Klassieke Humor
zondag 12 april 2026
Het gaat hierbij om een gesprek tussen meester Onbekwaam en meester Onwetendheid. En daarin gaat het over de pijn die meester Onwetendheid heeft in zijn hart-geest. Waarschijnlijk dacht Jan: ik vertaal het met alleen “geest”, omdat de Chinezen in die tijd de geest in het hart lokaliseerden, terwijl in de oorspronkelijke tekst toch staat hart-geest. Meester Onwetendheid, goed op de hoogte van de Vijf Elementen theorie, zegt niet te weten waar je de hart-geest kunt vinden, omdat ze in de Theorie gescheiden voorkomen. Hij is dus niet helemaal onwetend, maar past de theorie toe op de manier van iemand die daartoe niet in staat is, onbekwaam is. Daarom bestaat de hart-geest niet, en door dit standpunt geven meester Onbekwaam (direct) én meester Onwetend (impliciet) fundamentele kritiek op mensen die op basis van een theorie tot conclusies komen. Een pijnpunt!
Ik vraag me wel af, waarom er zo’n groot verschil zit tussen
de Engelse en de Nederlandse vertaling van Jan? Wa’s gebeurt, Jan? Ik weet het
niet!
dinsdag 31 maart 2026
Onwetendheid
Beantwoording van Yuzhongzi’s vraag.
(eigen vertaling vanuit het Engels!)
Voor de Inleiding, klik je hier.
De vriend van meester Onbekwaam (1) heette Yuzhongzi (meester
Onwetendheid).
Meester Yuzhongzi had
pijn aan zijn hart-geest en hij vroeg meester Onbekwaam om een geneesmiddel.
Meester Onbekwaam zei: “Wat voor kwaal is het?”
“Het doet pijn.”
“Waar doet het je pijn?”
“In mijn hart-geest doet het pijn.”
“En waar is de hart-geest te vinden?”
Op dat moment verklaarde Yuzhongzi dat hij genezen was.
Waarop meester Onbekwaam zei: “Je zou kunnen zeggen dat deze man een staat van
natuurlijke perfectie heeft bereikt, en zijn geestelijke gloed (invloed) zal
nooit verduisteren.” (2)
Nederlandse uitgave Master Incapable: Nietskunner
maandag 26 januari 2026
De Weg (Tao)
Gelijkwaardigheid
Inleiding (klik voor commentaar en noten)
Het vorige blog heb ik afgesloten met wat kanttekeningen, hoe in het feminisme het begrip “gelijkwaardigheid” wordt gebruikt. Ik beweerde dat het misschien een uitgangspunt is voor een westerse feministische beweging, maar dat voor een oosterse samenleving meer voor de hand ligt te streven naar rechtvaardigere verhoudingen. Het een sluit niet het andere uit, het is meer een kwestie van accent.
Het begrip “gelijkwaardigheid” zou meer verdieping moeten
krijgen. En die verdieping heb ik in de Chinese Boeddhistische filosofie
gezocht. In Master Incapable, vertaald door Jan De Meyer, staan verschillende ‘humoristische’
verhalen. Misschien zou in het oude China ook de oorsprong van de Nasreddin grappen
moeten worden gezocht, volgens Jean-Louis Maumoury, die daarbij denkt aan een
soort “koan” (dit zijn raadsels die Zen-Boeddhistische leerlingen mee
krijgen om te mediteren).
Uit de informatie op Wikipedia valt op te maken dat het onzegbare zeggen een
belangrijk aspect is van de “koan” waardoor
het iets lachwekkends heeft (Sublimes paroles et idioties de Nasreddin Hodja: p.
12). De oorsprong van de “koan” zou
teruggaan op rechtspraak.
Deze “koan” raadsels
hebben veel overeenkomstig met de Nasreddin-, Jeha-, Pushkin- en andere tricksterverhalen.
“Gelijkwaardigheid” van klager en aangeklaagde voor een (geblinddoekte) rechter
speelt hierbij een rol. Bijvoorbeeld zoals in het blog van maandag 11 maart2019 en het verhaaltje aan het begin van de website Klassieke Humor (naar beneden scrollen) of het verhaaltje “Een idee”.
Het woordje “incapable” in “Master Incapable” (Meester in onbekwaamheid) houdt in, dat de verhalen deel uitmaken van een Chinese filosofische stroming die benadrukt dat naar perfectie streven onmenselijk en onhaalbaar is. De mens is een zak vol tekortkomingen, en daarvan moet je je bewust zijn! Dat valt vooral op te maken uit de taal, die nooit dat zegt wat het zou moeten zeggen, vooral niet als het om geestelijke zaken gaat. De humor in deze verhaaltjes zou hierin zijn basis kunnen vinden. Humor is vaak een verhaspeling van woorden. De term in het Engels om de bedoeling van zulke raadsels, taboes, versprekingen en verhaspelingen aan te duiden is: Ineffability.
Op Wikipedia staat uitgelegd dat het woord komt van het
Latijnse ineffābilis en is samengesteld uit de prefix in- met de betekenis 'niet' en
het bijvoeglijk naamwoord “effābilis”, met de gecombineerde betekenis 'kan niet worden
uitgedrukt (in woorden)'. In het Grieks is dat ἄρρητος
(α + ῥητὸς) wat betekent 'waarover niet kan of mag worden gesproken'.
In
deze verhaaltjes komen vaak taboes aan de orde. Uit alles bij elkaar valt op te
maken dat de Chinese invalshoek met zijn gevoeligheid voor de betekenis van
woorden, de aangewezen weg is om meer duidelijkheid te krijgen over het begrip
“gelijkwaardigheid”.
Afbeelding uit Zomerpaleis in Peking (1153 nChr.)
Op onderstaand plaatje zijn niet alleen de Zeven Wijzen te
zien (links), maar ook een Aap (linksonder) en de langzamerhand van Nasreddin-
en Jeha- verhaaltjes bekende figuur die achterstevoren op een ezel (rechtsonder)
zit.
Op dit plaatje staat misschien geïllustreerd dat men in
China een samenhang zag in de Nasreddin- en Jeha-verhaaltjes enerzijds en de
Aapcyclus anderzijds. En dat die verhalen weer iets te maken zouden kunnen hebben
met de Zeven Wijzen uit de Bamboegrot. Xi Kang (1), over wie later
meer, was een van hen.
Met de Aap-cyclus hebben we al indirect kennis gemaakt, toen
wij het hadden in het laatste blog, in de serie uit de Libro de Buen Amor, over de Traagheid (Acedia) waarin een Simio (aap) rechter is. In de komende maanden zal
ik een fragment uit de Aap verhalen bespreken, waaruit de samenhang tussen dit
Chinese fragment uit de Aap-cyclus en een Marokkaans Jeha-verhaal valt op te
maken.
Verder
staan op de afbeelding de Zeven Wijzen, waarvan Xi Kang er een is. In onderstaand
gesprek voert hij een gesprek met de heremiet Sun Deng. In de Inleiding (Inleiding) treft u een kort portret aan van de beide
heren die in dit verhaal met elkaar discussiëren: Xi Kang (1) en Sun Deng (2).
Dit
is niet een tekst waarvan de betekenis in een keer duidelijk is. Daarom heb ik
er noten aan toegevoegd. Maar vooral de analyse die eronder staat zal veel
ophelderen, hoop ik. Ik denk niet dat ik alle aspecten recht doe, maar bij een
eerste zetje in de goede richting helpt mijn uitleg wel.
