man en zei dat ik het was: ‘Rentmeester Saurea’. Dat kan wel zijn, zei hij ‘maar ik ken Saurea helemaal niet en weet niet, hoe hij eruit ziet. Daar moet je nou niet boos om zijn; maar als je wilt, haal dan je meester Demaenetus, die ik ken en onverwijld krijg jij het geld.’ Ik zei, dat ik hem halen zou en dat hij hem hier treffen kon. [90] Hij zou naar ’t badhuis gaan, zei hij, en daarna kwam hij hier. Met welk plan gaan we hem te lijf? Zeg dat eens!

Libanus: Ik peins hierover, hoe ‘k die knaap en Saurea het geld door de neus kan boren. Dit moet gauw uitgekiend; want als die snuiter ’t geld hier brengt, voordat het plan er is, dan gaat het mis en grijpen wij ernaast. Want de ouwe heeft me straks apart genomen [95] buitenshuis en mij en jou gedreigd dat hij ons mores zou leren, als Argyrippus niet vandaag tweeduizend drachmen in zijn poten krijgt. We moeten, zei hij, zijn eigen vrouw of de rentmeester ertussen nemen. Hij heeft ons alle hulp beloofd, die hij verlenen kon. [100] Ga nu naar het forum naar de baas en zeg hem, hoe we ’t zullen doen: dat jij in de plaats van Leonidas rentmeester Saurea zult zijn, als de koopman met de centen voor de ezels strakjes komt.

Leonidas: ’t Komt voor elkaar.

Libanus: Ik houd hem aan de praat, als hij te vroeg verschijnt.

(Leonidas gaat weg, maar draait zich plotseling om)

Leonidas: Hoor  ‘es

Libanus: Wat is er?

Leonidas: Als ‘k soms met mijn vuist je op je falie geef, straks als ik [105] Saurea speel, moet jij niet nijdig worden, hè!?

Libanus: Ben jij bedonderd? Je past wel op mij niet te raken, als je wijs bent. Anders heb je een slecht gesternte bij de wisseling van je naam.

Leonidas: Slik het maar, het hoort erbij.

Libanus: Slik jij het dan, dat ik terugsla?

Leonidas: Ik zeg alleen hoe ‘k het moet doen.

Libanus: Ik zeg je ook, hoe ik ’t zal doen.

Leonidas: [110] Wees niet dwaas!

Libanus: Ik ga akkoord – jij krijgt terug wat je verdient.

dinsdag 25 februari 2025

Plautus: Ezelskomedie (1)

 Plautus: De ezelskomedie (samenvatting in 4 delen)

vertaling: Jacob Hemelrijk

Dramatis Personae:
Argyrippus (1)
, Diabolus (2), Demaenetus(3), Philenium (4), en Leonida-s (5).

 

Deel 1: Geldgebrek.

Beginsituatie.


We hebben het over twee rivalen, die allebei een meisje, P(hilenium), voor een jaar willen bezitten! A(rgyrippus) is verliefd op haar; dat is minder duidelijk van zijn rivaal D(iabolus). D. is zo rijk dat hij meteen over 2000 drachmen kan beschikken om beslag op haar te leggen. A. heeft zich al met haar een tijdlang uitgeleefd, en zit aan de grond, berooid. De vader van A. , D(emaenetus), wil dat zijn zoon gelukkig wordt en helpt hem aan het geld, op voorwaarde dat hij de eerste nacht met het meisje mag doorbrengen (ius noctis primae).

Om de beginsituatie te schetsen moet ik er verschillende scènes bij halen uit allerlei bedrijven in het toneelstuk. Dit is een gevolg van improvisaties, die toneelspelers zich konden permitteren. Dit is meteen ook de reden van de populariteit van Plautus (251-184vChr).

Scène 1: Hoe aan geld te komen? (6)


Demaenetus
: Ik weet toch zeker, dat mijn zoon verliefd is op dat snolletje van hiernaast, Philenium. Is dat de waarheid, Libanus?

Libanus (slaaf): U stapt er recht op af; t’is waar. Maar oh, een zware ziekte heeft hem aangetast.

Dem: Een ziekte? Welke?

Lib: Hij kan zijn woord niet dekken door de daad.

Dem: Ben jij mijn zoon behulpzaam bij zijn minnerij?

Lib: Dat ben ik inderdaad. En ook mijn maat Leonidas.

Dem: Daar doe je goed aan, man; en je verdient zijn dank. Maar Libanus, mijn vrouw! Weet jij niet hoe die is?

Lib: U voelt dat ’t eerst per slot; maar wij komen ook aan bod.

Dem: ‘k Beken, dat ze heel lastig en onaangenaam is.

Lib: ‘k Geloof u al bij voorbaat, voordat u het zegt.

Demaenetus: Als alle vaders, Libanus, maar deden wat ik zei, dan lieten zij hun kinderen toch veel meer vrij en hadden aan hun zoon een vriend en kameraad. Wat mij betreft, ik stuur het daar bewust op aan; want ik zie me graag bemind door wie me ’t naaste staat. Ik spiegel me aan mijn vader, die om mijnentwil vermomd als schipper met bedrog en list een koppelaar een meisje afnam, waarvan hij wist, dat ik, zijn zoon, er stapelgek op was. Hij schaamde zich niet op die leeftijd nog bedrog te plegen voor zijn zoon en door welwillendheid zich te verzekeren van zijn zoons genegenheid. Dat voorbeeld van mijn vader volg ik graag. Want Argyrippus heeft me juist gevraagd vandaag of ‘k hem voor zijn maîtresse kan helpen aan wat geld; en ik zou niet willen, dat hij wordt teleurgesteld. Ik ga om het te krijgen graag voor hem op stap. Zijn moeder daarentegen houdt hem kort en krap, zoals anders vaders doen. Van die traditie stap ik af; omdat mijn zoon mij zijn vertrouwen waardig keurt, verdient hij mijn respect toch zeker op zijn beurt. Nu hij zich wendt tot mij, zoals het een goed zoon past, wens ik, dat ’t geld hem voor zijn liefje wordt verschaft.