(Xi Kang) in gesprek met Sun Deng
Meester Sun Deng leefde in afzondering op Berg Sumen (3). Xi Kang bewonderde hem en ging erop uit om hem te ontmoeten. Hij zei (toen hij hem ontmoette):
“Ze hebben me verteld dat een eendagsvlieg niet de hoge leeftijd van een schildpad kan bereiken, en dat zwaluwen en mussen niet lijken op (gelijkwaardig zijn aan) zwaanganzen (4). Mijn geest is ontoereikend om uw volmaakte adviezen op hun waarde te schatten. Maar ook zonnestralen en maneschijn maken geen onderscheid tussen brede lanen en onvruchtbare grond net zo min als de regen en dauw kiezen te vallen op orchideeën of alsem.
Ik hoop dat u met mij wilt delen wat u maar te berde wilt brengen over iemands plaats in deze maatschappij en het zich voltrekken van zijn lot. Meester, dan pas zou ik kunnen overstijgen wat al (voor mij) vaststaat, en daar kunnen verblijven waar geen grenzen bestaan.”
Deng nam de tijd alvorens te antwoorden:
“Duisternis en
donkerte hebben in de kern iets wezenlijk hetzelfde, maar dat is geen
eenvoudige overeenkomst. De geest van onberoerde chaos is niet eenvoudigweg
geest. Wezen en geest zijn de uitkomst van Verwerking (5).
Je zou je daarvan los willen maken, maar dat kan niet. Je zou het willen controleren,
maar dan weet het aan je te ontsnappen. Wat zou je dan nog kunnen verstaan
onder “het zich voltrekken van je lot”? Wat mag je dan verstaan onder “het
vinden van iemands plaats in de samenleving”? Wat is “wat al van tevoren
vaststaat”? Wat is “waar geen grenzen bestaan”?
Hoe dan ook, tussen Leegte en Niets (6) strekt zich Iets oneindigs uit. Het komt en gaat
zonder een spoor achter te laten (7). Het is het
( steeds veranderende) plafond van hemel en aarde. Wie dit begrijpt is een
verlichte geest; wie dit verkrijgt, verdient respect. Alles wat jij te berde
brengt, wijst erop dat je nog niet in de verste verte een glimp hebt kunnen
opvangen van het licht aan het eind van de tunnel. Van de Oude Langoren (8) heb ik het volgende geleerd: “Een goede koopman
verstopt zijn bezittingen zo diep mogelijk in zijn zakken, zodat het lijkt
alsof hij niets bezit. Een heer van volmaakte deugd (9)
komt over als naïef”. En ook,
zoetwatermosselen worden open gebroken om hun parels, olifanten worden verbrand (?) om hun
slagtanden, orchideeën worden gekookt om er zalf van te maken, en de veren van
de ijsvogel worden geplukt om zich mooi op te maken. Dat weet iedereen. Jij
hebt een talent voor literaire verfraaiing en schoonschrijven (kalligrafie) , maar alles wat donker en vaag is, daarvan ontgaat je het belang. Jij lijkt
op iemand die een helder brandende kaars oppakt die een duizelingwekkend licht
verspreid, wat door het hemelgewelf wordt verafschuwd.
Ik lees jouw “Brief om je relatie met Shan Juyan (10) te
verbreken”. In die brief staan “de twee dingen die absoluut ontoelaatbaar zijn”
en “de zeven dingen die onverdraaglijk zijn”. Deze brief staat bol van
zelfverheerlijking, gekoppeld aan kritiek op anderen. Je tijdsgenoten verachten
je hierom. Iemand die zich van binnen leeg en vrij heeft gemaakt, beschouwt
niet de rechtbank of de markt als een bruisend trefpunt met anderen, terwijl
voor iemand vol verlangens(om leeg en vrij te zijn) zelfs afgelegen kliffen en
valleien voldoen (11). Het bekleden van een ambt
kan niet in strijd zijn met je gevoelens. En het niet hebben van een officiële
functie kan niet bijdragen aan je innerlijke harmonie. Als het vervullen van
een ambt moeilijk is, dan is het
niet meer werken de oplossing van die moeilijkheid! Maar jij vond het nodig om
relaties te verbreken en anderen te bekritiseren om jezelf in het zonnetje te
zetten. Door zoveel stof te doen opwaaien en dan toch een blik te willen werpen
op ander eeuwig leven zou ik je kunnen
duiden als iemand die de schaduw haat, terwijl hij ondertussen wel geniet van zijn wandeling in
de zon. Hoe zou jij mijn inzichten waardig kunnen zijn!?
Xi Kang keek beteuterd, als iemand die net ontwaakt is uit een dronken roes. Zoals te verwachten werd hij geëxecuteerd.
Analyse
We hebben hier met een verhaal te maken dat nou niet meteen
een grap is. Maar ook dan kunnen we dezelfde analyse-instrumenten gebruiken als
om grappen te analyseren. Alleen de acties in het midden draaien we zo om dat
“actie-reactie” voorop staat, gevolgd door “reactie-actie”. Dus precies zoals
je de volgorde zou verwachten. Als we dit gesprek samenvatten met de bekende 4
elementen (“begin”, “actie-reactie”, “reactie-actie”, en “slot”), dan komen we tot de volgende samenvatting:
- 1. Xi Kang stelt een vraag aan de heremiet Sun Deng. De status van de vraag, is moeilijk te bepalen. Hij kan ironisch bedoeld zijn, om Sun Deng te vernederen.
- 2. Sun Deng geeft een antwoord, dat in twee delen uiteen valt. Het eerste deel wil Xi Kang op z’n plaats zetten. In het antwoord schemert door dat Sun Deng het een onbetamelijke vraag vindt. Xi Kang beschouwt zich, volgens Sun Deng, geen actief element van een grotere wereldorde; hij denkt er zelfs boven te staan, omdat hij gelooft in dingen die niet zijn wat ze lijken (7).
- 3. Het tweede deel is een waarschuwing aan het adres van Xi Kang met het advies zich te verbergen, weg te vluchten uit het licht. Waarschijnlijk hoort Xi Kang de waarschuwing niet of hij negeert het antwoord uit arrogantie en neerkijken op ons fluitende baasje. Wat zou jij doen?
- 4. Xi Kang blijft zich ophouden in de zoeklichten als een haas gevangen in de koplampen van een auto. Hij loopt regelrecht zijn executie tegemoet.
- 5. Nu komt het grote probleem met dit verhaal: wat is het centrale symbool datbetekenis geeft aan de hierboven opgesomde acties. Dat is natuurlijk De Weg (Tao of Dao: zie het Chinees lettersymbool hiernaast), die geen spoor nalaat, maar er wel is! Eigenlijk verduidelijkt dit Chinese letterteken prachtig dit gesprek: het is een mannetje met een rugzak onderweg op zijn levensloop. En van dit symbool zegt Sun Deng: “..tussen Leegte en Niets strekt zich Iets oneindigs uit”, m.a.w. iemand kan van zijn leven iets maken of niets naar gelang hij openstaat voor het samenspel tussen zichzelf en de hemelse wegen die hem ter beschikking staan. Hiermee doel ik op het Confucianisme, waarmee Xi Kang zo’n moeite heeft. Xi Kang vraagt naar de weg die hij zou moeten gaan, maar neemt eigengereid de weg waar hij lekker kan shinen .
Gelijkwaardigheid
Wat zegt dit verhaaltje nu over Gelijkwaardigheid? Uit noot 13 (13) zou
je kunnen opmaken dat ‘gelijkwaardigheid’ in de Chinese filosofie voorkomt
onder het begrip ‘Qi-wulun’, de gelijkmaking der dingen, het ondergaan van een
transformatie waardoor de dingen gelijkwaardig worden. Als in: iedereen is voor
de Dood gelijk. Natuurlijk, iedereen
heeft zijn weg in dit ondermaanse te gaan. Voor De Weg zijn wij allemaal
gelijkwaardig. Als je dit principe te laag bij de grond, te materialistisch, opvat,
zoals Xi Kang, dan struikel je op je weg over de talloze stenen, die de weg
maken. Een baan weigeren, omdat jij jezelf daar te goed voor vindt, is een
doodzonde, ook al sla je hiermee het materialistische gewin af.
Gelijkwaardigheid is duidelijk als politiek wapen te
gebruiken, omdat het ook al in het tijdperk waarover we het hier hebben als
zodanig wordt gehanteerd. Deze tijd, getypeerd door alles verwoestende
oorlogen, is een tijd van extreme “gelijkwaardigheid” voor sommigen om anderen
te dienen. In een oorlog staan wij oog in oog met de dood als gelijkwaardigen (Inleiding). De oude Chinezen hadden een idee vanwaar
De Weg, die ons gelijkwaardig maakt, kwam, ergens uit een verborgen hemelse constellatie:
“..tussen Leegte en Niets strekt zich Iets oneindigs uit”. (Ik wil in dit verband u attent maken
op een artikel dat hierop aansluit in De Groene Amsterdammer van deze week, 22
januari 2026: Profiel Ernst Jünger, Het droomkoninkje van de moderniteit, door
Joris Meiman, pag. 36-41.)
En dan gebeurt er dit: Je ligt na een lange wandeling in een
grot ’s avonds uit te rusten en kijkt naar het plafond. Daarop projecteer je de
weg die je die dag hebt gewandeld. De Weg tekent zich af als twee parallelle
lijntjes. En je zet bij elke kruising of afslag een bordje met aanwijzingen,
aanwijzingen die rechten en plichten worden als de slaap je overmant. Dat moet
de Wet zijn zoals Confucius hem gedacht heeft. De Weg is een Wet
geworden, onderweg terugkijkend en vooruit kijkend. Maar wat gebeurt er met de
Wet, als die hemelse constellatie er niet meer is? De parallelle lijntjes
missen het contrapunt en vallen als een dikke autoritaire lijn over elkaar
heen. En hier kan het mis gaan en de weg terug is afgesneden, zoals in de
Franse revolutie in 1789 “égalité” als eerste sneuvelde onder de guillotine.
In aansluiting op mijn vorige blog moet ik nu natuurlijk de vraag stellen: waar is in dit hele verhaal De Vrouw?
Die komt in dit verhaal niet voor, terwijl in de Westerse sprookjes er sprake
is van een Substratum Philisophicum Femininum (SPF-1 en en SPF-2). Is het toeval dat dit wèl in de Westerse verhalen voorkomt en in de Oosterse
ontbreekt, zelfs in verhalen die aan elkaar verwant zijn? Dit zou erop kunnen
wijzen dat net zoals ik in de bespreking van het feminisme in oost en west zei,
ideologie per context moet worden gehanteerd en geanalyseerd. Ideologie heeft
niet die diepgang die je ervan verwacht: het is een recent verschijnsel, tenzij
je de toneelstukken van Plautus ziet als propaganda voor een christelijke
ideologie.
woensdag 14 januari 2026
0verzicht 2025
Zie aanklikbaar overzicht 2025 onder de link!
Het afgelopen jaar heb ik niet alles kunnen bespreken, dat ik had willen bespreken, zoals Japanse verhaaltjes langs een pelgrimroute, De carnaval in de Libro de Buen Amor en Sprookjes uit de Duizend en Een Nacht. Daarmee hoop ik dit jaar te beginnen, maar de eerste maanden zullen gewijd zijn aan Chinese grappige verhaaltjes.
Ik ben het jaar 2025 begonnen met Het slot van Aboe Nawas (137 hits). Daarna vijf afleveringen van de
Ezelskomedie van Plautus (zoals beloofd). Van begin tot eind aantal hits: 187,
170, 178, 151 en 138. En tenslotte 3 afleveringen van de volledige vertaling van
Fatima Mernissi’s Wie is beter: de man of de vrouw? Achtereenvolgens aantal
hits: 164, 78 en 79.
Door andere
werkzaamheden was het mij onmogelijk om meer verhalen op mijn blog te zetten.
Uit het voorafgaande is duidelijk dat er nog genoeg materiaal is om te
publiceren. Waarschijnlijk kan ik hiermee doorgaan tot het einde van mijn
levensdagen.
Opvallend is
dat de belangstelling voor de verhaaltjes nauwelijks is afgenomen. Je zou
kunnen zeggen dat er een kleine dip zit op het einde van het jaar bij de
bespreking van het Mernissi sprookje. Maar zoals eerder gezegd: deze stonden ook
korter op het blog en hebben daarom misschien minder hits. Het totaal aantal
hits heeft de 120 duizend overschreden. Ook de oude verhaaltjes worden nog
regelmatig gelezen. Ik zal ooit tijd moeten nemen om ze allemaal een keertje te
herzien.
Zoals
aangekondigd, ben ik van plan een kaartenbak te maken, met daarin een
beschrijving van het verhaal en het verband van het ene verhaal ten opzichte
van andere verhalen. Het is de bedoeling dat dit resultaat als een database op
de website komt te staan. Zo kan iedereen gemakkelijke vinden wat hij wil
vinden. Zo’n kaartenbak is interessant, omdat nu al duidelijk is dat sommige
verhalen veel vaker in de hele wereld zijn terug te vinden dan andere.
Toekomst:
Chinese verhaaltjes (4x), Japanse schetsjes (4x), De Duizend en Een nacht (4x), Libro de buen Amor (karnaval: 8x). In ieder geval een verder onderzoek, waarbij verhaal-elementen, symboliek en onderliggende wereldbeschouwing in de KlassiekeHumor.woensdag 12 november 2025
Ideologie?
Van sprookje naar ideologie
Een antwoord op het commentaar van Fatima Mernissi.
Tweekeer heb ik in Rabat in 1986 voor de deur gestaan van Fatima Mernissi, onaangekondigd. Er werd niet open gedaan. Waarschijnlijk verbleef ze voor de voorjaarsvakantie bij haar familie in Fez, waar ook dit sprookje haar verteld is. Bij een Amerikaanse verhalenverzamelaarster, Daisy Hilse Dwyer, die Fatima goed kende, stond ik in 1982 voor haar kantoor in de Columbia Universiteit in New York, onverwachts. Ik heb niet aangeklopt bij professor Dwyer. In beide gevallen was ik opgelucht dat de gelegenheid niet tot een ontmoeting leidde. Nu pas – 40 jaar later – ken ik de vragen die ik had moeten stellen aan de beide vrouwen. Je kunt ze opmaken uit het onderstaande betoog. De belangrijkste is: hoe kan een sprookje een ideologisch voertuig zijn? Precies in deze semi-boeddhistische bewoordingen. Misschien kom ik op het boeddhistische later in een ander verband nog terug; nu niet.
Op het eind van de 1001 Nacht heeft Sheherazade net als Aïsha, de dochter
van de timmerman, 3 kinderen.
Sheherazade heeft 3 zonen bij haar misogyne Sultan en Aïsha heeft twee
zonen en een dochter bij haar misogyne man. Beide vrouwen beschikken over een
talent, waardoor de afloop van het verhaal uiteindelijk gunstig uitvalt. Sheherazade is een geweldige vertelster en
Aïsha is geweldig in bed. Maar deze Arabische sprookjes hebben pendanten in de
westerse wereld, nog voordat ze in de Arabische wereld bekend waren. De
bekendste evenknie is alweer het levensverhaal van Socrates en zijn gemaal Xantippe! Ook dit echtpaar telde drie kinderen (zonen?), maar in dit geval is het niet
de misandriese vrouw die in bescherming wordt genomen, maar haar man, Socrates.
Ook in deze opsomming misschien een transitie van sprookje naar ideologie
(filosofie).
Als we het sprookje samenvatten op de ons eigen manier van 4
acties dan krijgen we:
1.
(Begin) Twee jonge mensen
zijn verliefd op elkaar
2.
(Reactie-Actie) Ze trouwen,
maar de verliefdheid uit de begintijd verdwijnt.