Libanus: Uw wens is ijdele wens, als ik het zeggen mag: uw vrouw heeft met haar bruidsschat Saurea meegebracht, de knecht die meer gezag dan u heeft en meer macht.


Dem
: (zuchtend) Jaja, ik kreeg het geld en ik verkocht mijn macht. Nu zal ik je in ’t kort vertellen wat ik van jou verwacht. Tweeduizend drachmen heeft hij nodig en op slag. Zorg dat hij die in handen krijgt.

Lib: Maar waar vandaan?

Dem: Je gapt ze maar van mij.

Lib: Dat is een reuze bak: ik mag van u een naakte man uitkleden! Ze van u gappen, die is goed! Vliegt u eens zonder vleugels! Hoe van u gappen? U bezit zelf geen sou, tenzij u iets gegapt hebt van uw vrouw.

Dem:Je licht maar iemand op, wie ’t is, doet er niet toe, hetzij mijn vrouw, mijzelf of Saurea, de knecht. Ik beloof je straffeloosheid, als het je gelukt.

Lib: U kunt me ook de hei op sturen om te vissen, of met een speer op jacht te gaan – in volle zee.

Dem: Betrek jij dan Leonidas ook in ’t complot. Broed maar iets uit, verzin maar iets, net wat je wilt. Als jij het me maar klaarspeelt, dat mijn zoon de duiten krijgt voor zijn vriendin.

Lib: Zeg mij dan, Demaenetus……

Dem: Wat?

Lib: ….koopt u me los als ik soms in een hinderlaag beland en door min vijanden word overmand?

Dem: Ik koop je los.

Lib: Heb dan geen zorg meer over mij. Ik ga naar ’t forum, als u het goed vindt.

                                             ***************

Scène 2: Wraak! (7)

Argyrippus: Gaat dat hier zo? Dat ik de deur wordt uitgekeild? Is dat de prijs hier voor verdienste uitgereikt? Wie goed doet slecht en slecht doet goed behandelen, hè? Maar die weg zul je niet lang meer bewandelen, zeg; want ik loop regelrecht naar de politie en geef je aan: ik laat je vonnissen, jou en je dochter, welteverstaan. Verleidsters en verpesters en verwoesters van de jeugd! Bij jullie vergeleken is de zee zelfs nog gedwee; de ruwste en meest verslindende zee zijn jullie twee. Op zee heb ik fortuin gemaakt; bij jullie ben  ik ’t kwijtgeraakt. Ondank en hoon is hier het loon voor weldaad en royaliteit. ‘k Zal niet berusten, jullie zult er nu van lusten; want wat ik aan kwaad kan doen, zal ik niet laten je te doen. ‘k Zal jou weer in de toestand brengen, waar je uit voortgekomen bent, in ’t randgebied van armoe en gebrek. ‘k Zal maken, dat je weet, wie jij nu bent en wie je bent geweest. Voordat ik je dochter kende en mijn hart aan haar verloor, leefde jij in de ergste ellende en in lompen van wat brood; en toch was je god nog dankbaar, als hij je dit beetje bood. Nu ’t je beter gaat door mij, schuif je me achteloos opzij. Maar ‘k zal je trots wel remmen en je door honger temmen. Op haarzelf – hoe zou ik boos zijn? Zij is schuldig slechts in schijn. Alles doet ze op jouw bevel; jij bent haar moeder en haar hel. Jouw geldt mijn wraak, die jij verdient hebt en ik stel je aan de kaak.

(pauzeert en kijkt rond)


Maar dat loeder van een moeder vindt het niet de moeite waard om te komen en te praten om mijn woede te bedaren. Ha! Daar komt ze toch, die lokeend. Dan zal ik maar ongezocht haar voor ’t huis de waarheid zeggen, nu ik ’t in haar huis niet mocht.

                                                 ******************

Scène 3: Tijdnood.(8)

Vierde bedrijf:

Diabolus, rivaal van Argyrippus, komt op met een volgeling, zijn ‘parasiet’.

Diabolus: Kom, laat me het contract zien, dat je hebt opgesteld voor ’t mens, het meisje en mij; lees de clausules voor; want jij bent als auteur uniek voor zulk een zaak.

Parasiet: Het mens zal rillen, als ze de clausules hoort.

Dia: Vooruit dan man, lees voor!

Para: U luistert?

Dia: Ja, ik luister.

Para: (leest voor) ‘Diabolus, de zoon van Glaukus geeft hierbij tweeduizend drachmen aan Cleareta, de waardin, opdat Philenium dag en nacht hem toebehoort dit hele jaar.’

Dia: Ja, en aan niemand anders meer.

Para: Moet dat erbij?

Dia: Ja, schrijf het er goed duidelijk bij!

                                              ******************

Mogelijk begeleidende teksten zijn op mijn website Klassieke Humor te lezen in de rubriek “Grappen” helemaal op het eind rechts onder. En in de commentaren van andere aangehaalde stukken van Plautus op mijn blog.