3.
(Actie-Reactie) Zij wordt
gevangen gezet en ze raken van elkaar vervreemd
4.
(Slot) En door elkaar af en
toe te zien, krijgen ze niet alleen 3 kinderen, maar komt de verliefdheid uit
de begintijd terug.
Mijn samenvatting verschilt op slechts één punt met die van
Mernissi. Punt 3 moet opgesplitst worden in twee mogelijke interpretaties van
dit deel van het sprookje:
3a. De zoon van de sultan sluit haar op in
een kelder en mishandelt haar.Geen interpretatie (Mernissi)
3b. Ze raken
van elkaar vervreemd. (Mijn interpretatie)
Uit de interpretatie valt op te maken, hoe hetzelfde gegeven door een vrouw of een man niet alleen anders verteld wordt, maar ook anders wordt geïnterpreteerd. Hierbij speelt een grote rol of iets letterlijk, dan wel figuurlijk wordt opgevat. De een ziet in de kelder een kelder, de ander ziet in de kelder een symbool. Het is een symbool voor onbegrip en vervreemding, min of meer opzettelijk in het verhaal aangebracht. En in dat “min of meer” zit de overeenkomst tussen de beide interpretaties, want in beide gevallen is duidelijk dat de vrouw onrecht wordt aangedaan. De ideologische grondslag van het sprookje is hiermee blootgelegd.
Mernissi denkt dat dit sprookje echt Marokkaans is. Dit effect heeft zij versterkt door het “live” te brengen door een Marokkaanse vertelster. Daarnaast heeft ze de tekst door een kalligraaf op schrift laten stellen. Uit hoe de tekst op papier staat, zou je bijna kunnen opmaken hoe de vertelster met fluisteren, schreeuwen, gillen, toonhoogte- en tempoverschillen het verhaal heeft verteld. Fatima Mernissi heeft zó haar best gedaan om het sprookje Marokkaans te maken, dat achterdochtige ik geneigd is te denken dat zij wist dat het sprookje niet Marokkaans is van origine.
Haar betoog naar aanleiding van dit sprookje is dat het
feminisme niet uit Frankrijk of Amerika is geïmporteerd in Marokko, omdat de
strijd tussen man en vrouw in dit oude Marokkaanse sprookje zo onomstotelijk
aanwezig is. De vroegere herkomst van het sprookje doet er niet toe. En het
zoeken naar de herkomst van het sprookje vindt zij net als de grote sprookjesverzamelaar Decourdemanche uit de 19-de eeuw een bezigheid “en pure perte de temps”. Want hoelang werd
dit sprookje al niet in Marokko verteld! Je hoort een sprookje in de kleertjes
van de Islam, met de stem van de Marokkaanse vrouw en de schmink net als de
”ras al hanut” (Marokkaanse kruidenmix)
uit een rommelig Marokkaans stalletje langs de kant van de weg. Aan alles
is te merken dat het oponthoud van het sprookje in Marokko er niet ongemerkt
aan voorbij is gegaan. Dus, de strijd tussen man en vrouw is niet uit den
vreemde!
Toch is met behoorlijk grote zekerheid te zeggen dat dit
sprookje van origine niet Marokkaans is. De verwijzingen naar de Oudheid zijn
duidelijke vingerwijzingen. Ik bedoel de Romeinse badplaats in Tunesië (HammamatLaqçour) en het voorkomen van Sour (Tyrus in de Libanon) in het sprookje. In het begin komt een vraag
voor “Zeg mij hoeveel sterren staan er aan de hemel?” die vooral voorkomt in de
Turkse Nasreddin Hodja grappen. En deze Nasreddin-grappen hebben hun oorsprong in Mesopotamië (Perzië) en
misschien nog verder weg in het verre Oosten. Maar vooral het begin van het
sprookje waar het Basilicum (Koningskruid) en Iris (Suzanne) verwijzen naar het verhaal van de Kuise
Suzanne uit het Oude Testament - wat inderdaad grote overeenkomst heeft met dit
sprookje - maakt dat je met behoorlijk grote zekerheid kunt zeggen dat dit
sprookje waarschijnlijk joods-christelijk is en in Marokko is beland via de
Feniciërs of Romeinen.
Daaruit kun je concluderen dat er op zijn minst drie
invloeden van betekenis zijn geweest op het sprookje: de Midden-Oosterse, de
Romeinse én de Marokkaanse invloed. En in plaats van dat het sprookje een
bewijs is dat de strijd tussen man en vrouw al eeuwen in Marokko voorkomt, is
het ook een bewijs dat die strijd altijd en overal is voorgekomen! En dat is
één van de voorwaarden waarop een sprookje drager kan worden van een ideologie,
lijkt me.
Is het feminisme een ideologie? Over wat een ideologie is, bestaan verschillende meningen. De beroemdste
daarvan zal ik kort noemen. Allereerst komt dan de communist Karl Marx in
beeld, die een ideologie een denksysteem noemt dat als doel heeft om spanningen
in een maatschappij glad te strijken. Deze definitie is op het feminisme
duidelijk niet van toepassing: het feminisme roept eerder maatschappelijke
spanningen op dan dat ze die glad strijkt. Ook de opvatting van Althusser
strookt niet met die gehanteerd door feministes: het feminisme is nu eenmaal
geen (staats-) institutie. De Italiaan
Gramsci laat voor het eerst in dit verband een woord
vallen dat vaak door feministes, ook door Fatima Mernissi, wordt gebruikt:
hegomonie.
Fatima Mernissi zegt in Beyond the Veil op pag xi: “ (De
vroegere feministes) beschouwen de bevrijding van de vrouw als een voorwaarde sine
qua non voor de bevrijding van de Arabo-Islamitische maatschappij van de
vernederende hegemonie van het Westen”. Hegemonie is volgens Gramsci een
samengesteld idee dat cultureel door vrijwel iedereen als vanzelf sprekend
wordt aangenomen. Twee dingen springen eruit: dat het idee voor iedereen
vanzelfsprekend is, en dat het een idee is van een superieur over een
inferieur. De ideologie zou in die zin de ongelijkheid voor vanzelfsprekend
aannemen tussen het islamitische Oosten en het christelijke Westen. Of de
ongelijke man-vrouw verhouding on-beargumenteerd rechtvaardigen en uitdragen,
zonder weerwoord te verwachten.
In het sprookje is duidelijk een strijd van de vrouw met haar man aan de orde. De strijd wordt als vanzelfsprekend gepresenteerd en is die van een superieur tegen over een ondergeschikte. In hoeverre draagt de strekking van dit sprookje bij aan ideologievorming, aan een oordeel dat mannen en vrouwen in aparte leefwerelden zouden moeten kunnen leven, maar gedwongen zijn een leven met elkaar te delen. Met de verschillen tussen mannen en vrouwen wordt geen (te weinig) rekening gehouden in de maatschappij. En in hoeverre draagt dit sprookje dan bij aan de bewustwording van deze tegenstellingen en de maatschappelijke tekortkomingen?
Als we bij de herkomst van het sprookje stilstaan, dan valt
op dat joods-christelijke waarden over zouden kunnen gaan in feministische
waarden. Ook al is het feminisme geen christelijke beweging, ze streeft wel een
liefdevolle, gelijkwaardige samenleving na, net als de Islam en het christendom.
Je zou in die zin het feminisme een concurrent van godsdienst kunnen noemen.
Wat in het sprookje misschien aan de orde is, zoals vaak als de waarden van de
ene beweging overgaan in die van de andere, dat het sprookje de kijk verraadt
hoe het Oosten neerkeek op het Westen, wat de plaats van de vrouw in de
westelijke samenleving betreft. Helemaal vreemd is dat niet, als je bedenkt dat
piraten eeuwenlang westerse vrouwen te koop hebben aangeboden aan oosterse
heersers. De harem van het Turkse Topkapi in Istanbul bestond grotendeels uit
westerse vrouwen. Deze vernederde vrouwen kwamen onder de meest erbarmelijke
omstandigheden als slaven bij deze heersers aan, nadat ze tijden in
ondergrondse kelders gevangen waren gehouden. Maar je vraagt je af: is dit geschiedenis
of bestaan deze mistoestanden nog steeds?
Andersom had ’t Westen over de manier waarop de harem
functioneerde ook allerlei vooroordelen. Uit schilderijen uit de 17-e tot aan
de 19-e eeuw werden er allerlei taferelen in harems afgebeeld, die nooit zo
zijn geweest als op deze schilderijen verbeeld: naakte vrouwen die met elkaar
badderend zich lustig aan elkaar laafden. Het leek allemaal om seks te gaan! Op
een enkele heerser na waren de meesten monogaam en zijn vrouwen
leken seks eerder als een normaal leuk tijdverdrijf te zien dan om te
laten zien wie er de baas was. Maar ze zaten wél in een harem, een wereld apart
van de mannenwereld.
In beide gevallen is dit kritiek op mistoestanden. Maar je
zou er ook uit kunnen afleiden dat die visies over en weer zo verschillend waren
dat er geen sprake is van één en dezelfde strijd tussen mannen en vrouwen
in beide invloedssferen, maar dat er sprake is van verschillen in lading. Ik
zou willen concluderen dat deze strijd in Arabische landen in feite al beslecht
is in de manier waarop de Islam mannen- en vrouwenwereld van elkaar scheidt. Het
is een oplossing, waarover valt te discussiëren. In een Islamitisch land moeten dus de
maatschappelijke verhoudingen niet zozeer gelijkwaardiger worden, maar
rechtvaardiger. In ’t Westen is bijna het omgekeerde het geval. In het westerse
bestel zit de ongelijkwaardigheid verankerd, is misschien zelfs een
bestaansvoorwaarde om te kunnen concurreren. De ongelijkheid kan zich beroepen op de
Wet. In ’t Westen is het een strijd om gelijkwaardigheid van de een
t.o.v. de ander en niet zozeer om rechtvaardiger verhoudingen. Een kwestie van individueel fatsoen!
Hier volgt de rechtvaardigheid vanzelf op de gelijkwaardigheid?
Precies zoals de westerse Gramsci, maar ook de oosterse Mernissi, zegt, zorgt de strijd voor gelijkwaardigheid voor een rechtvaardigere
maatschappij. En dat Mernissi dit zegt is in feite vreemd: zij had in de eerste plaats voor een
rechtvaardiger maatschappij moeten pleiten om tot gelijkwaardigere verhoudingen te komen. Die gelijkwaardige verhoudingen bestaan in principe al in haar maatschappij in de vorm van de scheiding van mannen- en vrouwenwereld? Misschien is haar feminisme meer
gekleurd door de Amerikaanse cultuur dan zij zich bewust is?
Kunnen sprookjes aan de bewustwording van de tegenstellingen
tussen mannen en vrouwen in een waaier van culturen bijdragen? De vraag is minder onschuldig dan je hem in eerste instantie denkt.
Want het waren bovenstaande ideeën die hebben geleid tot de Arabische
Lente. Het Internet spreekt vooral over de verworvenheden van de Arabische
Lente, en weinig over de duizenden doden en de installatie in verschillende
Arabische landen van repressieve regiems. Een sprookje kan een hoofd op hol
brengen en voor je het weet zit je in onomkeerbare ellende.
Kunnen sprookjes de weg wijzen naar bevrijding? Op de een of
andere manier doen ze dat, doordat er een verborgen ideologie in doorklinkt die ik in de
bespreking van het Grimms sprookje Jan en Grietje het Substratum Femininum Philosophicum (SFP) heb genoemd. Dit is met een knipoog bedoeld om de ruimte te scheppen en het
oordeel over de ander, over een andere situatie zo lang mogelijk uit te
stellen. Dat uitstel is belangrijk, omdat geen enkele bevrijding uit de lucht komt
vallen. Je kunt het sprookje als een bewijs voor het feminisme gebruiken, maar
is daarmee nog niet feministisch. Dat wordt het pas als het een banier
wordt, waarachter men zich schaart. Het verschil tussen
de protesten van Dolle Mina en de Arabische
Lente zou uit het verschil in culturele achtergrond moeten worden verklaard. In
het ene geval gaat het om “Baas in eigen Buik” en in het andere geval om een
rechtvaardigere samenleving. En sprookjes kunnen die achtergrond reliëf geven, denk ik. En
dan komt het feminisme niet uit het Westen, maar voort uit de eigen cultuur.
dinsdag 23 september 2025
Wie wint er van de twee: de vrouw of de man?(2) en (3)
eigen vertaling uit het gesproken Marokkaans Arabisch.
Een sprookje
(Inleiding) van de wreed wonderschone Aïsha en de
prinselijke pestkop Mohammed (1).
Het was
wat het was:
eens was er Basilicum (4) en Iris-gras (5),
wat overal te vinden was.
Er was eens
een timmerman die een dochter had met de naam Aïsha. Om het uur ging
zij naar boven het dakterras op om haar Basilicum (het koningskruid)
water te geven. Dat was de zoon van de sultan opgevallen
en hij had de gewoonte haar te bespioneren iedere dag. Op een dag
toen hij haar naam te weten wilde komen, zei ze hem dat zij Aïsha
heette.
Daarop zei
hij haar: “Juffrouw Aïsha, dochter van de timmerman, jij die
zo goed zorgt voor de Basilicum en het telkens water geeft, zeg mij
eens, hoeveel blaadjes telt de plant?”
En zij
antwoordde hem: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning, jij
die het boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij eens, hoeveel sterren
staan er aan de hemel? En hoeveel vissen leven er in het water? En hoeveel
punten staan er in Het Boek?” (5)
Hij deed
zijn raam dicht en ging naar beneden naar zijn kamer. Ook zij ging naar beneden
naar haar kamer. De volgende dag ging zij weer naar haar dakterras om de
Basilicum water te geven en hij lette op haar. Zij waren “soep” (6) aan het koken en vanaf beneden riepen ze haar te
komen eten: “Aïsha, kom naar beneden om soep te eten!
Daarop zei
zij tegen hen: “Breng het maar naar boven bij mij!” Zij brachten haar een
kommetje soep. Zij ging zitten om te ontbijten. Wat kikkererwten uit de soep
vielen uit haar mond tussen haar borsten, en daarna at zij ze toch op.
Daarop zei
hij tegen haar: “Dit zal ik tegen je blijven gebruiken, steeds weer zal ik het
zeggen! Om je te pesten! (7)”
De volgende
dag klom zij naar boven naar het dakterras om de Basilicum water te geven en
hij bespiedde haar: “Aïsha, dochter van de timmerman, jij die de Basilicum
water geeft en haar besproeit, zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan deze
plant?”
En zij antwoordde
hem: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning, die Het Boek van Allah heeft
bestudeerd, zeg mij hoeveel sterren er aan de hemel staan, en hoeveel vissen er
in het water zwemmen, en hoeveel punten er in Het Boek staan?”
Hij zei
haar: “ Weet, gevallen vondelinge, jij bent als de kikkererwt die tussen
je borsten is gevallen en die je daarna hebt opgegeten.” (8)
Daarop zei
ze tot zichzelf: “Hij houdt mij in de gaten!” Twee dagen ging ze niet naar
boven naar haar dakterras, maar hield ze hem in het oog, heel voorzichtig, heel
voorzichtig, heel voorzichtig, totdat zij hem aantrof in een winkel. Hij zat
daar een granaatappel te eten (9), zij begluurde
hem, terwijl hij daar een granaatappel met kleine hapjes tegelijk zat te eten,
en toen viel er een korrel van de granaatappel op de winkelvloer. Hij bukte
zich en pakte de korrel vanonder de toog op en at hem op. Zij keerde terug naar
huis en liet hem daar achter. De volgende dag ging ze naar boven het dakterras
op om de Basilicum water te geven.
Hij zei tegen
haar: “Jij, die de Basilicum water geeft en besproeit, zeg me: hoeveel
blaadjes telt deze plant?” En zij antwoordde hem: “Mijnheer Mohammed,
zoon van de koning, jij die Het Boek van Allah hebt bestudeerd, zeg mij:
hoeveel sterren staan er aan de hemel, en hoeveel vissen zwemmen er in het
water en hoeveel punten telt Het Boek?” Daarop zei hij: “Weet, gevallen
vondelinge, dat je bent als de kikkererwt in de soep, die toen die tussen je
borsten is gevallen, haar oppakte en opat.” Waarop zij hem zei: “Weet dan,
jij gevallen vondeling, dat je lijkt op de korrel van de granaatappel die onder
de toog in de winkel was gevallen, haar oppakte en opat.” En hij zei: “Mijn
god, dit meisje houdt mij in de gaten. En heel voorzichtig, heel voorzichtig
bleef hij haar daarna bespieden.
Op een dag kwam hij bij de deur van haar huis. Een Jood kwam daar om vissen te verkopen. Voor haar deur kocht hij van de Jood de ezel met vis en hij kleedde zich in zijn kleren. Hij gaf hem geld hiervoor en ging zitten om de vis te verkopen. “Kom vis kopen! Kom vis kopen!” En zij ging naar buiten en zei hem: “Beste (Jood) man, jij verkoopt vis?”
En hij zei
haar: “Jawel, mevrouw!”
En zij zei daarop: “Hoeveel kost me dat?”
En hij zei haar: “Laat me je kusjes geven, op jouw wang, en de vis is van jou!”
En zij zei: “Mijn god, er is hier niemand, en zij liet zich kussen”. En hij stond de ezel met vis aan haar af en
ging weg naar huis. Zij ging met de vis naar binnen, gaf de vis aan de mensen
(te eten). En ze liet de ezel achter in de straat en bleef binnen. Ze ging haar
eigen huis in, om er twee dagen te werken. Toen ging ze weer het dakterras op,
en meteen toen zij het dakterras opkwam, hield hij haar in de gaten.
“Ha,
besproeister van de Basilicum, jij die hem water geeft,
zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan de stelen van de Basilicum?”
Waarop zij
antwoordde: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning,
jij die Het Boek van God hebt bestudeerd,
zeg me hoeveel sterren staan er aan de hemel,
en hoeveel vis zwemt er in het water,
en hoeveel punten staan er in Het Boek?”
Waarop hij
haar zei: ”Weet gevallen vondelinge,
die lijkt op de kikkererwt in de soep die tussen je borsten is gevallen, ze
hebt opgepakt en opgegeten…”
En zij
onderbrak hem met de woorden: “Weet jij gevallen vondeling,
die lijkt op de gevallen granaatappelkorrel die onder de toog was gevallen in
de winkel, haar oppakte en opat…”
En hij nam
het weer van haar over: “Er was eens een visverkoper, en de dochter van de
timmerman heeft hem haar wang geboden!”
Toen riep ze
uit: “Mijn god-oh-god!”
De volgende
dag vroeg ze haar vader om hulp, en zij zei hem:
“Koop mij
zwarte verf!” Haar vader ging haar verf kopen en zij ging zeven dagen lang haar
hoofd zwart zitten verven zolang als nodig was dat het leek alsof zij echt
zwart was, zwart als een zwarte knecht van de zoon van de koning. En zij zei
tegen haar vader:
“Vader, ga naar de markt om mij daar te verkopen.” En hij zei haar: “Nee.” En zij zei hem: “Ik heb je gezegd: ga naar de markt om mij te verkopen! En maak je geen zorgen over mij!” ’s Ochtens verkocht hij haar op de markt—treuzelend, omdat hij haar niet onder de prijs wilde verkopen? Aan de hoogste bieder: de zoon van de sultan. Hij was het die haar kocht. Hij nam haar mee naar huis en prees haar aan als de beste werkster ooit.
En hij zei
tegen zijn werksters: schrob haar schoon, stop haar in bad, trek haar kleren
aan en breng haar naar mijn kamer. En zij zei tegen de werksters: “Ik wil niet
dat je mij schoon schrobt, ik wil geen bad nemen. Laat mij met rust!” Zij gaven
haar kleren om zich te kleden. Zij nam met zich mee een mes, een spiegel,
lippenstift en een radijs.
De nacht
brak aan, zij vergezelden haar naar boven, zij nam (stiekem) bilzekruid (10) met zich mee. Zij brachten haar naar boven naar de
zoon van de koning. Zij bleef lachen en zij speelde nu eens dit spelletje dan
weer een ander spel. Zij ging thee zetten, schonk hem het bilzekruid in, een heel
glas vol. Dat gaf ze hem! Toen hij het had opgedronken, viel hij neer, de zoon
van de koning. Zij pakte haar mes en schoor zijn baard af, helemaal, maakte
zijn lippen rood met lippenstift en maakte zijn ogen zwart, deed een radijsje
in zijn kont en zette een spiegel voor hem neer. Ze riep hem vanuit de verte en
hij viel flauw. Even later sloeg hij zijn ogen op, de zoon van de koning kwam
bij bewustzijn…..
Drie dagen
lag hij als verlamd terneer. Op een dag stond hij op en ontdekte hij de
spiegel, die voor hem stond. Hij hield hem voor zijn gezicht en zag de
lippenstift, de zwart opgemaakte ogen en ontdekte het radijsje in zijn
achterste. Hij ging op zoek naar de vrouw. Waar was zij, die vrouw die geen
vrouw was? God mag weten wie het is die met mij zulke spelletjes speelt. Zo’n
zeven dagen verstreken, waarin het raam niet open ging. En hij liet zijn baard
staan, waste zijn gezicht, en hij knapte zijn hoofd op. En zij ging iedere dag
naar het dakterras om de zoon van de sultan te zien of hij het raam zou open
doen. Op een dag deed hij het raam open.
En zei tegen haar:
“Jij die
het Basilicum water geeft en besproeit
zeg mij hoeveel blaadjes zitten er aan de steel?”
En zij
antwoordde: “Mijnheer Mohammed, zoon van de koning,
die Het Boek van God heeft bestudeerd
zeg mij hoeveel sterren staan er aan de hemel
en hoeveel vissen zwemmen er in het water
en hoeveel punten staan er in Het Boek?”
Waarop hij
zei: “Weet gevallen vondelinge,
bij wie een kikkererwt uit de soep tussen haar borsten is gevallen, en die
oppakte en opat.”
En zij zei:
“Weet gevallen vondeling,
bij wie een korrel van de granaatappel onder de toog in de winkel viel, het
opraapte en opat.”
Hij
antwoordde: “Ik was de visverkoper,
en het was een spelletje van mij, de kussen op de wang van de timmermansdochter.”
Zij
antwoordde hem: “Ik was de zwarte werker en het was goed dat jij mij kocht:
ik heb gespeeld met het mooie gezicht en de kont van de zoon van de sultan!”
Daarop zei
hij: “Mijn god nog aan toe! Zij heeft mij een poets gebakken!”
De volgende
morgen ging hij naar zijn vader en zei hem: “Jij gaat mij verloven
met de dochter van de timmerman.” Daarop zei zijn vader: “Ik heb
voor je dochters van ministers en de dochters van je oom uitgekozen,
en dan kies je voor de dochter van een timmerman?” En hij zei
daarop: “Ik ga hier niet weg, tenzij je voor mij de hand vraagt van de
dochter van de timmerman. En wat je ook zegt, en hoe vaak je het me
zegt, ik neem haar.” En de volgende ochtend begaf de koning zich op weg
om de hand te vragen van de dochter van de timmerman.
De timmerman ging naar zijn dochter, en zei haar: “Onze
koning wil dat je verlooft met zijn zoon.”
Zij zei hem:
“Vader, oké, verloof mij maar met hem. Maar ik wil ’s nachts niet
bij hem zijn.”
Hij zei
haar: “Mijn dochtertje, dat God hem jou geeft” En zij weer: “Maar ’s
nachts wil ik niet met hem zijn”. Hij vroeg een bruidsschat voor haar. Die gaf hij hem en hij
accepteerde de bruidsschat.
Zei zij hem:
“Vader, jij hebt toch het huis van de sultan gezien? Waar dat is?”
Hij zei:
“Jaaaaa….!” En zij zei daarop: “Is het niet mogelijk om voor mij een
tunnel van hier naar zijn huis te graven?”
Hij zei: “Okaaaay…..” Zij zei daarop: “Je hoeft niets anders te doen dan een tunnel voor mij te maken. Haal werkers! Rust niet tot zij klaar zijn met onder de grond een tunnel te graven tot bij het huis van de zoon van de koning".
Even later kwam de
bruidegom, de zoon van de koning, op bezoek. Hij
ging meteen achter haar aan, en ontvoerde haar.
En hij zei tegen haar: “Mijn werk, mijn doen en laten, mijn falen, dat alles heb jij bewerkstelligd!”, waarop zij zei: “Dat alles heb ik jou aangedaan!”
En hij sprak
toen aldus:
”Wie is van ons tweeën de slimste: de
vrouw of de man?” En zij gaf hem ten antwoord: “Mijnheertje, dat
is de vrouw!”
Hij sloot
haar op, en verstopte haar in zijn kelder en iedere dag bracht hij haar
een halfje gerstebrood en olijven en koud water, en hij schreeuwde
naar haar en telkens zei hij:
"Aïsha, de getemde, kelderbewoonster,
Wie is de slimste: de vrouw of de man?”
En zij
antwoordde: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!”
Hij ging
naar zijn kamer, en dit ging zo door dag in en dag uit.
Haar vader
ging erop uit om haar te zoeken: waar was zij? Waar was zij? En de
mensen brachten hem er van op de hoogte en zeiden hem dat de zoon
van de koning haar verstopt had in een kelder. Hij riep de knechten
bij zich om uit te zoeken wanneer de zoon van de koning uit de kelder
onder de grond, waarin zij zat, kwam. En zo vond hij haar. Zij begon
bij haar vader te slapen en was in de kelder overdag. De zoon van de
koning bracht haar iedere dag van dat gerstebrood, water en
olijven, en zei dan tegen haar: “Wie is er slimmer de man of de vrouw?”
en zij antwoordde dan: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!”
Op een dag
benaderde hij haar en zei haar: “Aïsha, de getemde, die woont in
een kelder, ik ga een uitstapje maken naar Tyrus
(Soer).” (11) Zij zei hem daarop: "Veel plezier,
mijn meneertje! Wanneer?” En hij zei haar: “Ik ga deze vrijdag. En
vorige vrijdag, ben ik niet weggegaan, maar is zij
(bij mij) gekomen.” En zij weer: “Veel plezier, mijn meneertje,
en sterkte!” Zij ging naar haar vader, en zei hem: “Vader, ga henna voor mij
halen om mijn haar rood te verven en ga mij een tent kopen
en een extract rozengeur". En hij zei: “Goed, dit alles zullen we
voor je doen.” De dag waarop de zoon van de koning wegging,
benaderde hij haar om haar te eten te geven. Hij zei haar: “Ik ga nu
naar Tyrus!” Zij zei hem: “Goed voor je, mijn meneertje!” Zij ging naar
haar vader om hem te zeggen: “Morgen ga je voor mij in Tyrus een
tent opzetten, nog voordat de zoon van de koning daar is aangekomen".
De slaaf zette de tent voor haar op en deed alles wat zij wilde.
Voordat zoon van de koning aankwam, trof hij haar tent aan, piekfijn
opgezet. De slaaf ging zitten voor de ingang van de tent. De koningszoon zei
bij zichzelf: “God-doh-god, wie is het die mij naar de
kroon steekt?” Zij hebben zijn tent naast die van haar opgezet. Hij riep
zijn slaaf en zei tegen hem: “Ga eens kijken, wie er in die tent zit”. De slaaf ging weg en vond de slaaf zittend
voor de ingang van de tent. Hij zei hem: “Van wie is deze
tent?” “Daarin woont een mevrouw (12)”
De slaaf van de koningszoon ging terug naar zijn eigen tent
en zei hem: “Er is een mevrouw (12) in die
tent.” Hij zei hem: “Ga haar zeggen dat zij bij mij
moet komen. Ik wil met haar praten.” Hij ging erheen en zei tegen
haar slaaf: “Zeg tegen jouw mevrouw: kom met de zoon van de
koning praten.” Daarop zei zij: “Ga naar je meester en zeg tegen de
zoon van de koning dat hij bij mij komt. Een
vrouw gaat nooit naar een man; hij komt naar de vrouw toe!” Hij
stond op en ging direct naar haar toe. Hij ging de tent in, en zij
kletsten, praatten met elkaar, aten, en dronken. Er was niets dat ze niet
deden drie tot zeven dagen lang. En zij gingen met elkaar naar bed (13). De dag waarop hij weg wilde gaan naar huis, ging
hij eerst naar zijn eigen tent om en ring te
halen. Die gaf hij haar. Daarop pakte zij vlug
haar spullen en vertrok, nog eerder dan hij. Toen hij wegging, vond hij
geen sporen meer van haar, die ze had achtergelaten. Hij zei tegen hen:
“Waar is zij?” En zij gaven ten antwoord: “Mijnheer, zij is weggegaan
naar huis.” En ook hij ging naar huis. Meteen bij thuiskomst
ging hij rechtstreeks naar Aïsha toe. En hij zei tegen haar:
”Aïsha, de getemde, die woont in een
kelder, als je naar mij hebt uitgezien:
het uitstapje is al voorbij.”
En zij
antwoordde hem: “Goed voor je, mijn meneertje!” En hij:
”Mocht je ooit een oogje op mij
laten vallen, helaas ik heb ginder al iemand
gevonden. Nog nooit heb ik iemand gezien zoals zij.”
Waarop zij
hem zei: “Goed voor je, mijn meneertje!” Daarop ging hij naar huis.
Zij was zwanger, en beviel van een jongen, die zij “Soer” (Tyrus) noemde. Zij
liet hem achter bij haar vader, en ging terug naar de kelder. De
zoon van de koning kwam iedere dag en bracht haar het gerstebrood
en olijven en water. En hij zei tegen
haar: “Wie is de slimste? De vrouw of de man?” En
zoals altijd zei ze: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!”
Op een dag
kwam hij bij haar en hij zei tegen haar: “Beste Aïsha, de getemde die
woont in de kelder, ik ga voor een uitje naar “Doer”, waarop zij
als altijd zei: “Goed voor je, mijn meneertje! Wanneer?” “Meteen
deze week!” “Goed voor je, mijn meneertje!” Zij ging naar haar vader,
en zei: “Haal henna, en haal mij een tent in een andere kleur.”
“Oké, mijn dochter.” Zij deed henna in haar haren, zij doste zich mooi
uit en zette haar tent heel mooi op. Ook de zoon van de koning ging
op pad en hij trof haar daar aan, mooi opgemaakt, eerder aangekomen dan hij.
Hij riep zijn slaaf: “Ga eens kijken wie er in die tent is!” Hij antwoordde:
“Mijnheer, die tent is van die mevrouw van eerder.” Hij zei hem:
“Ga erheen en zeg haar te komen”. Hij ging naar haar toe en zij zei
tegen hem: “Dat zij niet naar hem die naar haar verlangde, zou komen. Hij
kon naar haar komen.” Daarop ging de zoon van de koning naar
haar toe, lag bij haar in bed zeven dagen lang en gaf haar bij zijn
afscheid zijn dolk. En hij zei tegen haar: “Dat God je vrede (rust)
schenkt, morgen ga ik naar huis.” Maar de zoon van de koning had zijn
tent nog niet opgebroken, of zij was al weg, verdwenen. Daar stonden ze dan, en
vonden niemand meer, en zij begonnen zich daarover
te verwonderen en zeiden: Iemand die zoiets doet is een Jinn en
geen mens!
En de zoon
van de koning ging naar huis en meteen toen hij thuis was, ging
hij naar haar toe. En hij zei: “Aïsha, de getemde, die woont in een
kelder, wie is er nu slimmer de man of de vrouw?” En zij antwoordde
hem: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!” Hij gaf haar gerstebrood,
water en olijven. En hij zei haar: “Ik heb meer van de bloem
van deze vrouw genoten dan de vorige keer, we hebben zó van elkaar genoten
dat je nooit ook maar in haar schaduw kunt staan!” Zij kwam recht voor
hem staan en zei: “Goed voor je, mijn meneertje!”
Hij ging
naar huis. En weer was ze zwanger van hem geraakt, en ging ze naar het
huis van haar vader om er te bevallen en zij noemde hem “Doer”. En
ook hij kwam een derde keer bij haar om haar te zeggen: “Aïsha, de
getemde, die woont in een kelder, wie is er slimmer de vrouw of de
man?” En zij zei hem: “Dat is de vrouw, mijn meneertje!” En hij zei
haar: “Ik ga deze keer naar Lalla Hammamat Laqçour.”(14) En zij zei: “Goed
voor je! Mijn meneertje! Wanneer?” Hij zei haar: “De volgende
week ga ik weg.”
Ook zij ging
weg, deed alles als de vorige keer. De zoon van de Sultan had nog
niet zijn tent opgeslagen, of zij was er al. Voordat hij haar bezocht,
vroeg hij zijn slaaf: “Ga eens kijken
wie er in die tent daar is.” De slaaf zei hem: “Mijnheer, dat
is weer diezelfde mevrouw, zij is het die
daar haar tent heeft opgezet.” “Ga erheen en vraag haar of zij bij mij
komt. Als ze dat niet wil, dan ga ik naar haar toe.” Ging de slaaf naar
haar toe. “Als de zoon van de koning bij mij wil komen, oké! Maar
ik ga naar niemand toe.” Stond de zoon van de koning op, ging naar
haar toe, lagen ze bij elkaar in bed, een tijdje. Een week lang lachten ze
met elkaar, en speelden ze met elkaar, en vermaakten ze elkaar.
“Morgen ga ik weg naar huis!” Zij kwam bij hem en zei: “Ga maar weg,
mijnheer, zoon van de koning. De groeten! En gezondheid!”
Hij pakte een gesp (15) en gaf het haar. Zij
ging weg naar huis, en weer beviel zij, dit
keer van een meisje. Zij noemde haar Hammamat
Laqçour.
De tijd ging
voorbij: de koning wenste zijn zoon uit te huwelijken. Daarop zei
hij: “Vader, ik ga niet trouwen!” Zei hij tegen zijn zoon: “Geen
sprake van! Ik heb je verloofd met de dochter van je oom!” Tegen de
tijd van de huwelijksvoltrekking, ging de zoon van de koning weg naar
zijn eerste vrouw, en hij zei haar: “Aïsha, de getemde die woont in
een kelder. Vader heeft mij zonet uitgehuwelijkt!” “Wie is de
gelukkige?” “Dat is de dochter van mijn oom (van vaderskant).” “Goed voor
je, mijn meneertje! Wanneer gaan jullie je inrichten?” (16) “Morgen richten we ons in.”
Zij ging
heen naar haar kinderen, kamde hun haar, stak ze in de mooiste
kleren. Zij kleedde ze aan in hun eigen kleren. Zij deed de oudste
jongen de ring aan, de andere droeg de dolk en het meisje de gesp en ze
zei tegen hen: “Luister, zij gaan hun huis inrichten en jullie pakken hun
meubels en maken het kapot en als ze je iets vragen dan zeg je:
‘Dit huis is het huis van onze vader, en vervloekt zijn de honden (17) die achter ons aan lopen', en jullie zeggen verder: ‘Maak
vrij baan voor Soer, Doer en Hammamat Laqçour,
wij gaan naar het huis van onze moeder Aïsha, de getemde, die
woont in een kelder’”. En Aïsha zei tegen haar vader: “Vader, breng
ze naar de poort van het huis van de koning.
Zij zullen er binnengaan, en jij komt terug naar huis.
Hij nam ze
mee, zij gingen het huis van de koning binnen en haar vader
keerde terug naar huis. Ze zagen hen, en zeiden tegen hen: “Deze
kinderen, wie zijn dat? Zijn dat de kinderen van de vizier (minister)
of zijn het de kinderen van de vrienden van de koning?" Toen de
kinderen hen zagen, pakten zij het meubilair in de kamer. Zij begonnen het behang eraf te trekken en maakten de
meubels kapot, helemaal. En de mensen zeiden tegen hen: "Beheers je, schaam je, kom tot jezelf!" Zij werden bang en sloegen
hen. (18) “Kalmeer ze!”, maar zij riepen terug:
‘Dit huis is ons huis en vervloekt zijn de honden die
achter ons aan lopen’. Zij waren bang. Zij riepen de zoon van de
koning. Hij luisterde naar ze en zij zeiden hem:
“Maak vrij baan voor Soer, Doer en Hammamat Laqçour, wij gaan
naar onze moeder, de getemde die woont in een kelder.” En hij
schreeuwde ze toe: “Kinderen, wie zijn jullie?” “Wij zijn de kinderen van Aïsha,
de getemde die woont in een kelder.” Daarop vroeg hij de oudste
zoon: “Hoe heet je?” En hij zei hem: “Ik
heet Soer”. Daarop vroeg hij de jongste jongen: “En jij,
hoe heet jij?” “Ik heet Doer en dit meisje heet
juffrouw (lalla) Hammamat Laqçour.” Toen viel zijn oog op de ring,
ontdekte haar aan de vinger van de oudste jongen. Hij zag de dolk van de
jongste zoon en zijn gesp merkte hij op
bij het meisje. En hij ging naar Aïsha toe, en zei haar:
“Aïsha, de getemde die woont in een
kelder…” En zij vulde hem aan:
“Wat is er van uw dienst, mijn
meneertje?”
“Wie is de slimste van de twee: de
vrouw of de man?” En zij zei:
“Dat is de vrouw, mijn meneertje!” En
hij zei haar:
“Sta mij toe je naar boven te
begeleiden.”
Zij gaf hem haar hand en hij bracht haar naar boven. Zij ging de badkamer in, masseerde zich schoon, waste zich en trok haar eigen kleren aan. Ondertussen was de dochter van de broer van zijn vader (oom) klaar voor de huwelijksceremonie, zij zou zijn bruid worden in de plaats van Aïsha. De zoon van de koning wilde niet meer met haar, maar wilde Aïsha in haar plaats. Hij maakte Aïsha tot zijn bruid: het leven duurt tot aan de dood. En ze zeiden hem: Ga bruiloft vieren met Aïsha, Aïsha, de dochter van de timmerman, de getemde die in de kelder woont.
Wij laten
hen ijzer eten en zij, de geesten (jnoen), eten honingkoeken.






















